Sie sind auf Seite 1von 9

Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord 1.

1

1.oproken Een half ..... sigaret.
2.verliezen De ...... wedstrijd.
3.schrijven De ..... brief.
4.kaften De ..... boeken.
5.aanharken Het ..... pas.
6.vergoeden De ..... schade.
7.vluchten Het ..... leger.
8.zeven Het ..... meel.
9.aanbranden Het ...... eten.
10.uitbroeden De ..... eieren.
11.wrijven De ..... vloer.
12.rooien De .....boom.
13.malen De ..... koffiebonen.
14.maken De .....kousen
15.klutsen Het ...... ei.
16.omspitten De ..... tuin.
17.afbranden Het ..... huis.
18.zenden De ...... boeken.
19.braden De ..... eend.
20.vinden De ......schat.
21.aankleden Een ..... pop.
22.poetsen De ..... schoenen.
23.verwonden De ......hond
24.verrassen De ..... jongens.
25.kiezen De ...... voorzitter.
26.verspreiden De ..... kranten.
27.verplichten De ......consumptie.
28.verwelken De ..... bloemen.
29.kruiden De ..... worst.
30.aanrichten De ..... schade.





Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord 1.2

1.verwoesten Het ..... bureau.
2.vergulden De ..... lijst.
3.erven Het ..... horloge.
4.aanrichten De ..... schade.
5.ophogen Het ...... terrein.
6.braden De ..... eend.
7.ontbieden De ..... dokter.
8.ontleden De ......zinnen.
9.verbreden De ...... weg.
10.invullen Het ..... formulier.
11.smeden Het ..... hek.
12.doden De ..... kapitein.
13.haten De ..... voorman.
14.vertalen Het ..... boek.
15.vergroten Het ...... stadhuis.
16.uitbreiden De ..... verzameling.
17.verplanten De ..... struik.
18.ontsteken De ..... kaarsen
19.opwinden De ..... klok
20.verwachten De ..... nederlaag
21.laden De ..... wagen.
22.verroesten De ..... sleutel.
23.verpraten De .....tijd.
24.oprichten Het ..... standbeeld.
25.inwijden De ..... kerk.
26.verbazen Zijn ..... gezicht.
27.lijden De ..... schade
28.bevrijden De ..... gevangene
29.verraden Het ..... plan
30.verontrusten De ..... ouders.





Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord 1.3

1.besteden Het goed .....geld.
2.maken De ..... muren.
3.bakken De .....vis smaakte lekker.
4.innaaien Het .....boek was nu veel steviger.
5.misleiden Het ..... volk van Zimbabwe.
6.verrichten De ..... arbeid.
7.overdekken Het ..... zwembad is het hele jaar geopend.
8.verplanten De .....heesters deden het best.
9.verwoesten De in de oorlog ..... steden zijn herbouwd.
10.verdrinken Na twee dagen dreggen werd de ..... zeeman
gevonden.
11.lakken
12.verven
..... stoelen zijn gemakkelijker in onderhoud dan .....
stoelen.
13.openen Het pas ..... sportpark heeft twee speelterreinen.
14.oplossen Ik heb de ..... puzzel ingestuurd.
15.slagen Het vliegtuig had een ..... noodlanding gemaakt.
16.inbinden Een pocket is goedkoper dan een ..... boek.
17.aanbieden De jubilaris dankte zijn collegas voor het ..... cadeau.
18.verroesten De ..... sleutel paste niet.
19.verwachten Het ..... succes bleef uit.
20.sluieren In t Midden Oosten ziet men hoe langer hoe minder
.....vrouwen.
21.ontluiken De pas ..... bloemen hadden van de wind te lijden.
22.achten De algemeen ..... directeur werd bij zijn afscheid
gehuldigd.
23.ontwikkelen De ..... fotos waren overbelicht.
24.overvallen De plotseling ..... vijand werd verslagen.
25.verkleden De ..... kinderen genoten van een grandioos
tuinfeest.
26.ontvluchten De ..... gevangenen werden in s-Hertogenbosch
gearresteerd.
27.haten De ..... president werd afgezet en verbannen.
28.vergroten De ..... fotos werden door iedereen bewonderd.
29.examineren Van de .... kandidaten zijn er vier gezakt.
30.verwachten De ..... salarisverhoging ging niet door.

Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord 1.4

1.verloten De .....prijzen
2.bemesten De ..... akker.
3.beantwoorden De .....brief.
4.spitten De ......tuin.
5.winnen De ..... race.
6.vergroten De ...... fotos
7.verlichten Het ...... terrein.
8.sluiten Het ..... bedrijf.
9.plukken De ..... bloemen.
10.bekleden De ..... stoelen.
11.maaien Het ....... gras
12.lappen De ...... ramen.
13.bergen Het ...... schip.
14.verliezen De ..... ring.
15.spelen De ..... wedstrijd.
16.verpoten De ..... struiken.
17.brouwen Het ..... bier.
18.vergulden De ...... sieraden.
19.missen De ..... kans.
20.witten Het ..... plafond.
21.rooien De ...... aardappelen.
22.inlijsten De ..... foto.
23.wassen De ...... gordijnen.
24.vinden Het ...... tasje.
25.behalen De ....... resultaten.
26.nemen De ...... strafschop.
27.repareren De ....... televisie.
28.verzilveren De ..... medaille.
29.afhalen De ..... prijs.
30.uitverkopen De ..... kleding.





Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord

Varia werkwoordspelling vlinder

taak 13 1.5



























Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord 2.1

1.verbreden Langs de ..... weg komt een fietspad.
2.breken Vader lijmde het ...... kopje weer.
3.ploegen De boer zaaide zijn koren in de ...... akker.
4.fantaseren Dat zal wel een ...... verhaal zijn.
5.metselen Is een ...... huis warmer dan een houten?
6.bestraten In de middeleeuwen kende men geen
.....wegen.
7.besproeien De ..... tuin rook lekker fris.
8.beplanten Langs het gazon was een met bloemen .....
border.
9.bedriegen De ...... koper wendde zich tot de politie.
10.aanbieden ...... diensten zijn zelden aangenaam.
11.landen Het ..... vliegtuig werd naar de hangar gesleept.
12.aanbranden De ...... aardappelen gingen naar de varkens.
13.planten De ...... struiken lieten de bladeren hangen.
14.volladen Het paard trok de ...... wagen naar huis.
15.bereiden Er stond een heerlijk ..... maaltijd klaar.
16.maaien Het ..... koren werd naar de schuur gebracht.
17.dorsen Het ...... graan werd in zakken bewaard.
18.afschillen Jan hapte van zijn ..... appel.
19.berijden De ...... politie handhaafde de orde.
20.africhten De ...... valk vloog achter de reiger aan.
21.prijzen De ...... artikelen lagen in de etalage uitgestald.
22.binden ..... boeken blijven lang mooi.
23.innaaien ..... boeken zijn niet zo sterk.
24.slijpen De monnik schreef met een keurig .....
ganzenveer.
25.smeden Het ..... ijzer was nog gloeiend heet.
26.haten De ..... vreemdeling verdween met de
noorderzon.
27.verbouwen Ik kende het totaal ..... huis niet weer.
28.slagen Het vliegtuig maakte een .......noodlanding.
29.slachten Het ..... varken hing aan de ladder.
30.verlichten Het hel ...... gebouw was van verre te zien.


Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord 2.2

1.herhalen Na ..... waarschuwingen kreeg ik een bekeuring.
2.verversen Het ...... water van de bloemen ziet er weer goed uit.
3.schillen De kat sprong op de pan met ......aardappelen.
4.verwennen Het ..... kind bleef maar zeuren om een snoepje.
5.ontploffen De ..... bom zorgde voor een hoop rommel.
6.verkleden In het spookhuis schrokken we van de ..... man.
7.schrijven In de ..... brief zaten nog veel spelfouten.
8.verbouwen In het ..... huis moest nog veel gebeuren.
9.haten Waarom moest de ..... man vertrekken?
10.vergroten Naast het ouderlijk bed hangen ..... fotos van oma.
11.aanrijden De ....... auto moet snel gerepareerd worden.
12.verbranden In onze achtertuin zie je nog de resten van .....
takken.
13.lijmen Bij handvaardigheid staan onze ......werkstukken.
14.horen De beller reageerde op de zojuist ..... muziek.
15.springen Ik heb de stukken van het ...... glas bij elkaar
geveegd.
16.vinden We zijn met behulp van de ........schatkaart op zoek!
17.invoeren De ...... gegevens waren we kwijt.
18.verzamelen De mooie ...... schelpen waren uit de zak gevallen.
19.beantwoorden Heb je het stencil met de ...... vragen weggegooid?
20.witten Het kind tekende op de pas .......muur.
21.organiseren Het door mij ...... feest van zaterdag gaat niet door.
22.verven De schilder stootte zich aan de net ...... deur.
23.beloven Het ...... bedrag bleek af te wijken.
24.redden De ...... drenkelingen waren heel dankbaar.
25.uitproberen Het door mij ...... recept smaakte prima.
26.beroven Ik heb medelijden met het ..... vrouwtje op de hoek.
27.schieten De jachthond haalde de ......eend op uit het veld.
28.kloppen We hebben van de ..... eieren gesnoept.
29.vallen De meester bracht de ...... jongen naar de dokter.
30.vermelden Bij het paspoort klopten de .....gegevens niet.




Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord 2.3

1.beloven De .....vakantie naar Frankrijk ging niet door.
2.bemesten De ..... akker gaf een goede opbrengst.
3.besteden Het ..... geld is verloren.
.4.beantwoorden De .....brief is nooit aangekomen.
5.betwisten Om het ..... gebied werd oorlog gevoerd.
6.ontvluchten De ..... gevangene werd weer spoedig gepakt.
7.ontruimen De krakers stonden voor het .....pand.
8.vertrouwen Dat ..... beeld stond hem voor ogen.
9.durven Deze ..... onderneming liep goed af.
10.verstrekken De ..... opdracht werd door de leerlingen
gemaakt.
11.verdwalen De ...... kinderen werden spoedig gevonden.
12.bekleden De ...... stoel vond iedereen erg mooi.
13.omhakken De ..... boom versperde de doorgang.
14.verzenden De ..... brief is nooit aangekomen.
15.bekladden De ...... muren werden gereinigd.
16.bevriezen Het ijs van de ..... sloten was nog niet sterk
genoeg.
17.besteden De ..... tijd bleek later nutteloos.
18.vergroten De ..... fotos werden door moeder opgehaald.
19.winnen De ..... race werd goed betaald.
20.haasten De ..... voorbijganger liep tegen een paal.
21.verpoten De ..... struiken sloegen niet aan.
22.vergulden De ......lijst van het schilderij ging stuk.
23.witten Aan de ..... muren hing een prachtig schilderij.
24.wassen Moeder heeft de ..... kleren aan de lijn hangen.
25.verliezen De ..... portemonnee is terug gevonden.
26.smeden De smid heeft het ...... hek gerepareerd.
27.roesten Hij heeft zich flink bezeerd aan een ...... spijker.
28.instorten De jongens beklommen de ....rune.
29.berechten De ......gevangene raakte in paniek.
30.trouwen Het pas ..... stel ging op huwelijksreis naar
Aruba.



Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord 2.4

1.beantwoorden De .....brieven werden door de directeur gepost.
2.vluchten De ..... Koerden werden door het Rode Kruis goed
verzorgd.
3.stranden Het ..... scheepje werd door de vuurtorenwachter
ontdekt.
4.afdrogen Hij zette de ..... glazen in de kast.
5.afzakken De hardloper hees zijn ...... broek op.
6.tentoonstellen De ...... schilderijen waren prachtig.
7.verhuizen Onze ...... vrienden wonen nu in Brussel.
8.haten De ..... generaal werd afgezet.
9.aanbranden De ..... soep werd door moeder weggegooid.
10.verwachten De ...... prijsverhoging werd uitgesteld.
11.bebroeden De ..... eieren kwamen tegelijk uit.
12.verkleden Het ...... kind was erg trots.
13.vermoorden De ..... mensen werden nooit gevonden.
14.eisen Het ..... losgeld werd niet opgehaald.
15.stellen De leraar beantwoordt de ..... vraag niet.
16.aanleggen Het vliegtuig landt op de nieuw ..... landingsbaan
17.afleggen De ..... kilometers in de bergen telden dubbel.
18.aantasten De tuinder verwijdert de .....planten.
19.dopen Koningin Beatrix wenst het door haar ..... schip goede
vaart
20.blokkeren De ...... weg werd spoedig weer opengesteld.
21.uitrusten Met veel enthousiasme deed de .... leerling zijn werk.
22.bekleden Moeder heeft de pas ..... bank afgestoft.
23.afspreken Wij kwamen om tien uur aan de ...... plaats.
24.voorbereiden De slecht ..... reis mislukte helemaal.
25.oplichten Er werd een schadevergoeding aan de ...... winkelier
uitbetaald.
26.springen De olie spoot uit de .....pijpleiding.
27.besteden Het ..... bedrag was niet gering.
28.haasten De ...... reizigers liepen snel naar de uitgang.
29.verplichten Bij het kunstrijden waren veel ...... figuren.
30.verstoppen Zijn ......neus bezorgde hem veel last.


Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord 2.5

1.afstuderen
2.vermageren
De pas ..... schoolarts vraagt aan Tim, een sterk .....
jongen. Steek je tong eens uit.
3.interesseren Tim bekijkt verwonderd de ..... dokter en antwoordt:
Waarom moet ik dat doen? Ik ben toch niet kwaad op u?

4.bezweten
5.vernieuwen
Een ..... man stapt het pas ..... cafeetje De PintenPakker
binnen.

6.poetsen
7.koelen
Hij maakt een salto voorwaarts, een salto achterwaarts,
een flikflak, gaat op de netjes ..... barkruk zitten en bestelt
een extra ..... pilsje.
8.verwonderen Dat is erg knap wat u daar deed, zegt de .....barman.
Hoe kan u dat zo goed?
9.wassen
10.stijken
De man, die met een .... en ..... zakdoek het zweet van
zijn voorhoofd wist, antwoordt: het circus is in de stad, en
daar werk ik bij. Ik ben acrobaat, ziet u. Een halfuurtje
later komt er weer een man het caf binnen.

11.schoonmaken
Hij maakt een driedubbele salto en een dubbele flikflak,
en gaat op de ..... barkruk zitten.
12.schrikken
13.oppoetsen
Ook hij bestelt een pilsje. Ongelooflijk, zegt de
.....barman die van de schrik het ..... glas laat vallen.


14.verlichten
De eerste man zegt: Ach, hij is gewoon een collega van
me: samen hebben we een acrobatennummer.
Dan komt er weer een man het ..... caf binnen.
15.uitbreiden
16.verven
Hij maakt een salto, een flikflak en belandt met een
.....boog op de rood ..... barkruk.
17.verrotten De barman lacht zijn grotendeels ..... tanden bloot:
18.bekennen Ik snap het al: u komt ook uit dat ...... circus. Nee, zegt
de man, je mag wel eens een ander deurmatje kopen!

19.maaien
20.beitsen
21.vernissen
In het pas ..... gras staat op twee ..... palen een groot .....
bord. Daarop staat in koeien van letters deze vraag: Ziet u
een olifant achter een grassprietje zitten?
22.verbazen Alle ..... voorbijgangers kijken vertwijfeld en gaan er
tenslotte vandoor.
23.opwekken Hadden ze het aan jou gevraagd, dan had jij zeker .....
geantwoord: Nee, ik zie hier geen olifant achter een
grassprietje zitten.
24.verstoppen Hij heeft zich wellicht goed .....!

Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord 2.6

1.verzenden Het verleden week ..... pakket is pas vandaag bezorgd.
2.toetakelen Een dokter verbond de door zijn vriendjes hevig
......jongen.
3.ontslaan De ..... receptioniste vond ander werk.
4.smoren We hoorden een ..... kreet.
5.verlichten Op de slecht ..... weg is een ernstig ongeluk gebeurd.
6.bevrijden
7.aanvoeren
In de ..... gebieden werden de ..... voorraden
gerantsoeneerd.
8.reserveren Wij hebben ..... plaatsen.
9.planten De pas ..... bomen waren door vandalen uit de grond
gerukt.
10.gronden Er bestond ..... twijfel aan de juistheid van hun
verklaringen.
11.opladen De hoog ..... auto kon niet onder het viaduct door.
12.verbreden Langs het ..... kanaal zijn enkele nieuwe industrien
gevestigd.
13.ontbloten Met ..... hoofden stonden wij aan zijn groeve.
14.smeden Het sierlijk ..... hek dateert uit de achttiende eeuw.
15.uitputten De ..... atleet zakte in elkaar.
16.verloten De .....prijzen konden bij het bureau worden afgehaald.
17.vergroten De ..... foto hing naast de boekenkast.
18.stranden De ..... vissersboot werd naar de haven gesleept.
19.ontvluchten De ..... gevangenen trachtten naar West-Duitsland te
vluchten.
20.braden De geur van ....... vlees is heerlijk.
21.rijzen De ..... bezwaren werden door de voorzitter
ontzenuwd.
22.arresteren De ..... oplichter heeft een volledige bekentenis
afgelegd.
23.verwoesten De in de oorlog ..... huizen werden herbouwd.
24.beantwoorden De ..... brieven werden door de directeur getekend.
25.verwachten De ..... nederlaag liet niet op zich wachten.
26.verblinden De ..... ouders wilden de fouten van hun zoon niet zien.
27.barsten De ..... vaas werd voorzichtig gelijmd.
28.kaften De ..... boeken zette zij in de kast.
29.oplossen Zij stuurde de ..... puzzel meteen in.
30.verwennen Het ...... jongetje lustte het eten niet.


Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord 3.1

1.bedriegen De ..... echtgenote verliet woedend het huis.
2.serveren Het bezoek genoot van de ......hapjes.
3.verdienen Mijn ..... vakantiegeld besteed ik aan mijn scooter.
4.gebruiken De ..... trui moest nu echt in de was.
5.verminderen Hij zit deze maand krap bij kas door zijn ..... salaris.
6.toejuichen Het ...... team speelde de sterren van de hemel.
7.shaken Ik ben gek op vers ..... milkshake.
8.klutsen Op zondag maakt mijn vader van .....eieren een omelet.
9.doven In de kamer rook het naar de ......kaarsen.
10.ophalen De ..... kousen zakten weer af.
11.stranden Wij kwamen op het zand het ..... schip tegen.
12.bevriezen Wij gaan zo schaatsen op de ......vijver.
13.koken
14.braden
Het ..... en .....vlees werd door de kok opgediend.
15.metselen
16.verbouwen
Ferdie is de netjes ..... muur in de pas ..... huiskamer aan
het verven.
17.zweten Zijn vrouw vraagt bezorgd aan haar ..... man:Ferdie, zou je
er geen krant onder leggen?
Welnee, zegt Ferdie. Ik kan er zo ook wel bij!
18.opmaken De altijd overvloedig ..... juffrouw op school vraagt aan Kelly
wat ze later wil worden.
19.fotograferen Ik wil later een veel ......mannequin worden, zegt Kelly
20.optutten Wat als je daar nou te lelijk voor bent?, vraagt de ..... juf. ...
21.stiften Kelly knijpt haar ..... lippen tot een grimas: Dan kan ik nog
altijd schooljuf worden...
22.vermoeien
23.verdienen
Een zwaar ..... secretaresse bestudeert aan het eind van de
maand haar zuur ..... salaris.
24.havenen Tot haar verbazing merkt ze dat er tweehonderd euro teveel
is overgeschreven op haar ..... bankrekening.
25.bezetten Ze besluit er niets van te zeggen. Een maand later heeft
diezelfde druk ..... baas haar tweehonderd euro te weinig
betaald.
26.verrassen Boos stapt ze op de .... man af om zich daarover te
beklagen.
27.belagen De ..... man zegt kalm: Waarom heeft u vorige maand niets
gezegd toen er teveel was overgemaakt?
28.opwinden
29.verwachten
De ..... secretaresse roept: En foutje wilde ik door de
vingers zien, maar twee niet .....domme fouten, dat is me
echt teveel!
Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord 3.2

1.zouten De ..... haring smaakte heerlijk.
2.aanrichten De ..... schade was erg groot.
3.inenten De ..... patint voelde zich erg ziek.
4.vergroten De ..... fotos waren erg mooi.
5.aanbranden De ..... melk smaakte vies.
6.verwoesten De ..... huizen werden afgebroken.
7.neerstorten Naast de landingsbaan lag het ...... vliegtuig.
8.fronsen Hij bekeek het boek met ..... wenkbrauwen.
9.beantwoorden In de lade lagen de ..... brieven.
10.repareren Wij namen de ...... video mee.
11.stranden De bemanning verliet het ...... schip.
12.bekleden De opnieuw ..... stoelen ware prachtig.
13.verbreden Wij reden met plezier over de ......weg.
14.verouderen De ..... boeken werden opgeruimd.
15.vergiftigen Veel ...... vogels dreven in het water.
16.besteden Het ...... geld was het uitgeven waard.
17.vinden De meest ..... voorwerpen werden weer
teruggehaald.
18.ontsporen De ..... trein werd weer op de rails gezet.
19.inrichten De modern ..... school had vaste
vloerbedekking.
20.springen De ...... fietsband werd gerepareerd.
21.polijsten De patint ging met zijn tong langs de .....
tanden.
22.ontvreemden De ..... klok werd later teruggevonden.
23.barsten De ...... ruit werd door de eigenaar afgehaald.
24.redden De ..... drenkeling werd in een deken
gewikkeld.
25.bestellen De ...... bloemen werden thuis bezorgd.
26.versieren De mooi ..... tuin bood een sprookjesachtige
aanblik.
27.bekladden De ..... muren werden door de daders
schoongemaakt.
28.snoeien In het voorjaar liepen de .... bomen flink uit.
29.terugvinden De ..... fiets werd door de eigenaar afgehaald.
30.inzamelen De ...... kledingstukken gingen naar Kenia.
Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord 3.3

1.aanrichten De ..... schade bedroeg tweehonderd euro.
2.verharden In de middeleeuwen waren er geen ..... wegen.
3.verwringen De ..... spoorrail werd vervangen.
4.uitstrekken Wij hadden van de heuvel een ruim uitzicht over de
..... velden.
5.verbuigen Met een ..... nijptang kun je geen ijzerdraad
doorknippen.
6.ophogen Het was verboden in de pas ..... berm te lopen.
7.asfalteren Door de regen was de ..... weg glad geworden.
8.bouwen De nieuw ..... brug trok veel belangstelling.
9.aanleggen De pas ..... weg begint nu al te verzakken.
10.verzakken Het ..... gedeelte moet worden vernieuwd.
11.verlaten Er liep n man door de ..... straat.
12.bekrassen De ..... auto moest opnieuw gespoten worden.
13.verkrijgen De geleerden waren enthousiast over de ....
resultaten.
14.betwisten Zeeland is lang het ..... gebied tussen Holland en
Vlaanderen geweest.
15.verbreden De ..... weg is nog te smal voor het verkeer.
16.oprichten De pas ..... vereniging telt al vijfduizend leden.
17.inrichten De smaakvol ..... etalages trokken veel belangstelling.
18.pensioneren De ..... directeur maakte een wereldreis.
19.opperen De ..... bezwaren werden besproken.
20.aanrichten De ..... schade wordt op achttienduizend euro
getaxeerd.
21.stelen ......goed gedijt niet.
22.vermissen Het ..... pakket werd een week later bezorgd.
23.glazuren Uit Itali worden ..... tegels gemporteerd.
24.spuiten De pas ..... auto glansde als een nieuwe.
25.strijken Voeger droeg men stijf ..... overhemden.
26.uitbreiden Een ..... beschrijving wordt u op aanvraag
toegezonden.
27.rijgen De bazaars hangen vol snoeren ...... kralen.
28.vermoeien We waren blij dat we eindelijk de ..... ledematen
konden strekken.
29.pleisteren In Zuid-Limburg vond je veel ..... huizen.
30.vergulden Ik vind een ..... lijst erg ouderwets.


Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord 3.4

1.huren Met een ..... auto reden we naar Parijs.
2.afbreken De ..... uitzending werd later herhaald.
3.aankopen De door het museum ..... schilderijen werden
gexposeerd.
4. inkomen De ..... brieven werden beantwoord.
5.etaleren Alle ..... artikelen waren geprijsd.
6.braden Ik houd van ..... vlees.
7.sluiten De luchtdicht ..... bussen bevatten melk.
8.inzenden Het ..... stuk werd door de redactie geweigerd.
9.vragen De ..... inlichtingen werden mij onmiddellijk verstrekt.
10.verstrekken De .....inlichtingen waren zeer waardevol.
11.verwachten De door het K.N.M.I. ..... regen bleef uit.
12.uitstellen De ..... wedstrijd werd op en zaterdag ingelast.
13.verplaatsen Het ...... schuurtje is op een betonnen fundering
opgetrokken.
14.inrichten Het voornaam ..... herenhuis bracht op de veiling een
miljoen op.
15.adresseren De verkeerd ..... brief is aan de afzender
teruggezonden.
16.ontvreemden De ..... portefeuille bevatte driehonderd euro.
17.verliezen De ..... portemonnee was op het politiebureau
afgegeven.
18.rooien De ..... aardappelen lagen op het veld te rotten.
19.afbranden Het ...... huis was tegen brand verzekerd.
20.bezoeken Op de druk ...... vergadering werd het nieuwe voorstel
besproken.
21.aankondigen De ...... veiling werd een week uitgesteld.
22.lijden De verzekering vergoedde de ..... schade volledig.
23.opheffen Met ...... hoofd stond de beklaagde voor de rechter.
24.verlichten In de feestelijk ..... straat deden wij onze kerstinkopen.
25.verven De ...... schuur ziet er weer mooi uit.
26.rijzen De ..... problemen werden uitvoerig besproken.
27.bedelven De onder het puin ...... stad werd opgegraven.
28.stranden Er zijn wrakstukken van het ..... schip aangespoeld.
29.vaststellen Al deze artikelen worden tegen .....prijzen verkocht.
30.verroesten Uit de gracht werd een ..... fiets opgevist.
Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord 3.5

1.vermoorden De ...... vorst werd in de kathedraal bijgezet.
2.genieten Wij bedankten voor de ..... gastvrijheid.

3.beeldhouwen
In de marmeren gang stond een ..... eikenhouten bank.
4.verontrusten De ..... ouders belden de politie op.
5.illustreren Mijn oom bezit honderden fraai ..... boeken.

6.ontvreemden
De ...... gouden horloges werden bij een heler in
beslag genomen.
7.afwaaien De ......appels waren enigszins beschadigd.
8.doorstaan
9.pensioneren
De ..... ellende had de gezondheid van de .....
ambtenaar ondermijnd.
10.vergulden Het ..... weerhaantje fonkelde in de avondzon.
11.vergroten In de ......garage kunnen twee autos worden gestald.
12.stellen Ik wilde niet op de ..... vragen antwoorden.
13.blesseren De dokter heeft de ..... man verbonden.
14.verpraten
15.verliezen
De ..... tijd is .....tijd.
16.afbranden De ..... gebouwen zullen spoedig worden herbouwd.
17.verloten De ..... boeken waren prachtig gellustreerd.
18.kneuzen Met bebloede hoofden en ...... schouders werden de
wielrenners in het ziekenhuis opgenomen.
19.verwennen Het ..... kind moest een toontje lager zingen.
20.herstellen De pas ......dijk bezweek opnieuw.
21.verloten De ......prijzen waren waardevolle schilderijen.
22.aanwenden De ......medicijnen hebben de zieke genezen.
23.smeden Gelukkig kon het ......complot bijtijds worden verijdeld.
24.verwachten Eindelijk was het lang ..... ogenblik aangebroken.
25.vereisen De ..... maatregelen zullen spoedig worden genomen.
26.verlichten De dames keken naar de schitterend ......etalages.
27.stranden Het gelukte de sleepboot het ..... schip los te trekken.
28.inrichten Het modern .....landhuis is voor acht ton verkocht.
29.besteden De aan dit werk .....tijd moet niet als verloren worden
beschouwd.
30.braden Ik ben dol op een ......kippetje.


Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord 3.6

1.verachten
2.haten
In 1573 werd de door alle Nederlander ......en
.....landvoogd naar Spanje teruggeroepen.
3.verlichten De toeristen bewonderden de ...... Amsterdamse
grachten.
4.doden De stropers verborgen het .....wild achter in de bak van
hun auto.
5.ontvluchten De .... gevangenen werden dezelfde dag aangehouden.
6.verzekeren De verdachte werd in ......bewaring gesteld.
7.vervuilen De totaal ..... oude man werd in een inrichting
opgenomen.
8.behalen De ..... resultaten waren teleurstellend.
9.ontvreemden De ..... sieraden werden door de recherche opgespoord.
10.fotograferen Wie is de meest ..... filmster ter wereld?
11.aanbesteden Het ..... werk wordt binnen een jaar uitgevoerd.
12.innaaien
13.binden.
..... boeken zijn goedkoper dan ......
14.trekken De daders van de roofoverval kwamen met ......pistool
het huis binnen.
15.begroten Het ..... tekort liep in de duizenden.
16.opwinden Het .....publiek raakte in paniek
17.verbijten
18.eisen
Met een ..... gezicht hoorde de beklaagde de tegen hem
..... straf aan.
19.stranden Het ..... schip werd de haven binnengesleept.
20.vervaardigen Op het filmfestival werd een door een Nederlander ....
film bekroond.
21.aanbranden De ..... papa was niet te eten.
22.aankopen De ..... drukpers voldeed in alle opzichten.
23.plukken De ..... appelen bleken nog niet rijp.
24.redden De ..... drenkeling werd naar het ziekenhuis vervoerd.
25.afbranden Het ..... stadhuis bied een mistroostige aanblik.
26.afvallen De wind joeg de ..... bladeren op.
27.bekleden De met pluche ..... stoelen waren veertig jaar oud.
28.schenden De edelsmid restaureerde de ..... antieke broche.
29.bedreigen De door de vijand ..... stad werd gevacueerd.
30.doorstaan De ......ellende heeft zijn gestel ondermijnd.

Verwandte Interessen