You are on page 1of 2

Persoonlijk

(Pronombre
sujeto)

Wederkerend
(reflexivos)

Bezittelijk
(posesivos)

ik

me

mijn

jij, je

je

jouw

u
hij
zij, ze

zich
zich
zich

uw
zijn
haar

het / de

zich

zijn (haar)

wij, we

ons

jullie

je

ons (huis), onze


(auto)
jullie

persoonlijk
voornaamwoord
(caso acusativo)

persoonlijk
voornaamwoord
(caso
preposicional)
me (mij)
mij (Dit boek is
voor/van mij)
je (jou)
jou ( Dit boek is
voor/van jou)
u
u
hem
hem
haar, ze [Vlaams], haar
(haar)
het, hem (dit, dat hem / haar (Deze
/ deze, die)
brokjes zijn voor
hem / haar [solo
si es un ser
animado])
ons
ons
jullie

jullie

zij, ze

zich

Voornaamwoorden (Pronombres)

hun

ze, ze (hun, hen


hun (hen)
(persons) / deze,
die (inanimate))