You are on page 1of 100

Samenvatting: boek "Filosofie Exploring Humans",

Hans Dooremalen, -Compleet


Complete_Samenvatting_Filosofie_.pdf

Open Universiteit | Grondslagen van de psychologie: filosofie

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Grondslagen van de Psychologie:


Filosofie
S37211
Introductie: tussen scepticisme en wetenschap
Wetenschap wordt gezien als de kroon van de menselijke geest. De wetenschappelijke
grenzen zijn steeds verder opgerekt en we zijn eroverheen gegaan. Dit kan gemakkelijk
leiden tot de conclusie dat er geen grenzen zijn aan de wetenschap. Het zorgt voor een
begrip van de realiteit die steeds beter wordt. Volgens deze stroming is de wetenschap
superieur boven alle andere pogingen om kennis te vergaren, zijn wetten zorgen voor
zekerheid.
Zullen we ooit echt iets met zekerheid weten? Iedere nieuwe wetenschappelijke oplossing
lijkt nieuwe mysteries voort te brengen. Er zou wel eens een belangrijke waarheid
kunnen liggen in de opmerking van David Gross tijdens de Stockholm ceremonie waarin
hij de Nobelprijs kreeg voor fysica in 2004: onwetendheid is het belangrijkste product
van de wetenschap.
In het boek What We Believe but Cannot Prove: Todays Leading Thinkers on Science in
the Age of Certainty bekennen wetenschappers en filosofen wat ze voor waar aannemen
zonder dat ze hier bewijs voor hebben:
We zijn wel/niet alleen in het universum
Evolutie is verantwoordelijk voor al het leven in de kosmos
De snaartheorie is wel/niet een zinloze theorie in de fysica
De geest leeft wel/niet voort na de dood
Er is wel/niet een onafhankelijke realiteit buiten ons bewustzijn
Er is veel wat we niet weten en nooit zullen weten. De ontdekking van de realiteit is een
menselijke activiteit en mensen zijn beperkte wezens. Onze rationele en sensorische
capaciteit is verre van perfect. We maken fouten. Hoe kunnen we verwachten dat we in
staat zijn een Gods oog perspectief in te nemen? Is het niet waarschijnlijker dat
waarheid en zekerheid voor altijd buiten de menselijke cognitie en perceptuele
capaciteiten liggen?
Wellicht mogen we concluderen dat we niet alles weten en dat ook nooit zullen doen.
Sceptici (postmodernisten/relativisten) menen dat moderne wetenschappers niets meer
zijn dan dogmatische (=leerstellig) gelovigen en ze vallen de wetenschap aan op het
monopoliseren van de waarheid. Er is geen enkel bewijs in de wetenschap volgens de
sceptici. Het is niet zekere kennis maar geloof dat de wetenschap overeind houdt. De
moderne wetenschap is het product van falende ideologien die diep geworteld zijn in de
Wetenschappelijke revolutie en de Verlichting. Het was in deze geest dat Karl Marx stelde
dat de economie was uitgevonden voor de bourgeoisie en dat de bioloog Richard
Lewontin beweerde dat de biologische doctrine van het genetische determinisme het
product is van rechtse ideologie. Wetenschappers worden gevangen gehouden in de
vooroordelen van de samenleving waarin ze zijn geboren en opgevoed. Er is geen
objectieve observatie, geen waarheid in wetenschappelijke theorien. Er is meer dan n

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

waarheid, meer dan n methode. Paul Feyerabend zei in zijn beroemde Against Method
dat wetenschap dichter bij de mythe ligt dan een wetenschappelijk filosoof wil toegeven.
Het is n van de vormen van denken en is niet noodzakelijk de beste vorm. Het is
superieur voor diegene die al beslist hebben in het voordeel van een bepaalde ideologie,
of die een ideologie hebben geaccepteerd zonder de voordelen en nadelen te
onderzoeken. I.p.v. de wetenschappelijke methode mag een grote variatie aan
benaderingen worden gebruikt, alles mag.
We zullen zien dat wetenschappers en filosofen geprobeerd hebben om sceptici te
overtuigen d.m.v. wetenschap met een stevige en veilige basis.
Sinds Plato en Aristoteles zoeken wetenschappers en filosofen naar manieren om de
sceptici te overtuigen van de mogelijkheden van wetenschappelijke kennis. Is het de
reden die leidt naar echte kennis zoals Plato stelde, of zijn het de sensorische ervaringen
zoals Aristoteles dacht?
De filosofie is onder te verdelen in een aantal subdivisies, die elk met hun eigen
vraagstuk bezig zijn. Metafysica is zon subdivisie van de filosofie. Het bijbehorende
vraagstuk zou je kunnen samenvatten als wat is de werkelijke aard der dingen?
Oorspronkelijk komt het woord metafysica van de werken van Aristoteles. Bij de
bundeling van zijn werken, twee eeuwen na zijn dood, werden de stukken waarin hij de
natuur empirisch beschreef de Physika genoemd. Werken waarin hij door middel
van redeneren de onzichtbare essentie van het bestaan probeerde te achterhalen, kregen
de titel Ta meta ta Physika biblia. Letterlijk vertaald betekent dit: het werk volgend op de
Physika. De Metaphysika was dus gewoon een abstracte, filosofische kijk op de
werkelijkheid die in de kast rechts naast de empirisch georinteerde Physika stond.
Ontologie staat grotendeels gelijk aan de metafysica. Bij Aristoteles maakte ze daar
bijvoorbeeld expliciet deel van uit. Ontologie is de tak van filosofie die vraagt naar de
essentie van de dingen. Wat zijn de bepalende eigenschappen van dingen? en Hoe
ontstaan die eigenschappen? zijn typische voorbeelden van ontologische vragen. De
moderne opvatting dat de menselijke geest een bijverschijnsel is van ons biologische
brein, en dat die geest ontstaat door de werking van neuronen en neurotransmitters zou
je dus een ontologische opvatting kunnen noemen. De achterliggende metafysica is dat
de werkelijkheid in essentie slechts bestaat uit materie.
Epistemologie is de afdeling van de filosofie die zich bezighoudt met de aard van onze
kennis. Haar vraagstuk is dus feitelijk gelijk aan dat van deze cursus: Wat is kennis en
hoe komen wij daartoe?. De epistemologische positie die je kiest, is sterk afhankelijk
van je ontologische opvattingen. Wanneer we ervan uitgaan dat de geest een
bijverschijnsel is van het materile brein, zullen we al snel besluiten dat we kunnen
volstaan met een natuurwetenschappelijke, empirische aanpak. Door met behulp van
scanners in het brein te kijken leren we hoe de geest werkt. Dat niet iedereen het
daarmee eens is, zal nog regelmatig blijken, maar in vrijwel alle gevallen zullen we zien
dat iemands ontologische opvatting invloed heeft op diens epistemologische opvatting.

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Rationalisme en empirisme in de antieke Tijd


Introductie
Wat is kennis? Dit was de vraag die Socrates (470-399 v.Chr.) stelde aan de jonge
Atheense wiskundige Theaetetus en waarmee hij een lange historie van filosofie van de
wetenschap en de filosofie van kennis (=kennisleer/epistemologie) ontketende. Het is
een vraag die nog steeds actueel is net als verschillende gerelateerde vragen:
Hoe kunnen we kennis verantwoorden?
Wat is de ultieme bron van kennis?
Wat is de methode waarmee we kennis opdoen?
Twee rivaliserende benaderingen die traditioneel het debat domineren zijn het
rationalisme en het empirisme.
Rationalisme = stelt dat echte kennis over de realiteit ontstaat door het juiste gebruik
van onze redeneer capaciteiten (intellect, reden of ratio). Rationalisten beweren dat onze
capaciteit om te denken ideen en concepten vormt die we niet kunnen bereiken door
het uitsluitende gebruik van onze sensorische capaciteiten. De grondlegger van het
rationalisme is Socrates op basis van het werk van Plato.
Empirisme = stelt dat sense experience de ultieme bron van kennis is. De zintuigen zijn
betrouwbare indicatoren van wat de realiteit is. Het idee dat men voor kennis moet
vertrouwen op empirische feiten gaat terug tot Platos leerling Aristoteles.
Hoewel zowel Plato als Aristoteles ontzettend invloedrijk waren in de Middeleeuwen, toen
geleerden veel moeite staken in de verzoening tussen deze heidense autoriteiten met de
Christelijke theologie, zorgde de Wetenschappelijke Revolutie voor het in opspraak raken
van hun ideen. Maar zowel rationalisme als empirisme zouden in nieuwe gedaanten
voortleven na de Wetenschappelijke Revolutie.

Platos rationalisme
Plato (427-347 v.Chr.) was de beroemdste leerling van Socrates en wordt een rationalist
genoemd. Wat we weten over Socrates weten we voornamelijk door de geschriften van
Plato. Zijn werk, zoals de Theaetetus, is geschreven als dialogen waarin Socrates n van
de deelnemers was.
De methode van Socrates was de dialectiek. Dialectiek is het principe van verandering
volgens de lijnen van een driehoek. Een stelling heeft een tegengestelde. De twee
tegengestelden versmelten in een synthese die op haar beurt weer these wordt, enz.
Plato laat Socrates deze methode van vraag & antwoord beschrijven als intellectuele
verloskundige. Het hoofddoel is anderen te assisteren in het filosoferen door het stellen
van vragen om zo ware ideen geboren te laten worden.
Socrates beweerde dat zijn niet weten zijn enige zekerheid was en hij stelde anderen
vragen over de dingen waarvan zij beweerden het zeker te weten. Zo zorgde hij ervoor
dat ze bij hun vooronderstellingen kwamen en liet hen zo hun mening overdenken.
Onderwerpen van onderzoek voor Socrates waren:
Liefde
Schoonheid
Waarheid
Rechtvaardigheid
Kennis
Moed

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Hij probeerde de essentie te bepalen, hun unieke identificerende eigenschappen, gedeeld


en voorkomend in alle gevallen.
Hoewel Socrates populair was bij de Atheense jongeren maar hij had vijanden bij de
machtigen. De aanklacht van Meletus tegen Socrates was dat hij niet de goden erkende
die de stad wel erkende en nieuwe godheden introduceerde. Daarnaast corrumpeerde hij
de jongeren en hij zou de doodstraf moeten krijgen.
Socrates werd inderdaad ter dood veroordeeld en hij was gexecuteerd door een zelf
toegediende drank die een oplossing bevatte van de dolle kervel.
Metafysica is de tak van de filosofie dat een antwoord probeert te vinden op vragen als:
Waarom is er iets i.p.v. niets?
Waar is de wereld van gemaakt?
Metafysica wordt ook wel ontologie genoemd (to on = te zijn).
Een centraal thema was het verschil tussen being en becoming en Parmenides en
Heraclites waren tegenstanders in deze kwestie.
Heraclites the Obscure (600-540 v.Chr.) = verandering/flux was het hart van het
bestaan. We kunnen alleen naar waarheid beweren dat er niets is; alles wordt. Deze visie
wordt vaak gevangen in het aforisme panta rei; alles stroomt. Door deze voortdurende
veranderingen in de verschijningen zijn de meeste mensen niet in staat om kennis te
verwerven. Alleen een enkeling die in staat is om de verborgen en fundamentele wet
(=logos) achter de veranderingen van de verschijningen te grijpen, kan kennis
verwerven.
Parmenides (510-440 v.Chr.) = de zintuigen misleiden de mens tot het denken dat
dingen voortdurend veranderen. Water wat ik heet vind, vind jij lauwwarm, etc. We
hebben de neiging te geloven dat de realiteit voortdurend veranderd maar verschijningen
zijn misleidend. Iets kan niet van niets komen of in niets ontbinden. Onder alle
veranderingen en bewegingen die we waarnemen met onze zintuigen ligt een
permanente en onveranderlijke realiteit. Alles is, niets wordt. Werkelijk bestaan betekent
zonder veranderingen. Als de zintuigen misleidende gidsen zijn naar de realiteit, moeten
we vertrouwen op de rede om de onveranderlijke waarheden over eeuwige realiteit te
ontdekken.
Voor Parmenides is zijn echt en verandering niet. Voor Heraclites is verandering echt en
zijn niet. Deze metafysische themas zijn direct gerelateerd aan epistemologische
themas; wat is kennis?
Plato stemde in met de beweringen van Heraclites en Cratylus (volgeling van Heraclites):
de wereld van het gevoel is voortdurend in beweging; alles stroomt.
Plato stelde dat als we kennis gelijkstellen aan waarneming, de vermeende fluctuerende
aard van de perceptuele wereld verwoestende consequenties heeft, want het zal scepsis
kweken m.b.t. kennis: echte kennis zal in dat geval ronduit onmogelijk worden gemaakt.
Door de waargenomen wereld in constante beweging zijn onze waarnemingen en dus
onze kennis verschillend op diverse momenten. Kennis wordt relatief voor de waarnemer
en zijn eigen percepties en overtuigingen.
Homo mensura (Protagoras) = de mens is de maat van alle dingen.
4

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Hieruit volgt dat zowel Heraclites en Protagoras stellen dat de waarheid bevindt zich in
het oog van de toeschouwer. Plato was het niet eens met deze Protagorasische waarheid;
waarheid en kennis gaat over hoe de dingen zijn, niet hoe ze zijn voor mij.
Plato was het meer eens met Parmenides. Voor hem is zijn perfect wat voor hem
betekent dat het onveranderbaar is. De wereld is een bovennatuurlijk gebied met daarin
het eeuwige en perfecte Vormen/Ideen van alles. Een driehoek in een boek is een
reflectie van de perfecte driehoek; een zogenaamde universal uit het bovennatuurlijke en
bovenzintuiglijke wereld. Onze kennis over driehoeken betreft de Vorm en niet de
imperfecte manifestatie. Plato gebruikte hiervoor de Grot als allegorie.

Rechts op de afbeelding, in het donkere deel van de grot, zie je een mensenmassa die
gevangen zit in de grot. De gevangenen zitten met hun rug tegen de muur en hebben
hun gezicht gefixeerd op de muur tegenover hen. Achter hun rug bevindt zich een vuur.
Tussen het vuur en de gevangenen bevindt zich een poppenspel dat schaduwen werpt op
de muur. De gevangen kunnen noch het vuur, noch het poppenspel zien. Zij zien alleen
de schaduwen van het poppenspel op de muur en gaan er dus vanuit dat deze
schaduwen de waarheid zijn.
Wanneer een gevangen vrijgelaten wordt zal hij in eerste instantie verblind worden door
het vuur, maar na enige tijd zal hij zich realiseren dat de schaduwen niet de realiteit zijn,
maar een vage schaduw van de realiteit. Wanneer hij zich dat eenmaal realiseert en zijn
ogen gewend zijn aan het licht van het vuur, zal hij de weg naar de uitgang kunnen
vinden waar hij de werkelijkheid in zijn volle glorie kan aanschouwen. Pas dan zal hij zich
realiseren dat ook het poppenspel slechts een kopie is van de wereld zoals die buiten de
grot is. De wereld waar hij zijn heel leven naar heeft gekeken, is niet alleen een
schaduw, maar een schaduw van een kopie van de werkelijkheid.
Voor Plato symboliseerde dit de werking van ons zintuiglijk systeem. We zitten gevangen
in onze imperfecte zintuigen en zullen dus nooit de werkelijkheid kunnen aanschouwen,
slechts een vage afdruk daarvan. Bovendien zijn de dingen die we in de wereld
aanschouwen niet de werkelijkheid, enkel imperfecte kopien daarvan. Onze waarneming
is dus verre van perfect en zal nooit kunnen leiden tot ware kennis. Om die te bereiken
moeten we ons bevrijden van onze zintuigen, de grot van onze zintuiglijke wereld
verlaten en het licht van de waarheid opzoeken. Dit licht is alleen te bereiken langs de
weg van het verstand, van de ratio. Het is, volgens Plato, de taak van de filosoof om ons
te helpen dit pad van de rationaliteit te bewandelen.
5

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Platos allegorie omvat in feite zowel de wereld die Heraclites beschrijft, als de wereld die
Parmenides beschrijft. De schaduwen op de muur vormen de ervaringswereld
van Heraclites, die bij ons een eindeloze stroom van vage, veranderlijke indrukken
achterlaat. De wereld buiten de grot symboliseert de statische achterliggende
werkelijkheid van Parmenides. Beide werelden bestaan dus volgens Plato. Echter,
de zintuiglijke wereld van Heraclites leidt slechts tot onzekere kennis, tot
dogmatische kennis waarvan we slechts kunnen geloven dat deze waar is. Echte kennis
bereiken we door de grot van onze zintuiglijke wereld te verlaten en langs de weg van
het verstand op zoek te gaan naar de wereld van Parmenides waarin we met zekerheid
kunnen beredeneren wat waar is.
Deze wereld van het verstand, van ware kennis die niet voor onze zintuigen bereikbaar
is, noemde Plato de Wereld van de Vormen in het Nederlands ook wel de Wereld van
de Ideen genoemd. In deze wereld bevinden zich de ware Vormen of Ideen in perfecte
staat. De wereld die wij zien, bevat slechts imperfecte kopien van die perfecte objecten.
Deze Ideenwereld bevindt zich, volgens Plato, in ons en is aangeboren. We worden dus
geboren met ware kennis over de wereld, we zijn hem alleen vergeten. Alles wat we
moeten doen is deze kennis weer herinneren. We leren volgens Plato dus eigenlijk ook
nooit iets nieuws, we herinneren ons alleen maar de perfecte Ideenwereld die in ons zit.
Hiermee biedt Plato een ontsnappingsroute uit het scepticisme van Socrates. Ook die
constateerde dat de wereld van de zintuigen ons geen zekerheid biedt. Waar hij echter
stelde dat we dus nooit iets zeker kunnen weten, zegt Plato nu dat dit wel kan. Die ware
kennis zit immers al in ons bij geboorte. Door gebruik te maken van ons verstand,
kunnen we die kennis herinneren en toch zekerheid bereiken.
Empirisch onderzoek is volgens Plato ontoereikend voor kennis omdat het ons in contact
brengt met de realiteit die zich constant in een Heraclitische beweging bevinden. De
werking van onze zintuigen resulteert slechts in geloof (doxa) en geen kennis (epistm).
Omdat de Vormen een onderdeel zijn van de bovennatuurlijke wereld kunnen we ze niet
waarnemen met onze zintuigen. Volgens Plato kunnen we deze kennis verwerven door
ons vermogen tot redeneren. Dit maakt Plato een rationalist. Plato is ook een nativist, de
doctrine die stelt dat mensen aangeboren ideen hebben. Deze aangeboren ideen zijn
kennis die we al bezitten als we geboren zijn. Hierdoor hoeven we niet af te gaan op
onze zintuigen.
Plato ging zelfs zo ver dat hij stelde dat we geboren werden met alle kennis. Deze kennis
gaat verloren tijdens de geboorte maar we kunnen het ons weer herinneren als we onze
rede juist gebruiken; leren is herinneren en niet het verwerven van nieuwe kennis. Plato
geloofde in rencarnatie wat hierbij relevant is. De onsterfelijke ziel behoordt de Wereld
van de Vormen toe, waar de ziel alle Vormen gezien heeft. We vergeten ze als onze ziel
geboren wordt in onze lichamen.
Anamnesis = leren door herinnering
Plato wilde dit aantonen door een slaaf een vierkant te laten
verdubbelen. Nadat deze dit aanvankelijk verkeerd deed, hij maakte het
4x zo groot, deed hij het de volgende keer wel goed. Dit zou het bewijs
zijn dat alle kennis is aangeboren, als je er maar goed over nadenkt.
Natuurlijk weet de slaaf dit niet maar bevestigt hij alleen wat Plato zegt.

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Aristoteles empirisme
Empiristen beweren dat de bron van kennis niet de rede is, zoals de rationalisten, maar
zintuiglijke ervaring. Empiristen beweren dat onze zintuigen ons in direct contact stellen
met de wereld en dat deze ervaringen het fundament moeten zijn van onze kennis.
Grieks empeiria -> Latijn experientie -> Engels experience
Aristoteles hield zich bezig met fysica, metafysica, astronomie, biologie, zologie, logica,
politiek, ethiek, anatomie, economie en meteorologie. Hij werd door Dante dan ook the
master of those who know genoemd. Theorien moesten in overeenstemming zijn met ta
phainomena. Deze fenomenen of uiterlijk waren niet alleen observatie maar ook
algemeen geloof. De empirische data die hij verzamelde werd ook gebruikt om
wijdverspreide vooroordelen te corrigeren.
Aristoteles verwierp Platos idee van twee werelden. Voor Aristoteles was er slechts n
wereld, de natuurlijke wereld waarin we leven. Universele vormen worden opgenomen
door de natuurlijke objecten zoals misvormde driehoeken. Essenties zijn onderdeel van
de natuurlijke wereld en dus ook toegankelijk, niet door puur intellectueel denken, maar
door empirisch onderzoek. Kennis komt van het observeren van de natuur.
Peripatetic Axiom (Aquinas) = er is niets in het intellect wat niet eerst in de zintuigen
was.
Aristoteles bestreed ook aangeboren kennis; de mens wordt zonder enige kennis
geboren. Locke stelde dat een kind een tabula rasa is. Dit was een uitspraak van
Aristoteles. Dit ontstond door de ontvangst van zinvolle vormen in de waarneming.
Perceptie was voor Aristoteles in de letterlijke zin van in-formatie; de indruk van vormen
door de zintuigen. Het zien van een driehoek zorgt voor de vorm van een driehoek maar
niet het materiaal waar het van gemaakt is. De waarnemer wordt genformeerd door de
driehoek.
Aristoteles doctrine heeft belangrijke implicaties voor de wetenschappelijke
methodologie. Zijn visie op wetenschappelijke methoden worden uiteengezet in zijn zes
logische verhandelingen die samen het Organon/Instrument vormen.
Wetenschap bestond uit het ontdekken van de oorzaak van objecten: causale verklaring.
Het opstellen van een causale verklaring heeft redeneren nodig waarmee basisprincipes
worden toegepast op bepaalde zaken. Aristoteles maakte gebruik van syllogismen.
Het syllogisme is een vorm van logica, waarmee je de argumentatie van een deductie
kunt uitschrijven. Het bestaat uit twee premissen en een conclusie. De eerste premisse
bevat algemene kennis. De tweede premisse bevat specifieke kennis die te verbinden is
met de eerste premisse. Door nu de eerste premisse toe te passen op de tweede, plegen
we deductie en komen we tot een specifieke conclusie.
1 Alle mensen zijn sterfelijk.
2 Socrates is een mens.
3 Dus, Socrates is sterfelijk.
Deze drie onderdelen vervullen elk hun eigen rol in het syllogisme als we daarin gaan
rommelen, tasten we de geldigheid aan. Je kunt bijvoorbeeld niet zomaar de tweede en
derde uitspraak verwisselen. De premissen dat alle mensen sterfelijk zijn en dat ook
Socrates sterfelijk is, leiden namelijk niet automatisch tot de conclusie dat Socrates een
7

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

mens is. Hij zou ook een ezel kunnen zijn. Immers, de eerste premisse sluit niet uit dat
ook ezels sterfelijk zijn. Wanneer we op basis van zijn sterfelijkheid zouden
willen concluderen dat Socrates een mens is, dan zou ook de eerste premisse anders
moeten luiden.
1 Iedereen die sterft is een mens.
2 Socrates is sterfelijk.
3 Dus, Socrates is een mens.
In deze vorm is het syllogisme ook geldig. Maar nu stuiten we op een ander probleem.
Stel dat mijn ezel inderdaad Socrates heet, dan klopt de redenering wel, maar is de
conclusie toch niet correct. Dit is het meest fundamentele probleem van het syllogisme
en daarmee van het deductieve argument: uit geldigheid volgt niet per definitie
waarheid. Dit komt omdat we ervan uitgaan dat de eerste premisse met zekerheid waar
is, terwijl dat helemaal niet zo hoeft te zijn. Een deductief argument staat of valt
dus met de eerste premisse. Als die niet waar is, kan het syllogisme wel kloppen, maar
leidt het nergens toe.
Volgens Plato bestond het probleem van het syllogisme eigenlijk helemaal niet. De
waarheid van zon eerste premisse was voor hem vanzelfsprekend. Die was immers
direct afkomstig uit de aangeboren Ideenwereld. Zolang we onze eerste premissen heel
zorgvuldig kiezen, op basis van onze herinnering aan die Ideenwereld, hoeven we de
waarheid daarvan helemaal niet te betwijfelen.
Aristoteles vond dit een zwak argument. Hij vond juist dat we de andere kant op
moesten redeneren. De meest specifieke, concrete feiten bieden immers het meeste
zekerheid. Door die met elkaar te verbinden stapelen we specifieke zekerheden op tot
algemene kennis. Deze methode waarbij we dus precies andersom redeneren van het
specifieke naar het algemene noemen we inductie. Zon inductieve redenering zou er
als volgt uit kunnen zien:
1 Aristoteles is een mens en is sterfelijk.
2 Plato is een mens en is sterfelijk.
3 Socrates is een mens en is sterfelijk.
4 Parmenides is een mens en is sterfelijk.
5 Heraclites is een mens en is sterfelijk.
6 Dus, alle mensen zijn sterfelijk.
We hebben nu al vijfmaal waargenomen dat mensen sterven. Die verzameling
waarnemingen brengt ons ertoe te veronderstellen dat alle mensen sterfelijk zijn. De
basis voor de eerste premisse van een syllogisme is dus helemaal niet gegeven in een of
andere Ideenwereld, zoals Plato beweerde. Die eerste premisse is gewoon een inductie
van wat we tot nu toe hebben waargenomen. Aristoteles verwerpt dus de hele
aangeboren Ideenwereld van Plato en diens deductieve methode en biedt de inductieve
methode als alternatief.
Overigens erkent hij dat deze inductie ook niet tot zekere kennis leidt. In het
bovenstaande voorbeeld hebben we bijvoorbeeld pas vijf mensen gezien, en weten niet
zeker of de zesde ook sterfelijk is. Zelfs als we zeventien miljoen mensen gezien hebben,
weten we nog niet zeker of alle mensen sterfelijk zijn. Ook met behulp van inductie
lossen we dus het probleem van het syllogisme uiteindelijk niet op.

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Aristoteles wordt vaak als eerste empirist gezien. Er zijn echter een aantal redenen
waarom men hier voorzichtig mee moet zijn:
Zoals we gezien hebben, zijn de basisprincipes niet alleen gebaseerd op
observaties maar ook op intutie. Er zijn volgens Aristoteles vier oorzaken. Deze
vier zijn allemaal nodig om kennis te hebben van iets. Aristoteles betrekt ook
redenatie in zijn wetenschap en er is dus ook grond om te denken dat het een
rationalist was:
o Formal cause: vorm van een standbeeld
o Material cause: materiaal van een standbeeld
o Efficint cause: de primaire bron van de verandering of de afwezigheid
hiervan, hier de beeldhouwer
o Final cause: het doel waarom iets wordt gedaan, esthetiek of devotioneel
Bacon stelde dat Aristoteles vaak geleid werd door aannames en vooroordelen.
Zijn idee van de vrouw werd geleid door de ideologische vooroordeel van de
mannelijke dominantie uit die tijd.
Voor Aristoteles hebben mensen die zich overleveren aan lange discussies een nauwe
blik. Alleen wanneer we het abstracte theoretiseren loslaten en kijken naar de natuur
kunnen we principes ontdekken en verbinden tot een groter geheel. Aristoteles legt dus
een sterke nadruk op de waarneming als bron van informatie. Volgens hem worden we
geboren als een blanco blad, waarop pas kennis wordt vergaard nadat we onze ogen
openen. Dit is een uitgesproken empiristisch standpunt.
Ook wijst hij op het probleem met deductie. Dergelijke abstracte redeneringen kunnen
logisch gezien wel kloppen, maar dat betekent nog niet dat zij ook waar zijn. Hij wijst
erop dat de eerste algemene aanname in een dergelijke redenering meestal niet bewezen
kan worden vanuit het verstand en dus door de waarneming onderbouwd zal moeten
worden. Sterker nog, deductie levert niet echt nieuwe kennis op, het maakt kennis alleen
preciezer. Nieuwe kennis kan alleen gevonden door de wereld te observeren. Daarom
verkiest hij de inductieve methode boven de deductie van Plato. Ook dat is een keuze die
in de grond empiristisch is.
In tegenstelling tot de dualistische metafysica van Plato, is die van Aristoteles dan ook
monistisch. Dat wil zeggen: volgens Aristoteles is er slechts n wereld. Dat is
de wereld waarin wij elke dag ontwaken, die wij ervaren en hanteren. Hij verwerpt dus
de splitsing die Plato aanbrengt tussen de onzekere ervaringswereld en de rationele
wereld van de perfecte ideen. Aristoteles verwerpt dus het idee van Plato dat er een
aangeboren wereld van Ideen is waar zekere kennis vandaan komt. Algemeenheden
komen niet van het verstand of van een bovenaardse wereld. In tegendeel, volgens
Aristoteles is er niets in het verstand dat niet eerst in de waarneming was. De nadruk
op dit zogenaamde peripatetisch axioma, op de ervaring als bron van kennis en op
inductie als methode zijn duidelijk empiristische elementen in de filosofie van Aristoteles.
Een belangrijk punt waarop Aristoteles duidelijk geen naef empirist is, is zijn kritiek op
de inductieve methode. We zagen in de vorige opdracht al dat inductie weliswaar nieuwe
kennis oplevert, maar nooit kan leiden tot zekerheid. Algemene kennis bereiken we
volgens Aristoteles dan ook niet met pure, logische inductie, maar met behulp van onze
intutie. Deze intutie is volgens hem een speciale en feilloze eigenschap van onze geest
die ons helpt om op basis van beperkte waarnemingen toch tot algemeenheden te
komen. Dat inductie bij Aristoteles eerder een intutief dan een logisch proces is, maakt
hem duidelijk anders dan een naef empirist. Het maakt hem overigens ook geen
9

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

rationalist. Algemeenheden bereikt hij immers niet met het kille verstand, waardoor
het resultaat eerder inzicht dan kennis is.
Daarnaast vindt Aristoteles dat theorien niet alleen moeten aansluiten bij observaties,
maar ook bij breedgedragen opvattingen die leven in de gemeenschap. Hij koppelt de
waarheid van kennis dus ook op een vreemde manier aan de gemeenschap. Dit is een
opvatting die we veel later in het tweede deel van de cursus nog zullen tegenkomen als
sociaal relativisme of sociaal constructivisme. Voor nu is het voldoende wanneer u inziet
dat Aristoteles kennis hiermee kwetsbaar maakt voor vooroordelen en misvattingen die
leven onder het volk.
Tot slot wijst Aristoteles op het belang van de vier oorzaken van alle dingen. We hebben
volgens hem pas voldoende kennis over iets wanneer we de vier oorzaken ervan
beschreven hebben. De eerste drie lijken empirisch te achterhalen: de vorm- en
stofoorzaak beschrijven hoe het ding eruitziet en waar het van gemaakt is. De
werkoorzaak die het dichtst in de buurt komt van ons huidige begrip van
oorzakelijkheid beschrijft hoe het ding tot stand gekomen is. Met de laatste van de vier
is echter iets vreemds aan de hand. Dit is de doeloorzaak, die beschrijft waartoe iets
dient. Dit doel is echter niet zichtbaar, want het ligt in de toekomst. Het betreft hier dus
een stuk kennis, dat Aristoteles wel als noodzakelijk veronderstelt, maar dat niet
empirisch waar te nemen is.
Deze nadruk op intutie, gemeenschappelijkheid en doelgerichtheid maken van
Aristoteles veel meer dan een naeve empirist.

Biografien
Plato (428/7-348/7 v. Chr.)
Plato werd geboren in een hoge klasse familie in Athene en beweerde een afstammeling
te zijn van koningen. Hij was een discipel en criticus van Socrates. Nadat Socrates was
gexecuteerd, verliet Plato Athene. Hij reisde naar Egypte, Zuid-Itali en Sicili. Na zijn
terugkomst in Athene in 387 stichtte hij zijn eigen school, de academia. De tiran
Dionysius II nodigde Plato uit om naar Syracuse te komen op Sicili om hem te
onderwijzen en van hem een filosoof-koning te maken in de lijn van Platos werk de
Republic. Dionysius verschilde van mening met Plato en plaatste de laatste onder
huisarrest. Nadat hij werd vrijgelaten bleef hij hoofd van zijn school en een actief
onderwijzer tot zijn overlijden in 347. Zijn meest beroemde pupil was Aristoteles.
Aristoteles (384-322 v. Chr.)
Aristoteles werd geboren in 384 v. Chr. In Stagira (Macedoni) in een familie die een
verleden van fysici had. Op zijn 17e verhuisde hij naar Athene en werd hij een leerling
van Plato aan de vermaarde Academie. Nadat Plato overleed in 347 v. Chr. werd
Aristoteles voorgedragen als hoofd van de Academie maar deze positie ging uiteindelijk
naar Platos neef Speusippus. Aristoteles stichtte zijn eigen academie in Assos
(tegenwoordig Noordwest-Turkije). Hier trouwde hij met Pythias, de geadopteerde
dochter van Hermias, de heerser van dat gebied. Na een Perzische aanval en de moord
op Hermias vertrok Aristoteles naar Mytilene op Lesbos. Samen met Theophrastus, een
eilandbewoner, wijdde hij zichzelf aan biologische studies. Hij bestudeerde onder andere
het leven in en rond de lagunes. Een paar jaar later werd hij door Koning Phililip II van
Macedoni gevraagd om de leraar te worden van zijn 13-jarige zoon Alexander, die later
bekend zou worden als Alexander de Grote. Toen Alexander naar Azi vertrok voor zijn
10

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

veldtocht, keerde Aristoteles terug naar Athene om daar zijn eigen filosofieschool te
stichten. Deze werd bekend als het Lyceum, genoemd naar Apollo Lyceios. Aristoteles
onderwees zijn leerlingen het liefste lopend (peripateo) in de tuin van het Lyceum.
Hierdoor werd de school ook wel bekend als de Peripatetic School. Het werk van
Aristoteles was zon 200 jaar zoek na zijn overlijden. Het kwam in Kreta weer
tervoorschijn en werd in het Latijn vertaald. De invloed van Aristoteles was groot in de
Islamitische wereld maar zijn werk werd genegeerd in de Christelijke wereld tot de 13e
eeuw toen Aquinas de filosofie van Aristoteles wilde samenvoegen met de heilige
geschriften.

Samenvatting
Sinds de antieke tijd zijn er twee conflicterende benaderingen op Socrates vraag: wat is
kennis? De eerste positie is het rationalisme, dat beweert dat kennis kan worden
verworven door te vertrouwen op alleen onze redeneringscapaciteiten. Rationalisme
onderschrijft doorgaans het nativisme, de bewering dat er aangeboren ideen zijn. Deze
visie kan worden getraceerd naar Plato. Plato zei dat kennis gaat over onzichtbare
essenties of Vormen in een bovennatuurlijke realiteit. Deze kennis is aangeboren en kan
worden herinnerd. Deze rationalistische visie werd verworpen door de empirist
Aristoteles, die beweerde dat essenties empirisch konden worden onderzocht.
Wetenschappelijke kennis hangt af van inductie. Zowel Aristoteles analyse van de
inductie en zijn doctrine van de vier oorzaken onthullen rationele invloeden.
Samenvattend zou je dus kunnen zeggen dat de ontologische opvatting dat de statische
werkelijkheid verborgen blijft achter de veranderlijke wereld die wij zien, leidde tot de
epistemologische conclusie dat we via de waarneming niet tot betrouwbare kennis
komen.

Vooruitblik
Tijdens de 16e en 17e eeuw werden de wetenschap en filosofie van Aristoteles ter
discussie gesteld op een wereldwijde schaal. De aardegecentreerde visie van het
universum, zoals eerst werd gesteld door Aristoteles en later uitgebreid door Ptolemy,
waren dominant in de Middeleeuwen. De Copernicaanse Revolutie van de astronomie
lieten zien dat het geocentrisme moest worden vervangen door het heliocentrisme.
Galileos vele empirische ontdekkingen stonden grotendeels op gespannen voet met de
antieke en middeleeuwse wereldvisie. De Wetenschappelijke Revolutie bereikt zijn hoogte
punt in het werk van Isaac Newton. Universele mechanica en mathematica werden
gezien als de essentile kenmerken van de nieuwe wetenschap. Aristoteles doctrine van
de vier oorzaken werd dus overbodig. Een ander kernmerk van de nieuwe wetenschap
was de nadruk op een empirische methodologie. Francis Bacons inductivisme verving de
methodologie van Aristoteles.

De filosofie tussen 300 v.Chr. en 500 n.Chr.


De filosofie uit de periode na de dood van Aristoteles wordt over het algemeen aangeduid
als hellenistische filosofie (circa 300 v.Chr. tot 200 n.Chr.), en wordt gekenmerkt door
een verspreiding van de Griekse filosofie over grote delen van Europa en Azi. De
hellenistische filosofie omvat dan ook niet alleen het werk van Griekse filosofen, maar
meestal ook dat van Romeinse filosofen die sterk bijdroegen aan deze verspreiding. Er
was over het algemeen groot respect voor Aristoteles, Plato en Socrates. Nieuwe
filosofische scholen zoals de stocijnen, epicuristen en scepticisten waren dan ook vaak
11

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

gebaseerd op hun werk, vooral op dat van Aristoteles. Hun opvattingen waren echter ook
steeds praktischer van aard en schreven grotendeels voor hoe mensen zich dienden te
gedragen om rust te vinden of gelukkig te worden.
Naarmate het Europese machtscentrum verschoof van Athene naar Rome werd het Latijn
de voertaal in de filosofie. Het respect voor de denkbeelden uit de bloeitijd van de
Griekse filosofie werd er echter niet minder om. De metafysische en epistemologische
stellingen van Plato en Aristoteles werden eerder aanbeden dan kritisch beschouwd en
vormden vooral de grondslag voor de Romeinse ethika en politika: de gedragsleer die
voorschreef hoe men zich diende te gedragen, hoe de samenleving georganiseerd moest
worden, enzovoorts.
Tegen de tijd dat het machtige Romeinse Rijk uiteen begon te vallen, verschoof de
aandacht sterk naar de filosofie van Plato. Deze periode wordt dan ook wel aangeduid als
het neoplatonisme (circa 200-500 n.Chr.). Overigens zijn de neoplatonistische filosofen
slechts in beperkte mate genteresseerd in Platos werk. Ze ontberen vaak diens humor
en zelfkritiek en zijn hoofdzakelijk genteresseerd in zijn Ideenleer. Deze sloot namelijk
goed aan bij het in opkomst zijnde christendom. Het idee van een perfecte maar
onbereikbare wereld die de waarheid bevatte, en waarvan het aardse bestaan slechts een
afspiegeling was, paste immers goed bij het idee van een onbereikbare, alwetende God
die de veroorzaker was van alles.
De vermengeling van antieke filosofie en christelijke dogmata, die we al zagen bij het
neoplatonisme, nam in de middeleeuwen steeds sterker vormen aan. Bovendien werden
daarbij steeds minder vaak de originele werken geraadpleegd. Door het uiteenvallen van
het Romeinse Rijk raakten deze verspreid en werden zij minder toegankelijk. Bovendien
raakte ook de kennis over de Griekse taal in onbruik, waardoor steeds meer filosofen zich
gingen baseren op Latijnse samenvattingen. Deze hadden meestal een sterk
interpretatief karakter en werden met name gelezen door geestelijken die verbonden
waren aan kloosters en kathedralen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in deze
periode van zogeheten patristiek, hoofdzakelijk werd voortgeborduurd op het
neoplatonisme. Beginnend in circa 300 n.Chr. en, een beetje afhankelijk van de lezing,
doorlopend tot ongeveer 800 n.Chr., worden hoofdzakelijk de ideen van Plato en de
neoplatonisten verder uitgewerkt om een min of meer rationele grondslag voor het
christelijk geloof te bieden.
Naarmate het Heilige Roomse Rijk zich uitbreidt, en zodoende in aanraking komt met
steeds meer aangrenzende culturen, worden allerlei originele werken of alternatieve
interpretaties daarvan teruggevonden. Ook de kennis over de Griekse taal neemt
daardoor weer toe. Veel van deze kennis was bewaard gebleven en doorontwikkeld in de
Arabische wereld en Noord-Afrika. Door het vaak oorlogszuchtige contact met de
Moren en de kruistochten naar Jeruzalem komt steeds meer van deze kennis
weer beschikbaar. Veelal wordt deze vertaald naar het Latijn en vervolgens beheerd en
onderwezen in kloosters die langzaam uitgroeien tot universiteiten. Deze periode, waarin
de kerkelijke filosofie zich weer meer vermengt met het wereldlijke leven, duiden we ook
wel aan als de scholastiek (circa 1000-1500). Meest opvallend aan deze periode is dat
niet meer alleen Plato, maar vooral ook de herwonnen kennis over het werk van
Aristoteles weer belangrijk wordt. Deze wordt wel nog steeds zeer christelijk en selectief
genterpreteerd, maar het is een eerste aanwijzing dat de filosofie zich weer gaat
bezighouden met meer wereldse zaken.

12

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Een nieuwe filosofie van de wetenschap


Introductie
In de vroege 16e eeuw publiceerde Francis Bacon The
Novum Organum (New Method). Het was bedoeld om
Organon van Aristoteles te vervangen. Deze laatste was
enorm invloedrijk in de middeleeuwse geschriften over
logica en wetenschap.
De Novum Organum was het tweede deel van een groter
werk Instauratio Magna (The Great Instauration, 1620).
De pilaren van Hercules stonden eerst voor niets
hierachter. Door het schip beeldt de voorkant van het
boek uit dat vele zullen hierdoor passeren en leren zal
toenemen. (=plus ultra)
Bacon schetste zijn nieuwe wetenschappelijke methode
met het doel een totale reconstructie van wetenschap,
kunst en alle menselijke kennis die gebouwd worden op
degelijke funderingen te bieden.

De kijk op de wereld in de Middeleeuwen o.b.v. Aristoteles


Tijdens de Middeleeuwen was de Romeinse Katholieke Kerk de dominante kracht in de
sociale, politieke, intellectuele en religieuze leven van Europa. Vragen over de realiteit
werden beantwoord aan de hand van Aristoteles, de Bijbel of beiden.
Moderne wetenschap = natuurlijke filosofie
De Kosmos van Aristoteles bestond uit twee gebieden:
Sublunar of Terrestrial gebied = het gebied tussen de maan en de aarde,
vergankelijk, sterfelijk en veranderlijk.
Superlunar of Celestial gebied = het gebied vanaf de maan, eeuwig en perfect.
De sublunaire wereld bestaat uit vier elementen in verschillende combinaties:
1. Aarde: het zwaarste element en is in het centrum van de aarde.
2. Lucht
3. Vuur : het lichtste element en staat aan de rand van de aarde.
4. Water
De hemelse lichamen bestaan uit een vijfde element:
5. Quinta essentia: perfect, puur, onzichtbaar, glasachtige substantie.
Ptolemy breidde het bovenstaande model van Aristoteles uit. Zijn Almagest somde alle
bevindingen op uit de antieke astronomie en verpakte het als een mathematisch model
van het zonnestelsel met de aarde als vaste middelpunt. Ptolemy verklaarde de beweging
van de planeten door te stellen dat ze kleine cirkels maken tijdens hun baan om de
aarde. Aquinas verbond de cosmos van Aristoteles en de astronomie van Ptolemy stevig
met de Christelijke theologie. Deze visie zou dominant zijn tot de 16e eeuw.
Geheel in lijn met de trend om steeds meer antieke filosofie te betrekken bij de
kerkelijke dogmatiek, probeerde Thomas van Aquino de filosofie van Aristoteles en de
heilige geschriften met elkaar in overeenstemming te brengen. Aristoteles stelde
13

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

bijvoorbeeld de realiteit voor als een aantal concentrische sferen waarvan de aarde het
middelpunt was. Daarbij verdeelde hij de realiteit in een bovenmaans en een
ondermaans gedeelte. Het ondermaanse was de feilbare, onvoorspelbare wereld waarin
wij leven en waarin alles aan zijn eind komt. Alles in deze ondermaanse sfeer bestond uit
de vier elementen aarde, lucht, water en vuur. Het bovenmaanse daarentegen bestond
uit een aantal perfecte sferen, gemaakt van een pure kristalachtige substantie die
oneindig en eeuwig was: de quinta essentia. Aan deze sferen waren de hemellichamen
bevestigd zodat zij tot in de eeuwigheid hun perfecte ronde banen beschreven.
Deze opvattingen pasten voor Thomas van Aquino perfect in zijn kerkelijke wereldbeeld.
Ook daarin stond immers de wereld centraal in het heelal. Ook het idee dat het aardse
leven feilbaar en eindig was en het hemelrijk juist perfect en eeuwig, paste in de
christelijke traditie en werd door Thomas van Aquino opgenomen in zijn Summa
Theologiae. Zo op het eerste gezicht is dit nauwelijks een vooruitgang te noemen.
Thomas van Aquino kopieerde selectief de ideen van Aristoteles, voor zover die hem
uitkwamen en lijkt daar weinig aan toe te voegen.
Toch is het niet geheel terecht om hem af te schilderen als een gelovige huichelaar die
Aristoteles misbruikte om zijn geloof ook geloofwaardig te maken. Thomas van Aquino is
namelijk ook een van de eersten die weer een min of meer wereldlijke visie op de
realiteit ontwikkelt. Hij verknoopt deze weliswaar met de christelijke traditie, maar
interpreteert haar niet meer louter in goddelijke termen. Met behulp van logische
redeneringen zocht hij naar de gemeenschappelijke grond die de Bijbel en het werk van
Aristoteles met elkaar verbond. In die zin is het werk van Thomas van Aquino zeker een
vooruitgang te noemen ten opzicht van de patristieke filosofie.
Copernicus publiceerde in 1543 De revolutionibus orbium coelestium. Daarin
presenteerde hij op basis van elegante berekeningen een model van het heelal waarin
niet de aarde, maar de zon centraal stond en waarin de aarde niet stilstond, maar om
haar eigen as draaide. Bovendien bood hij niet alleen een mooi model, maar leverde er
ook tabellen bij, waarmee iedereen die zich er in verdiepte de toekomstige stand van de
hemellichamen kon berekenen. Zijn model had dus ook daadwerkelijk voorspellende
waarde.
Het lijkt misschien niet heel spectaculair. Wat doet het er immers toe, of de aarde nu wel
of niet om haar as draait, of zij wel of niet om de zon draait? Echter, door deze
verschuiving van een geocentrisch naar een heliocentrisch wereldbeeld kwam het hele
christelijke wereldbeeld in het gedrang. De aarde en dus de mens stond niet langer in het
middelpunt van de schepping. Bovendien was het scherpe onderscheid tussen de perfecte
hemelse sferen en het tijdelijke aardse bestaan niet langer houdbaar. Kortom, door
Copernicus schudde de wereld figuurlijk op zijn grondvesten. Het zou nog lang duren
voordat de consequenties hiervan ten volle doordrongen, maar het begin was gemaakt.
Veel belangrijker is echter de achterliggende epistemologische strijd. Copernicus bereikte
een eenvoudiger een waarheidsgetrouwer model van de werkelijkheid, door zich te
onttrekken aan de autoriteit van de Bijbel en de kerkelijke interpretatie van de antieke
filosofie. Hij baseerde zich niet op dogmatische geschriften maar op observaties en
logische mathematica. De impact van deze gebeurtenis kan nauwelijks overschat
worden. Voor het eerst sinds de teloorgang van het Romeinse Rijk werd het wereldbeeld
weer bepaald door empirie en ratio, en niet door dogma. Daarom kan hier met recht
gesproken worden over een ongekende revolutie.
14

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

De Wetenschappelijke Revolutie zou een strijd worden tussen autoriteit en observatie.


Waar Luther, Calvin en andere geestelijke autoriteiten hun waarheid uit de Bijbel
haalden, benadrukte de wetenschap steeds meer de behoefte aan theorien die
ondersteund werden door waargenomen feiten en niet de gedrukte woorden of kerkelijke
dogmas. Bacon zag deze behoefte aan een nieuwe methode.

Bacons nieuwe methode


Bacon had veel kritiek op Copernicus en Galileo. Hij had wel een grote invloed op de
filosofie van de wetenschap, hij heeft niets direct bijgedragen aan de wetenschap.
Bacon zag de intellectuele geschiedenis als een geschiedenis van eindeloze en zinloze
discussies tussen de filosofische en religieuze scholen. Vooruitgang was alleen mogelijk
als het klassiek-middeleeuws monopolie op de wetenschap zo worden gebroken.
Leren was voorheen afhankelijk van argumentatie en autoriteit. Hierdoor was
theoretisering rigide en onproductief. Bacon stelde dat er alleen een einde kan komen
aan een discussie door de empirische methode aan te hangen. Deze experimentele
methode werd gezien als onheilig en ongehoord.
Bacon vond de stelling dat de mens wordt geboren als een tabula rasa te simpel gesteld.
De geest is geen plaat waarop perfecte 3D beelden van de wereld worden geprojecteerd.
De projecties van de realiteit zijn vaak vervormd. Volgens Bacon is het meer een
betoverd glas, vol met bijgeloof, verschijningen en bedrog.
Idols volgens Bacon zijn kenmerkende fouten, misleidingen en bronnen van misverstan
die in de weg staan van wetenschap. Deze idols komen voor in vier hoofdcategorien:
1. Idols of the Tribe/idola tribus = aangeboren en worden door alle mensen gedeeld.
Zintuigen maken fouten. Mensen zien meer regelmaat in de natuur dan er is en
trekken hieruit voorbarige conclusies. Het is moeilijk af te stappen van deze voor
waar aangenomen conclusies. Dit zou later de basis zijn van de falsificatie van
Popper.
2. Idols of the Cave/idola specus = fouten die voortkomen uit educatie, gewoonte en
ongeluk van het individu.
3. Idols of the Marketplace/idola fori = vervormingen door taal, woorden kunnen
verwijzen naar zaken die niet bestaan/niet zichtbaar zijn (geluk, vuurelement,
verward).
4. Idols of the Theatre/idola theatri = dogmas en methodes van oude scholen die
het toneel zijn van hun eigen creatie op een onrealistische en schilderachtige
wijze. Hier valt de filosofie van Aristoteles onder.
In zijn insectenanalogie vergelijkt Bacon de wetenschapper met een mier dan wel met
een spin. De mier is een harde werker, maar verzamelt enkel stukjes kennis en gooit
deze op een grote hoop. Tegelijkertijd is er de spin die van zijn eigen substantie een web
van ideen spint. Het moge duidelijk zijn dat Bacon hiermee de empirist en de rationalist
bekritiseert. De empirist verzamelt wel kennis over de wereld, maar brengt geen verband
aan. Tegelijkertijd maakt de rationalist een prachtige constructie, maar hij vergeet
daarbij naar de echte wereld te kijken.
Wat een wetenschapper zou moeten doen, volgens Bacon, is zich gedragen als een bij.
Een bij bouwt wel, net als de spin, een mooie constructie, maar doet de met materiaal
dat hij, net als de mier, in de wereld heeft verzameld. Zijn verzameling van materialen is

15

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

dus geen willekeurige hoop, maar een elegante constructie en die constructie is geen
hersenspinsel, maar gemaakt van echte stoffen. Op dezelfde manier moet
kennisvergaring niet langs uitsluitend empirische of rationele weg gebeuren. De
wetenschapper dient enerzijds ervaringsgegevens te verzamelen, en die met behulp van
inductie te abstraheren tot een coherente theorie. Anderzijds dienen uit deze theorien
hypothesen te worden gededuceerd die experimenteel getoetst kunnen worden aan de
observeerbare werkelijkheid.
Deze expliciete combinatie van nauwgezette empirie en kritisch gebruik van de ratio is
precies wat Copernicus gebruikte toen hij zijn alternatief voor het kerkelijke wereldbeeld
formuleerde. Hij gebruikte ervaringsgegevens om zich op te baseren, maar knoopte die
vervolgens op logisch consistente wijze aan elkaar tot een exact model, zonder daarbij
speculatieve of suggestieve argumenten in te zetten. Met dat model kon hij vervolgens
de toekomstige stand van de planeten voorspellen en leverde hij dus toetsbare
hypothesen. Je zou kunnen zeggen dat Bacon op epistemologisch niveau formuleerde
hoe de wetenschapper zich diende te gedragen, terwijl Copernicus daarvan het goede
voorbeeld gaf. Wat Copernicus en Bacon met elkaar gemeen hebben is dus dat zij een
methode ontwikkelde waarmee zij de kerkelijke dogmata, of welke andere dogmata dan
ook, konden weren uit de wetenschap.
Volgens Bacon was het empirisme van Aristoteles op voorhand bedacht en gebruikte hij
slechts beperkte experimentele data om zijn al bedachte theorie te ondersteunen. Zijn
sensorische ervaring was verbonden met vooropgezette ideen. Volgens Bacon was
Aristoteles dan ook meer een rationalist.
Tot nu toe hebben we gekeken naar Bacons negatieve benadering op de productie van
kennis. We zullen geen wetenschap hebben als we ons begrip niet volledig bevrijden en
opschonen. Aan de positieve kant beweerde Bacon dat alleen een nieuwe methode een
juiste remedie kan bieden om de idols af te houden en op te ruimen.
De vraag van Bacon was: wat zijn de garanties van de waarheid van de premissen in de
deductieve methode van Aristoteles? Volgens Bacon waren de premissen vooral
gebaseerd op selectieve en bevooroordeelde set van observaties. Bacon stelde dat
universele beweringen nooit het startpunt kunnen zijn van wetenschappelijk onderzoek.
Deductie is alleen mogelijk als het wordt ondersteund door empirische feiten.
Bacon was de voorstander van inductie. Wetenschappers moeten zoveel mogelijk
empirische data verzamelen om als basis te dienen voor het formuleren van theorien.
Baconiaanse wetenschap is meer dan het opstapelen van massas feiten. Hij gebruikte
een analogie tussen mieren die alles alleen maar verzamelen, spinnen die webben
spinnen uit hun eigen materie. Wetenschappers moesten zijn als bijen: materiaal
verzamelen en het transformeren met eigen kracht. Wetenschap is niet alleen het
zorgvuldige, inductieve verzamelen van data maar het heeft ook interpretatie nodig
d.m.v. theorien.

De wetenschappelijke revolutie
Kepler omarmde het heliocentrisme van Copernicus. Hij concludeerde echter op basis van
de observaties van zijn leermeester Brahe dat de planeten niet in perfecte cirkels om de
aarde draaide maar dat dit in een ellipsvorm was. Dit was de eerste wet die Kepler
publiceerde in zijn Astronomia Nova (1609).

16

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Nog belangrijker dan Keples was Galilei. Hij verbeterde de telescoop die was uitgevonden
door Lippershey. Met deze telescoop deed hij een aantal ontdekkingen die ingingen tegen
het geloof en de antieke wetenschap. In 1610 ontdekte hij bijvoorbeeld dat de maan,
i.t.t. wat men toen dacht, een ruw oppervlak had.
Zijn volgende ontdekking was dat Jupiter 4 manen had. In 1613 toonde hij aan dat ook
de zon niet perfect was maar dat er zwarte vlekken opzaten. Hij zag ook dat Venus soms
tussen de aarde en de zon kwam te staan.
Deze ontdekkingen waren grote uitdagingen voor het sublunar-superlunar onderscheid
van Aristoteles. Zij vonden het pure ketterij om met een telescoop in de hemel te kijken.
Voltaire schreef dat vr Kepler alle mannen blind waren. Kepler had n oog en Newton
had twee ogen. De Wetenschappelijke Revolutie kwam op zijn hoogtepunt door Newton.
Hij publiceerde mathematische systemen van het universum in Philosophiae Naturalis
Principia Mathematica. In dit boek presenteerde hij zijn drie wetten van beweging en de
wet van de zwaartekracht die van toepassing was op alle objecten.

De hoofdkenmerken van de wetenschappelijke revolutie


Met de opkomst van de Wetenschappelijke revolutie kwam er een nieuwe geest van
onderzoek met de nadruk op empirische observatie i.p.v. het vertrouwen op de Bijbel. De
nieuwe mechanische filosofie was empirisch. Een zichzelf respecterende wetenschap
mocht niet langer speculeren over de verborgen aard van een fenomeen. Theorien
moesten gebaseerd zijn op observatie en experimentele feiten.
Bacons methodologische lessen werden ter harte genomen en de hemel werd onderzocht
met telescopen. Hooke gebruikte een microscoop om cellen en andere kleine objecten te
onderzoeken. Zowel Newton als Boyle benadrukten het belang van de experimentum
crucis. Dit is een experiment waarin men gedwongen wordt om te kiezen tussen 2 of
meer beslissingen:
Galileo rolde een koperen bal over een helling om acceleratie te demonstreren
Boyle experimenteerde met een luchtpomp om de aard van lucht te onderzoeken
Newton onderzocht de refractie van licht met een prisma
Het eerste kenmerk van de Wetenschappelijke Revolutie is de verplichting van het
gebruik van de observatiemethode.
Het tweede kenmerk is universal mechanics. De visie van Aristoteles was
antropomorfisch: menselijk doelgericht gedrag was het model van al het andere. Een
steen viel omdat het naar een andere plaats wilde gaan. Objecten werden gezien alsof ze
een ziel hadden (=final cause). Bacon vergeleek dit met de Vestaals Maagden ->
estetisch maar onvruchtbaar. Voltaire maakte de final cause belachelijk door dan te
stellen dat de oceaan golven heeft om schepen gemakkelijker de haven in te geleiden.
Verklaringen moeten altijd doeltreffend en fysiek zijn. Ze zijn altijd terugkijkend, nooit
vooruitkijkend; om een fenomeen te verklaren moet men terug naar de oorzaak of
mechanisme dat eraan vooraf ging.
Enkele uitspraken van vooraanstaande sleutelfiguren van de universele mechanica:
Het universum is geen geanimeerd goddelijk wezen maar gelijk een klok (Kepler)
Ik heb de aarde en het hele zichtbare universum beschreven alsof het een
machine was (Descartes)
17

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

De natuurlijke wereld is alsof het een grote klok is (Boyle)

Dit brengt ons naar het derde kenmerk; universele wiskunde. Het universum volgde
regelmatige mechanische principes en deze konden, zoals Newton liet zien, worden
beschreven in exacte mathematische termen. Mechanisatie gaat hand in hand met
wiskunde.
Samengevat zijn er drie kenmerken van de Wetenschappelijke Revolutie:
1. Verplicht gebruik van de observatiemethode
2. Universele mechanica
3. Universele wiskunde
De Wetenschappelijke Revolutie was vooral het demystificeren van zowel verre delen van
het universum als aardse niet levende objecten. Maar als snel zouden de mensen ook de
teleologie (=zoektocht naar het doel) verwijderen van het lichaam, het dier, de
samenleving en de menselijke geest.
Het lichaam werd ook gemechaniseerd. Harvey stelde bijvoorbeeld dat het hart alleen
maar een pomp was. Descartes was het hier mee eens hoewel hij het nog had over de
onstoffelijke menselijke ziel (res cogitans).
De Entzauberung of demystificatie van de wereld leek niet langer te stoppen. Ook de
sociale wetenschap werd vergeleken met universele wetten. Zoals we later zullen zien
moet de sociale wetenschap andere methoden van onderzoek gebruiken dan die worden
gebruikt in de natuurwetenschap.

Biografien
Nicolaus Copernicus (1473-1543)
Geboren in Oost-Pruisen en studeerde medicijnen, Latijn, astronomie, filosofie en
wiskunde. Hij was benoemd tot kannunik aan de Frombork Kathedraal in 1501. Vanuit de
toren van deze kathedraal kon hij observaties doen. In 1514 publiceerde hij een klein
boekje Commentariolus waarin hij het heliocentrisme al verdedigde. Zijn grote werk
Revolutionibus verscheen in 1543
Francis Bacon (1561-1626)
Tijdens zijn rechtenstudie las hij de werken van Plato en Aristoteles maar al snel zou hij
deze filosofie verwerpen. Naast zijn carrire in filosofie had hij ook een carrire in de
politiek. Later zou hij ook lector in de rechten worden. In 1618 werd hij kanselier maar
deze positie zou hij in 1621 verliezen omdat hij smeergeld had aangenomen. Hiervoor
ging hij de gevangenis in. Na zijn vrijlating, na 4 dagen, besteedde hij de rest van zijn
leven aan het hervormen van de wetenschappelijke methodologie. Zijn ideen om samen
te werken leidde in 1662 tot de oprichting van de Royal Society. Hij stierf in 1626 naar
verluid aan een longontsteking die hij opliep tijdens een experiment in de kou. Men zei
dat dit kwam omdat moeder natuur bang was dat hij al haar schatten zou ontdekken.
Johannes Kepler (1571-1630)
Als armeluiszoon uit Duitsland wilde hij een Lutherse predikant worden. In Tbingen zou
hij de werken van Copernicus lezen wie hij voor het eerst schriftelijk zou verdedigen in
1596. Kepler was de assistent van Brahe. Na de dood van Brahe volgde Kepler in zijn
voetsporen als de Keizerlijke Wiskundige aan de rechtbank van Rudolf II. Kepler
concludeerde uit de data van Brahe dat baan van Mars geen cirkel was maar een ellips.
18

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Kepler formuleerde drie wetten van planetaire beweging en hij ontdekte dat objecten een
omgekeerd beeld projecteren op de retina. Hij stierf in 1630 in Regensburg.
Galileo Galilei (1564-1642)
Galileo studeerde medicijnen en daarna wiskunde en fysica. In 1592 werd hij professor in
de wiskunde in Padua. Hier kwam hij voor het eerste in aanraking met het werk van
Copernicus. In 1609 ontwierp hij zijn eerste telescoop en deed hij ontelbare
ontdekkingen m.b.t. het heliocentrisme. Deze werden gepubliceerd in de Starry
Messenger welke met opwinding en woede werd ontvangen. In 1616 moest hij in Rome
voor de Inquisitie verschijnen. Hoewel hij werd vrijgesproken van ketterij mocht hij niet
langer het heliocentrisme verdedigen omdat het in tegenspraak was met de officile leer
van de kerk. In 1633 moest hij weer voor de Inquisitie verschijnen n.a.v. zijn boek
Dialogue concerning the Two Chief World System. Hij werd veroordeeld tot het knielen
voor de kardinalen en het tekenen van een afzwering. Hij kreeg huisarrest voor de rest
van zijn leven en stierf in 1642 volledig blind.
Isaac Newton (1643-1727)
Geboren op 1e Kerstdag in 1642 in Engeland en werd opgevoed door zijn grootouders. In
1661 ging hij naar Camebridge om optiek, wiskunde en astronomie te studeren. In
Woolsthorpe had hij twee vruchtbare jaren want hier begon hij na te denken over de
zwaartekracht. Hij vond de integraalrekening en differentiaalrekening uit waarmee
verandering en golving mathematisch kon worden beschreven. Hij construeerde ook de
eerste reflecterende telescoop. Principia werd in 1687 gepubliceerd met daarin zijn
wetten van beweging en zwaartekracht. Hij stierf in 1727. Ondanks zijn rigoreuze
natuurwetenschap was hij diep religieus. Hij schreef ook over alchemie wat recent leidde
tot de uitspraak: he of all people was no Newtonian (Gleick, 2003).

Samenvatting
Tijdens de Wetenschappelijke Revolutie kwam er een radicale aanval op de traditionele
manieren van denken. De nieuwe mechanistische wetenschap verwierp de theologische
kosmos van Aristoteles en Ptolemy volgens wie het universum bestond uit twee
essentile gebieden: sublunar en superlunar. Copernicus was de eerste die het
heliocentrisme voorstelde. Deze theorie werd bevestigd door Galileo door zijn ontelbare
empirische ontdekkingen die niet overeenkwamen met de middeleeuwse dogmas. De
belangrijkste prestatie was Newtons mechanica die zorgde voor een universele en
wiskundige basis voor fysieke fenomenen die overal voorkwamen. Bacon ontwikkelde een
empiristische methode voor de nieuwe wetenschap die veel verder ging dan de visie van
Aristoteles in de antieke tijd.

Vooruitblik
Bacon was niet de enige held van de nieuwe mechanische filosofie. Descartes zorgde ook
voor zekere bases voor de nieuwe wetenschap. Hij was een rationalist die beweerde dat
het niet de perceptie is maar de menselijke ratio die uiteindelijk de basis is van de
menselijke kennis. Zijn methode van twijfel kwam tot zijn fundamentele waarheid:
Cogito ergo sum, ik denk dus ik besta. De cartesiaanse rationalisme werd betwist door
drie Britse empiristen: Locke, Berkeley en Hume. Zij beweerden dat de zintuigen en niet
de rede de bron van kennis waren.
Locke had een onderscheid tussen primaire en secundaire kwaliteiten. Berkeley beweerde
dat de geestafhankelijkheid voor alles gold. Hume stelde de Copy Principle voor als het
basisprincipe van het empirisme.
19

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Vroeg modern rationalisme en empirisme


Introductie
Het antwoord op wat is kennis is in het eerste hoofdstuk beantwoord met de twee
antwoorden empirisme en rationalisme. In dit hoofdstuk wordt de visie besproken van
Descartes, Locke, Berkeley en Hume.

Ren Descartes
Ren Descartes (1596-1650) wordt vaak betiteld als de vader van de moderne filosofie.
Hij was opgeleid met het curriculum van Aristoteles en Aquinas. Hij was het daar toen al
niet mee eens want er kan niets stevigs gebouwd worden op zulke wankele
fundamenten. Er moesten ideen worden ontwikkeld om sceptici zoals Montaigne tegen
te gaan.
Michel Montaigne (1533-1592) verloochend kennis vanwege de onbetrouwbaarheid van
zowel de redenering en observatie. Hij stond erop dat er werd getwijfeld aan het bestaan
van de materile realiteit. Zintuigen zorgen voor illusies en de beelden van de objecten in
onze geest zijn niet de objecten zelf dus welk recht hebben we om te stellen dat onze
mentale beelden lijken op de objecten en ons kennis opleveren over deze objecten.
Descartes was een rationalist omdat hij de visie verdedigde die stelt dat uiteindelijk de
menselijke rede zorgt voor de kennis. Hij was ook een nativist omdat hij dacht dat er
aangeboren ideen waren maar dat was niet zo extreem als Plato. Descartes was geen
rationalist in de zin van Bacons spin die spinnenwebben spint vanuit zijn geest. Descartes
deed ook empirisch werk m.b.t. anatomie en fysiologie. Hij vond de plek van de
pijnappelklier en beweerde dat zowel mensen als dieren complexe machines waren.
Descartes vond de geometrie het prototypische vorm van wetenschap. De principes van
de Euclidische meetkunde zijn onweerlegbaar correct. Alle kennis zou gebaseerd moeten
zijn op deze zekere stellingen. Zijn vuistregel was:
Accepteert nooit iets als waar als er geen evidente kennis is voor deze waarheid.
Vermijd het verwerpen van conclusies en vooroordelen en sluit niets in het oordeel
wat niet zeer duidelijk en onderscheidend aan de geest is gepresenteerd dat er
geen gelegenheid is om eraan te twijfelen.
Waar Aristoteles en Bacon empirisch bewijs wilde zien, gebruikte Descartes de rede; de
methode van de twijfel. Niets of niemand kan worden vertrouwd als deze al een keer
bedrogen heeft. Onze zintuigen en ons lichaam bedriegen ons dus deze kunnen niet
vertrouwd worden en dus ook niet kunnen zorgen voor de fundering van kennis.
Descartes kon geen van zijn voormalige overtuigingen aanvaarden en hij riep een
almachtige slechte demon aan (malin genie). Deze demon zou Descartes bedriegen en
zelfs de basisprincipes van de wiskunde kon niet worden vertrouwd. Dit lijkt een
probleem te zijn maar Descartes vond een uitweg; cogito ergo sum of ik denk dus ik
besta. Descartes zei dat hij een res cogitans was, een onstoffelijk, denkend ding.
Dit was de fundering van kennis. Zijn volgende vraag was: waarom ben ik zo zeker van
deze stelling? Het antwoord is dat zijn waarheid helder en duidelijk is. Alles wat dus
helder en duidelijk is moet waar zijn. Alleen met deze stelling verkreeg hij een

20

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

fundamentele waarheid en een methode om verder te gaan in zijn zoektocht naar de


ware kennis.
Volgens Plato was alle kennis aangeboren. Descartes stelde dat de meeste van onze
ideen niet waren aangeboren maar er waren er een aantal die wel aangeboren zijn, die
in ons geplaatst zijn door God.
Oneindigheid: omdat Descartes zelf niet oneindig was moest dit idee aangeboren
zijn.
God: omdat hij perfect is moet hij wel bestaan. Dit inzicht is helder en duidelijk.
Descartes had nu een uitweg voor zijn demon. God zou hem niet bedriegen maar zou
ons af en toe fouten laten maken maar zeker niet altijd. De fysieke wereld bestaat
wel degelijk en daarom is de mens niet alleen een res cogitans maar ook een res
extensia. De res cogitans wordt gekenmerkt door denken, de res exensia wordt
gekenmerkt door extention: hoogte, breedte en lengte; fysieke zaken nemen ruimte in in
de 3D wereld.

De Britse empiristen
Net zoals het rationalisme van Plato werd uitgedaagd door het empirisme van Aristoteles,
zo werd het moderne rationalisme van Descartes verworpen door empiristen.
John Locke (1632-1704)
Opgeleid in de leer van Aristoteles raakte hij ontevreden toen hij in aanraking kwam met
de wetenschappers van die tijd zoals Boyle, Hooke, Willis en Newton. Hij wilde de
menselijke capaciteiten heroverwegen. Hij beschreef dit in zijn Essay Concerning Human
Understanding in 1690.
Om een succesvolle empirische theorie te ontwikkelen moest hij eerst aantonen dat er,
i.t.t. wat Descartes dacht, geen aangeboren ideen waren. Het bewijs van aangeboren
ideen in die tijd stamden uit het feit dat iedereen zich verbond aan een aantal principes.
Dit wordt gezien als algemene instemming/universal consent en daarom aangeboren. Er
zijn drie principes:
1. Wat is, is
2. Het is onmogelijk om te zijn en tegelijkertijd niet te zijn
3. Morele principes
Locke beweerde dat de eerste twee principes niet aangeboren zijn omdat ze niet
gevonden worden in kinderen. En morele principes verschillen tussen groepen mensen
dus ook deze konden niet aangeboren zijn. De mens is een tabula rasa.
Als we geen aangeboren kennis hebben en we de kennis niet verwerven door onze
redenatie, wat is dan de bron van kennis? Locke is voorstander van de visie dat onze
mentale representatie voorkomt uit sensatie en reflectie en deze samen vormen de
ervaring. Er is dus een nadruk op interne en externe zaken als de bron van kennis.
Hoewel Locke een empirist was, passen ideen niet altijd in de realiteit zoals met zou
verwachten. Locke schetste een onderscheid tussen drie typen kenmerken welke hij
qualities noemde.
1. Primaire kwaliteit: de basisvorm van een object of ze daadwerkelijk zien of niet.
Dit betreft de vorm van een object.

21

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

2. Secundaire kwaliteit: de vorm van het object als het daadwerkelijk gezien wordt.
Dit is subjectief en betreft de kenmerken van een object zoals kleur, geur en
textuur.
3. Tertiaire kwaliteit: de kracht van een object om een ander object te veranderen.
Zo maakt vuur lood vloeibaar.
Een probleem dat Locke nooit heeft aangepakt is het verschil tussen de 1e en 2e
kwaliteiten. Hoe weten we welke ervaring overeenkomt met 1e kwaliteiten en welke
overeenkomen met 2e eigenschappen? Berkeley beweerde dat er helemaal geen primaire
kwaliteiten zijn.
George Berkeley (1685-1753)
Net als Bacon, Locke en Descartes vroeg hij zich af dat als we ideen hebben over
objecten i.p.v. de objecten zelf, hoe weten we dat het gevormde idee overeenkomt met
het object? Hoe kunnen we weten dat er iets is achter de sluier van onze ideen?
Berkeleys antwoord op deze scepsis over kennis was om te stellen dat er geen tweeledig
bestaan is van objecten en ideen die deze objecten voorstellen. We hebben een goede
reden om aan te nemen dat materile objecten niet bestaan. De reden hiervoor ligt
volgens de bisschop van Cloyne in Lockes verkeerde onderscheid tussen
geestafhankelijke en geestonafhankelijke kenmerken.
De secundaire kwaliteiten van Locke zijn geestafhankelijk: ze bestaan alleen
doordat iemand het materile object daadwerkelijk waarneemt.
De primaire kwaliteiten van Locke zijn geestonafhankelijk: vorm, beweging en
hoogte.
Berkeley zag een probleem in deze tweedeling want hoe kunnen we zeker zijn dat
vormen objectief zijn als we alleen af kunnen gaan op onze ervaringen die we van het
object hebben? Ook vorm verschilt door de positie van de waarnemer. Berkeley stelde
dat alles dat bestaat, bestaat omdat het wordt waargenomen: esse est percipe of to be
is to be perceived.
Idealisme = het bestaan van iets bestaat uit het worden waargenomen door een geest.
In Berkeleys filosofie hebben objecten alleen een ideaal en geen echt of materialistisch
bestaan. Een object mag niet in de materile wereld worden geprojecteerd want het is
alleen echt omdat het bestaat in de geest als een verzameling bepaalde ideen.
Men zou denken dat objecten dus niet bestaan als ze niet worden waargenomen.
Berkeley had hiervoor twee antwoorden:
Berkeley stelde dat als hij ergens zou zijn, hij een object zou kunnen waarnemen
als hij op een andere plaats zou zijn d.m.v. zijn herinnering.
Berkeley stelde dat objecten altijd worden waargenomen door God.
Berkeley verbond zichzelf aan wat hij immaterialisme (=leer dat alleen het geestelijke
werkelijk is) noemde.
Substance = wordt in de filosofie gebruikt om te verwijzen naar alles dat uit zichzelf kan
bestaan.
Descartes stond achter het dualisme. Volgens het dualisme zijn er twee substances:
materile substance en de mentale substance. Ze kunnen afzonderlijk van elkaar
bestaan.
22

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

In de moderne filosofie en wetenschap wordt aangenomen dat de materile wereld de


mentale wereld bepaald en niet vice versa. De geest bestaat uit materie. Berkeleys visie
is precies andersom: de enige substance die bestaat is de mentale substance en dat alle
fysieke objecten worden bepaald door de mentale substance en niet vice versa.
David Hume (1711-1776)
Descartes, Locke en Berkeley stelde dat de wereld bestaat a.d.h.v. representaties in onze
geest. Hume stelde dat alle wetenschap een relatie heeft tot de menselijke natuur.
Daarom is een goede wetenschap van de menselijke geest een voorwaarde is voor de
vooruitgang in de wetenschap in het algemeen. Hier zien we direct Humes verbinding
met het empirisme:
Omdat de wetenschap van de mens het enige solide fundament is voor andere
wetenschappen is het enige solide fundament dat we de wetenschap kunnen
geven gebaseerd op de ervaring en observatie.
Volgens Hume bestaat de inhoud van de geest uit percepties. Deze percepties zijn er in
twee vormen:
Impressions/indrukken: de onmiddellijke data van de ervaring zoals
waargenomen
Ideas/ideen: vage kopien van impressies zoals een herinnering
Dit wordt Humes Copy Principle genoemd wat hem stevig wortelt in de empirische
traditie. Een voorbeeld van Hume is dat het alleen mogelijk is om de smaak van een
ananas te herinneren als deze smaak eerder ervaren is. Het Copy Principle is volgens
Hume het eerste principe in de wetenschap van de menselijke natuur.
Hume zag dat als het principe wordt omgedraaid men in het bezit is van een criterium
dat in staat is om te bepalen of een idee zinvol is. Dit is vooral bruikbaar in de morele of
metafysische wetenschappen waar het grootste obstakel de onduidelijkheid van ideen
en de dubbelzinnigheid van termen is.
Het Copy Principle is een instrument dat gebruikt kan worden om de geldigheid van een
term te testen wat vooral van belang is bij abstracte ideen die van nature zwak en
onduidelijk zijn. Men moet de impressies produceren van waaruit de ideen worden
gekopieerd om hun inhoud, of het ontbreken daarvan vast te stellen.
De procedure voor het verduidelijken van taal en denken is als volgt: wanneer men een
term tegenkomt moet men eerst het complex idee bepalen waarvoor het staat. Dit
complex idee moet zinvol zijn en op te delen in eenvoudige ideen die op hun beurt weer
kunnen worden verbonden met de bijbehorende indrukken. Als een term dus niet kan
worden uitgesplitst naar de verschillende eenvoudige ideen en impressies van waaruit
het is samengesteld, moet worden geconcludeerd dat het de term aan empirische inhoud
ontbreekt. Het is dus zinloos en moet worden verworpen. Wanneer dit proces kan worden
uitgevoerd levert het een definitie van de term op.
Tegenwoordig wordt dit een metafysische microscoop genoemd. Het eerste slachtoffer
van deze microscoop was de substance. Descartes stelde dat er twee substances waren
en Berkeley stelde dat er maar n substance was. Hume stelde dat er helemaal geen
substance was omdat het niet is ontleent aan impressies.

23

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

De bruikbaarheid van de metafysische microscoop hangt samen met de


levensvatbaarheid van het Copy Principle. Maar het Copy Principle was niet zonder
problemen zoals ook Hume zag. Het probleem ontstaat juist met complexe ideen en
impressies. Complex wil zeggen als het bestaat uit een aantal componenten. Het
probleem ontstaat bij de complexe ideen omdat het mogelijk is om te denken aan
dingen die men niet heeft gezien of ervaren. Hoe kan men een idee hebben van
bijvoorbeeld een stad als deze stad niet bestaat?
Hume had hiervoor de volgende oplossing voor gevonden: hij beweerde dat ieder
complex idee bestaat uit simpele ideen en ieder simpel idee correspondeert met een
simpele impressie.
Er is nog een tweede probleem met het Copy Principle. Hoe kan iemand een kleur
benoemen als deze de kleur nog nooit gezien heeft? Volgens Hume zou hij de kleur als
blank ervaren en d.m.v. intutie zal de missende kleur worden ingevuld zonder dat de
corresponderende impressie ooit is ervaren.
De kleur zou dus d.m.v. verbeelding tot stand komen maar hoe kan Hume dit toestaan
zonder zijn empirische principes te overtreden? Als iemand geen impressie heeft van iets
dan kan er ook geen idee ontstaan van iets. Dit weerlegt Humes empirisme omdat het
een empirisch geval is, om in Peripatetic Axiom te spreken, dat laat zien dat er iets in het
intellect is dat niet eerst door de zintuigen is waargenomen.
Peripatetic Axiom = "Niets is in het verstand, die niet eerst in de zintuigen was" (Latijn:
"Nihil est in intellectu quod non prius in sensu").
Samengevat zijn er twee problemen met het Copy Principle:
1. Hoe kan men een idee hebben van iets zonder de impressie te ervaren?
2. Hoe kan men een kleur benoemen die men nog nooit gezien heeft?
Hume heeft het tweede probleem nooit op kunnen lossen. Hij had kunnen stellen dat er
aangeboren redeneringsvermogens zijn maar als empirist was dit geen acceptabele
oplossing. Hij kon ook niet de oplossing van het eerste probleem gebruiken: een idee van
een kleur IS een simpel idee en niet complex.
Hume ziet geen andere uitweg dan te zeggen dat het fenomeen zo uitzonderlijk dat het
nauwelijks de moeite waard is om te observeren en dat we onze algemene stelregel
hiervoor niet hoeven te veranderen. Dit is wel erg gemakkelijk want het verzwakt het
Copy Principle en het zaait twijfel over de universele validiteit van het eerste principe
waarop de menswetenschappen gebouwd zou zijn.
Het lijkt erop dat het aan Humes aandacht is ontsnapt dat er wel degelijk een oplossing
was voor zijn tweede probleem. In een andere context had hij zelf het idee van blending
gentroduceerd. Ondanks dat iemand een kleur niet kent, heeft hij wel de donkere en
lichtere kleur ooit gezien. Door deze te mixen is het mogelijk om een idee te genereren
van de missende kleur. Dit zou een simpel idee zijn wat echter niet voorkomt uit een
impressie. Hierdoor kan Humes Copy Principle worden gered.
Zoals je ziet was Hume erg kritisch over zijn eigen empirisme.

24

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Biografien
Ren Descartes (1596-1650)
Aan La Flche studeerde hij Latijn, Grieks, Italiaans en filosofie. Deze laatste bestond uit
logica, fysica, ethiek, metafysica en wiskunde. Hij spendeerde het grootste gedeelte van
zijn leven in Nederland waar hij kon schuilen voor zijn filosofische vijanden. Toen hij in
zijn vijftiger jaren was, kreeg hij een uitnodiging van koningin Christina van Zweden om
haar wiskunde en wetenschap te onderwijzen. Toen hij arriveerde was de koningin nog
op reis en hij heeft deze tijd besteed aan het ordenen van zijn geschriften.
John Locke (1632-1704)
Studeerde aan Oxford fysica, scheikunde en medicijnen. Zijn interesse voor filosofie
ontstond door het lezen van de werken van Descartes. Locke was nooit een cartesiaan.
Hij werd adviseur van de Earl van Shaftesbury en deze belandde in een politieke
discussie met Koning James II en hij moest naar Nederland vluchten. Locke ging met
hem mee. Na de revolutie in 1688, toen Willem van Oranje III koning van Engeland
werd, keerde Locke terug naar GB. Hij had in zijn koffer het complete manuscript van
zijn Essay Concerning Human Understanding.
George Berkeley (1685-1753)
Berkelely was een Ier uit een Protestantse familie. Hij studeerde aan het Trinity College
in Dublin wiskunde, Grieks, Latijn, logica en filosofie. Hij bestudeerde intensief de
theorien van Locke en Newton. In 1701 werd hij priester van de Anglicaanse kerk. Hij
wilde een seminarie oprichten in de VS om het morele verval van de kolonin aan te
pakken. Dit mislukte en in 1734 was hij terug in Ierland waar hij bisschop van Cloyne
werd. Hij kon wel de levensomstandigheden in Ierland verbeteren. Hij ging terug naar
Engeland om de studies van zijn zoon te lezen.
David Hume (1711-1776)
Tijdens zijn academische opleiding zwoor hij iedere vorm van religie af. Hij reisde naar
London, Bristol en La Flche. Hier schreef hij zijn Treatise of Human Nature in 1738. Het
boek werd slecht ontvangen vooral door de kerk. Door dit conflict werd hij twee keer
gepasseerd voor een professorschap vanwege zijn bedreiging voor de leidende religie op
de universiteit.

Samenvatting
Descartes gebruikte de method of doubt om absolute zekerheid te verkrijgen over kennis
en hij vond dit in zijn cogito: het is onmogelijk te twijfelen behalve als je bestaat. Hij
bewees dat God goed was en niet bedroog en daarmee kon hij verder bouwen op zijn
fundament. De Britste empiristen waren het niet eens met Descartes doctrine van
aangeboren ideen: nativisme. Locke stelde dat aangeboren ideen niet konden bestaan
en dat ervaring de bron van alle kennis is. Hij maakte een onderscheid tussen primaire
en secundaire kwaliteiten. Dit onderscheid werd verworpen door Berkeley die het
idealisme aanhing: er is geen materile substance en alles wat bestaat, bestaat omdat
het wordt waargenomen. Hume steunde het Copy Principle als het basisprincipe van de
menswetenschappen. Dit principe zorgt voor een manier om de zinvolheid van
wetenschappelijke en filosofische termen te onderzoeken. Het beruchte geval van de
missende kleur zorgde voor een belangrijk probleem voor Humes empirisme.

25

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Vooruitblik
In het volgende hoofdstuk onderzoeken we Humes empirisme en zien we dat het leidt
tot scepsis. Humes verwoestende kritiek op de filosofie in zijn tijd laat zien dat we geen
kennis hebben. We hebben geen zintuiglijke impressie van causaliteit maar concluderen
causaliteit als het resultaat van gewoontevorming. Inductie kan problematisch zijn: we
kunnen niet op basis van ervaring concluderen dat de wereld zich uniform gedraagt.
Rede is ondergeschikt aan onze gewoonten en gebruiken. Alles wat we denken over de
wereld in termen van oorzaken en gevolgen, in termen van toekomstige gebeurtenissen
en in termen van wetten is een gewoonte van de geest. Objectieve noodzaak is
getransformeerd in subjectieve noodzaak. Humes sceptische analyse zette Kant ertoe
om een nieuw filosofisch systeem te ontwikkelen dat zowel het empirisme als het
rationalisme zou samenbrengen. Kant stelde dat we echt kennis hebben, terwijl noodzaak
en universaliteit hun oorsprong hebben in de objectieve structuren van onze eigen geest.

Hume en Kant over menselijke kennis


Introductie
Een belangrijk moment in de Westerse filosofie was toen Immanuel Kant probeerde om
beide epistemologien samen te voegen om een antwoord te geven op Humes
verwoestende kritiek op de wetenschap van Newton.
Volgens Hume was de menselijke kennis erg beperkt. Wat we normaal gesproken
wetenschappelijke kennis noemen en als spreken over noodzaak en universele
natuurlijke wetten is dit wellicht onmogelijk. We kunnen alleen een set van speculatieve
en vermoedelijke hypotheses over de werkelijke structuur van de wereld vormen. Door
de manier waarop de menselijke geest werkt, is alleen feilbare kennis binnen handbereik.
Kant weigerde deze verschrikkelijke conclusie te accepteren. Hij was een bewonderaar
van Newton en had zelf bijgedragen aan de astronomie. Zijn filosofie eindigt echter met
verrassende en ernstige consequenties voor onze visie op de menselijke kennis. De
wetenschap is wellicht gered door Kant maar het zorgt niet voor kennis over de zorgen
van zijn tijdgenoten: God, de menselijke ziel en menselijke vrijheid.

David Hume en de wetenschap van de mens


Hume was niet bescheiden, hij was extreem en radicaal in zijn ideen, genadeloos in
discussies, meesterlijk en diepzinnig in zijn geschriften.
Er werd van Hume verwacht dat hij in de voetsporen van zijn familie zou treden en een
carrire in recht zou nastreven. Hij was echter zeer genteresseerd in klassieke literatuur
en nieuwe boeken van Hutcheson, Newton en Locke. Toen hij 18 was stopte hij zijn
rechtenstudie en hield zich bezig met a new scene of thought. Hume werd steeds
sceptischer over de argumenten die werden aangeboden als verdediging van bepaalde
meningen over religie, kennis en wetenschap, reden en de passie. Hij wilde een filosoof
worden die de oude onbevredigende filosofie zou vervangen door een nieuw systeem,
een science of man.
Tijdens zijn sabbatical in La Flche schreef hij zijn Treatise of Human Nature. Helaas was
er geen enkele interesse in zijn boek: it fell dead-born from the press.

26

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

In 1740 schreef hij anoniem een recensie over zijn Treatise of Human Nature. Ook deze
recensie bleek onopgemerkt.
In 1748 schreef hij Enquiry Concerning Human Understanding. Hierin herhaalde hij wat in
zijn eerste publicatie stond maar dan in een meer toegankelijke taal voor een breder
publiek. Deze versie trok steeds meer aandacht vanwege de zijn controverse, er kwam
vooral kritiek van andere denkers uit Engeland en Frankrijk.
Zijn History of England was een bestseller en maakte hem financieel onafhankelijk. Toch
nam hij een baan aan op de ambassade in Parijs. De Comtesse vroeg Hume of ze zijn
beschermvrouwe mocht worden. Hij accepteerde en er ontstond een bloeiende
correspondentie tussen beiden. De Comtesse was niet alleen de beschermvrouwe van
Hume maar ook van Rousseau. Toen Rousseaus boek Emile door het parlement in Parijs
werd veroordeeld, vluchtte hij op aanraden van de Comtesse naar Engeland waar hij
onderdak vond bij Hume die Rousseau enorm bewonderde.
In 1765 zorgde Hume voor een schuilplaats voor Rousseau in Engeland. De relatie tussen
Hume en Rousseau bekoelde snel vanwege de gevoeligheid van Rousseau en
misvattingen over de financile situatie. Op het einde beschuldigde Rousseau Hume van
het te schande maken van zijn naam en hij zou dit opnemen in zijn biografie. Hume wilde
aan deze situatie ontsnappen door te concluderen dat hij te maken had met een
gestoorde Rousseau.
Ondertussen was ook de relatie met de Comtesse bekoeld omdat hij haar niet op de
hoogte wilde brengen van de verblijfplaats van Rousseau. Hij sloeg alle aanbiedingen af
om een publieke functie aan te nemen. Le bon David stieft in augustus 1776.
Humes filosofie
Aan de ene kant moesten de discussies over religie worden overwonnen door gebruik te
maken van de rede. Dit was het doel van Descartes en de empirist Locke. Het
hoogtepunt van deze filosofische beweging stelde ons verstand op de proef met behulp
van de rede zelf wat het werk is van Kant.
Aan de andere kant werkten anderen had aan het ontwikkelen van de nieuwe fysica.
D.m.v. de nieuwe methode van experiment, inductieve redenatie van empirische data en
bouwend op het werk van Galileo, beschreef Newton een natuurlijke filosofie die we nu
kennen als de Newtoniaanse mechanica. Aan de hand hiervan probeerden velen deze
principes toe te passen op de menswetenschappen.
Veel denkers probeerden menselijk gedrag te voorspellen en verklaren zoals Newton
deed met het gedrag van dode materie. De heersende overtuiging was dat Europa alleen
bevrijd kon worden van de negatieve consequenties van politieke omwenteling als
wetenschappers succesvol zouden zijn in het aanbieden van een wetenschappelijke
benadering van de vraag hoe de menselijke samenleving ontworpen moest worden.
De Verlichting was gekenmerkt door een streven naar positieve kennis binnen alle
domeinen van onderzoek, vooral die van de Filosofen (Voltaire, Rousseau, Montesquieu,
Diderot en dAlembert). Deze groep publiceerde in 1751 de eerste Encyclopdie ou
Dictionnaire raisonn des sciences, des arts et des metiers met Diderot als editor. Hume
had vriendschappen met een aantal van deze Filosofen en samen met zijn vriend de
econoom Adam Smith werden ze tot de leden gerekend van de Verlichting.

27

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Hume was het wel eens met het doel van de Verlichting om voor jezelf te denken,
autoriteit te verwerpen en om rede te gebruiken om de ratio te bekritiseren en de
grenzen van de wetenschap te bepalen. Hume concludeerde echter dat rede niet de
meest krachtige eigenschap is van de menselijke natuur. Integendeel, Hume stelde dat
passie de reden regeerde: reason is but the slave of the passions. Hume vond zelfs dat
rede de slaaf van de passie moest zijn.
Zoals al eerder gesteld wilde Hume doen voor de menswetenschappen wat Newton deed
voor de natuurwetenschappen. Hij wilde een nieuwe filosofie ontwikkelen onafhankelijk
van pure speculatieve metafysica. Hij paste op alles de volgende heuristiek toe: van
ieder belangrijk idee of concept moeten we ons afvragen van welke set zintuiglijke
impressies dit idee of concept afstamt. Als we deze impressies niet kunnen vinden dan is
het idee een product van de verbeelding. Deze nadruk op de zintuigen is karakteristiek
voor het filosofisch empirisme.
Opvallend is dat Hume wiskunde ofwel abstracte redenering met aantallen en getallen
acceptabel en nodig vond.
Een voorbeeld dat Hume gebruikte was die van de rode en witten biljartbal. Normaal
gesproken stellen we dat de beweging van de rode bal wordt veroorzaakt door de botsing
die de beweging van de witte bal. De beweging van de rode bal is het effect. Hume
vraagt zich af wat we precies zien of observeren als we concluderen dat het een de
oorzaak is van het ander. Hier komt het antwoord.
Wat we zien is:
1. Contiguity/aanraking: de botsing en het in beweging komen van de rode bal
vallen telkens onmiddellijk samen. We zien dus samenloop.
2. Priority/prioriteit: de beweging van de witte bal gaat telkens vooraf aan de
beweging van de rode. We zien dus volgorde.
3. Constant conjunction/constante samenhang: in gelijke omstandigheden, gedragen
vergelijkbare ballen zich op gelijke wijze. We zien dus herhaling.
Vaak bedoelen we hiermee dat het noodzakelijk is dat de rode bal beweegt na de botsing
met de witte bal. Hume stelt dat we ons echter ook kunnen voorstellen dat de rode bal
niet beweegt. Er is niets in onze zintuiglijke impressies die het ons verbiedt te denken
dat de rode bal zal blijven liggen. Wat we zien in de botsing is niet de noodzaak van de
causale relatie. Mensen doen uitspreken over oorzaak en gevolg op de basis van deze
drie factoren.
Dit is de kiem van Humes verwoestende kritiek op de filosofie van die tijd: filosofen
probeerden fanatiek een verklaring te vinden voor de wetmatige kennis van de wereld.
Hume liet zien dat we deze kennis in de eerste plaats al niet hebben.
De volgende stap is te laten zien dat mensen geloven dat de rode bal zal bewegen na de
botsing met de witte bal. Dit geloof is volgens Hume het resultaat van de werking van de
geest. Het ligt in de menselijke natuur dat we anticiperen op de beweging door de
beredenatie van oorzaak en gevolg. Anticipatie is het trekken van conclusies op basis van
ervaringen. Onze ervaringen leren ons te denken zoals we denken. Conclusies trekken op
basis van oorzaak en gevolg is, samen met meet- en rekenkunde, de belangrijkste
manier van redenering en de basis van al onze kennis. Waarom dit woord tussen
haakjes staat, komt later aan de orde.

28

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Net zo goed dat we de causaliteit niet zien kunnen we niet de uniformiteit zien van de
natuur. Dit is een filosofisch probleem met inductie: we kunnen niets concluderen uit
onze ervaringen in het verleden dat de wereld zich uniform zal gedragen.
De conclusie van Hume is revolutionair: als we deze werking van de geest begrijpen en
herkennen als een geleerde gewoonte of gebruik dat gestuurd wordt door passie, krijgen
we een compleet nieuwe blik op het filosofische landschap. Ratio is zo inderdaad de slaaf
van de passie maar Hume benadrukt dat het goed is dat onze rede zo functioneert want
anders zouden we niet kunnen anticiperen op de toekomst.
Very curious discovery = het idee dat de toekomst zal zijn als het verleden. Het is
vreemd dat te denken dat waar de menselijke rede faalt onze gewoonten onze gids zijn
in het leven. Rede is ondergeschikt aan onze gebruiken en gewoonten, het resultaat van
een leerproces dat ingezet wordt door de interactie tussen onszelf en de wereld,
waardoor we anticiperen op de toekomst en geloven dat het een de oorzaak is van het
ander.
Het revolutionaire element in Humes denken is het idee dat onze overtuigingen het
resultaat zijn van gewoontevorming. Wat wij geloven, maar niet kan voortkomen uit
zintuiglijke indrukken daar moeten we sceptisch over zijn. Maar in al die gevallen waarin
rede niet in staat is om tot de conclusie te leiden aan de hand van onze zintuiglijke
indrukken zal gewoontevorming ons daarbij van dienst zijn. De menselijke natuur zorgt
ervoor dat we handelen, geloven en denken zoals we doen.
Hume had ook een analyse van de vrije wil. Als eerste moest hij een definitie hebben van
noodzaak. Deze had hij al: de mens ziet noodzaak niet boven contiguity, priority en
constant conjunction. Als individuen in dezelfde situatie op dezelfde manier handelen dan
is er geen sprake van vrije wil.
Analyse van noodzaak -> constante samenhang en gewoontevorming in mensen
Vrije wil is volgens Hume slechts een effect van een bepaald gevoel dat we hebben. Maar
is het niet gevoel van de vrije wil waardoor we willen geloven dat we echt vrij zijn? Onze
acties zijn ondergeschikt aan onze wil, maar onze wil lijkt niet te worden bepaald door
wat dan ook. Heeft Hume het niet gewoon fout?
Hume antwoordde hierop dat het gevoel van vrije wil alleen opkomt als we expliciet onze
vrije wil testen. In alle andere gevallen is er geen gevoel van vrije wil. Tijdens het testen
van onze vrije wil vergeten we dat het testen het resultaat is van iets anders, namelijk
het verlangen om vrij te zijn. Vrijheid is het gevoel dat opkomt als het gevolg van de
menselijke natuur met als doel te overleven in een riskante wereld. Het idee dat vrije wil
niet meer is dan een idee wordt ondersteunt door de observatie dat een toeschouwer
gemakkelijk het gedrag kan voorspellen o.b.v. motieven, karakter en situatie.
De constante samenhang van onze motieven, situaties en handelingen is wat we
bedoelen met de noodzaak in het domein van onze handelingen. Er is dus geen vrije wil,
er is alleen constante samenhang en we worden geleid door onze instincten om tot
causaliteit te komen. Als vrije wil onverenigbaar is met het idee van causaliteit en
noodzaak in onze handelingen dan is er simpelweg geen vrije wil. We zijn alleen
slachtoffers van onze passies.
passie -> rede -> gewoontevorming -> idee van vrijheid
29

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Hume beweerde dat er twee verschillende soorten handelingen zijn om zo te voorkomen


dat het idee van vrije wil volledig wordt verworpen:
Handelingen die zouden zijn uitgevoerd als we dat zouden willen
Handelingen die niet uitgevoerd zouden worden ook al zouden we dat willen
Vrije wil is het idee dat we een andere handeling hadden kunnen uitvoeren.
Hume was een athest.
Hume wilde herinnerd worden als de bedenker van het principe van associatie. Door
associatie of gewoontevorming (het feit dat de mens gelijkenis, contiguity en causaliteit
kan herkennen) wordt onze onbegrensde fantasie begrensd. Omdat we sensitief zijn voor
deze associatie kunnen we het universum categoriseren voor onszelf. De associaties
vormen het cement van het universum. Humes filosofie is daardoor een filosofie met een
menselijk gezicht. Een filosofie waarin we ons bewust zijn van het specifieke van de aard
van het menselijke denken en handelen en waarmee we ons bewust zijn van de grenzen
aan onze kennis van de wereld en de functionaliteit van onze rede. Be a filosopher but
be still a man.
Hume stelde dat de menselijke instincten niet verschilden van de instincten van dieren.
Dit is een darwiniaanse benadering maar Hume had niet de kennis van natuurlijke
selectie.
Naturalisme = het idee dat mensen natuurlijk gevolueerde wezens zijn en twijfelt of er
een onderscheid gemaakt kan worden tussen wetenschap en filosofie.
Wat zijn de consequenties van Humes filosofie voor de wetenschap in het algemeen?
Onze overtuigingen en geloof zijn alleen dat: overtuigingen en geloof.
Vermoedens en gissingen ontstaan door het toepassen van gewoonte en passie.
Causaliteit is het gevolg van de werking van de geest en deze is succesvol in het
leven. We kunnen dit succes alleen begrijpen als we:
o Aannemen dat de wereld uniform en constant is terwijl
o Het observeren van de menselijke natuur laat zien dat het associeert en
gewoonten vormt.
We verwachten dat de wereld zich op een bepaalde manier gedraagt maar er is
geen reden om te denken dat het zich ook zo zal gedragen, daar kunnen we
alleen naar gissen. Dat wat we denken over de wereld in termen van oorzaak en
gevolg in termen van toekomstige gebeurtenissen en in wettelijke termen is
alleen een gewoonte van de geest.
Op basis van Humes filosofie heeft de wetenschap geen daadwerkelijke kennis. Hume's
filosofie lijkt mensen te ontmoedigen om de toekomst onderzoeken. Want waar we
aannemen dat we de wereld verkennen d.m.v. de oorzakelijke verbanden en
wetmatigheden ligt deze verbinding alleen in onszelf en is het niets anders dan een
vaststelling van de geest die wordt verworven door gewoonte. Kennis is een illusie van
de verbeelding.
Het onderzoek van Hume naar menswetenschappen diskwalificeert Newtons wetten als
kennis. Hoe ging Hume om met dit schokkende resultaat als een bewonderaar van
Newton? Hume geeft zich gewoon over. Het is het einde van zijn filosofische project en
het einde van de kritiek op de menselijke redenatie.

30

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Humes algemene conclusie: wetenschappelijke kennis, zelfs newtoniaanse mechanica, is


onbereikbaar voor mensen. We hebben alleen gissingen op basis van empirische
informatie.
Wat we zeggen uit naam van de wetenschap, moet volgens Hume altijd te herleiden zijn
tot enkelvoudige impressies. We zagen dat al eerder toen we Humes copy principle
bekeken. Als die herleiding niet lukt, is de desbetreffende abstractie een resultaat
van onze gewoonte om uniformiteit in de wereld te zien. Wat er dus overblijft voor de
wetenschap zijn de ideen die we rechtstreeks uit de werkelijkheid kunnen afleiden en de
samenstelling van die ideen tot grotere gehelen. Verdere abstractie is uit den boze. Het
enige vlak waarop abstract redeneren volgens Hume wel is toegestaan is de
mathematica, zolang zij zich beperkt tot specifieke uitspraken over kwantiteit of aantal.
Dergelijke uitspraken zijn, ondanks dat zij niet te herleiden zijn tot impressies, namelijk
wel logisch en in zichzelf te controleren.
We houden dus empirische kennis en mathematische logica over als zekere kennis.
Andere abstracties zijn alleen maar het gevolg van ons geloof in uniformiteit. Toch is
Hume op dit punt minder radicaal dan hij op het eerste gezicht lijkt. Hij voegt er namelijk
ook aan toe dat dergelijk geloof wel degelijk te testen is. Die test zit in ons handelen: als
wij keer op keer handelen op basis van ons geloof over de werkelijkheid, en die acties
blijken succesvol, dan is daarmee ook het succes van dat geloof onderstreept. Immers,
dat succes is alleen te verklaren als gevolg van het feit dat ons geloof over de wereld in
grote mate aansluit bij de werkelijkheid. Als dat niet zo was, dan zou het namelijk niet
iedere keer leiden tot succesvol handelen.
Zo bezien is wetenschap dus vooral op gestructureerde wijze een verwachting creren
over de toekomst en vervolgens goed beseffen dat er geen enkele reden is om de
waarheid daarvan aan te nemen. Het is een proces van goed genformeerd gokken. Een
definitieve rechtvaardiging van die gok zullen we nooit vinden, dat staan de beperkingen
van de menselijke natuur niet toe. Wat we wel kunnen doen, is onze kennis
gebruiken. De waarde van die kennis blijkt dan vanzelf uit de hulp die zij ons kan bieden
bij het hanteerbaar maken van de wereld. Hume zegt dus helemaal niet dat wetenschap
onmogelijk is, hij maakt er alleen maar mensenwerk van.

Immanuel Kant en de grenzen van de menselijke kennis


In 1781 publiceerde Kant zijn trilogie die de Westerse filosofie voor altijd zou
veranderen.
1. Critique of Pure Reason
2. Critique of Practical Reason: hierin neemt hij aan dat objectieve ethiek mogelijk is
(= normatieve theorie over wat mensen zouden moeten doen).
3. Critique of the Power of Judgement
Velen, waaronder Kant, zagen zijn overstijgende idealisme als de Copernicaanse
kentering in de filosofie. In de tijd van Kant zag men de verschuiving van een
geocentrisch universum naar een heliocentrisch universum als een eerste voorbeeld van
wetenschappelijke vooruitgang en revolutie. Kant was ervan overtuigd dat zijn filosofie
het denken over onszelf, onze kennis en het universum waarin we leven zou veranderen.
Kants filosofie wordt inderdaad gezien als een copernicaanse revolutie in de filosofie.
Stelde Hume dat nog dat de wetenschap gissingen waren over de wereld, kant wilde de
newtoniaanse wetenschap herstellen als echte kennis van de wereld.
31

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Kant studeerde aan de Kningsberg Universiteit filosofie, natuurwetenschappen en


wiskunde. Hij las het werk van Wolff wat belangrijk was omdat het hem introduceerde tot
een gangbare manier om over metafysica te praten. In de rationalistische traditie van
Wolff en Baumgarten werd metafysica gezien als de wetenschap van het eerste principe
van de menselijke kennis. Kant vroeg zich af of metafysica als wetenschap echt mogelijk
was.
Metafysica werd onderverdeeld in 4 categorien:
1. Ontologia: beslaat alles dat is in de mate dat het is
2. Theologia: beslaat alles m.b.t. God
3. Psychologia: beslaat alles m.b.t. de menselijke ziel
4. Cosmologia: beslaat alles m.b.t. de wereld
Kant onderzoekt later de mogelijkheid van metafysica als een wetenschap van God, de
ziel en de menselijke vrijheid in een wereld van wettelijke noodzaken. Hij komt tot de
conclusie dat dit onmogelijk is. Ontologie is wel mogelijk maar alleen met betrekking tot
objecten in de zin van dingen voor ons en niet als dingen op zichzelf.
Kant was uitstekend op de hoogte van de filosofie en wetenschap in zijn tijd. In 1770
werd hij professor in de logica en metafysica. In deze tijd las hij het werk van Hume.
Kants kritiek op pure redenatie
Kants kritiek op pure redenatie kwam uit in 1781.
Zag Hume de kennis als puur giswerk, Kant was een man van de wetenschap. Hij vond
dat newtoniaanse mechanica (inclusief de bewegingswet en zwaartekrachtwet) de
noodzakelijke en universele kennis belichaamde omdat het afhangt van wiskunde en de
meest fundamentele natuurlijke principes. Het basisthema van Kant is: we hebben
duidelijk oordelen die noodzakelijk en universeel zijn zodat we moeten onderzoeken hoe
dergelijke kennis mogelijk is. Onder welke condities kunnen rationele wezens deze kennis
verwerven? Dit is wat Kant de transcendente vraag noemt: Ik pas de term transcendent
toe op alle kennis die niet zozeer bezig is met objecten als met de wijze van onze kennis
van deze objecten, voor zover deze wijze van kennis a priori mogelijk is. Een systeem
van dergelijke opvattingen zouden transcendentale filosofie genoemd worden.
A priori = voorafgaand aan de ervaring.
Hume kwam tot de conclusie dat we niet het soort echte, noodzakelijke en universele
kennis hebben waarvan Kant denkt dat we die wel hebben. Noodzaak en universaliteit
zijn het resultaat van de verbeeldingskracht van de menselijke geest.
Om te zeggen dat het nodig en universeel waar is dat een kaars achter een raam in het
volle zonlicht langzaam zal smelten, is bedoeld om een natuurlijke wet te demonstreren.
Kant wil onderzoeken hoe dergelijke noodzakelijke en universele kennis mogelijk is.
Kant was het met Hume eens dat we alleen contiguity, priority en constant conjunction
zien. Aangezien we toch de noodzakelijke en universele kennis hebben (alle was smelt
als het wordt verwarmd) moeten we onderzoeken hoe dergelijke kennis mogelijk is.
Hume vergat gewoon dat er gewoon zulke kennis was en hij accepteerde wel de
mathematiek als noodzakelijke en universele kennis. De bron van deze kennis is onze
rede en het breidt onze kennis uit. De analyse van 5+7 onthult niet het concept 12. 12 is
daarom een synthetische a priori oordeel. Hume zou hierdoor hebben moeten
32

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

concluderen dat noodzakelijke en universele kennis mogelijk is en zou zich hebben


moeten onthouden van de vreselijke conclusie dat kennis enkel de gewoonte in de geest
aan het werk is, het principe van associatie toepassend en daarmee de wetenschap te
degraderen to giswerk.
Hume zag niet dat er onderscheid gemaakt moest worden tussen a priori en a posteriori
oordelen en tussen analytische en synthetische oordelen. Als we dit in ogenschouw
nemen dan kunnen we begrijpen hoe mensen noodzakelijke en universele kennis over de
wereld, metafysica mogelijk is.
Er zijn dus twee manieren op onderscheid te maken:
1. A priori en a posteriori
2. Analytisch en synthetisch
Kants oplossing voor het probleem hoe noodzakelijke en universele kennis mogelijk is, is
niets meer dan het begrip hoe synthetische a priori oordelen mogelijk zijn.
De synthese a priori
De algemene vorm van een oordeel is er een waarin een predicaat is toegekend aan een
onderwerp: S is P -> een vrijgezel is ongetrouwd. Het predicaat getrouwd wordt
toegewezen aan het onderwerp vrijgezel. Het onderwerp en het predicaat worden
verbonden door de copula is. Een oordeel is analytisch als het onderwerp al het
predicaat bevat. In het geval van de vrijgezel weet iemand wat dat betekent en begrijpt
direct dat hij ongetrouwd is. Het analytische oordeel is alleen verhelderend: het maakt
duidelijk dat de vrijgezel ongetrouwd is maar het voegt geen informatie toe voor mensen
die al weten wat een vrijgezel is. Om te bepalen of dit oordeel waar is, hoeft er geen
verder onderzoek plaats te vinden. Het is waar op puur logische gronden.
Een synthetisch oordeel voegt informatie toe over het onderwerp: de kaars is rood. Het
concept kaars impliceert niet dat ze rood moet zijn. Om te bepalen of de kaars is rood
waar is, is het niet voldoende om te weten wat een kaars is. Er moet empirisch
onderzoek plaatsvinden om te bepalen of de kaars rood is.
A priori oordeel is onafhankelijk van zintuiglijke ervaring en heeft zijn bron in de rede. A
posteriori is afhankelijk van zintuiglijke ervaring. Het oordeel alle kaarsen smelten in de
zon heeft als bron de rede en is dus een a priori oordeel. Hume zou stellen dat de kennis
over het smelten van de kaars het resultaat is van de werking van de passionele
menselijke verbeelding.
Natuurlijk willen empiristen alleen kennis accepteren dat afstamt van zintuiglijke ervaring
maar Hume wees er dat als we denken dat noodzakelijke en universele kennis kan
worden verworven door de zintuigen alleen, hebben we het verkeerd. De verbeelding laat
ons geloven dat we noodzakelijke en universele kennis hebben omdat we sensitief zijn
voor de combinatie contiguity, priority en constant conjunction. Kant wijst erop dat we
werkelijk noodzakelijke en universele kennis hebben. Dit is een rationeel standpunt. Kant
vindt echter dat we ook onze zintuigen nodig hebben als bron van kennis. Hij probeert op
deze manier de empirische en rationalistische tradities in de filosofie te synthetiseren.
Door het onderscheid in analytisch en synthetisch en a priori en a posteriori zijn er vier
soorten oordelen mogelijk.

33

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Oordelen volgens Hume en


Kant

Analytisch

A priori

Analytisch a priori
Mogelijk volgens zowel
Hume als Kant

A posteriori

Analytisch a posteriori
Onmogelijk volgens Hume
en Kant

Synthetisch

Synthetisch a priori
Mogelijk volgens Kant maar
onmogelijk volgens Hume

Synthetisch a posteriori
Mogelijk volgens Hume en
Kant

Alle analytische oordelen zijn a priori, alle synthetische oordelen zijn a posteriori.
Empiristen ontkennen het bestaan van synthetische a priori oordelen. Kant wil laten zien
dat synthetische a priori oordelen ook mogelijk zijn. Als dit onmogelijk is, dan is
wetenschap ook onmogelijk. Omdat we noodzakelijke en universele kennis hebben,
beweert Kant dat synthetische a priori oordelen mogelijk zijn.
Een synthetisch a priori oordeel moet twee beweringen bevatten:
1. De oorsprong moet zich bevinden in de menselijke geest
2. Er moet informatie over de wereld aan worden toegevoegd
Het feit dat we weten dat er een noodzakelijk en universeel causaal verband is tussen de
gebeurtenis (hitte van de zon) en een andere gebeurtenis (smelten van een kaars) moet
zijn oorsprong hebben in de menselijke geest = a priori oordeel. Om te weten dat
kaarsen in de zon smelten is iets wat onze kennis uitbreidt. Het concept van het smelten
in de zon zit niet opgesloten in het concept van de kaars want ze smelten niet als ze op
een donkere plaats staan. Door deze toevoeging van informatie is het een synthetische a
priori oordeel.
De nominale en fenomenale wereld
Kant was het grotendeels eens met de newtoniaanse mechanica (behalve absolute tijd en
ruimte). Het betekent dat alles wordt bepaald door natuurwetten. Hoe kan de mens vrij
zijn als we compleet voorbestemd zijn door natuurwetten? Kant had op zijn grafsteen
staan: twee dingen vullen de geest met altijd nieuwe en toenemende bewondering en
ontzag hoe vaker en standvastig we op ze reflecteren: de sterrenhemel boven ons en de
morele wetten in ons. Door een onderscheid te maken tussen nominale en fenomenale
wereld probeert Kant dit probleem van de vrije wil op te lossen in een newtoniaans
universum.
Nominale wereld = de wereld van de dingen zoals ze in zichzelf zijn.
Fenomenale wereld = de wereld zoals het aan ons verschijnt. In deze
newtoniaanse wereld zijn wij duidelijk voorbestemd, net zoals alle andere
lichamen. Kant stelt dat we niet weten dat we vrij zijn (cosmologia is onmogelijk).
In zijn Critique of Practical Reason beweert Kant dat we moeten aannemen dat we
denken vrij te zijn om moreel te kunnen handelen. Dezelfde redenatie ligt ten
grondslag aan Kants bewering dat we niet weten of God bestaat of dat de
menselijke ziel onsterfelijk is, maar we moeten dit noodzakelijk aannemen om
moreel te kunnen handelen (theologia en psychologia is onmogelijk).

34

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Hume stelde dat onze geest causaliteit aan ons laat zien. Kant vindt ook dat de rede iets
toevoegt maar onze geest is cruciaal actief op een veel vroeger stadium. De menselijke
rede zorgt voor het ontstaan van de noodzaak en universaliteit door de informatie over
de nominale wereld en het doet dit op zon manier dat er echt noodzakelijke en
universele kennis is maar alleen over de wereld zoals deze zich aan ons presenteert.
Kant beweert dat kennis alleen het resultaat kan zijn van de synthese tussen input van
de nominale wereld en input van de rede. Hij verschilt hierin van Hume door te denken
dat rede sterk aanwezig is en op een eerder stadium. Dit aspect van de rede zorgt ervoor
dat noodzakelijke en universele kennis mogelijk is.

De logische fasen van kennis


1. Eerste fase: het subject is passief en receptief voor de nominale wereld via de
zintuigen. Deze receptiviteit resulteert in impressies of stimulaties
(=impingings/sensations). Deze pure veelvoud ontstaat door de interactie
tussen de onbekende nominale wereld en het subject.
2. Tweede fase: de veelvoud fungeert als input voor de belangrijke tweede fase. De
sensations worden in appearances (=intuitions) gegoten door onze
verbeeldingskracht. Wat Kant bedoelt is dat de menselijke verbeelding tijd en
ruimte gebruikt als de officile voorwaarden waaronder de impingings worden
gesynthetiseerd in voorstellingen. Ruimte en tijd zijn functies voor het subject. Zij
stammen niet uit de nominale wereld noch worden ze opgemerkt door de
zintuigen. Het zijn officile en noodzakelijke voorwaarden van de zintuigen.
3. Derde fase: het veelvoud van de appearances (= intuitions) wordt
gesynthetiseerd tot een ervaring door het toepassen van de categorien uit de
menselijke rede. Kant stelde dat dit kennis is van de wereld van objecten, niet
van de objecten zelf. Het feit dat onze geest tijd en ruimte gebruikt als mal om
appearances te vormen van impingings betekent dat de verborgen tijd en
ruimtepatronten (=schemata) in deze appearances worden herkend door de rede
die vervolgens van toepassing is op haar categorien.
Causaliteit is geen fenomeen volgens Kant want we kunnen het niet zien.
Causaliteit is n van de 12 categorien van de rede om fenomenen te verenigen.
Causaliteit is de relatie tussen fenomenen binnen de grenzen van de zintuigen.
De twaalf categorien van Kant
Quantity

Quality

Unity
Plurality
Totality

Reality
Negation
Limitation

Relation

Modality

Inherence
Possibility
Causality
Existence
Community
Necessity
(=reciprocity)
4. Vierde fase: de ervaring van de objecten worden verder samengevat in soorten en
geslacht als de rede zijn ideen van de reflectieve kracht van het oordeel toepast.
De rede is er altijd op uit om de wereld tot een grotere eenheid te brengen.

35

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Kants logische analyse van de menselijke kennis


Step

Resultaat

Fase 1

The noumenal world impinges on the affective


subject

Manifold of sensations

Fase 2

The power of imagination synthesizes the


manifold of sensations by using its templates
of time and space

Manifold of appearances

Fase 3

The determinate power of judgements applies


its categories and unifies the manifold of
appearances

Manifold of experiences

Fase 4

The reflective power of judgement brings the


experiences to a further unity by applying its
ideas

Systematic knowledge

De grenzen van de rede


Nu kunnen we zien dat we geen kennis over God, de onsterfelijke ziel of vrijheid kunnen
hebben. De fenomenen die we observeren zijn nooit zodanig dat we deze concepten
kunnen toepassen. Verschijningen kunnen nooit de toepassing van de categorien
ontlokken die ons kennis van God, de onsterfelijkheid van de menselijke ziel en de
menselijke vrijheid kan bieden. Daarom is kennis van deze drie onmogelijk. Menselijke
kennis is altijd kennis van de fenomenale wereld, een wereld vol objecten, dingen voor
ons. God, de ziel en de vrijheid zijn geen deel van deze fenomenale wereld. De
verbeelding zoekt altijd eenheid zelfs als de fenomenen ons geen reden geven voor
verdere vereniging.
De natuurlijke aanleg van de geest is zodanig dat het zelf komt met het idee van God, de
ziel en de vrijheid om op die manier de behoefte om alle kennis naar een grotere eenheid
te brengen, te bevredigen. Dit zijn ideen die niet bestaan uit kennis. Hier zag Kant de
grenzen van de menselijke kennis.
Kant heeft de voorwaarden onthult voor de werkelijk noodzakelijke, universele en
objectieve kennis. Zijn filosofie is overstijgend maar ook idealistisch: de objecten van de
ervaring zijn geen dingen op zichzelf maar bestaan alleen in de ervaring. Ze bestaan niet
apart en onafhankelijk van de ervaring.
De copernicaanse omwenteling in Kants filosofie wordt nu duidelijk; i.p.v. te denken dat
noodzaak en universaliteit in de wereld aanwezig zijn om te worden ontdekt door
wetenschappelijk onderzoek laat Kant zien dat noodzaak en universaliteit hun oorsprong
hebben in de rede van rationele wezens. Het object moet conformeren aan onze cognitie
en niet andersom.
Wetenschap is wetenschappelijk omdat het de structuur van de fenomenale wereld
ontdekt. Wetenschap is succesvol hierin en brengt de causaliteit van de wereld in kaart.
Beweren dat alle kaarsen smelten in de zon is niet alleen zeggen dat de hitte van de zon
de was doet smelten. Het stelt dat er een natuurlijke wet is dat was smelt als het wordt
verhit. Deze natuurwet breidt onze kennis uit.

36

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Hoewel Hume stelt dat dit niet mogelijk was, beweert Kant dat mensen in staat zijn om
synthetische a priori oordelen te vormen en dat werkelijke wetenschap mogelijk is. Het is
een mix van input uit de nominale wereld en activiteiten van de menselijke geest dat
synthese mogelijk maakt tussen de verschijning en de categorie van de rede en hieruit
bestaat kennis. Kant ontdekte ook waar de grenzen van de kennis. Wetenschap heeft te
maken met de fenomenale newtoniaanse wereld van noodzaak, verder dat de wereld
reikt onze kennis niet.
Problemen met de kritieken van Kant:
Als de sensaties buiten de tijd en ruimte zijn, en dus a priori input leveren aan de
verbeelding, hoe kunnen we deze stimulaties begrijpen? Een manier op dit op te
lossen is te stellen dat de filosofie van Kant overstijgend en logisch is: het gaat
over de voorwaarden waaronder onze kennis mogelijk is en het biedt geen
psychologie van kennis.
Hoe zit het met Kants bewering dat we niets kunnen weten over de nominale
wereld? Kant beweerde dat het concept van de nominale wereld een beperkt
concept is dat we moeten vooronderstellen om in staat te zijn om te begrijpen hoe
causale kennis mogelijk is. Het feit dat de rede verbeelding en schemata kan
toepassing, suggereert dat er een harmonie moet zijn tussen de rede en de
nominale wereld.
Is de synthetische a priori echt mogelijk?
Als het mogelijk is, is kennis over natuurwetten in het bereik van de wetenschap.
Als het niet mogelijk is, heeft Hume gelijk en moet de wetenschap het probleem van
inductie onder ogen zien en worden de wetten van Newton gewoon gewaagde
vermoedens en gissingen.
Uit het digitale werkboek
Ook al kunnen we de noumenale wereld nooit leren kennen, we hebben volgens Kant wel
impressies uit die noumenale wereld nodig. Anders was er niets om onze categorien,
onze begrippen op te projecteren. In die zin is Kant enig empirisme toe te schrijven.
Anderzijds hebben we verstandelijke categorien nodig, om de indrukken uit de
noumenale wereld mee te ordenen tot een fenomenale wereld. Kant onderkent dus dat
wij een observator zijn, maar stelt tegelijkertijd dat we ook actief structuur opleggen aan
onze ervaringen. Op deze manier brengt Kant een synthese tot stand tussen empirisme
en rationalisme.
Dit inzicht, dat de structuur in onze fenomenale wereld niet afkomstig is uit de wereld
zelf, maar uit ons, wordt over het algemeen de copernicaanse revolutie van Kant
genoemd. In zekere zin is die metafoor ook wel terecht. Nog niet eerder was zo
stellig beweerd dat we de wereld van onze ervaring zelf samenstellen. Wat dat betreft
houdt de vergelijking met Berkeley ook een beetje op. Zijn idealisme ging ervan uit dat
de wereld in onze geest de enige is, maar hij had uiteindelijk God nodig om die
wereld van continuteit te voorzien. Kant is daar aan voorbij en stelt dat die continuteit
in ons zelf zit. We bouwen die wereld zelf, op basis van categorien in ons hoofd. Het
idealisme van Kant noemen we dan ook wel transcendentaal idealisme, omdat we de
noumenale wereld ermee overstijgen.
Als je kwaad wilt, zou je kunnen zeggen dat hiermee ook meteen het enige echte verschil
met de filosofie van Hume is blootgelegd: Hume blijft achter in die noumenale wereld en

37

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

zegt dat de kennis die we daaruit afleiden, onzeker is. Kant neemt vervolgens een enkele
reis naar de fenomenale wereld en zegt dat de kennis daarin wel zeker is omdat deze
afkomstig is uit onszelf. Daarom noemt Hume de mens ook feilbaar, terwijl de mens bij
Kant in zekere zin de schepper van de fenomenale wereld wordt.
Dat is een enorm verschil in mensbeeld, maar de vraag is of Kant nou overtuigend het
mensbeeld van Hume heeft vervangen door het zijne. Het belangrijkste argument
daarvoor was namelijk dat wij zouden beschikken over synthetische a priori kennis. Dat
uitgangspunt onderbouwt hij vervolgens door te beschrijven dat deze kennis in de vorm
van verstandelijke categorien in ons hoofd zit. Maar dat was precies de stelling
waarmee hij ook begon. Is dat dan een bewijs of eigenlijk een cirkelredenering?
Tegelijkertijd was het Hume die voor het eerst heel concreet maakte dat wetenschappers
gewone mensen zijn en dus met hun beperkingen grenzen opleggen aan de wetenschap.
Dat Kant die beperkingen vervolgens categorien noemt en daarmee de mens tot
schepper verheft, doet daar weinig aan af. Is het dan niet wel zo eerlijk om die
copernicaanse wending op zijn minst deels toe te schrijven aan Hume?

Biografie
Immanuel Kant (1724-1804)
Geboren in Kningsberg, de hoofdstad van Oost-Pruisen. Hij bestudeerde het werk van
de filosofen Leibniz en Wolff. Hij kwam ook in aanraking met de fysica van Newton. Rond
1769 werd hij wakker geschud uit zijn dogmatische sluimer door Hume. Dit resulteerde in
1781 tot de publicatie van n van de grootste klassieken in de geschiedenis van de
filosofie, de Critique of Pure Reason. Kant leefde een heel regelmatig leven en stierf in
1804.

Samenvatting
Hume stelde dat de newtoniaanse mechanica geen noodzakelijke, universele, objectieve
en causale kennis belichaamde. Hij zei dat de menselijke gewoontevorming en onze
passionele verbeelding ons dreven tot een causaal verband van de wereld. Hierdoor werd
wetenschap niet meer dan een verzameling gissingen.
Kant probeerde de speciale epistemologische status van de wetenschap te redden. Hij
begint met de stelling dat we simpelweg wetmatige kennis over de wereld hebben. Hij
traceert vervolgens de voorwaarden voor deze kennis. In zijn overstijgende filosofie
concludeert hij dat de mens in staat zijn tot noodzakelijke, universele en causale kennis
met de kanttekening dat het beperkt is tot de wereld zoals deze aan ons wordt
gepresenteerd.
Tegenwoordig denkt men dat de wetenschap zonder grenzen is en dat het ons voorziet
van op zijn minst waarschijnlijke kennis over de wereld zoals deze is (nominaal).

Terugkijken op deel I
Recapitulatie: rationalisme en empirisme
Hoe kunnen we de wereld kennen? Dat was de vraag die in deel 1 van deze cursus
centraal stond. Op die vraag zijn in de loop van de geschiedenis verschillende
antwoorden gegeven, die hoofdzakelijk in twee filosofische stromingen kunnen worden
ingepast: het rationalisme en het empirisme. Van beide stromingen, die al sinds de
38

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Griekse oudheid in de westerse filosofie te onderscheiden zijn, hebben we voorbeelden


gezien. We hebben echter ook gezien dat vrijwel geen enkele filosoof uitsluitend het een
of het ander is. Het is dus beter om te spreken over rationalisme en empirisme als
tegengestelde filosofische posities, dan over filosofen als zijnde rationalisten of
empiristen.
Rationalisme staat voor het logisch denkvermogen. Onze zintuigen zijn onbetrouwbaar.
Daaraan kunnen we dus geen zekerheid ontlenen. Die zekerheid kunnen we wel ontlenen
aan het gebruik van de rede. Een goed voorbeeld is de methodische twijfel van Ren
Descartes. Door alles in twijfel te trekken bereikte hij n zekerheid: het bestaan van
zijn eigen cognitie. Empirisme gaat er juist vanuit dat we onze ratio niet zonder meer
kunnen vertrouwen. Bij geboorte weten we niets, en pas als we ervaringen opdoen via de
zintuigen wordt onze geest gevuld met ideen over de wereld. De werkelijkheid ligt dus
buiten ons, en kennis ervan kan alleen tot ons komen via de zintuigen. Een goed
voorbeeld van deze positie is het standpunt van John Locke dat, willen we haar leren
kennen, we de werkelijkheid moeten observeren.
rationalisme

empirisme

beredeneren

observeren

de wereld als logisch denkbeeld

de wereld als som van ervaringen

Recapitulatie: deductie en inductie


We hebben ook gezien dat zowel rationalisme als empirisme hun valkuilen kennen.
Wanneer de ratio de bron van kennis is, dan proberen we vanuit algemene zekerheden,
door middel van deductie tot meer gedetailleerde uitspraken te komen. Het probleem is
echter dat deze deductie nooit tot nieuwe kennis leidt, enkel tot een meer nauwkeurige
specificatie van wat we toch al wisten.
Daarom stellen de empiristen, met name sinds Francis Bacon, dat deductie geen juiste
methode is. Om tot nieuwe kennis te komen moet je het onbekende observeren. Met
behulp van inductie kun je dan vanuit die specifieke waarnemingen, algemene conclusies
trekken. Het probleem van deze methode is echter dat je altijd theorien formuleert op
grond van een beperkt aantal observaties. Met inductie kom je dus nooit tot algemene
zekerheden. Je kunt dan uitsluitend probabilistische uitspraken doen: zeggen dat iets
waarschijnlijk is.
Merk op dat deductie en inductie niet volledig corresponderen met respectievelijk
rationalisme en empirisme. Deze begrippenparen hangen echter wel nauw samen. Als
een logisch gevolg van hun uitgangspunten, zullen rationalisten eerder gebruikmaken
van deductie, en zullen empiristen eerder gebruikmaken van inductie. In die verhouding
zullen zij dus ook te maken krijgen met bovenbeschreven problematiek. Een empirist zal
moeite hebben om tot zekere kennis te komen. Denk bijvoorbeeld aan Hume's stelling
dat zekere kennis helemaal niet mogelijk is. Een rationalist zal moeite hebben nieuwe
kennis te genereren. Denk aan Plato's stelling dat we bij de geboorte alles al weten en
ons dit enkel nog moeten herinneren door onze rede op de juiste manier te gebruiken.

39

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

deductie

inductie

zekerheden

waarschijnlijkheden

specificatie van bestaande kennis

vorming van nieuwe kennis

Wat is wetenschappelijke kennis?


Als deductie nooit tot nieuwe kennis leidt, en inductie nooit tot zekerheden, hoe kan een
wetenschapper dan ooit tot nieuwe kennis komen die ook ontegenzeggelijk waar is? We
hebben gezien dat dit volgens radicale filosofen als David Hume niet kon: we kunnen
alleen goed genformeerd gissen over de werkelijkheid. Immanuel Kant probeerde dit op
te lossen door de wereld in tween te splitsen. Enerzijds is er de noumenale wereld, de
echte wereld an sich. Deze is onbereikbaar voor onze zintuigen. Anderzijds is er de
fenomenale wereld, de wereld zoals deze zich via onze zintuigen aan ons voordoet aan.
De wetenschap kan zich volgens Kant uitsluitend bezighouden met die fenomenale
wereld.
Maar is dat nou een bevredigende oplossing? De fenomenale wereld kunnen wij leren
kennen, maar de realiteit die daar achter ligt, zou ongrijpbaar zijn. In het alledaagse
leven is dat misschien voldoende, maar wil de wetenschapper niet juist ook iets zeggen
over die noumenale wereld: de essentile, werkelijke wereld die verborgen blijft.
Kennelijk is er iets speciaals aan de hand met wetenschappelijke kennis. Wat is dat? De
vraag Wat is kennis? die in deel 1 centraal stond, wordt in deel 2 dus verder
aangescherpt naar de vraag: Wat is wetenschappelijke kennis? Of scherper:
Wat onderscheidt wetenschappelijke kennis van andere kennisuitspraken?
De voorzet van Kant
Kant heeft een aardige voorzet gegeven in het antwoord op die vraag. Onze uitspraken
over de fenomenale werkelijkheid zijn op twee manieren te groeperen. Ten eerste zijn zij
synthetisch of analytisch. Synthetische uitspraken zijn altijd samengesteld. Zij voegen
iets toe en zijn dus vernieuwend. Analytische uitspraken zijn definirend, zij herhalen
slechts een logische zekerheid en zijn dus behoudend. Ten tweede zijn uitspraken a
priori, dat wil zeggen: vooraf bekend, of a posteriori, dat wil zeggen: achteraf gegeven.
Wat kort door de bocht gesteld zou je kunnen zeggen dat uitspraken a priori altijd
rationeel zijn, en uitspraken a posteriori altijd empirisch. Uit deze twee categoriseringen
zijn vier soorten uitspraken af te leiden.
analytisch
definirend

synthetisch
vernieuwend

a priori
vooraf gegeven in de
ratio

logische afleiding op basis


van gegeven zekerheden
(deductie)

volgens Kant mogelijk en


typerend voor 'echte
wetenschap'

a posteriori
achteraf gegeven door
empirie

onmogelijk omdat empirie


altijd iets nieuws toevoegt

nieuwe ervaringskennis die


achteraf gegeven is
(inductie)

40

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Ziehier de reden waarom volgens Kant analytische uitspraken a posteriori onmogelijk


zijn: empirische gegevens voegen immers altijd iets toe, en kunnen dus enkel
synthetisch zijn. Op dezelfde manier kun je beredeneren dat analytische uitspraken a
priori het mogelijk maken om deductie te plegen. Het gaat hier immers om vooraf
gegeven definities die we kunnen gebruiken om logische zekerheden af te leiden uit
bestaande kennis. Anderzijds kunnen we met wat goede wil de synthetische uitspraken a
posteriori gelijkstellen aan inductie. Hier gaat het immers om nieuwe kennis die
we verwerven via de empirie.
De synthetische uitspraak a priori is volgens Kant het meest bijzonder. Je kunt op basis
van het bovenstaande schema beredeneren dat het hier gaat om nieuwe
kennisuitspraken die toch vooraf in de ratio gegeven zijn. Maar is dat nou echt
mogelijk? Kunnen we nieuwe kennis over de wereld opdoen, zonder de empirie, puur
door die nieuwe kennis te 'denken'? Volgens Kant kan dat, en zijn juist deze uitspraken
echt wetenschappelijk. Op dat punt pikken we de draad op in dit tweede deel van de
cursus. Is die a priori gegeven, synthetische uitspraak inderdaad het definirende
element van wetenschap? Of is er iets anders dat echte wetenschap onderscheidt van
andere kennisuitspraken?

Introductie deel II
Hume stelde dat de bekronende glorie van de Wetenschappelijke Revolutie van de
newtoniaanse mechanisme niets meer was dan een genformeerde gok.
Kant liet zien hoe universeel valide kennis toch mogelijk kon zijn. Zijn ingenieuze
oplossing was dat de wetenschap de noodzakelijke structuur van de fenomenale wereld
ontdekt.
In deel II gaan we kijken naar de vraag of er fundamentele verschillen zijn tussen de
natuur- en menswetenschappen. Er zijn twee kanten worden belicht die discussiren over
deze kwestie: positivisme en hermeneutisme.

Positivisme en hermeneutisme
Introductie
Positivisme = het onderwerp van de menswetenschappen moet op dezelfde manier
benaderd worden als het onderwerp van de natuurwetenschappen. De
menswetenschappen verschillen alleen in op niveau en niet in soort van de
natuurwetenschappen. Deze benadering had geen universele goedkeuring.
Hermeneutisme = mensen (en misschien ook dieren) en de culturele wereld waarin ze
wonen kunnen niet op dezelfde manier worden behandeld als levenloze fysieke objecten.
Hume wilde de wetten beschrijven die de geest besturen. Het ene idee leidt
onvermijdelijk naar een ander idee. Ideen zijn als planeten, ze worden in hun baan
gehouden door natuurwetten => de wetten van de geest.
In de lijn van deze redenering kan de samenleving ook gezien worden als een
mechanisme dat geanalyseerd kan worden in elementen die wetmatig met elkaar
interacteren. Pas in de 18e eeuw zou Comte de sociopsychologie introduceren maar het
41

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

idee was al onderzocht door Hobbes. Hij was weer genspireerd door Harvey en Galileo.
Hobbes zag de samenleving als een klok en zijn mechanismen konden worden
beschreven in termen van universele wetten.
Adam Smith, een vriend van Hume, probeerde de wetten van de economie te beschrijven
op basis van empirische data.
In de nasleep van de Wetenschappelijke Revolutie was er een groeiende consensus dat
het mentale en sociale extreem complexe mechanismen waren, maar het zijn
mechanismen. De visie dat sociale en mentale fenomenen empirisch onderzocht kunnen
worden werd positivisme genoemd.

Positivisme
Het klassieke positivisme werd ontwikkeld door Comte (1798-1857) en zijn bewonderaar
John Stuart Mill (1806-1873).
Mill stelde dat men de methoden moest gebruiken die zo nuttig waren in de
natuurwetenschappen voor de menswetenschappen. Comte beweerde dat er een
uniforme manier van redeneren was dat toepasbaar was op alle onderwerpen die zich in
de menselijke geest bevinden.
Comte Wet van de drie Intellectuele Stadia:
1. Het theologische stadium, waarin de verklaring voor verschijnselen gezocht wordt
in bovennatuurlijke krachten. Een psychologische stroming of theorie die tot de
theologische fase gerekend kan worden, is moeilijk te vinden. Psychologie in enge
zin bestaat namelijk pas sinds wetenschappers aan het eind van de negentiende
eeuw bewust probeerden de mens te onderzoeken volgens de positivistische
beginselen. Je zou wel kunnen zeggen, dat het denken over de mens tijdens de
middeleeuwen theologisch van aard was. Men ging ervan uit dat de mens door
God geschapen was, en bewogen werd door het goede van God en het kwade van
de duivel. Ook de eerste renaissancistische filosofen hadden soms zulke
theologische ideen. Descartes zocht bijvoorbeeld naar een rationeel bewijs voor
het bestaan van God, en toen hij dat eenmaal in handen had, gebruikte hij het om
het bestaan van het heelal (res extensa) mee te bewijzen.
2. Het metafysische stadium, waarin bovennatuurlijke verklaringen vervangen
worden door abstracte begrippen zoals essentie, aard, ziel, rede en kracht als
verklaringsgrond overblijven, zoals bij Hobbes, Kepler en Freud. Metafysisch
getinte theorien of stromingen zijn al gemakkelijker te vinden in de
psychologie. Verklaringen vanuit het abstracte vinden we bijvoorbeeld in sommige
persoonlijkheidstheorien zoals de Big Five. Daar worden op basis van
gedragsobservatie abstracte persoonlijkheidskenmerken geconstrueerd die
vervolgens gebruikt worden om het gedrag mee te verklaren. In de kern is dat
onwetenschappelijk volgens de positivistische filosofie van Comte. Stellen dat
iemand zich uitbundig gedraagt omdat hij extravert is verklaart immers net zo
weinig als stellen dat iemand leeft omdat hij levenskracht heeft.
3. Het positieve stadium, waarin verschijnselen verklaard worden door andere
verschijnselen. Men gaat op zoek naar relaties tussen de verschijnselen, die men
dan in wetten probeert te gieten. Typisch voorbeelden van positivistische
psychologie zijn het behaviorisme of de hedendaagse neuropsychologie. Zij
verwijzen enkel nog naar observeerbare externe prikkels en meetbare
hersenactiviteit. Aan de hand daarvan poneren zij concrete theorien op over hoe
42

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

de aanwijsbare machinerie van het menselijk lichaam met specifieke,


voorspelbare gedragingen reageert op veranderingen in de omgeving.
Theologische stadium: het doel is te ontdekken waarom iets gebeurd. Comte zag
monothesme als het eindpunt vooraf gegaan door animisme en polythesme.
Voor een positivist zorgen krachten en machten niet voor een bevredigende verklaring
van natuurlijke fenomenen. Metafysische verklaringen komen vaak neer op: ik leef
omdat ik leef of opium zorgt dat je in slaap valt omdat het je in slaap laat vallen.
Comte vond dat wetenschap in dienst van de mens moest staan. We moeten in staat zijn
om de toekomst te voorspellen en hierop te anticiperen. Theologische en metafysische
theorien zorgen niet voor nuttige voorspellingen.
Het positieve stadium was erg geschikt om:
1. Natuurlijke fenomenen te verklaren
2. Om te gaan met de eisen van de samenlevingen die diepgaande veranderingen en
snelle ontwikkeling ondergaan.
Positive => feitelijk, nuttig, exact en zeker. Redenatie en observatie zijn de middelen.
Het hoofddoel van de wetenschap is het ontsluieren van de universele natuurwetten die
observeerbare fenomenen sturen. De newtoniaanse mechanica had het positieve stadium
al bereikt volgens Comte. De wetenschapper vraagt niet langer waarom een fenomeen
ontstaat maar hoe. Voor een positivist is de volwassen wetenschap gebaseerd op feiten.
De enige manier waarop de wetenschap grip krijgt op de natuurlijke wereld is door
wetmatige relaties tussen fysieke, observeerbare fenomenen. Alle kennis wordt
uiteindelijk ontleent aan ervaring, de feiten die men met zekerheid kan weten.
Experimentele feiten kwamen volgens Comte voort uit een combinatie van observatie en
rede. In de wetenschap zullen theorie en observatie altijd hand in hand gaan.
Wetenschap gaat niet alleen over zorgvuldige, inductieve datacollecties, maar heeft
interpretatie nodig van theorien. Dit is de combinatie van inductie en deductie. Dit komt
overeen met de metafoor van Bacon: de bij verzamelt nectar om er honing van te
maken, zo verzamelt de wetenschapper data om er een betekenisvolle beschrijving van
de natuur van te maken.

Positivisme en de sociale wetenschappen


Comte: wetenschap moet dienen als een gids voor praktisch handelen. Dus wetenschap
moet worden afgestemd op voorspelling omdat dat is wat ervoor zorgt dat we handelen.
De uitspraak savoir pour prvoir, prvoir pour pouvoir (weet om te voorzien en voorzie
om in staat te zijn te doen). Comte vond dat wetenschap zorgde voor de werktuigen om
controle te krijgen over alle aspecten van het menselijke leven.
Comtesse ultieme doel was om een wetenschap van de samenleving te ontwikkelen dat
de wanorde die woede in Frankrijk sinds de Revolutie zou beindigen. Een belangrijk idee
van het positivisme was dat de menswetenschappen niet zoveel verschilden van de
natuurwetenschappen. De menswetenschappen had wel te maken met fenomenen die
veel complexer waren dan bij de natuurwetenschappen maar dat is geen obstakel om ze
empirisch te onderzoeken en in wetten te beschrijven.

43

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Volgens Comtesse encyclopaedic formula hebben de wetenschappen een natuurlijke


volgorde:
1. Wiskunde
2. Astronomie
3. Fysica
4. Scheikunde
5. Biologie
6. Sociologie (de koningin van de wetenschappen)
De complexiteit van de mechanismen neemt toe naarmate men van de wiskunde naar de
sociologie gaat, maar het blijft gaan over mechanismen.
Darwin las de Cours de Philosophie Positive van Comte en werd daar zeker door
benvloed. Het loste niet alleen een aantal methodologische themas op maar het
suggereerde ook dat biologie een wetenschap is en dat deze moest ontdaan worden van
de theologische elementen.
Niet alleen Darwin was aangetrokken door het positivisme. Het idee dat de mensheid
begrepen kan worden op dezelfde manier als natuurlijke fenomenen is geworteld in de
Verlichting en werd uitgebreid in de 19e eeuw.
Het domein van de mythe en mysterie moest steeds meer plaatsmaken voor de
empirische, mechanische, wiskundige natuurwetenschappen. Toch bleef er kritiek op
deze objectiviteit door invloedrijke denkers die stelde dat de objectiviteit fundamenteel
op gespannen voet staat met de subjectieve natuur van de mens.

Menswetenschap vs. natuurwetenschap: subject vs. object


Hoewel sommigen beweerden dat in de 19e eeuw iedereen een positivist was, kwam er
vooral vanuit Duitsland sterke en invloedrijke weerstand hiertegen. In het hart van het
geschil lagen radicale tegengestelde standpunten over de vraag of de menswetenschap
de natuurwetenschap zo dicht mogelijk moest volgen.
Positivisten zijn methodologische monisten: er is slechts n wetenschappelijke methode
en het moet gebruikt worden in alle wetenschappen. Zij dachten dat het mogelijk was om
een bouwwerk te bouwen van een universele wetenschap. De zogenaamde
hermeneuticisten stelde een dualisme voor waar twee soorten wetenschappen in zijn: de
menswetenschappen en natuurwetenschappen omdat ze verschillend zijn op essentile
punten in zowel onderwerp als methodologie.
Friedrich Schleiermacher, Wilhelm Dilthey en Max Weber ontwikkelden in de 18e eeuw de
hermeneutiek.
Hermeneuticisten beschuldigen positivisten ervan om de wetenschap te aanbidden.
Positivisten beweren dat de menselijke subjectiviteit een overblijfsel is van het
theologische of metafysische verleden dat kan worden verwijderd door onderzoek van
mensen zoals alle andere objecten worden onderzocht. Dilthey vond positivisme niet van
toepassing op het menselijke leven: om het menselijke leven te begrijpen moet men het
menselijke bewustzijn begrijpen en hier is de mechanistische wetenschap gedoemd te
mislukken.
Mensen worden niet gedreven door objectieve beschrijfbare krachten van buitenaf,
mensen hebben een innerlijk. In essentie zijn het subjecten en geen objecten. Een mens
44

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

kan vrij zijn van de natuurlijke causale ketenen en verandert, binnen grenzen, de loop
van de dingen in de buitenwereld. De innerlijke wereld verschilt van mens tot mens.
Deze essentile subjectiviteit is wat ons maakt wie we zijn. Dit is de belangrijkste reden
voor Dilthey om te beweren dat de menswetenschappen een onafhankelijk systeem
vormen.
Hoe intutief dit beeld van onszelf als subjecten ook mag lijken, het zorgt voor een
belangrijke vraag: hoe kan de menswetenschap wetenschappelijke rechtvaardiging
vinden als de natuurwetenschappelijke methode niet van toepassing is? Als de
menswetenschappen zo anders zijn dan de natuurwetenschappen, op welke basis kunnen
we het dan wetenschap noemen?

Hermeneutiek
Hermeneutiek kan worden teruggevoerd op de antieke tijd. Het komt van het woord
hermeneuein(=interpreteren). Het woord slaat op Hermes, de boodschapper van Zeus in
de Griekse mythologie. Hermes droeg boodschappen over aan de stervelingen en
interpreteerde deze boodschappen.
Hermeneutiek is een methode waarbij men door middel van interpretatie tot een dieper
begrip kan komen van zaken. Oorspronkelijk ging het daarbij om het begrijpen van
verborgen betekenissen in mythologien en heilige schriften. In de middeleeuwen was de
hermeneutiek bijvoorbeeld vooral van belang bij de Bijbelexegese. Uiteindelijk zou deze
interpretatieve benadering echter ook wetenschappelijk toegepast worden. De methoden
van de natuurwetenschap vinden de hermeneuticisten niet geschikt voor de
menswetenschap.
Volgens Diltheys Lebensphilosophie verminken de positivisten in de psychologie en
sociologie de historische realiteit om zo de concepten en methoden van de
natuurwetenschappen op te nemen. Door de spirituele en historische dimensie buiten
beschouwing te laten, is de analyse van de samenleving armoedig en oppervlakkig. De
menswetenschap moet gaan over mensen van vlees en bloed stevig ingebed in de
geschiedenis.
Dilthey, benvloed door het romanticisme, beweerde dat individuen zijn geworteld in
historische tradities en dat de mensen alleen begrepen kunnen worden als deze tradities
serieus genomen worden. De menselijke wereld is mentaal (=geistig) en historisch
(=geschichtlich) en beide aspecten moeten gewaardeerd worden in de wetenschap van
de mensheid.
Volgens Dilthey doen mensen, anders dan stenen en planeten, dingen voor een bepaald
doel, ze zijn doelgericht. Mensen hebben verschillende invalshoeken en ze handelen
volgens deze invalshoeken.
Motieven en intenties verschillen van andere oorzaken omdat hun impact op de
samenleving onvoorspelbaar en grenzeloos is. Intenties zijn producten van een innerlijke
wereld waarvan de werking mysterieus is en die interacteren met de overtuigingen en
verlangens van andere mensen, die ook weer het product zijn van hun eigen innerlijke
leven.
De handelingen van mensen worden niet bepaald door blinde, causale wetten. Betekent
dit dat er niet zoiets kan zijn als menswetenschappen? Volgens Dilthey niet. We hebben
geen causale wetten nodig om het gedrag van andere mensen te begrijpen en te
45

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

voorspellen. We zijn redelijk goed in het bedenken wat een ander denkt en hun volgende
handeling zal zijn. Hoe bereiken we dit dan wel? Diltheys antwoord op deze belangrijke
vraag is erg invloedrijk geweest.

Verstehen: een methode voor sociale wetenschappen


Dilthey stelde ook dat het vertrekpunt van de menswetenschap de observatie was en niet
speculatie. Hier is Comtesse invloed zichtbaar. Dilthey zegt dat alle wetenschappen en
alle filosofie experientiaal/ervaringsgericht is. Diltheys concept van ervaring verschilt op
belangrijke punten van het concept van ervaring van de empiristen.
Positivisme = onszelf distantiren van de menselijke wereld om het zo min of meer
passief te beschrijven en te begrijpen. Ervaring is objectief, testbaar en
theorieafhankelijk.
Dilthey = om de menselijke wereld te ervaren en de begrijpen moeten we niet uit deze
wereld stappen maar er een onderdeel van zijn. Om iemand te leren kennen is het niet
voldoende om iedere cel van het lichaam te kennen. Om iemand te leren kennen moet
men jouw specifieke en subjectieve standpunt aannemen. Volgens Dilthey valt de kennis
van de principes van de menselijke wereld binnen deze wereld zelf.
Een volgende verontrustende vraag komt op: hoe kunnen we toegang krijgen tot de
geest van een ander?
Men kan natuurlijk niet letterlijk het mentale leven van een ander binnengaan. Volgens
Dilthey hebben we wel directe toegang tot gewoonten, vastgelegde wetten, mythen,
literatuur, kunst en spraak welke allemaal manifestaties zijn van het mentale leven van
hun makers. Rekening houdend met deze uitdrukkingen kunnen we vertrouwen op het
vermogen van onze eigen verbeelding om toegang te krijgen tot de gedachten van de
mensen die ze produceerden.
De implicatie hiervan is dat de menswetenschap, die zich bezig houdt met gevoelens,
intenties en handelingen van onze medemens, zich niet bezig houdt met Erklren: de
procedure van het zoeken naar een verklaring a.d.h.v. algemene wetten. De methode die
we moeten gebruiken in de menswetenschap is de methode die we ook gebruiken in het
dagelijkse leven: Verstehen of interpretatie en begrijpen.
Verstehen = de creatieve vaardigheid om zichzelf te projecteren in andermans schoenen
(=sich hineinversetzen) en hun ervaringen te herbeleven (=nacherleben).
Hermeneutische cirkel = om een mens te begrijpen moet je steeds heen en weer
bewegen tussen het individu, zijn uitingen en de geschiedenis waarvan ze een deel zijn.
De invloed van Dilthey
In de filosofie benvloedde Dilthey in een vroeg stadium het existentialistische werk
van Martin Heidegger (1889-1976). Die stelde dat in de westerse filosofische traditie
foutief wordt aangenomen dat het bestaan als verzameling objecten onderzocht moet
worden in plaats van als betekenisvolle activiteit. Die boodschap word ook nu nog
uitgedragen in de filosofie. Met name filosofen als Hans-Georg Gadamer (1900-2002) en
Jurgen Habermas (1929- ) hebben deze opvatting verder geradicaliseerd. Zij
beredeneerden dat Dilthey over het hoofd zag dat de observator zelf ook onderdeel is
van een historische context. De hermeneutische methode is dus niet alleen gereedschap
vr, maar zegt ook iets ver de wetenschapper: de wetenschapper leeft zelf in een
46

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

context en zal dus nooit volledig zijn eigen vooroordelen en vooronderstellingen los
kunnen laten. Wetenschap is in die zin dus altijd een interpretatie van de wereld die
gebonden is aan zijn eigen tijdvak.
Ook buiten de filosofie had Dilthey invloed. Max Weber (1864-1920) is bijvoorbeeld een
van de grondleggers van de moderne sociologie en stelde, in zijn kritiek op het
marxisme, dat de loop van de geschiedenis niet zonder meer te verklaren is op basis van
materialistische, economische gronden. Om de loop van de geschiedenis echt te
verklaren, moeten juist de culturele en religieuze betekenissen van een tijdvak ten volle
begrepen worden. Ook in de culturele antropologie drong de hermeneutiek door.
Bronislaw Malinowski (1884-1942) en Frans Boas (1858-1942) gebruikte het principe van
Verstehen bijvoorbeeld als basis voor hun antropologische methode van participerende
observatie. Die methode schrijft voor dat je mensen een cultuur niet zomaar van buiten
kunt observeren. Je moet deel worden van de groep mensen die je onderzoekt om
zodoende van binnenuit hun betekenissensysteem te leren begrijpen.
In de psychologie zijn de psychoanalyse van Sigmund Freud (1856-1939) en in mindere
mate de fenomenologie van Carl Rogers (1902-1987) voor de hand liggende
voorbeelden. Beide staan voor een aanpak waarbij niet naar de mens in het algemeen
gekeken wordt, maar de individuele belevingswereld alle aandacht krijgt. Daarbij wordt,
zeker in de psychoanalyse, veel waarde gehecht aan de interpretatie van symbolen en
hun achterliggende betekenis.

Verstehen onder de aanval


Wilhelm Windelband: de natuurwetenschap is nomothetisch (=wetten opstellen), de
menswetenschap is idiografisch (=het beschrijven van het bijzondere).
Met de methode van het Verstehen voorzien de hermeneuticisten de menswetenschap
van zijn basis. Erklren en Verstehen zijn verschillend van elkaar maar vullen elkaar wel
aan. Dilthey = natuur verklaren we, psychisch leven begrijpen we.
Jrgen Habermas en Hans-Georg Gadamer bliezen in de 20e eeuw de hermeneutiek
nieuw leven in maar ze waren ook erg kritisch op Dilthey. Zij vonden dat uit het werk van
Dilthey de echo klonk van de idealen van de Verlichting, objectieve waarheid en
zekerheid. Hij vond dat Dilthey benvloed was door het voorbeeld van de
natuurwetenschap. Inderdaad was de menswetenschap voor Dilthey een echte
wetenschap die streefde naar objectieve valide kennis.
Habermas en Gadamer verwierpen de psychologie gebaseerde hermeneutiek van Dilthey.
Volgens hen faalde Dilthey om te zien dat interpretatie nooit in staat zal zijn de eigen
vooroordelen, vooronderstellingen en de eigen plaats in de geschiedenis kan afschudden.
Objectieve kennis door de psychologische kracht van Verstehen is onmogelijk omdat de
mensen die interpreteren zelf een deel zijn van de geschiedenis. Het is onmogelijk om de
subjecten te benaderen vanuit een standpunt buiten de geschiedenis. Hij zal nooit zijn
eigen culturele bagage achter zich kunnen laten. Gadamers metafoor was: de
interpretator is nooit in staat zichzelf te isoleren van zijn eigen horizon. De juiste blik op
hermeneutiek verbindt de interpretator aan de rol van partner in dialoog; we zien het
samensmelten van horizons. Dit is een eigenschap van niet alleen wetenschappelijke
communicatie maar van communicatie in het algemeen. Voor Gadamer was Verstehen
niet alleen een methode maar een kenmerk van Dasein, in de wereld zelf zijn.

47

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Voor de latere hermeneuticisten was Dilthey niet radicaal genoeg. Hij was tegen het
positivisme van Comte en Mill maar aan het begin van de 20e eeuw was het positivisme
nog lang niet verslagen en in 1920 werd er een nieuwe school opgericht in Wenen om de
ideen van de oude empiristen zoals Hume en positivisten zoals Comte en Mill nieuw
leven in te blazen. Zij gingen vol in de aanval op de hermeneuticisten en andere
metafysici.
Deze neopositivisten benadrukten wederom dat wetenschap een eenheid moest vormen.
Volgens hen was er geen scherp onderscheid tussen de natuur- en menswetenschap. De
Erlebnis waar Dilthey over sprak en welke de basis vormde voor zijn dualisme, kon geen
centrale plaats hebben in de wetenschap omdat dit priv en subjectief was. De verhalen
die wetenschappers vertellen over de seeliches Geschehen, de innerlijke flora en fauna,
van een andere persoon is onmogelijk te verifiren. Verstehen kon wel een intutieve
voorloper zijn in de natuurwetenschap, een bron van hypothesen.
Wat is wetenschap volgens Comte en Dilthey?
Comtesse standpunt wordt het duidelijkst in zijn beschrijving van de intellectuele
ontwikkeling die beschavingen doormaken. Volgens hem is in die ontwikkeling pas sprake
van wetenschap als het laatste, positivistische stadium is bereikt. Dat stadium wordt
gekenmerkt door empirisch onderzoek van de feiten en de constructie van theorien die
op die feiten gebaseerd zijn. Bovenal moeten theorien een mechanistische verklaring
bieden die verwijst naar observeerbare relaties tussen oorzaak en gevolg. Dergelijke
theorien maken het namelijk mogelijk om concrete voorspellingen te doen waardoor de
wereld hanteerbaar wordt. Pas als kennis die concrete hanteerbaarheid mogelijk maakt,
is er sprake van echte wetenschap.
Dilthey zegt eigenlijk niet zo veel over het onderscheid tussen wetenschap en
onwetenschappelijke kennis. Hij maakt een heel ander soort onderscheid. Volgens hem is
er vooral een belangrijk verschil aanwijsbaar tussen natuurwetenschappen en sociale
wetenschappen. Voor de eerste is inderdaad de positivistische methode geschikt omdat
zij de mechanische werking van de materie onderzoeken. De sociale wetenschappen
onderzoeken echter heel iets anders. Zij onderzoeken betekenisvolle fenomenen, die niet
onderhevig zijn aan mechanistische krachten van buiten. Menselijke actie is doelgericht,
wordt ondernomen vanuit een subjectief perspectief en moet dus ook zo begrepen
worden.
Maar daarmee lopen we een beetje vooruit op de volgende vraag van deze
opdracht. Wanneer we aan Dilthey zouden vragen wanneer er volgens hem sprake is van
wetenschap, dan zou hij het waarschijnlijk grotendeels met de positivisten eens
zijn. Immers, ook Dilthey vond dat wetenschap gedreven werd door empirisch onderzoek
en generalisatie van de bevindingen daarvan. Hij stuurde alleen niet aan op een
mechanistische verklaring van menselijk gedrag, hij stuurde aan op begrip van de
individuele belevingswereld.
Plaats van de psychologie in de wetenschap
Volgens Comte pasten alle wetenschappen in een en hetzelfde systeem. Er was n
positivistische methode en alle kennisdomeinen die deze gebruikten waren
wetenschappelijk. Psychologie zou volgens Comte dus de machinerie van het menselijk
gedrag moeten onderzoeken met behulp van observatie en experimenten, zoals elke
wetenschap op zoek is naar de onderliggende machinerie van de wereld. Wetenschappen
verschillen in die zin dus niet kwalitatief van elkaar.
48

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Wel is er een verschil in complexiteit. Comte formuleerde een hirarchie van zes
wetenschappen: wiskunde, astronomie, fysica, scheikunde, biologie en sociologie.
Wetenschappen bovenin de hirarchie, zoals biologie en sociologie, onderzoeken een veel
complexere machinerie. In deze hirarchie was nog geen specifieke plek toebedeeld aan
de psychologie. Die bestond ook nog niet als zodanig in zijn tijd. Comte zou echter
ongetwijfeld van mening zijn geweest dat ook de psychologie in zijn hirarchie
thuishoorde, en had hem op basis van de complexiteit van haar onderzoeksobject
waarschijnlijk tussen de biologie en sociologie geplaatst, of misschien zelfs boven de
sociologie.
Dilthey pleitte voor een heel andere aanpak. Volgens hem moeten wetenschappers die de
mens onderzoeken, zich inleven in het subjectieve standpunt van de mens. Daarom pleit
Dilthey voor een autonome plaats voor de geesteswetenschappen, inclusief de
psychologie, met een geheel eigen, interpretatieve methode die geschikt is om dat
menselijk subject te onderzoeken. We kunnen natuurlijk niet letterlijk in iemands geest
kruipen, maar we kunnen wel de verbale en non-verbale manifestaties van die geest
observeren. Door deze te beschouwen en te interpreteren, kunnen we het perspectief
van de ander recreren in onze eigen geest en leren begrijpen.
Dilthey was het dus wel eens met Comte dat de basis voor wetenschap lag in observatie.
De fout van de positivisten was echter dat zij zich als observator buiten de menselijke
wereld plaatsen door vanuit een ogenschijnlijk objectief gezichtspunt passief te
registreren wat er gebeurt, en dat te verklaren in mechanistische termen. Die fout wilde
hij corrigeren door een scherp onderscheid te maken tussen de natuurwetenschappen en
de geesteswetenschappen. Dilthey zou de psychologie als wetenschap van het domein
der betekenissen ongetwijfeld een aparte status toekennen.

Biografien
Auguste Comte (1798-1857)
Wordt de vader een naamgever genoemd van de sociologie en is de grondlegger van het
positivisme. Op school verloor hij het Katholieke geloof wat hij had meegekregen van zijn
ouders. Hij trouwde met Caroline Massin om haar te redden van prostitutie. Hij had
moeite met het vinden van een baan in de wetenschap. Hij gaf privcursussen in
positieve filosofie. Omdat zijn leven ongelukkig was, stortte hij in en zou 15 jaar op en af
opgenomen zijn in instellingen met depressie en paranoia. Hij probeerde zelfmoord door
in de Seine te springen vanaf de Pont des Artes.
Tussen 1830 en 1842 publiceerde hij zijn meesterwerk: de 6 volumes van Course of
Positive Philosophy. Hij ontving de bewondering van John Stuart Mill.
Na zijn scheiding trouwde hij met Clothilde de Vaux, zij stierf een jaar later aan
tuberculose. De publicatie van Systeme de Politique Positive markeerde een verandering
in het denken van Comte, hij benadrukte nu dat emoties voorrang hadden op de rede.
Hij begon nu te spreken over la religion de lHumanit. Hij wilde een kerk oprichten met
de wetenschappers als priesters. Hij stierf onder onduidelijke omstandigheden in 1857.
Wilhelm Dilthey (1833-1911)
Studeerde theologie in Heidelberg en Berlijn. Ook hij verloor zijn Protestantse geloof en
ging geschiedenis en filosofie studeren. Tegenwoordig is Dilthey vooral bekend om zijn
werk aan het fundament van de menselijke wetenschap. Hij schreef Critique of Historical

49

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Reason dat zorgde voor een basis van de menswetenschap zoals de Critique of Pure
Reason van Kant de basis had gelegd voor de natuurwetenschap. Diltheys levensfilosofie
met de nadruk op het historische bestaan van de mens, wilde ook het oppervlakkige en
ahistorische visie op de mens van Kant overstijgen.
Dilthey stond niet vijandig tegenover de natuurwetenschap, integendeel. Het was een
uitzonderlijk erudiet persoon.

Samenvatting
Positivisme was een dominante kracht in het Europese, intellectuele klimaat van de 19e
eeuw. Het beweert dat de sociale wetenschappen alleen van de natuurwetenschappen
verschilden in mate en niet in soort. Comtesse beroemde Wet van de Drie Stadia
beschrijft hoe, gedurende de geschiedenis, theologie en metafysica geleidelijk vervangen
werden door kennis die gebaseerd is op experientile feiten. Positivisten zijn
methodologische monisten: er is slechts n wetenschappelijke methode die gebruikt
moet worden in alle wetenschappen.
Tegenstanders van het positivisme waren de hermeneuticisten zoals Dilthey die een
dualisme voorstelde tussen mens- en natuurwetenschappen omdat ze verschillen in hun
onderwerp en hun methode. Ze stellen dat menselijke handelingen niet alleen worden
gestuurd door objectieve en beschrijfbare krachten van buitenaf maar worden
gemotiveerd door verlangens, emoties, gedachten, gevoelens en intenties. De
Verstehenmethode kan worden gebruikt om te begrijpen waarom mensen de dingen
doen die ze doen.

Vooruitblik
Veel van de ideen van de 18e eeuwse empiristen en 19e eeuwse positivisten werden
nieuw leven ingeblazen in de 20e eeuw door logisch positivisme. De logisch-positivisten
deelden hun hoge aanzien voor de wetenschap met Comte, een visie op de exacte
wetenschappen als een voorbeeld voor alle wetenschappen en ze hadden een groot
wantrouwen tegen de filosofische systemen. Zij waren echter nog radicaler dan Comte.
Hun belangrijkste doel was het ontwikkelen van een wetenschap die sterk genoeg zou
zijn om alle irrationale gedachten kon zuiveren. De vroege logisch-positivisten waren
voor een groot gedeelte benvloed door Ludwig Wittgenstein. Tussen zijn ideen waren
de verificatie theorie van betekenis welke de logisch-positivisten aannamen als een
demarcatie criterium: een scherpe regel die wetenschap onderscheidt van metafysica. Als
een bewering niet empirisch kan worden geverifieerd is het cognitief zonder betekenis.
De Weense positivisten beweerden dat het verwerpen van synthetic a priori kennis in het
hart lag van het logisch-positivisme. Wat overbleef voor de filosofie is de logische analyse
van wetenschappelijke stellingen.

Logisch positivisme
Wiener Kreis
In de 20e eeuw werd het positivisme nieuw leven ingeblazen wat vorm kreeg in
Oostenrijk toen een debatclub genaamd Wiener Kreis een internationale beweging werd
die bekend werd als logisch-positivisme. Ze waardeerden de visie van Comte die vond
dat de exacte wetenschap als voorbeeld moest dienen voor de rest van de wetenschap
en dat men filosofie moest wantrouwen. Het logisch-positivisme was echter nog radicaler
50

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

dan Comte. Hun belangrijkste doel was het ontwikkelen van een visie op wetenschap dat
sterk genoeg was om alle irrationele gedachten te verwijderen.
Het logisch-positivisme nam vanaf 1920 een grote vlucht. In eerste instantie heette het
de Schlick Kreis naar hun leider Moritz Schlick. Later kreeg het de naam Wiener Kreis. De
kern van de discussiegroep bestond uit:
Otto Neurath
Rudolf Carnap
Herbert Feigl
Hans Hahn
Friedrich Waismann
Philipp Frank
In het begin was het een gesloten club maar vanaf 1928 werd het openbaar omdat de
leden de ideen wilde verspreiden. Er werd contact gelegd met andere groepen en dan
vooral een groep in Berlijn die geleid werd door Reichenbach met leden als Hempel en
Von Mises. In 1928 richtten ze de Ernst Mach Society op en publiceerde in 1929 het
manifest The Scientific Conception of the World: The Vienna Circle. Van hieruit veroverde
het logisch-positivisme de wereld.
Hoewel de Kreis veranderde in een beweging, was de Kreis zelf geen lang leven
beschoren. Halverwege de jaren 30 van de vorige eeuw wat het volledig uiteengevallen.
Frank en Carnap verhuisden naar Praag, Feigl naar de VS, Hahn stierf in 1934 en
vanwege het Nazeregime vluchtten Neurath en vele andere leden weg omdat ze Jood
waren of er linkse ideen op na hielden. Het cruciale moment was toen Schlick werd
vermoord door een student Johann Nelbck.

Richting een kritiek op metafysica


In het manifest van 1929 zette het logisch-positivisme hun doel uiteen: het verwijderen
van metafysische en theologische puin en daarmee plaatste het logisch-positivisme
zichzelf stevig in de traditie van de Verlichting. Sommigen spraken zelfs van een Weense
Sptaufklrung (=late Verlichting).
Het logisch-positivisme volgde in de voetstappen van de eerste empiristen en
positivisten. Hume had al de metafysische traditie verworpen. De nieuwe positivisten
waren het eens met Hume: kennis komt voort uit abstracte redenatie (logica) of
experimentele redenatie (observatie). De titel van het manifest van de Wiener Kreis
verkondigde een wetenschappelijke wereldvisie met twee eigenschappen:
1. Empirisme of positivisme: kennis komt voort uit ervaring
2. Logische analyse
Logisch-positivisme = de realisatie van een verenigde wetenschap door het toepassen
van logische analyse op ervaringen.
Volgens Schlick stond men op het punt van een omwenteling in de filosofie. Het was het
werk van Ludwig Wittgenstein die de weg vrijmaakte voor deze revolutie in de filosofie.
Wittgenstein publiceerde Tractus Logico-Philosophicus in 1922. Dit werd door velen en
vooral Schlick gezien als het werk van een genie. De invloed die het werk van
Wittgenstein heeft gehad op de ideen van de positivisten kan nauwelijks worden
onderschat. Een aantal beweringen van Wittgenstein werden door de Wiener Kreis
aangenomen als basis leerstellingen:
51

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

1. Het onderscheid tussen formeel en feitelijk


2. De verificatietheorie van de betekenis
3. De opvatting van filosofie als logische analyse

Het formele en het feitelijke


Wetenschappelijke beweringen vallen in twee categorien uiteen:
Logische en wiskundige beweringen
Feitelijke beweringen
Logische beweringen
Logische beweringen zijn volledig afhankelijk van hun eigen formele structuur en de
betekenis van de termen die hierin gebruikt worden. Het zijn tautologien zoals
Wittgenstein ze noemde: dit zijn beweringen die niets over de wereld zeggen en dus
geen feitelijke inhoud hebben. Ze zijn analytisch. Dit betekent dat hun waarheid of
onwaarheid niet geobserveerd kunnen worden, ze zijn a priori. De waarheid van een
bewering kan ook ervaren worden met de ogen gesloten:
2+2=4
Een driehoek heeft drie zijden
Alle vrijgezellen zijn ongetrouwd
De Eiffeltoren staat of staat niet in Parijs
Feitelijke beweringen
De waarheid van feitelijke beweringen kunnen alleen door zintuiglijke ervaring gezien.
Een feitelijke bewering wordt ook wel een synthetische en a posteriori bewering
genoemd:
Er zijn 48 mensen in de kamer
Kate draagt een gele jurk
Water kookt bij 1000 Celsius
De Eiffeltoren staat in Parijs

Verificatie als demarcatie


Demarcatie = wetenschappelijke kennis te scheiden van pseudowetenschappelijke kennis
Als een bewering niet logisch of empirisch zijn, dan zijn de beweringen niet
wetenschappelijk. Dit lijkt niet helemaal juist te zijn.
Deze steen weegt 3 kg
Andy is een echte Steenbok
Zijn dit synthetische a posteriori beweringen? De eerste bewering is een echte
synthetische a posteriori bewering terwijl de tweede een synthetische a posteriori
bewering lijkt maar het is in feite onzin. Intutie is niet voldoende om een bewering te
ondersteunen. Wat ze wilden was een demarcatiecriterium = criterium dat ervoor zorgt
dat iemand een objectief en scherp onderscheid maakt tussen wetenschap en
pseudowetenschap.
Het demarcatie thema was al eerder aan de orde. Hume stelde het Copy Principe voor
om een onderscheid te maken tussen zin en onzin: ideen die niet gevormd worden door
impressies moeten verworpen worden. Zijn termen idee en impressie waren echter in de
ogen van de neopositivisten voornamelijk vaag.

52

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Comte had zich ook bezig gehouden met het onderscheid tussen wetenschap en
pseudowetenschap. Hij beweerde dat voorspelling de wetenschap karakteriseert. Voor de
positivisten uit de 20e eeuw was het antwoord van Comte niet verfijnd genoeg. De
bovenstaande beweringen kunnen allebei gebruikt worden om voorspellingen te doen
maar bewering twee kan niet geaccepteerd worden als werkelijke wetenschap.
Voorspellen is dus geen lakmoestest voor het onderscheid tussen wetenschap en
pseudowetenschap.
De positivisten vonden dat Wittgenstein de oplossing had =>betekenisvolle elementaire
beweringen zijn afbeeldingen en om te ontdekken of een afbeelding waar of onwaar is,
moeten we het vergelijken met de werkelijkheid.
Wittgenstein: om te kunnen zeggen dat p waar of onwaar is, moet ik hebben vastgesteld
onder welke voorwaarden ik p waar noem, en daarmee bepaal ik de betekenis van de
stelling. Om te begrijpen of een stelling waar is moet je weten wat de omstandigheden
zijn als het waar is => methode van verificatie.
Verificatie is een criterium van cognitieve significantie: het trekt een scheidslijn tussen
wetenschap en pseudowetenschap.

Filosofen als logische analytici


Filosofen stonden bekend als makers van theorien over de realiteit op basis van niet
empirische bronnen. Ze hebben geprobeerd om de diepere waarheid te ontrafelen over
de wereld door er alleen aan te denken. Denk hierbij aan de ideale Vormen van Plato of
de vele beweringen over het bestaan van God.
Het logisch-positivisme verwierp de synthetische a priori bewering. Deze beweringen zijn
verstoken van inhoud en kunnen niet gebruikt worden in de wetenschap.
Carnap: logische analyse spreekt een oordeel uit van zinloosheid op elke vermeende
kennis door puur denken of door pure intutie die pretendeert het zonder ervaring te
kunnen doen.
Filosofische problemen zijn of empirische problemen voor de wetenschap of het zijn
schijnproblemen.
Filosofen spelen nog steeds een grote rol in de wetenschap. Het is nu echter duidelijk dat
hun taken en verantwoordelijkheden radicaal veranderen. Het beste wat filosofen kunnen
doen is het onderzoeken en ophelderen van de logische aspecten van de taal die gebruikt
wordt door wetenschappers. Volgens het logisch-positivisme moet filosofie zich
bezighouden met de logische analyse.
De taak van filosofen is het transformeren van vooronderstellingen d.m.v. definities
totdat er termen worden gebruikt die niet verder gedefinieerd kunnen worden maar
direct in contact gebracht kunnen worden met ervaring. Van hieruit gaat de empirische
wetenschapper aan het werk.

53

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Wittgenstein herzien
Het gedachtegoed van het logisch-positivisme werd gevormd door Wittgenstein. We
hebben gekeken naar:
1. Het onderscheid tussen formeel en feitelijk
2. De verificatiemethode
3. Filosofie als logische analyse
Carnap laat zien dat Wittgenstein helemaal niet zo dweepte met de wetenschap, hij stond
er onverschillig tegenover en met verachting. Er was zelfs een mystiek element in zijn
denken dat door de positivisten buiten beschouwing werd gelaten.
Wittgenstein kampte met innerlijke worstelingen over filosofische themas waaronder
religie. Hij stelde ook dat er dingen buiten het bereik van de taal zijn en dus buiten het
bereik van de wetenschap. Wittgenstein negeerde geen metafysica, zoals de Kreis deed,
maar hij vond dat ze niet in taal te vatten waren. Er zijn dingen die niet in woorden
gevat kunnen worden, ze manifesteren zichzelf, ze zijn mystiek. Hoewel metafysische
zaken niet in woorden gevat kunnen worden, kunnen ze zichzelf wel laten zien door b.v.
een schilderij. Het is in dit licht dat we de beroemde laatste spreuk uit de Tractus moeten
zien: wovon man nicht sprechen kann, darber mu man schweigen.
Ergens over zwijgen paste niet in het neopositivisme. Neuraths kritische weerwoord op
Wittgenstein was: er is niets buiten het bereik van de wetenschap: wat niet gezegd kan
worden, bestaat gewoonweg niet.
Er waren dus enorme verschillen tussen Wittgenstein en de Wiener Kreis. De relatie
tussen de meeste leden van de Kreis en Wittgenstein bekoelde dan ook snel. Vooral
tussen Carnap en Wittgenstein ging het niet en eindigde in de beschuldiging dat Carnap
het werk van Wittgenstein gestolen zou hebben.
Niet alleen Wittgenstein had een invloed op het logisch-positivisme. De andere filosoof en
wetenschapper was Ernst Mach. Het logisch-positivisme heeft Machs visie nodig om een
belangrijk punt vast te stellen: wat precies is de empirische basis?

54

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Een fenomenale basis voor de wetenschap


Mach was de supervisor van Schlick toen deze student fysica was. Deze invloed zou
blijvend zijn.
De essentie van de Tractus was dat complexe beweringen opgedeeld moesten worden in
elementaire beweringen die in direct contact met de realiteit gebracht konden worden.
Wat Wittgenstein hierin niet duidelijk maakte was hoe de bewering in contact met de
realiteit gebracht kon worden. Mach bracht hier uitkomst.
Mach was benvloed door het werk van Hume met wie hij een diepgewortelde afschuw
deelde van metafysische speculatie. Volgens Mach wat iets zeker als er niet aan
getwijfeld kan worden. Alle wetenschappelijke beweringen moeten gebaseerd zijn op
zintuiglijke data. Hiermee blies Mach het Copy Principle van Hume weer nieuw leven in
wat stelt dat alles gebaseerd moet zijn op impressies.
De zintuiglijke data worden beschreven in basiszinnen die ook wel protocol sentences
genoemd worden.
Protocol sentences: directe meldingen van simpele ervaringen. Ze zouden de feiten
uitdrukken met absolute eenvoud zonder vervorming, verandering of toevoeging. Ze
kunnen direct geverifieerd worden; de verificatie komt direct met de bewering -> ik zie
een rode stip. Ik heb caris is geen protocol sentence want dat kan alleen een tandarts
bepalen.
Beweringen over observaties die direct verwijzen naar ervaringen zijn absoluut zeker. De
taak van wetenschappers is om theoretische beweringen te verbinden met protocol
sentences i.r.t. zintuiglijke ervaringen.
Schlick en Carnap waren ervan overtuigd dat elementaire beweringen alleen beweringen
moeten zijn over ervaringen. Hier was niet iedereen het mee eens en op dit punt waren
de eerste barsten te zien in de Kreis.
Mach wilde dat de wetenschap zich alleen bezighield met ruwe zintuiglijke indrukken. Alle
interpretatie van die gegevens achteraf moest worden vermeden. De getoonde tekening
is een afbeelding van Mach zelf, zittend in een kamer, naast een boekenkast. Het is een
goed voorbeeld van zijn standpunt omdat de afbeelding zo veel mogelijk is ontdaan
van interpretatie. Het is een directe weergave van Machs ruwe indruk op zijn linkeroog.
Je ziet onderin de bovenkant van zijn snor, daarboven de zijkant van zijn neuspunt en
boven in beeld de boog van zijn wenkbrauw.
Binnen dat kader van zijn oogkas zie je
vervolgens een ongecorrigeerde indruk van het
voor hem zichtbare deel van de kamer en
zijn lichaam. Gek genoeg ziet daardoor het
perspectief er vertekend uit, maar dat is enkel
omdat we gewend zijn aan het perspectief na
onze interpretatie van de wereld, in plaats van
het perspectief zoals we dat ruw ervaren.
Om zulke ruwe, zintuiglijke ervaringen te
vangen, ontwierp Mach het principe van
'protocol sentences'. Dit waren zo kort mogelijke
frasen waarmee ruwe, ongenterpreteerde
55

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

ervaringen direct konden worden beschreven. Omdat deze protocol sentences volgens
Mach een directe afspiegeling waren van de werkelijkheid, waren zij ook direct
verifieerbaar. Sterker nog, die verificatie is in wezen helemaal niet meer nodig: volgens
Mach zijn dergelijke protocol sentences direct gegeven in het bewustzijn van de
observator, waardoor de verificatie al gebeurd is op het moment van de directe
waarneming.
Wanneer de wetenschapper op deze manier de wereld om zich heen exact beschreef in
directe protocol sentences van onafhankelijke fenomenen, dan betrof het volgens Mach
onfeilbare beschrijvingen die alleen nog maar bij elkaar opgeteld hoefden te worden
tot een theorie over de werkelijkheid die met absolute zekerheid waar was.

Fysicalisme
De protocol sentences zorgde voor een verhitte discussie tussen leden van de Kreis. Het
probleem ontstond bij beweringen zoals ik heb kiespijn. Dit is onmiddellijk waar, de
pijn wordt aan mij gegeven maar alleen aan mij. De tandarts kan wel verstand hebben
van kiespijn, de pijnervaring is alleen zeker voor mij. Hierdoor wordt verificatie een priv
aangelegenheid en geen publieke zaak. In de wetenschap willen we geen subjectieve
maar intersubjectieve verificatie: alle waarnemers moeten het eens zijn over een
ervaring. Maar is dit wel mogelijk?
Het is onmogelijk om de innerlijke ervaringen met elkaar te vergelijken. Als twee mensen
iets groen noemen dan is het heel goed mogelijk dat de ervaring van de ander voor mij
de ervaring van de kleur rood is. Verificatie is dus geen objectief proces, het vindt plaats
in de exclusieve privacy van iemands geest.

Een fysicale basis voor de wetenschap


Binnen de Kreis was nu een verdeling over de aard van de empirische basis. Er
ontstonden twee vleugels:
Conservatieve rechtervleugel van Schlick en Waismann die trouw bleven aan de
Mach/Wittgenstein orthodox: kennis berust op onbetwijfelbare basisbeweringen
die ervaringen beschrijven.
Linkervleugel van Neurath en Carnap die deze onbetwijfelbare basisbeweringen
mogelijk waren.
Neurath beweerde dat reductie van wetenschap in zintuiglijke data overbodig en
onmogelijk was.
Onmogelijk -> de taal van de wetenschap moet berusten op intersubjectieve data
Overbodig -> het is onzinnig (metafysisch!) te stellen dat we beweringen in
contact moeten brengen met de realiteit.
Wetenschappelijke taal moet de communicatie tussen wetenschappers dienen.
Communicatie tussen wetenschappers kan alleen worden gegarandeerd als de gedeelde
taal een fysieke taal is.
Fenomenale taal bestaat uit subjectieve vormen: Ik, nu, hier.
Fysieke taal bestaat uit objectieve vormen die refereren aan tijd en plaats. Het gebruikt
geen zintuiglijke data maar de zichtbare eigenschappen van materialen.
Fysicalisme (Neurath en Carnap) = de basis van de wetenschap bestaat niet uit wat we
zien met onze geestesoog (mentale concepten) maar met het lichaamsoog (fysieke
56

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

concepten). Dit garandeert intersubjectiviteit: meerdere waarnemers bespreken de


eigenschappen van een materiaal die duidelijk zijn voor allemaal.
Protocol sentences kunnen niet langer als zeker worden gezien. Ze zijn hypothetisch en
omkeerbaar. De gedachte dat we onze beweringen kunnen vergelijken met de realiteit
om te bepalen of ze waar of onwaar zijn moeten worden gezien als metafysisch.
Waarheid bestaat niet uit de overeenkomst tussen beweringen en feiten
(=correspondentie) maar in de overeenkomst van beweringen met andere beweringen
(=coherentie).
Neurath stelde dat de wetenschap een schip op open zee was: er is geen enkele manier
om met zekerheid protocol sentences als uitgangspunt te nemen van de wetenschappen.
Tabula rasa bestaat niet. We zijn als zeilers die hun schip weer op moeten bouwen op
open zee, nooit in staat om het te ontmantelen in een droogdok en daar te reconstrueren
uit de beste materialen.

Eendrachtige wetenschap
De hermeneutiek stelde dat er een duidelijk onderscheid was tussen de natuur- en
menswetenschap. De wetenschappen hadden noch het onderwerp noch de methode met
elkaar gemeen. Het logisch-positivisme wilde van dit dualisme niets weten. Ze noemden
het de horror van het methodologische dualisme dat door de hermeneutiek was
gentroduceerd.
Het logisch-positivisme vond de hermeneutiek een metafysische onderneming. Ze
maakten gebruik van termen zoals intentie, verlangen, motieven en innerlijke leven. Het
logisch-positivisme vond dat deze termen verboden moesten worden. Ook de methode
van het verkrijgen van kennis door intutie en overpeinzing kon niet worden toegestaan.
Het is geen methode voor welke wetenschap dan ook.
In tegenstelling tot de hermeneuticisten beweerde het logisch-positivisme dat er slechts
n wetenschap is, met n methode en met n taal. De universele wetenschapstaal
zou de fysieke taal moeten zijn. Zij dachten dat het mogelijk was om iedere
wetenschappelijke taal, inclusief die talen die gebruikt worden in de sociale
wetenschappen, te vertalen in fysieke taal. Omdat alle wetenschappen in de fysieke taal
vertaald kunnen worden kunnen ze worden verenigd, in ieder geval in principe. Er zijn
geen fundamentele kloven tussen de verschillende wetenschappen.

Conclusie
Men mag concluderen dat fysicalisme duidelijke voordelen heeft t.o.v. het
fenomenalisme. Het maakt communicatie en samenwerking mogelijk wat niet het geval
is bij fenomenalisme. Fysicalisme had ook zijn zwakten waar Schlick op wees. Het
zwakste punt was dat het zekerheid en waarheid had opgegeven. Met het verdwijnen van
de zekerheid en waarheid leek het onmogelijk om een onderscheid te maken tussen
wetenschap en pseudowetenschap.
Volgens Schlick leidt fysicalisme tot een eigenaardig relativisme. Als men van
wetenschappelijke beweringen allen vraagt dat ze coherent zijn, en elkaar niet
tegenspreken, betekent dat ieder coherent verhaal gekwalificeerd kan worden als
werkelijke wetenschap. Hierdoor kunnen wetenschappelijke theorien niet langer worden
onderscheiden van sprookjes en pseudowetenschappen zoals astrologie. Inderdaad, de

57

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

metafysica komt de wetenschap weer binnen door de achterdeur: als een metafysisch
verhaal coherent is, kan het niet worden verworpen als onzin.
Weens gebaseerd positivisme laat ons achter met twee keuzes:
1. Zekerheid maar geen intersubjectiviteit
2. Intersubjectiviteit maar geen zekerheid

Biografien
Ludwig Wittgenstein (1889-1951)
Zijn invloed in de filosofie kan niet overschat worden. Time Magazine vond hem n van
de 100 meest belangrijke personen van de 20e eeuw. Hij werd geboren in een rijke
familie die naast een ijzerimperium ook belangrijk was voor de kunst in die tijd.
Hij studeerde bouwkunde en luchtvaartonderzoek. Later verhuisde hij naar Cambridge
om wiskundige logica te studeren onder Bertrand Russell. Tijdens WO I ging hij in het
leger als monteur en waarnemer van de artillerie. In 1918 werd hij krijgsgevangene
genomen door de Italianen. Tijdens zijn gevangenschap maakte hij een manuscript af
waar hij tijdens de oorlogsjaren aan gewerkt had: Tractus Logico-Philosophicus (1922).
Nadat hij zich had teruggetrokken uit de filosofische wereld, nam Schlick contact met
hem op en hervatte hij zijn filosofische werk. Toen ontdekte hij dat wat hij voor heen
dacht, alle problemen zijn opgelost, dat dit helemaal niet waar was. Hij moest erkennen
dat hij fouten had gemaakt in zijn Tractus.
Moritz Schlick (1882-1936)
Oprichter en voorzitter van de Wiener Kreis. Studeerde fysica in Berlijn onder Max
Planck, de grondlegger van de kwantumfysica. In de jaren 20 van de vorige eeuw schreef
hij een invloedrijke interpretatie van de relativiteitstheorie die erg gewaardeerd werd
door Einstein.
Hij ging in Wenen les geven in geschiedenis en filosofie van de inductieve
wetenschappen. Schlick was een grote bewonderaar van Wittgenstein. Hij werd vermoord
in 1936 door een verwarde student van hem, Johann Nellbck.
Dit zorgde voor antisemitische klanken. Er werd geschreven dat Schlick zichzelf zag als
belangrijkste denker omdat Joden geboren waren als a-metafysici. De schrijver wilde de
lezer eraan herinneren dat de Christenen bepalen wat filosofie is en niemand anders.
Otto Neurath (1882-1945)
Hij studeerde wiskunde, lingustiek, rechten, economie en sociologie. Hij was de
bedenker van de naam Wiener Kreis. Meer dan wie ook in de Kreis was Neurath
genteresseerd in de vereniging van de wetenschap welke hij zag als een instrument voor
sociale actie. Hij zag de Wiener Kreis ook als een politieke beweging. Zijn aversie voor
metafysica was alom bekend.
Hij vluchtte naar Moskou, Praag en Den Haag. Van hieruit continueerde hij zijn werk voor
de Kreis. Toen Duitsland ook Nederland binnenviel, vluchtte hij naar Engeland waar hij
les zou gaan geven aan Oxford totdat hij stierf in 1945.
Rudolf Carnap (1891-1970)
Studeerde theoretische fysica. Hij kreeg les van Frege, n van de grote logici die ooit
geleefd heeft. Hij kwam bij de Wiener Kreis in 1926. Hij schreef Der Logische Aufbau der
58

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Welt welke in 1928 werd uitgegeven. Carnap werd in 1931 professor in Praag. Onder
bedreiging van het nazisme verhuisde hij naar de VS.

Samenvatting
Logisch-positivisme probeerde om de wetenschap te voorzien van een onwrikbaar
fundament waarop de kennis kon worden gebouwd. Wetenschappelijke beweringen
moesten altijd openstaan voor verificatie. Bouwen op een exclusief empirische basis zou
de wetenschap ontdoen van metafysische speculatie. De protocol sentences discussie zou
een scheidslijn vormen tussen twee groepen binnen de Wiener Kreis over de aard van de
empirische basis. Schlicks fenomenalisme verdedigde de visie dat wetenschap op zijn
dieptepunt was met de zogenoemde protocol sentences welke directe rapportages waren
van ruwe en onbetwijfelbare zintuiglijke data. De andere vleugel stelde dat zulke
onbetwijfelbare beweringen onmogelijk waren. Men moest beweringen doen in termen
van ruimte en tijd. Het beste dat wetenschappers kunnen doen is het materiaal
gebruiken die ze tot hun beschikking hebben en van hieruit te bouwen aan gebouwen die
in balans zijn. Logisch-positivisme zorgde voor twee opties: zekerheid zonder
intersubjectiviteit en intersubjectiviteit zonder zekerheid.

Vooruitblik
De belangrijkste kritiek op het logisch-positivisme kwam van Karl Popper. Hij beweerde
dat het verificatie criterium te sterk was. Prototypische wetenschap zoals fysica kan niet
worden geclassificeerd als wetenschap omdat geen enkel algemene bewering kan worden
geverifieerd; het is onmogelijk om alle gevallen te checken die onder de bewering vallen
(Hume). Om het criterium te herformuleren in termen van bevestigingen is te zwak.
Poppers kritische rationalisme benadrukte de perceptuele en cognitieve beperkingen van
de mens. Volgens Popper is falsificatie het criterium dat wetenschap onderscheidt van
pseudowetenschappen. Iedere wetenschap zal voorspellingen doen die in principe
gefalsifieerd kunnen worden. Als falsificatie onmogelijk is, faalt de theorie om informatief
te zijn en kan worden gediskwalificeerd worden als wetenschap. Popper beschrijft de
wetenschappelijke methode als n van de gissingen en weerleggingen; trial and error.
Een ander verschil van het logisch-positivisme is dat er geen theorieneutrale
observatiebasis kan zijn: theorie gaat altijd vooraf aan de observatie.

Kritisch rationalisme
Introductie
Met het logisch-positivisme hebben we onze focus verschoven naar de filosofie van de
kennis naar de filosofie van de wetenschap. De vraag werd nu: wat is wetenschap? Het
logisch-positivisme was een combinatie van empirisme met moderne logica. Hoewel deze
benadering van grote invloed was op zowel wetenschappers als filosofen kwam er ook
kritiek op deze benadering. De eerste en absoluut de meest belangrijke criticus op het
positivisme was Karl Popper.
Karl Popper was nooit verbonden aan de Wiener Kreis. Hij ontwikkelde zijn eigen
innovatieve opvattingen over de wetenschap. Zijn ideen werden erg invloedrijk onder
filosofen, politici en wetenschappers. Na zijn dood in september 1994 werd hij geroemd
als de meest belangrijke denker van de eeuw, de laatste van de grote logici en als meest
invloedrijke denker van de 20e eeuw.

59

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Met Popper zwaaide de pendel weer van het empirisme naar het rationalisme.

Popper en de Wiener Kreis


Karl sprak wel voor leden van de Wiener Kreis maar hij is nooit een lid geweest omdat
Schlick hem niet wilde toelaten. Een reden hiervoor was dat Karl kritiek had op Schlicks
held Wittgenstein tijdens een lezing. Hij viel ook Schlick zelf aan tijdens het de discussie
die volgde op deze lezing. Binnen de Wiener Kreis vond men Popper vooral een moeilijke
persoonlijkheid hebben.
Popper was briljant, zonder twijfel. Hij had al vroeg in zijn leven inzichten in de
natuurwetenschap die hij op aanraden van Feigl werden gepubliceerd. In 1934 werd
Logik der Forschung gepubliceerd. In dit werk viel Popper een aantal van de
kernprincipes van het positivisme aan maar veel van de leden bemerkten niet de
verwoestende implicaties van Poppers kritiek voor hun positivisme. Zowel Hempel als
Carnap reageerden met gunstige beoordelingen. Zij zagen Popper liever als een vriend
dan een vijand. Schlick schreef in 1934 nog dat hij vond dat Popper bij hun overtuigingen
paste.
Door hem te zien als n van hen, maakten de positivisten een grote fout. Later bleek
het boek van Popper, dat door de Kreis werd uitgegeven, een Trojaans paard. Popper
was het niet alleen oneens met de positivisten over details maar zijn opvatting over
wetenschap was zo verschillend dat het snel de conceptuele basis van de Kreis zou laten
wankelen tot op het punt van instorten.
Popper was het wel eens met het logisch-positivisme over het belang van logica en
wiskunde in de wetenschap en hij waardeerde hun nadruk op empirisch onderzoek. Het
punt wat de positivisten misten was dat er ook een rationeel aspect zat aan kennis en
wetenschap en dit rationele aspect vond Popper van fundamenteel belang. Voor Popper
kwam theorie vr de observatie en niet daarna.
Popper is de belangrijkste voorstander van rationalisme in de 20e eeuw. Het rationalisme
van Popper is echter sterk verschillend van het rationalisme van Plato, Descartes en
Kant. Popper noemde zijn vorm kritisch rationalisme. We zullen zien dat die toevoeging
essentieel is.

Het cruciale jaar 1919


Poppers aanvaring met het Marxisme
Popper ging van school af omdat hij van mening was dat zijn leraren hem niets nieuws
meer konden leren. Hij ging direct naar de universiteit. Hij woonde bijeenkomsten bij van
zowel socialisten als communisten. Tijdens een periode van drie maanden sloot hij zich
aan bij de Association of Sozialistische Mittelschler en omarde het Marxisme, vooral
vanwege zijn pacifisme. In 1919, Popper was nog geen 17 jaar, brak hij met het
Marxisme na een demonstratie van socialisten en communisten dat in geweld eindigde.
Dit was voor Popper een beslissend moment in zijn persoonlijk en intellectuele leven.
Gedesillusioneerd vraagt hij zich af of het wel mogelijk is om het Marxisme een
wetenschappelijke theorie te noemen. Nadenkend over datgene wat het
wetenschappelijke karakter van een theorie bepaald, schaarde hij het Marxisme onder de
pseudowetenschappen

60

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Het grote probleem met het Marxisme was dat wat er ook gebeurde in de klassenstrijd,
het altijd goed was.
Popper beschrijft in zijn biografie twee lessen die hij heeft geleerd in deze periode rond
1919 en zijn ontmoeting met het Marxisme:
1. Mensen kunnen fouten maken, de mens is een feilbaar wezen
2. Er is een verschil tussen dogmatische theorien (Marxisme) en kritisch denken
Popper ontmoet Alfred Adler
Als een theorie ogenschijnlijke tegenstellingen kan verklaren dan kan het gezien worden
als een sterke theorie maar eigenlijk is dit vermogen juist een grote zwakte.
Tijdens zijn adolescentie werkte Popper als vrijwilliger in een Child Guidance Clinic dat
geleid werd door Alfred Adler. Adler was een ontrouw lid van de psychoanalytische
beweging van Freud. Adler ontwikkelde zijn eigen theorie welke hij Individualpsychologie
noemde. Waar Freud een focus had op infantiele seksualiteit, focuste Adler op verschillen
in de omgeving van het kind. Een beroemd concept van Adler is het inferiority complex
(minderwaardigheidscomplex).
Op een dag confronteerde Popper Adler met een geval waarvan hij vond dat de theorie
niet van toepassing was, Adler redeneerde toen dat hij het al zo vaak gezien had dat het
nu ook wel zo moest zijn.
De ervaring met Marxisme en Adlers psychologie leidde ertoe dat hij serieus ging
twijfelen aan de wetenschappelijke waarde van theorien die in staat zijn alle observaties
te verklaren. Hij vond dat het Marxisme en de psychoanalyse op astrologie leken: het
waren theorien die alles konden verklaren. De wereld was vol met verificaties van de
theorie, wat er ook gebeurde bevestigde de theorie.
Popper en het buigen van het licht
Een andere gebeurtenis in 1919 liet Popper zien hoe echte wetenschap werd uitgevoerd.
In de krant stond een artikel Revolution in Science Newtonian Ideas Overthrown. De
gebeurtenis waar het naar verwijst is een
bijeenkomst van de Royal Society waar de
falsificatie van de newtoniaanse fysica
werd gepresenteerd.
Wetenschappers hadden tot dan toe
berekend dat het licht van de sterren 084
buigt als het een object passeert. In 1911
zou Einstein stellen dat licht nog meer
buigt n.a.v. zwaartekracht van objecten.
In 1919 testte de fysicus Arthur Eddington
zowel de eerste als de tweede berekening.
Tijdens een zonsverduistering wilde hij een
ster fotograferen. Als beide berekeningen
waar zijn, dan zou het licht van de ster die
achter de maan en zon staat toch
zichtbaar zijn en zou het lijken dat de ster
naast de zon staat.

61

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Het resultaat van de test was dat de eerste berekening van Newton onjuist was en die
van Einstein juist.
Popper begon te twijfelen aan de wetenschappelijke status van theorien. Kan een
theorie waar zijn als het altijd waar is? Popper vond van niet.

Van verificatie via bevestiging naar falsificatie


Hoewel Popper sterk ageerde tegen de visie van het logisch-positivisme, vanaf 1919
worstelde hij wel met hetzelfde probleem: hoe kan er een grens getrokken worden
tussen echte en pseudowetenschap?
Het criterium van verificatie bleek dus niet het juiste en een zwak criterium te zijn
volgens Popper. Omdat zij zich niet kwetsbaar opstelden met gedurfde en concrete
voorspellingen waren zij eigenlijk onbruikbaar. Immers, een theorie die alle kanten op
gebogen kan worden, maakt de wereld helemaal niet voorspelbaarder en
hanteerbaarder. Zij kan zich alleen achteraf op de borst kloppen door te stellen dat de
feiten binnen de theorie passen. Zulke theorien zijn in wezen niets anders dan buigbare,
ideologische openbaringen die in niets verschillen van astrologie.
Een algemene visie is dat wetenschap inductief is (Bacon was hier een voorstander van).
Hume liet al zien dat er een probleem is met inductie: het kan niet logisch worden
gerechtvaardigd. Het is onmogelijk om een theorie te vormen n.a.v. een aantal
observaties en hier dan een uit te concluderen dat het geldt voor ALLE zaken in de
wereld; alle zwanen zijn wit.
Van Humes analyse komt het kernstatement van de wetenschap: de universele
natuurwetenschappen kunnen niet worden geverifieerd en dit betekent dat het beste dat
we krijgen vanuit de wetenschap zijn speculatieve nonsens als we het logisch-positivisme
volgen. Popper was genspireerd door Hume en kon de dodelijke klap daardoor toedienen
aan het logisch-positivisme. Hij stelde dat het logisch-positivisme er weer voor zorgde
dat het metafysische weer het wetenschappelijke gebied binnendrong.
Schlicks antwoordde op het verificatieprobleem met de stelling dat universele wetten
waar noch onwaar zijn maar dat het instrumenten zijn die gebruikt kunnen worden om
beweringen uit af te leiden over bepaalde gebeurtenissen.
Carnap was het niet eens met de instrument oplossing van Schlick. Carnap was het
gedeeltelijk met Popper eens dat het verificatie criterium te simpel was. Hij schrijft dat
verificatie leidt tot een te smalle beperking van de wetenschappelijke taal; het sluit niet
alleen metafysische zinnen buiten maar ook zekere wetenschappelijke zinnen hebben
feitelijke betekenis. Toch wilde Carnap de verificatie volledig verwerpen. In plaats
daarvan stelde hij een aanpassing voor.
Verificatie mag dan onmogelijk zijn, het blijft mogelijk om beweringen te testen die
voortvloeien uit een theorie of wet en de observaties die de theorie ondersteunen te
controleren. Carnaps voorstel was dat ook dat wetenschappers een poging moeten doen
om te proberen de mate van bevestiging te verhogen van een verklaring. Iedere witte
zwaan is een vergroting van de bevestiging van de verklaring. Verificatie werd vervangen
door confirmatie/bevestiging.
Het verschil tussen verificatie en confirmatie ligt besloten in de stelligheid. Met verificatie
bedoelde men dat iets stellig bewezen was. Confirmatie betekende slechts dat de theorie
62

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

door een specifieke observatie werd bevestigd, maar daarmee nog niet volledig waar
hoefde te zijn. Zodoende probeerde Carnap het logisch positivisme te redden: theorien
kunnen weliswaar nooit volledig geverifieerd worden, maar wel beetje bij beetje
geconfirmeerd raken. Een toenemende mate van confirmatie zou daarmee een indicatie
zijn van de wetenschappelijkheid van een theorie.
Popper was absoluut niet onder de indruk van deze reactie. De oplossing van Carnap
leverde namelijk uiteindelijk geen enkel criterium op. Denk nog maar eens aan het
voorbeeld van astrologie. Ondanks haar onwetenschappelijke karakter, wordt astrologie
met grote regelmaat bevestigd. Volgens het confirmatiecriterium wordt astrologie dus
gewoon weer een wetenschappelijke theorie. Samenvattend kun je zeggen dat het
verificatiecriterium dus veel te sterk geen enkele theorie kan ooit volledig geverifieerd
worden en het confirmatiecriterium veel te zwak er is allerlei pseudowetenschap die
regelmatig geconfirmeerd wordt.
De enige vorm van bevestiging waarover men volgens Popper mocht spreken was
corroboratie. Dit wil zoveel zeggen als 'ondanks een poging tot falsificatie is de theorie
nog niet gefalsifieerd'. Andere vormen van bevestiging, zoals verificatie of confirmatie,
deden er niet toe. Als demarcatiecriterium werd deze corroboratie echter niet gebruikt.
Daarvoor was het principe van falsificatie bedoeld: alleen theorien die de potentie
hebben om gefalsifieerd te worden zijn wetenschappelijk.
Corroboratie = De steun voor een argument of redenering.

Falsificationisme
Falsificatie en een adequaat criterium van demarcatie
Een bewering of theorie moet gefalsifieerd kunnen worden om wetenschappelijk
genoemd te worden. Dit betekent dat we in staat moeten zijn om te specificeren onder
welke condities de bewering of theorie gefalsifieerd kan worden.
Tautologien zijn niet wetenschappelijk: horoscopen, Marxistische voorspellingen en
Adlers verklaring van onderdrukking.
Marxisme: was pacifistisch in het begin maar toen er slachtoffers vielen werd de
theorie aangepast in die zin dat slachtoffers nodig zijn om nog meer slachtoffers te
voorkomen. Hierdoor is de theorie niet wetenschappelijk omdat deze niet langer
falsifieerbaar is.
Minderwaardigheidscomplex: net zoals Freud paste Adler zijn verhalen zodanig
aan dat de theorie altijd van toepassing is. Wat er ook wordt geobserveerd, de theorie is
altijd waar.
Oedipuscomplex: om deze theorie te falsifiren moet er een jongen gezocht
worden die ontkent dat hij zijn vader wil vermoorden. Maar elke jongen die zegt dit niet
te willen is volgens Freud in een staat van ontkenning.
Wetenschappelijke theorien laten de mogelijkheid open om fout te zijn: ze zijn
falsifieerbaar d.m.v. testen zoals Eddington uitvoerde op de theorien van Newton en
Einstein.

63

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Alleen theorien die gefalsifieerd kunnen worden zijn informatief


Als falsificatie niet mogelijk is , zijn beweringen of theorien niet informatief. Popper zei
hiermee niet dat deze beweringen zinloos zijn. We hebben gezien dat het logischpositivisme twee criteria voor demarcatie hadden:
1. Het moest wetenschap van pseudowetenschap scheiden
2. Het moest zinvolle beweringen van zinloze beweringen onderscheiden
Poppers demarcatie criterium was niet bedoeld als een mes dat aan twee zijden snijdt.
Het zorgt alleen voor een scherpe scheidslijn tussen wetenschap en pseudowetenschap,
niet tussen zinvol en niet zinvol. Zo was de evolutietheorie begonnen als een zinvolle
mythe die niet wetenschappelijk was.
Feilbaarheid
We weten niet, we kunnen alleen gissen. Mensen zijn feilbaar en de beperkingen van
onze biologische make-up voorkomt dat we zekerheid verkrijgen. Onze cognitieve en
perceptuele capaciteiten zijn zodanig dat we fouten maken, en vaak ook.
Popper vond dat we wantrouwend moesten staan tegenover mensen die stelden dat ze
de kennis hadden, niet alleen in de wetenschap maar ook de politiek.
Het feit dat mensen feilbaar zijn, impliceert dat we het beste van onze fouten kunnen
leren. De enige manier waarop onze kennis kan groeien is door te proberen onze fouten
te lokaliseren, corrigeren en verwijderen. Popper noemt dit de negatieve weg naar de
waarheid.
Kennis groeit door vermoedens en verwerpingen: trial en error
Het logisch-positivisme waren aanhangers van inductie, net als Bacon. Inductie is nodig
in de wetenschap omdat:
1. Het hypothesen genereert (context van ontdekking)
2. Het verifieert beweringen (context van rechtvaardiging)
Volgens Popper was inductie niet logisch valide maar wel deductie. Een deductieve
bewering begint met een universele bewering die wordt aangetoond met afzonderlijke
gevallen.
Het probleem met deductie is het vaststellen van de waarheid van het eerste geval.
Volgens Popper is dit niet mogelijk. Een theorie kan nooit bewezen worden, er kan alleen
aangetoond worden dat het onjuist is. Popper beschrijft de wetenschappelijke methode
als vermoedens en verwerpingen, trail en error. Door inductie in te ruilen voor deductie is
de rationaliteit van de wetenschap gered.

Kritisch rationalisme
Popper ging mee met Hume dat inductie niet logisch valide was. Hiermee is Popper geen
Humeaan. Hume was een empirist en Popper was een rationalist. Popper was ook
benvloed door Kant. Net als Kant was Popper het er niet mee eens dat het inductie
probleem gesteld kon worden in termen als gewoonten, gebruiken en associatie.
Popper was het met Kant eens dat onze zintuigen samenwerken met onze redenatie, we
hebben een idee over de wereld maar zien de wereld niet zoals ze echt is. Popper vond
ook dat we de wereld zien door theorien. Popper accepteerde ook de visie dat er
aangeboren kennis is, net als alle rationalisten. Hij stelde alleen dat het geen aangeboren
ideen waren maar dat er aangeboren reacties zijn op verwachtingen die onbewust zijn.
64

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Deze verwachtingen kunnen gezien worden als a priori omdat ze de observatie vooraf
gaan. Popper: er zijn geen zintuigen waarin anticiperende theorien niet genetisch zijn
opgeslagen.
We worden geboren met rationele structuren, zonder deze zijn we blind. Tot zover was
Popper het eens met Kant. Popper had echter wel kritiek op het absolutisme van Kant:
de aangeboren theorien kunnen niet begrepen worden als a priori valide kennis. Ze zijn
niet zeker en ze worden soms niet vervuld. De verwachting van een kind dat er voor hem
gezorgd wordt, hoeft niet zo te zijn.
Rationele structuren zijn altijd voorlopig en vermoedens, nooit zeker. We mogen ze
aannemen totdat ze gefalsifieerd worden. Hierdoor is het rationalisme van Popper
kritisch rationalisme.
Theorie gaat voor aan de observatie. Observatie heeft een object nodig. Een
wetenschapper wordt geleid door een horizon van verwachtingen.
Onze neigingen om regelmatigheden waar te nemen en om structuur op te leggen op de
natuur leidt tot het psychologische fenomeen van dogmatisch denken, de verwachting
om regelmatigheden overal tegen te komen. Het probleem is vaak niet de
regelmatigheden maar alleen de verwachte of waargenomen regelmatigheid vanuit een
theoretische lens. Het verschil tussen mens en dier is dat de mens in staat is om kritisch
te zijn en daarmee hun instinctieve verwachtingen te onderdrukken. Het actief testen van
overtuigingen over de werkelijkheid om fouten te ontdekken is karakteristiek voor de
wetenschap. Een wetenschapper moet uitgaan van de aanname dat zijn theorie onjuist is
en moet daarom kritisch tegenover zijn visie staan.

Het rationele principe van de sociale wetenschappen


Popper schreef tijdens WOII The Poverty of Historicism en The Open Society and Its
Enemies. In beide werken breidde hij zijn falsificatiemodel uit van de natuurwetenschap
naar de menswetenschap en onderzocht haar sociale en politieke implicaties.
Historicisme = de theorie die stelt dat de geschiedenis zich onwrikbaar en onvermijdelijk
ontwikkelt volgens vaste wetten. Het is het doel van de menswetenschap om die wetten
te formuleren en zo veranderingen in de samenleving te voorspellen.
Het historicisme wil een utopia vormen: met de wetten van de samenleving in de hand is
er geen ruimte voor twijfel of discussie en het zal nooit fouten toegeven.
Men kan wel algemene beweringen doen in de sociale wetenschap maar de uitkomsten
zijn niet zeker. Men mag ze dan ook geen wetten noemen maar trends.
Trend = resultaat van statistische instrumenten en beschrijven een patroon in de
beschikbare data. Ze kijken terug en zeggen niets over de toekomst.
We moeten niet opkijken van voorspellingen die onjuist zijn in de economie wat het is
een complex systeem. Met onze beperkte cognitieve vermogens kunnen we allerlei
complicaties en bijeffecten zien maar altijd achteraf.
Deze situatie een complexe wereld die door feilbare geesten wordt bestudeerd vereist
een kritische houding, niet alleen in de wetenschap maar in alle gebieden van het
menselijke leven. Popper bekent dat de enige manier om praktische problemen op te

65

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

lossen de methode van het toepassen van stukje bij beetje: het doen van kleine
veranderingen en aanpassingen die continue verbeteringen zijn.
Het object van de sociale wetenschappen is nou eenmaal niet in wetten te gieten, enkel
in regelmatigheden, en zulke regelmatigheden staan geen voorspellingen toe. Een wet is
een uitspraak over een mechanisme, en kan leiden tot een voorspelling over de werking
daarvan in de toekomst. Een regelmatigheid is slechts een statistisch patroon dat
verkregen wordt door terug te kijken en kan dus nooit leiden tot concrete voorspellingen.
Formeel zouden de sociale wetenschappen, volgens Popper, dus eigenlijk geen
wetenschappen mogen heten.
Zodoende rest de sociale wetenschapper niet veel meer dan het gebruik
van hermeneutische methoden. Toch hoeft dat niet volgens Popper. De oplossing die hij
aandraagt om hieraan te ontkomen is het rationaliteitsbeginsel. Dit principe schrijft
voor dat mensen in een gegeven situatie die actie zullen uitvoeren die op dat moment
het meest adequaat is.
Het is echter duidelijk dat mensen niet altijd rationeel handelen. Als het
rationaliteitsbeginsel onderwerp van falsificatie is, zou men dan niet moeten concluderen
dat dit principe is gefalsifieerd en verworpen zou moeten worden?
Popper geeft toe dat het rationaliteitsbeginsel onjuist is. Het principe is wel onjuist maar
het benadert de waarheid wel. Popper beweert zelfs dat het slechts weinig of niets van
doen heeft met het empirische en psychologische bewering dat de mens altijd rationeel
handelt. Het is niet alleen onjuist maar het is ook een leeg beginsel. Nu wordt het echt
penibel voor Popper want de aanwezigheid van een lege bewering kan niet worden
toegestaan in falsificatie. Het rationaliteitsbeginsel is dus niet compatibel met de
essenties van het kritisch rationalisme.
We hebben nu een spanning in de sociale filosofie van Popper. Als het
rationaliteitsbeginsel empirische inhoud heeft, dan is het onjuist en zou moeten worden
gefalsifieerd en verworpen. Als het geen empirische inhoud heeft dan is het inconsistent
met Poppers falsificationisme en dus met het kritisch rationalisme.

Kritiek op het kritisch rationalisme


Tijdelijke immunisatie is geen misdaad
Stel dat we Poppers falsificatiecriterium streng zouden hanteren. Wat voor effect zou dat
hebben op creatieve innovatie? Er is geen enkele nieuwe theorie die van begin af aan
volledig sluitend is. Toch zouden we al die theorien onmiddellijk moeten verwerpen bij
de eerste de beste falsificatie. Een veel gehoorde kritiek op Popper is dan ook dat hij in
feite voortdurend het kind met het badwater weggooit. Theorien krijgen bij hem geen
kans om te groeien, zich te ontplooien en een volwaardige theorie te worden. Voor die
tijd zijn ze immers al lang gefalsifieerd.
Maar zou die theorie bijvoorbeeld niet met een kleine verbetering alsnog de juiste
voorspelling doen? Popper wilde de wetenschap behoeden voor dergelijke ad-hoc
aanpassing van theorien, maar zag ook wel dat wanneer een theorie nog in de
kinderschoenen staat, deze vaak nog niet volledig is uitgekristalliseerd. Daarom zouden
wetenschappers een theorie tijdelijk moeten kunnen beschermen tegen zulke
vroegtijdige verwerping. Volgens Popper mag dat ook best. We mogen een jonge theorie
tijdelijk immuniseren voor al te snelle falsificatie, bijvoorbeeld door de theorie aan te
66

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

passen op basis van voortschrijdend inzicht. Voorwaarde is echter wel dat zulke
aanpassingen leiden tot een nieuwe falsifieerbare hypothese. Dat laatste is belangrijk
omdat een theorie anders alsnog allesverklarend wordt en dus potentile falsificatie
onmogelijk maakt. Deze oplossing van Popper is vooral pragmatisch en niet echt in lijn
met zijn eigen rationalistische principes. Je kunt je dus afvragen of zodoende niet toch
wat haarscheurtjes verschijnen in de ogenschijnlijke volmaaktheid van Poppers
oorspronkelijke demarcatiecriterium.
Pseudowetenschappen maken falsifieerbare beweringen
Het feit dat ook zaken als astrologie, die we intutief als pseudowetenschap zouden
classificeren, regelmatig falsifieerbare voorspellingen doen, maakt goed duidelijk dat het
falsificatiecriterium van Popper helemaal geen zekerheid biedt. Een volstrekt
ongefundeerde uitspraak als voor weegschalen is 23 november een dag van financieel
gewin is gewoon falsifieerbaar en dus wetenschappelijk. De enige zekerheid die de
wetenschapper kan bereiken is dat dergelijke astrologische onzin weliswaar
wetenschappelijk is, maar achteraf bezien niet waar blijkt te zijn.
Dat laatste geldt overigens ook voor theorien die intutief wel wetenschappelijk
aanvoelen. Ook daarover is de enige zekerheid die we kunnen krijgen uiteindelijk dat ze
niet waar bleken te zijn. Wetenschap wordt daarmee in wezen een proces van het
eindeloos opperen van ongefundeerde theorien die we een voor een weer weg kunnen
gooien. In de kern is dat wat Popper voorstelt: we benaderen de waarheid door al onze
theorien n voor n te falsifiren. Het demarcatieprincipe van Popper is in
zoverre elegant, omdat het in tegenstelling tot alle inductivistische wetenschap, een
zekerheid oplevert. Die zekerheid bestaat echter uitsluitend uit de constatering dat al je
ideen niet kloppen. Dat is elegant, maar daar leer je verder weinig van.
Een onjuiste theorie vervangen door een onjuiste theorie is geen vooruitgang
De negative way to truth waarmee we kennis vergaren en vooruitgang boeken door het
falsifiren van een theorie is een stelling waar kritiek op is. De negative way zou ons
dichter bij de waarheid brengen maar hij stelde ook dat een theorie nooit voor waar
aangenomen mag worden. Een theorie die een gefalsifieerde theorie vervangt is zelf ook
weer falsifieerbaar. We vervangen een onjuiste theorie met een theorie waarvan we
denken dat deze onjuist is. Dit is geen wetenschappelijke vooruitgang, wetenschappelijke
vooruitgang is het verzamelen van meer data dat aantoont dat een theorie werkelijk
waar is.
Deductief testen veronderstelt inductie
Alle zwanen zijn wit. Maar wat als we nu een zwarte vogel zien. Hoe weten we dat deze
een zwaan is? Dit kan alleen bereikt worden door inductie, dus inductie is altijd nodig.

De balans opmaken
Zowel het logisch-positivisme als het kritische rationalisme is niet in staat gebleken om
een bevredigend criterium voor demarcatie te formuleren. Dit brengt ons op een
filosofisch kruispunt.
Er is een weg die we kunnen bewandelen van Kuhn en zijn analyse van wetenschap en
wetenschappelijke ontwikkeling. Kuhn maakt zich niet zo druk om de demarcatie tussen
wetenschap en pseudowetenschap.

67

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

De andere weg is de weg van Lakatos, die een combinatie probeert van verschillende
falsificaties en de visies van Kuhn. Lakatos wil wel de kwestie van demarcatie
beantwoorden.

Biografie Karl Popper (1902-1994)


Studeerde aan de universiteit van Wenen fysica en wiskunde. In 1919 had hij al een
aantal inzichten ontwikkeld in de natuurwetenschappen. Hij emigreerde naar NieuwZeeland vanwege het nazisme en na WO II kwam hij terug en ging in Engeland wonen.

Samenvatting
Als antwoord op het falen van het logisch-positivisme in het vinden van een demarcatie
criterium presenteerde Popper de falsificatie als een norm om een bewering
wetenschappelijk te noemen. Een bewering is wetenschappelijk als er observaties zijn die
in conflict zijn met de theorie. Dit werkte beter dan de demarcatie van het logischpositivisme maar zorgt er wel voor dat we ook astrologie wetenschappelijk te noemen
wat men liever niet deed.
Poppers verwerping van de inductie heeft ook tot kritiek geleid want deductie impliceert
inductie. Bovendien blijft het de vraag of we altijd kritisch moeten zijn en een theorie
moeten falsifiren door de eerste onverenigbaar waarneming die we doen.

Vooruitblik
Alle pogingen tot nu toe faalden om een bevredigende norm te vinden die wetenschap
van pseudowetenschap onderscheidt. Thomas Kuhn verliet deze zoektocht naar een
dergelijke norm. Hij formuleerde geen criterium voor de wetenschap, hij was
genteresseerd in het beschrijven hoe wetenschap feitelijk en historisch ontwikkelt
gedurende de tijd. Filosofen van de wetenschap zouden volgens Kuhn zich niet bezig
moeten houden met het zoeken naar criteria maar historisch accurate beschrijvingen van
de wetenschap te maken en daarin de patronen en details duidelijk te maken. Een
belangrijk aspect van wetenschap is volgens Kuhn dat wetenschappers vaak kritiekloos
zijn tot het punt dat het dogmatisch is.

Taalspelletjes en paradigmas: denken van binnenuit


Introductie
Na het logisch-positivisme en de falsificatie komt Thomas Kuhn met een alternatieve
benadering. Hij opperde het idee dat het belangrijk is om patronen te beschrijven
volgens welke de wetenschap zich ontwikkelt.
Kuhns idee van de wetenschap is dat we een specifiek patroon kunnen vinden en
beschrijven in de dynamiek van de wetenschap als we ons richten op de werkelijke
geschiedenis. Dit patroon laat zien dat wetenschappers meestal kritiekloos werken
binnen een kader dat hen laat zien welke fenomenen, problemen en technologien
relevant zijn voor hen. Dit raamwerk biedt hen een perspectief op de realiteit en vertelt
hen welke vragen betekenisvol zijn en welke vragen beantwoord kunnen worden. Kuhn
noemt een dergelijk raamwerk een paradigma. Paradigmas worden verworpen en
aangenomen in korte en felle momenten van revolutie. Hij probeerde deze dynamische
aard van de wetenschap te beschrijven in zijn zeer invloedrijke The Structure of Scientific
Revolutions.
68

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Voordat we naar de visie van Kuhn gaan kijken gaan we eerst kijken naar het relativisme
en het latere werk van Wittgenstein. Een controversieel aspect van Kuhns idee van
paradigmas in de wetenschap is dat het de objectiviteit van de wetenschappelijke kennis
ondermijnt. Inderdaad is een consequentie van zijn benadering dat het heel moeilijk
wordt om wetenschap als een onderneming te zien waarin we steeds dichter bij de
waarheid komen. Deze benadering van de waarheid is de sterke intutie die mensen
hebben over de wetenschap.

Ludwig Wittgenstein filosofisch onderzoek


De jonge Wittgenstein inspireerde het logisch-positivisme. De oudere Wittgenstein
benvloedde de relativisten die ideen hebben die sterk contrasteren met de
positivistische beweringen. Wittgenstein dacht alles opgelost te hebben met het schrijven
van de Tractus maar na een tijdje veranderde dit en schreef hij een even invloedrijk boek
Philosophical Investigations wat gepubliceerd werd in 1953, twee jaar na zijn dood. Zijn
onderzoeken leidden tot wat bekend werd onder het relativisme.
De reden hiervoor is dat Wittgenstein de ideen van taalspellen en levensvormen
ontwikkelde die gezien kunnen worden als de voorlopers van Kuhns paradigmas en
Feyerabends tradities (volgend hoofdstuk).
Het belangrijkste verschil tussen de vroege en late Wittgenstein
Het belangrijkste verschil tussen de Tractus en de Investigations is dat hij niet langer de
visie verdedigd dat taal de werkelijkheid toont. Hij stelt nu dat de betekenis wordt
gebruikt: woorden krijgen hun betekenis door de manier waarop ze worden gebruikt door
een groep mensen, niet door nette aanwijzende definities van de dingen waarnaar ze
verwijzen. Woorden worden gebruikt in sociale context wat Wittgenstein een vorm van
leven of taalspel noemde.
De late Wittgenstein definieert taal vooral in termen van de manier waarop het gebruikt
wordt. Een woord heeft dus niet n vaststaande betekenis, maar een betekenis die
verandert met de context waarin het door mensen gezamenlijk gebruikt wordt. Zo bezien
heeft elk woord een verschillende betekenis in elke denkbare groep mensen.
Dat geldt bovendien voor elk denkbaar woord. Het gebruik van taal in een specifieke
groep, met al haar bijzondere, specifieke betekenissen en alle activiteiten die dat gebruik
omringen, duidt Wittgenstein aan als het taalspel van die specifieke groep. Bij het spelen
van dat taalspel gelden in elke groep specifieke regels en conventies zowel expliciete
als impliciete die bepalen hoe het taalspel dient te verlopen. Zo veel groepen als er
zijn, zo veel taalspellen zijn er en dus ook zo veel betekenissen van elk woord. Elke
sociale situatie geeft een woord dus een andere betekenis of nuance.
Voor een groep medewerkers van personeelszaken zal het woord 'beloning' bijvoorbeeld
niet veel anders betekenen dan 'loon' of 'honorarium' dat het personeel maandelijks
uitbetaald moet krijgen. Voor een groep behavioristen heeft de term 'beloning' echter de
zeer specifieke connotatie van een stimulus die wordt uitgereikt na een specifieke
handeling om zodoende het organisme aan te zetten tot een herhaling van die handeling.
Vergelijkbaar is het voorbeeld uit het boek, dat de frase God is goed in een religieuze
context een diepe, mystieke betekenis heeft, terwijl het in een wetenschappelijke
context slechts een betekenisloze tautologie is.
Het probleem is dat de communicatie tussen groepen door zulke verschillen moeilijk
wordt. Dat geldt niet alleen voor de communicatie tussen religie en wetenschap, maar
69

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

ook voor verschillende groepen binnen de wetenschap zelf. Eigenlijk is het alleen
mogelijk de betekenis van een woord of een frase echt te begrijpen als je deelneemt aan
de groepspraktijken waarbinnen de betekenis gebezigd wordt. Buiten het taalspel van de
groep worden woorden en concepten betekenisloos, of krijgen ze zelfs een andere
betekenis. Bij de communicatie tussen groepen zullen dus snel misverstanden ontstaan
over wat wederzijds bedoeld wordt. Alleen iemand die goed thuis is in beide taalspelen
zal dubbele betekenissen op correcte wijze kunnen vertalen en zodoende misverstanden
voorkomen.
Doctrine van het relativisme = iedere feitelijke bewering over de wereld kan alleen waar
of onwaar zijn gerelateerd aan het taalspel waarin de bewering een beweging is van de
spelers van dat spel.
Wittgensteins privtaal argument
Het gebruik van taal veronderstelt bepaalde regels. Dit is waarom taal gemakkelijk te
vergelijken is met het spelen van een spel. Iemand die de regels overtreedt, speelt niet
langer het spel mee.
Impliciete en expliciete taalregels vormen een taalspel. Als men niet in staat is om
ongeldige zetten op te merken, is het onmogelijk om het spel te spelen. Een spel heeft
ook publieke regels, privregels zijn niet toegankelijk voor anderen en is het onmogelijk
om het spel te spelen. Er zijn dus geen privtalen.
Als elke groep zijn eigen taalspel speelt, daarmee de betekenis van woorden voortdurend
verschuift en elke groep dus in wezen zijn eigen versie van de wereld leeft, wordt het zo
goed als onmogelijk om feitelijke uitspraken te doen over d wereld. Immers, de
waarheid van dergelijke claims wordt dan bepaald binnen de ene groep. Diezelfde claims
zullen echter in andere groepen veelal een andere betekenis krijgen. Hierdoor wordt het
onmogelijk om te bepalen welke claim over de waarheid de juiste, of beter, welke claim
daadwerkelijk de feitelijke claim is.
Toch zijn juist zulke feitelijke claims noodzakelijk voor zowel het verificatiecriterium of
het confirmatiecriterium van de logisch positivisten als voor het falsificatiecriterium van
de kritisch rationalisten. Hiermee belanden we in een filosofische positie die het beste als
relativisme aangeduid kan worden. Relativisme wil in deze zo veel zeggen als dat de
waarheid van een uitspraak niet op zichzelf staat, niet feitelijk is, maar afhankelijk is van
de persoon of groep die hem gebruikt. De conclusie van Wittgensteins standpunt moet
dan ook zijn dat strikte demarcatie onmogelijk is, omdat waarheid niet langer afhankelijk
is van de relatie tussen uitspraken over de realiteit en de realiteit zelf, maar van de
relatie tussen onderlinge uitspraken die wetenschappers uiten tijdens het spelen van hun
taalspel.
Merk op dat dit standpunt zeer dicht in de buurt komt van de opvattingen waarmee Otto
Neurath een schisma in de Wiener Kreis veroorzaakte. Hij stelde immers ook dat
wetenschap niets anders is dan een constructie van uitspraken, die niet aan de realiteit
te toetsen zijn. Het enige wat wetenschappers volgens Neurath konden doen, was
proberen deze constructie zo coherent mogelijk maken. Wittgenstein stelt nu dat het
aanbrengen van die coherentie wel kan binnen een specifieke groep, maar niet over de
grenzen van groepen heen. In elke groep wordt immers een ander taalspel gespeeld en
heersen dus andere betekenissen en heerst een andere coherentie tussen claims. Een
eenduidige vertaling van die coherentie naar het taalspel van een andere groep is niet

70

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

mogelijk. Een claim over de realiteit kan dus ook nooit echte betekenis krijgen buiten de
groep waarin die claim verzonnen is.

Verdere steun voor het relativisme


Een resultaat van psychologie: theoretische uitnodiging
Relativisme is de opvatting dat de waarheid van een bewering afhangt van de context
waarin de bewering wordt gedaan. Het objectieve antwoord bestaat niet en de
relativistische oplossing beweert dat de n niet beter is dan de andere, ze zijn gewoon
verschillend. De volgende stap is dan concluderen dat wat in de wereld bestaat relatief is
m.b.t. cultuur. Deze route naar het relativisme wordt ondersteund door de psychologie.
Mensen zien wat ze zien in het licht van hun verwachting. Wat ze verwachten wordt
bepaald door de context die ze met anderen delen. Alles wat niet aan deze verwachting
voldoet blijft buiten de observatie. Deze bewering is belangrijk als we denken dat
observatie een stevige basis is van de wetenschap.
Ondanks hun verschillende filosofien waren Popper en Kuhn tegen het idee van het
logisch-positivisme dat de wetenschap begint met neutrale observaties. Beide stelden dat
menselijke perceptie beladen was met theorie. Er zijn geen onproblematische ruwe
empirische data.
De afbeelding is een zogeheten ambigue afbeelding.
Daarvan bent u er eerder tijdens uw opleiding,
bijvoorbeeld bij de Inleiding in de psychologie,
ongetwijfeld al een aantal tegengekomen. De figuur
is ambigu in die zin dat het vrij eenvoudig is om er of
een konijn, of een eend in te zien. Of we de een of de
ander zien is afhankelijk van de manier waarop we
kijken naar de afbeelding. Hoe goed we ook ons best
doen, we zien alleen f het konijn, f de eend. We
zien ze nooit allebei tegelijk. De omschakeling tussen
beide 'zienswijzen' kan soms een bewuste keuze zijn,
maar is meestal iets wat ons overkomt. Soms willen we de eend zien, maar zien we per
ongeluk het konijn, of vice versa.
Volgens de relativistische opvatting is dit fenomeen van toepassing op al onze
waarnemingen. De realiteit is in zijn geheel ambigu, en hoe wij die zien is afhankelijk van
onze innerlijke zienswijze. Dit noemen we ook wel theoriegeladenheid van observatie. De
theorie die we in ons hoofd hebben over de wereld, ons referentiekader, bepaalt wat we
zien. Zegt die theorie bijvoorbeeld dat levende wezens hoogstwaarschijnlijk zoogdieren
zijn, dan zien we waarschijnlijk een konijn in de afbeelding. Is het volgens onze theorie
waarschijnlijker dat levende wezens vogels zijn, dan zien we waarschijnlijk een eend.
De eend-konijnillusie is echter slechts een uitvergroot voorbeeld van dat principe. Van dit
voorbeeld kunnen wij ons bewust zijn, maar meestal zijn we ons helemaal niet bewust
van het feit dat onze persoonlijke theorien over de wereld zo bepalend zijn voor hoe we
de wereld waarnemen. Dit principe van theoriegeladenheid is sterk vergelijkbaar met het
idee van taalspelen van Wittgenstein. De realiteit is ambigu en wat we in die ambiguteit
zien, wordt bepaald door het taalspel dat we op dat moment spelen. Afhankelijk van
dat taalspel is onze wereld bevolkt door eenden of door konijnen.

71

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Deze lijn van denken zorgt ervoor dat de realiteit onze eigen constructie wordt. Als de
theorie verandert, veranderen ook de feiten waarmee de realiteit is geconstrueerd =
constructivisme.
Als met constructivisme accepteert dan kunnen we realiteit en waarheidniet langer
aannemen met nominale waarde. Wat we met realiteit bedoelen is a priori bepaald door
de theorien die we al hebben aangenomen. Wat waar is, verandert met de verschillende
groepen of individuen in verschillende perioden.
Popper dacht dat het wel mogelijk was om dichtbij de waarheid te komen door
falsificatie. Kuhn beweert dat er niet zoiets is als de waarheid. Wat waar is en wat de
realiteit is, is altijd relatief aan de groep in een bepaalde periode met een bepaald
paradigma. Dit wordt ook het wetenschappelijk relativisme genoemd.
De Sapir-Whorf hypothese van de lingustiek
Een ander referentiepunt om relativisme te bespreken is het werk van Franz Boas. Hij
was n van de grondleggers van het relativisme wat begon als een visie binnen de
Westerse antropologie. Een bewering van Boas was dat taal een manier is om ervaringen
te classificeren. Wilhelm von Humboldt stelde dat onze taal onze gedachten bepaalden.
Edward Sapir (student van Boas) en Benjamin Lee Whorf (student van Sapir) stelden de
lingustische relativiteit op.
De Sapir-Whorf-hypothese gaat uit van lingustische relativiteit en stelt in feite
dat onze cognitieve vermogens gerelateerd zijn aan onze talige vermogens. Wat we
kunnen denken en zien wordt dus sterk bepaald door de taal of talen die we spreken.
Het onderzoek van Starren is een ondersteuning voor deze hypothese omdat het een
verschil laat zien tussen Engelstaligen en Duitstaligen. In het eerste filmpje vanuit
de eyetracker zien we hoe de ogen van een Duitstalige proefpersoon voortdurend heen
en weer schieten tussen de trein zelf en het einde van de spoorlijn, alsof de proefpersoon
voortdurend zoekt waar de trein naar onderweg is. In het tweede filmpje vanuit de
eyetracker zien we hoe een Engelstalige proefpersoon uitsluitende naar de rijdende trein
lijkt te kijken.
Dit verschil in kijkgedrag zou verklaard kunnen worden uit verschillen in de grammaticale
opbouw van het Duits en het Engels. De Engelse taal staat het toe dat we gewoon
zeggen: 'the train is riding', terwijl de Duitse grammatica ons dwingt om ook het doel
van de trein te noemen: 'der Zug fhrt nach...' Duitsers en Engelsen lijken dus echt
anders naar de wereld te kijken, als gevolg van grammaticale verschillen tussen de talen
die zij spreken. Dit is wat je ook zou verwachten op basis van de Sapir-Whorf-hypothese.
Ook dit onderzoek is een goed voorbeeld van wat Wittgenstein bedoelt met zijn
taalspelen: Engelsen blijken letterlijk een ander taalspel te spelen dan Duitsers waardoor
deze groepen de wereld significant verschillend waarnemen. Andere voorbeelden zijn de
Inuit die meerdere woorden voor sneeuw hebben en Fransen die twee soorten rivieren
kennen waar de Engelsman er maar n kent.
Observaties en categorisaties zijn theoriebeladen (=contextgevoelig) en taalgestuurd.
Sterker nog uit het principe van lingustische relativiteit blijkt in zekere zin dat onze
manier om met die ambiguteit om te gaan sterk wordt bepaald door het taalspel dat we
met elkaar spelen. Aan de hand van de taal die ons eigen is, vullen we de hiaten in onze
72

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

waarneming op. Voor een wetenschapper betekent dat in wezen dat de deelname aan
een wetenschappelijke gemeenschap deels bepaalt hoe hij of zij de wereld waarneemt.
Zoals Engelsen en Duitsers elk gevangen zitten in hun eigen taalspel en van daaruit een
trein verschillend waarnemen, zo zitten wetenschappers gevangen in wetenschappelijke
samenwerkingsverbanden die elk hun eigen taalspelletje spelen. Wetenschap wordt
daarmee een volstrekt relatieve bezigheid die gevoed wordt door feilbare waarneming,
vooropgezette mening en de onontkoombare invloed van onze moedertaal die vanaf de
geboorte ingegoten is.
Wanneer we dit relativisme accepteren, dan kunnen we van twee verschillende
wetenschappelijke opvattingen over de werkelijkheid niets anders meer zeggen dan dat
ze verschillend zijn. Welke van de twee het bij het rechte eind heeft, of het beste is,
is dan onmogelijk vast te stellen en enkel nog afhankelijk van de positie die je zelf kiest.

Thomas Kuhns visie op de wetenschap


Kuhne wordt gezien als de eerste relativist in de filosofie van de wetenschap. Er waren
een aantal theorien en inzichten die hem tot zijn visie brachten:
Het feit dat Aristoteles zo verkeerd zat in zijn fysica wilde niet meer zeggen dat
zijn fysica anders was, niet slechter dan dat van bijvoorbeeld Newton.
Hij las werken van Piaget, de Gestaltpsychologen en over de Sapir-Whorfe
hypothese.
Hij was benvloed door Kants a priori categorien. De categorie van Kant was niet
flexibel waar een paradigma dat wel was.
Patronen in wetenschappelijke ontwikkeling
Wetenschapsfilosofen waren er tot nu toe niet in geslaagd om een demarcatiecriterium te
vinden. We hebben een intutief idee van wat wetenschap is. Hier kunnen we ons
voordeel mee doen en historisch onderzoek doen hoe deze wetenschappelijke disciplines
zich ontwikkelden gedurende de tijd. Dit is wat Kuhn deed.
Kuhn voorzag ons NIET met weer een simpel criterium voor demarcatie. Hij beschrijft de
ontwikkeling van de disciplines die wij harde wetenschap noemen zoals fysica en
astronomie maar Kuhn rekende daar ook de menswetenschappen bij. Kuhn legt grote
nadruk op het concept paradigma en speelt met het idee om het aanwezige paradigma
als criterium van de wetenschap te nemen.
De aanwezigheid van dit paradigma kan dus niet alleen gezien worden als alleen een
beschrijving, zijn suggestie dat de aanwezigheid van een eerste paradigma is een teken
van een volwassen wetenschappelijke discipline.
Er is een continue schema van de dynamiek van een wetenschappelijke discipline:
Prewetenschappelijke periode
Normale wetenschap inclusief de aanwezigheid van een paradigma
Crisis
Wetenschappelijke revolutie of paradigmaverschuiving
Normale wetenschap
Normale wetenschap
De prewetenschappelijke periode bestaat uit net zoveel meningen als er mensen zijn en
er is geen consensus over de manier van dataverzameling m.b.t. een bepaald fenomeen
en er is geen algemeen geaccepteerde achtergrond van aannames.

73

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

De overgang naar de normale wetenschap kenmerkt zich door consensus en daardoor


bereiken ze wetenschap m.b.t. een specifiek domein of fenomeen. Er ontstaat dan een
wetenschappelijke gemeenschap en er is consensus over de aannames en theorien.
Paradigma = som van de geaccepteerde metafysische aannames, theorien,
methodologien, handleidingen en technieken.
Het is echt een zienswijze, een innerlijke bril die de wetenschapper nodig heeft om de
wereld te kunnen onderzoeken. Daarom vergeleek Kuhn het paradigma ook wel met de
categorien van Kant. Net zoals een mens kantiaanse categorien nodig heeft om orde te
scheppen in de chaos van prikkels die hem via de zintuigen bereiken, zo heeft de
wetenschapper een paradigma nodig om orde aan te brengen in zijn kennis over de
wereld. Het is een betekenissysteem dat bepaalt hoe hij de wereld waarneemt. Het is
zoiets als een gekleurde bril die hij niet af kan zetten en die a priori
zijn wereldbeeld kleur geeft.
Dergelijke paradigmata zijn volgens Kuhn onverenigbaar en onvergelijkbaar. Als je als
wetenschapper eenmaal de bril van het ene paradigma hebt opgezet, dan is de kijk
vanuit het andere paradigma niet meer te begrijpen. Voor iemand voor wie de wereld
volledig blauw gekleurd is, is het onbegrijpelijk wat bedoeld wordt met een rode
wereld. Kuhn noemde dit ook wel de incommensurabiliteit van paradigmata.
Incommensurabel betekent letterlijk niet meetbaar met n en dezelfde maatstaf.
Kenmerkend voor paradigmata is dus dat zij zo fundamenteel van elkaar verschillen dat
er geen maten of talen zijn waarin zij met elkaar vergeleken kunnen worden.
Wat dat betreft zou je paradigmata kunnen vergelijken met de taalspelen van
Wittgenstein. Wetenschappers die gezamenlijk een paradigma aanhangen, spelen met
elkaar een taalspel dat ondoorgrondelijk is voor mensen die buiten dat paradigma staan.
Waardevrij communiceren over de grenzen van dat paradigma heen blijkt dan ook vaak
onmogelijk. Binnen het ene paradigma wordt immers een fundamenteel ander taalspel
gespeeld dan in het andere. Bovendien bepaalt het paradigma, ofwel het taalspel, de kijk
op de wereld. Wetenschappers hebben in het ene paradigma dus een fundamenteel
andere kijk op de wereld dan in het andere paradigma. Sterker nog, zoals de SapirWhorf-hypothese veronderstelt, wetenschappers kijken vanuit verschillende paradigmata
in essentie naar een andere wereld. Kuhn is op dit punt zeer radicaal: het is niet alleen
maar een verschillende kijk op de wereld, vanuit verschillende paradigmata bezien is de
wereld daadwerkelijk anders.
In een normale periode werkt de wetenschappelijke gemeenschap volgens dit paradigma.
Paradigmas worden in leerboek gepresenteerd en hebben twee belangrijke kenmerken:
1. Ze trokken een blijvende groep aanhangers aan uit concurrerende takken van de
wetenschap.
2. Er waren genoeg losse eindjes om op te lossen door deze groep aanhangers.
Tijdens de normale periode wordt het paradigma uitgebreid en wordt er een poging
gedaan om de fouten en problemen te elimineren, zogenaamde anomalien. Puzzels
worden opgelost en dit is het belangrijkste werk van de wetenschapper tijdens deze
periode. Het oplossen van deze puzzels moet vooruitgang zijn.
Het geloof dat de problemen van een paradigma kunnen worden opgelost impliceert dat
er een sterke, wellicht onbewuste overtuiging is dat het paradigma aan de basis correct
74

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

is. De problemen zorgen ervoor dat de theorie zichzelf kan bewijzen als de
wetenschappers ze op kunnen lossen.
De opleiding van wetenschappers is volgens Kuhn erg belangrijk. Tijdens hun opleiding
leren de studenten een dogmatisch raamwerk; niet expliciet maar impliciet overgedragen
a.d.h.v. voorbeelden van succesvolle paradigmas uit het verleden. Leerboeken staan vol
met deze voorbeelden. Deze boeken worden gebruikt voor twee doeleinden:
1. Ze verklaren en onderwijzen het paradigma
2. Impliciete indoctrinatie van de student met het paradigma. Ze leren om een niet
kritische houding aan te nemen tegenover het paradigma.
Dit laatste is in tegenspraak met Popper die beweerde dat wetenschappers kritisch
moesten zijn tegenover opkomende theorien en moesten proberen om ze te falsifiren.
Kuhn stelt dat wetenschappers dogmatisch en conservatief staan tegenover theorien,
aannames en technieken die het paradigma vormen waarmee ze denken en werken.
Zowel Popper als Kuhn halen het onderzoek van Eddington aan om hun gelijk te behalen.
Popper stelde dat een goede wetenschapper een theorie falsifieert zoals Eddington deed.
Kuhn beweerde dat Eddington al was opgenomen in het Einsteinse paradigma en aan
wilde tonen dat Einstein gelijk had. Eddington was selectief in de data die hij wilde
gebruiken om de voorspelling van Einstein te ondersteunen, dogmatisch vasthoudend
aan de waarheid van de voorspelling.
Crisis
Paradigma van Aristoteles -> een object streeft ernaar om naar de aarde te trekken
Paradigma van Newton -> een object heeft geen innerlijk maar is onderhevig aan
zwaartekracht
Volgens Kuhn was het paradigma van Aristoteles niet onwetenschappelijk: ouderwetse
paradigmas zijn wetenschappelijk maar zijn simpelweg vervangen. Dit was
overeenkomstig met Popper die gefalsifieerde wetenschappelijke hypothesen niet
onwetenschappelijk noemde.
Een geschiedenis van de relaties van het vervangen paradigma en latere paradigma is
van belang. Ging de overgang geleidelijk of abrupt? Hier zien we een onderscheid tussen
Kuhn en Popper. Popper was van mening dat de paradigmaverschuiving geleidelijk gaat
waar Kuhn vindt dat deze verschuiving abrupt plaatsvindt.
Hoewel Kuhn vindt dat wetenschappers dogmatische en conservatief zijn als ze binnen
een paradigma werken, beweert hij niet dat wetenschappers niet kritisch zijn. Als een
paradigma meer problemen oplevert dan oplossingen dan neemt de betrouwbaarheid van
het paradigma af. Het resultaat is een crisis.
Als een anomalie meer wordt dan nog een puzzel van normale wetenschap, begint de
overgang naar een crisis en naar bijzondere wetenschap. De crisis is het begin van
abnormale wetenschap. In deze periode worden de aannames, methodologien en
aangenomen waarheden kritisch bediscussieerd. Als er nog geen alternatieve paradigma
voorhanden is, hebben de wetenschappers geen andere keuze dan het paradigma nog
steeds te accepteren maar men zoekt naar een alternatief. Crisis maar wetenschappelijke
revolutie mogelijk.

75

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Wetenschappelijke revoluties
Een periode van abnormale wetenschap kan op twee manieren beindigd worden:
1. Het oplossen van alle aanwezige problemen. Als er geen of nog slechts enkele zijn
dan is de crisis bezworen en het paradigma hersteld.
2. Het opkomen van een nieuw paradigma. Het nieuwe paradigma vervangt het oude
paradigma in een relatief korte tijd (= wetenschappelijke revolutie)
Maar we horen al een duidelijke echo van de vraag die we hebben gedentificeerd bij de
bespreking van Wittgensteins begrip van taalspellen: wat is de relatie tussen de
verschillende opeenvolgende paradigma's en wat zijn de consequenties voor ons beeld
van de groei van wetenschappelijke kennis?
Groeiende kennis
Popper vond dat het mogelijk was dat kennis groeide ondanks dat het via de negatieve
weg ging. De overgang van het geocentrisme naar het heliocentrisme is volgens Popper
zon vooruitgang in de wetenschap.
Kuhn vindt echter dat een paradigmaverschuiving geen verbetering is, er is alleen een
verschuiving in perspectief op de realiteit. We moeten zelfs het idee verwerpen dat een
paradigmaverschuiving de wetenschappers dichter bij de waarheid brengt. Er is een
verandering in de wetenschap maar die verandering gaat niet perse richting de meest
waarschijnlijke set van hypothesen. Kuhn beweert wel dat er groei kan zijn maar dan
alleen binnen een paradigma. Normale veranderingen binnen een normale periode
resulteert in groei. Als een puzzel is opgelost, spreken we van de groei van kennis. Dit
wil weer niet zeggen dat wetenschap op weg is naar de waarheid.
We worden nu geconfronteerd met een onhandige vorm van relativisme. Het is onhandig
omdat het gebrek van echte groei van wetenschappelijke kennis, in de zin van dichter bij
de waarheid komen, in strijd is met onze intutie over wetenschap. Een cruciaal punt
hierin is het begrip van onmeetbaarheid.
Onmeetbaarheid
Volgens Kuhn zijn verschillende paradigmas onmeetbaar. Toegepast op het begrip van
paradigma's betekent dit dat als er twee paradigmas onmetelijke zijn dan is er geen
eenheid in beide paradigma's waarin we de vergelijking tussen de twee uit kunnen
drukken. Ze zijn niet vergelijkbaar en zodoende zullen we nooit weten of een
paradigmaverschuiving ons dichter bij de waarheid zal brengen.
Er zijn drie aspecten aan de bewering van onmeetbaarheid van Kuhn:
1. Nieuwe paradigmas komen voort uit oude paradigmas en gebruiken daarom vaak
dezelfde terminologie. Oude termen in nieuwe paradigmas hebben echter een
compleet nieuwe relatie met elkaar en met de wereld in onderzoek.
2. Communicatie tussen wetenschappers van verschillende paradigmas is
problematisch omdat ze simpelweg een andere taal spreken, een ander taalspel
spelen.
3. De voorstanders van de verschillende paradigmas leven in verschillende werelden
(meest fundamenteel volgens Kuhn). Een nieuw paradigma ziet een andere
wereld met een ander perspectief op de realiteit en met andere relevante
fenomenen.
Kuhns bewering dat wetenschappers na een wetenschappelijke revolutie in een nieuwe
wereld leven staat in scherp contrast met de visie van het logisch-positivisme dat
76

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

geloofde dat feiten neutraal zijn en de realiteit objectief. Hier wordt Kuhns
constructivisme heel duidelijk. Hij suggereert dat de wereld en de realiteit bepaald
worden door de theorie over deze realiteit. Hij hecht aan dit idee omdat:
Theorie bepaalt wat je ziet (theory-ladenness)
Theorie bepaalt wat er is (de theorie afhankelijkheid van feiten)
Hoe kan een theorie bepalen wat er is? Door onze overtuigingen zijn er bijvoorbeeld geen
bezeten sjamanen in Japan maar volgens de overtuigingen van de Japanners zijn die er
wel. Dit weerlegt onze overtuiging dat we dezelfde wereld op een andere manier zien; we
zien allebei een andere wereld.
De verschuiving van het ene paradigma naar het andere is
vergelijkbaar met een Gestalt verschuiving. Men ziet of een
vrouw of een muzikant maar nooit beiden tegelijkertijd.
Kuhn gebruikt een dergelijke tekening om zijn idee van een
paradigmaverschuiving te verduidelijken. Wat muzikanten
waren voor de revolutie zijn vrouwen na de revolutie.
Kuhn waarschuwt echter om deze analogie tussen de
wetenschappelijke revolutie en de Gestaltverschuiving niet
te ver kan worden doorgevoerd. In het geval van een
ambigue afbeelding kan er worden geschakeld tussen de
ene en andere betekenis, dit is niet mogelijk in het geval
van paradigmaverschuivingen. Verder moeten we rekening houden met het feit dat
wetenschappers iets niet zien als iets maar dat we het simpelweg zien zonder er een
betekenis aan te geven.
Kunnen we accepteren dat Kuhn beweert dat wetenschappers met onmeetbare
paradigmas werken en in afzonderlijke werelden leven na een wetenschappelijke
revolutie? Hoe zit het met het alternatief: de bewering dat ze leven en werken in
dezelfde wereld maar de data op een andere manier interpreteren? Deze laatste lijkt een
minder controversieel idee. Kuhn zegt dat deze realistische visie op hoe wetenschap staat
in relatie tot de wereld op zichzelf als een paradigma gezien kan worden, een paradigma
in crisis. Denk hierbij aan de visie van Hanson dat we de data niet interpreteren a.d.h.v.
een theorie maar dat we de theorie nodig hebben om iets te zien in beginsel.
Kuhn zegt dat feiten worden bepaald door het paradigma. Dit impliceert dat iemand moet
kiezen voor het oude paradigma in crisis en het nieuwe paradigma. Deze keuze is
onmogelijk omdat de feiten om te kiezen afhangen van het paradigma. De
onmeetbaarheid van paradigmas impliceert dat er geen rationale vergelijking mogelijk is
tussen twee paradigmas.
De keuze voor een paradigma wordt bepaald door sociale factoren of de persoonlijke
interesse van de wetenschapper. Binnen een paradigma is er veel ruimte voor
rationaliteit maar een paradigmaverschuiving is een irrationeel proces.
Waarom een paradigmaverschuiving een revolutie is
Een wetenschappelijke revolutie heeft alle kenmerken van een politieke revolutie:
1. Een kleine groep mensen wordt zich bewust van de tekortkomingen van een
regering of paradigma.
2. Verandering van binnenuit is onmogelijk. Aanpassing van een regering of
paradigma werkt niet, er moet van buitenaf iets nieuws komen.
77

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

3. Men kan geen consensus bereiken in een politieke discussie als het doel een totaal
andere regime en de afwijzing van de heersende discussie is.
4. De oplossing moet van buitenaf komen.
Laatste opmerkingen op Kuhns Structuur van Wetenschappelijke Revoluties
Wetenschap gezien in het licht van opeenvolgende paradigmas lijkt niet de objectieve
methode te belichamen die een serie hypothesen die ons steeds dichter bij de waarheid
over onze eigen wereld waarin we leven brengt. Aan het einde van zijn Structures of
Scientific Revolutions opteert Kuhn zelfs voor een darwiniaanse visie op de wetenschap.
Kuhn spreekt in zijn beschrijving van ontwikkeling van wetenschap in het algemeen over
de wetenschappen. Daar horen volgens hem in eerste instantie ook de sociale
wetenschappen bij. Zolang er perioden van normale wetenschap zijn waarin dogmatisch
gewerkt wordt vanuit n paradigma dat bepaalt hoe we de wereld zien, beschrijven,
verklaren of begrijpen, kunnen ook de sociale wetenschappen het predicaat wetenschap
dragen.
Kuhn signaleert echter ook een probleem dat afbreuk doet aan deze positie van de
sociale wetenschappen. Het onderzoeksobject van de sociale wetenschappen is zeer
veranderlijk en erg contextafhankelijk. Hierdoor is ook de wetenschappelijke kijk op dat
onderzoeksobject erg veranderlijk en is al snel een meer hermeneutische benadering
nodig. Op zichzelf is Kuhn daar geen tegenstander van. Het probleem is echter dat dit
hermeneutische karakter maakt dat er een voortdurende perspectiefwisseling gaande is
in de sociale wetenschappen. Hierdoor komen zij zelden of nooit toe aan een periode van
normale wetenschap. Hierdoor is in de sociale wetenschappen zelden sprake van
paradigmata, maar eerder van een constante herinterpretatie zonder dat een duidelijke
consensus bereikt wordt.

Biografie
Ludwig Wittgenstein
Nadat hij zich had teruggetrokken uit de filosofie ging Wittgenstein werken als
schoolmeester, tuinman en architect. Men zegt dat het een lezing was van Jan Brouwer
over wiskunde dat hem weer terug liet keren naar de filosofie. Wittgenstein keerde in
1929 terug naar Engeland om te verklaren dat hij het helemaal verkeerd had in zijn
Tractus. Hij veranderde radicaal van mening, verwierp de beeldtheorie van betekenis en
stelde dat woorden hun betekenis ontleenden aan hun gebruik in een taalspel. Hoewel hij
al een beroemd filosoof was, werd hij toch student aan de universiteit van Cambridge.
Hoewel Wittgenstein een geboren Oostenrijker was, werd hij later een Engelsman. Hij
stierf aan kanker in 1951. Zij Philosophical Investigations zouden postuum worden
gepubliceerd.
Thomas Kuhn (1922-1996)
Geboren in de VS en studeerde fysica aan Harvard. Na WO II behaalde hij zijn PhD in de
fysica aan Harvard. Hier ontmoette hij Popper. Hij gaf les in de geschiedenis van de
wetenschap en filosofie en werd tot professor benoemd in 1961 aan de universiteit van
Berkeley. Dit stelde hem in staat om zijn ideen over een filosofie over de wetenschap
verder te ontwikkelen. Hij las werk van Wittgenstein en Feyerabend. In 1962 werd zijn
The Structure of Scientific Revolutions gepubliceerd in een serie genaamd International
Encyclopedia of Unified Science. Hij werkte aan Princeton University en de Massachusetts

78

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Intitute of Technology waar hij professor emeritus werd in 1991. Hij stierf in 1996 aan
longkanker.

Samenvatting
Wittgenstein introduceerde het begrip taalspel in zijn Philosophical Investigations. Hij
beweerde dat woorden hun betekenis ontlenen aan het taalspel waarbinnen ze gebruikt
worden. Dit idee werd opgepikt door de relativisten net als het idee van theory-ladenness
van perceptie. Een voorstander van het relativisme was Kuhn. Hij beweerde dat na een
prewetenschappelijke periode een wetenschappelijke discipline volwassen wordt en een
paradigma aanneemt, een begrip dat overeenkomt met een taalspel). Als er teveel
problemen en anomalien zijn in een paradigma dat geraakt het in een crisis. De crisis
kan worden opgelost door terug te keren naar het paradigma of het accepteren van een
nieuw paradigma. De laatste oplossing wordt ook wel wetenschappelijke revolutie
genoemd. Volgens Kuhn is een paradigmaverschuiving geen verbetering op zich en leidt
het niet tot de groei van kennis. Groei van kennis kan alleen binnen een paradigma
plaatsvinden. Twee verschillende paradigmas zijn onmeetbaar en onvergelijkbaar. Wat
Kuhn bedoelde met een paradigma lijkt te zijn veranderd door de tijd. Initieel betekende
het dat twee paradigmas niet vergeleken konden worden en wetenschappers werkend en
levend in verschillende paradigmas konden niet met elkaar communiceren. Later stelde
hij dat, hoewel het onmogelijk is om bepaalde termen te vertalen van het ene paradigma
naar het andere, wetenschappers elkaar wel konden begrijpen. Een kritiek komt van het
sterke programma die stelt dat de visie van Kuhn niet radicaal genoeg is omdat het
vasthoudt aan de wetenschap met een paradigma waar hij rationaliteit volledig op zou
moeten geven.

Vooruitblik
In het volgende hoofdstuk gaan we kijken naar de ideen m.b.t. de wetenschap van
Lakatos. Hij probeert een gereviseerde versie van falsificatie te combineren met de
theorie van Kuhn. We zullen zien dat Lakatos ons probeert te voorzien met een oplossing
voor het demarcatieprobleem. Zijn oplossing is een lijst van criteria. Daarna wordt de
variatie in relativisme gentroduceerd van Paul Feyerabend. Hij beweert dat er slechts
n regel is binnen de wetenschap: er zijn geen regels.

Onderzoeksprogrammas en methodologische anarchie


Introductie
In de voorgaande hoofdstukken hebben we gezien dat filosofen zoals Kuhn en de
sociologen van de wetenschap de nadruk leggen op de relevantie van de geschiedenis en
praktijk van de wetenschap met welke theorie dan ook. Zij probeerden de wetenschap te
begrijpen door expliciet te kijken naar hoe de wetenschap zich ontwikkeld. Zij hadden
niet primair als doel om een normatieve filosofie te ontwikkelen zoals Poppers falsificatie
hoewel Kuhns visie een criterium impliceert als hij wijst op het belang van de
paradigmas in de geschiedenis van de wetenschap.
In dit hoofdstuk kijken we naar de poging van Lakatos om de normatieve benadering van
de falsificatie en de beschrijvende benadering van Kuhn te combineren.

79

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Het demarcatieprobleem
Tijdens een lezing via de radio van de Open Universiteit in 1973 verklaarde Lakatos
waarom de vraag wat wetenschap van pseudowetenschap onderscheidt van belang is.
Het is van vitaal sociaal en politiek belang.
Tijdens de geschiedenis zijn velen vermoord gepleegd vanwege hun overtuigingen die in
die tijd door de machthebbers als pseudowetenschap werden aangemerkt. De kerk en
het Communisme eiste het recht op om te bepalen wat wetenschap is en wat niet.
Lakatos is duidelijk als hij zegt dat de demarcatie criteria van de Kerk en het
Communisme producten zijn van hun eigen theorien en dogmas en daarmee niet
legitiem. Blinde verplichting aan een theorie is geen deugd, het is een intellectuele
misdaad.
Lakatos werd bekend als een Popperiaan. Lakatos ging alleen van trouwe pupil naar
verbannen ketter.

Lakatos antwoord op Popper en Kuhn


Waar het logisch-positivisme en velen voor hen geloofden dat ware kennis bewezen
kennis is, realiseerde Popper zich de ondergang van de newtoniaanse mechanica
impliceerde dat we wetenschappelijke kennis nooit kunnen zien als bewezen kennis. Dit
werd door Lakatos geaccepteerd. Hij was het echter ook met de tegenstander van
Popper, Kuhn eens die beweerde dat falsificatie te naef was. Wetenschappers verwerpen
niet snel een hypothese als er feiten zijn die hem tegenspreken. Ze verzinnen een
hulphypothese voor de anomalie of ze negeren de anomalie helemaal. Lakatos beweert
dat de naviteit van Poppers falsificatie de reden was voor Kuhn om te zeggen dat
wetenschappelijke revolutie niets meer is dan veranderingen in toezeggingen net als
religieuze conversies.
Lakatos concludeert dat als Kuhn gelijk heeft er geen verschil is tussen wetenschap en
religie noch is er een verschil tussen wetenschap en pseudowetenschap. Lakatos beweert
daarom dat Kuhn terugvalt op een ongewenste irrationaliteit.
Lakatos is het met Popper eens dat theorien niet bewezen kunnen worden. Hij is het
ook met Kuhn eens dat Poppers falsificatie een simpele visie op de wetenschap is maar
hij verwerpt de conclusie dat het leidt tot het accepteren van de irrationaliteit van de
wetenschappelijke revolutie.

Drie variaties van falsificationisme


Lakatos maakt een onderscheid tussen drie vormen van falsificatonisme:
1. Dogmatische of naturalistische falsificationisme
2. Methodologische falsificationisme
3. Verfijnde (=sophisticated) falsificationisme
Dogmatische falsificatie
De eerste fout die Lakatos bespreekt, en bestempelt als het probleem van de dogmatisch
falsificationist, ligt aan de basis van het falsificationisme. De dogmatisch falsificationist
gaat ervan uit dat theorien vergeleken kunnen worden met de werkelijkheid. Als daarbij
blijkt dat de werkelijkheid anders is dan de theorie voorspeld heeft, is hij gefalsifieerd.
Echter, zoals Kuhn en Wittgenstein al beredeneerden, is alle observatie theoriegeladen.
Een direct vergelijk met de werkelijkheid is dus helemaal niet mogelijk. Maar in dat geval
is falsificatie in de meest letterlijke zin dus onmogelijk. Daarvoor moeten we immers
80

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

objectieve observaties kunnen doen die volledig vrij zijn van theorie. Zonder die volledige
objectiviteit weten we in geval van een falsificatie namelijk nooit zeker of nu de theorie
gefalsifieerd is of de observatie zelf.
Lakatos stelt dat dogmatische falsificationisme onhoudbaar is omdat:
1. Het twee valse aannames doet:
a. Er is een onderscheid tussen theoretische - speculatieve beweringen en
tussen feitelijke observationele beweringen
b. Een bewering is een observationele bewering dat wordt bewezen door
feiten.
2. Het hecht aan een criterium van begrenzing dat te smal is omdat een theorie
alleen wetenschappelijk genoemd wordt als er bepaalde verboden observaties
zijn.
De eerste aanname is volgens Lakatos onjuist omdat observatie theory-laden is: er is
geen natuurlijk onderscheid tussen theoretische en observationele beweringen.
De onjuistheid van de eerste aanname heeft implicaties voor de tweede. Omdat alle
theoretische beweringen feilbaar zijn, feitelijke beweringen niet onderscheiden kunnen
worden van theoretische beweringen, moeten feitelijke beweringen ook feilbaar zijn.
Methodologische falsificatie
De tweede fout die Lakatos aanwijst, en die hij bestempelt als het probleem van de
methodologische falsificationist, is het gebrek aan wetenschappelijke progressie die door
het falsificationisme teweeggebracht wordt. Immers, wat gebeurt er als we een theorie
falsifiren? Het enige dat we dan kunnen zeggen, is dat een theorie niet waar was. Maar
hebben we daarmee echt vooruitgang geboekt? Eigenlijk niet. We concludeerden al veel
eerder in deze cursus dat je dan alleen weet dat je iets niet weet. Het zijn deze twee
problemen de theoriegeladenheid van observatie en het gebrek aan wetenschappelijke
progressie waar Lakatos een oplossing voor wil vinden.
Conservative conventionalism = een theorie is zonder mogelijke verwerpingen
Revolutionary conventionalism = een theorie kan worden gefalsifieerd door enkelvoudige
uitspraken die zelf niet verworpen kan worden, het is een basisbewering die als zodanig
moet worden aangenomen.
Methodologische falsificatie zorgt voor een empirische basis. De dogmatische falsificatie
beweert dat als een theorie wordt gefalsifieerd is deze theorie onjuist. De
methodologische falsificatie impliceert dan niet dat de theorie onjuist is.
Er zijn een aantal problemen met methodologische falsificatie:
Het besluit om een bewering te accepteren boven een ander lijkt arbitrair.
Een wetenschappelijke test is slechts een confrontatie tussen theorie en
experiment. Lakatos ziet echter in de wetenschap dat een test een gevecht is
tussen drie elementen: twee rivaliserende theorien en een experiment.
De enige uitkomst is de falsificatie terwijl testen ook een bevestiging kunnen zijn
van een theorie.
Verfijnd falsificationisme
Volgens Kuhn kan wetenschappelijke revolutie alleen voorkomen als er een alternatieve
paradigma is voor het paradigma in crisis: het oude kan niet worden opgegeven zonder
het nieuwe. Lakatos de verfijnde falsificationist formuleerde iets vergelijkbaars met drie
81

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

eisen voor wetenschappelijke groei. Een theorie A wordt alleen gefalsifieerd als er een
andere theorie B wordt voorgesteld met de volgende eisen:
1. B heeft meer empirische inhoud dan A, het voorspelt nieuwe feiten die
onwaarschijnlijk of zelfs verboden zijn door A.
2. B verklaart het voorgaande succes van A, alle niet weerlegde inhoud van A is
meegenomen in de inhoud van B.
3. Een deel van de inhoud die excessief is in B wordt bevestigd.
Dit impliceert volgens Lakatos dat we niet beoordelen of een theorie wetenschappelijk is
maar of een serie theorien al of niet wetenschappelijk is. Belangrijk is dat een serie van
theorien niet door een kloof wordt gescheiden zoals Kuhn beweerde maar gewoonlijk
worden verbonden door een opmerkelijke continuteit die hen tot
onderzoeksprogrammas vormt. Deze continuteit die doet denken aan Kuhns normale
wetenschap speelt een vitale rol in de geschiedenis van de wetenschap. Problemen van
de logica in de ontwikkeling kunnen alleen worden bediscussieerd binnen het raamwerk
van een methodologie van een onderzoeksprogramma.

Onderzoekprogrammas
Het onderzoeksprogramma is leidend voor de wetenschapper. Het bestaat uit een groot
aantal samenhangende theoretische en methodologische aannames die bepalen welke
objecten hij moet onderzoeken en hoe hij die moet onderzoeken. Centraal in dat
onderzoeksprogramma zit de harde kern van uitgangspunten die bepalend zijn voor het
programma. Daaromheen zit een beschermgordel van meer specifieke theorien,
hypothesen en methodologische opvattingen waar de wetenschapper voortdurend mee
aan het werk is.
Bepalend voor de manier waarop met het onderzoeksprogramma omgesprongen wordt
zijn de positieve en negatieve heuristiek:
De negatieve heuristiek bepaalt dat de wetenschapper de harde kern van het
onderzoeksprogramma niet in twijfel mag trekken. Deze dient hij dus dogmatisch
te aanvaarden. Als hij dat niet doet, krijgen de theorien in de periferie van het
onderzoeksprogramma niet de kans om zich te ontwikkelen.
De positieve heuristiek bepaalt dat veranderingen in de periferie van het
programma zodanig doorgevoerd moeten worden dat de harde kern beschermd
blijft. In tegenstelling tot de harde kern, staan de verschillende onderdelen van
deze beschermgordel dus juist wel open voor falsificatie. Als we tegenbewijs
vinden voor onze theorien, dan falsifiren we dus niet meteen de harde kern van
ons programma, maar in plaats daarvan een deel van de beschermgordel. Zo blijft
de kern onbeschadigd en wordt de beschermgordel voortdurend in
overeenstemming gebracht met nieuwe bevindingen.
Zolang dergelijke wijzigingen in de beschermgordel leiden tot theorien die steeds meer
kunnen verklaren en nieuwe voorspellingen kunnen doen, zoals zijn verfijnde
falsificationisme dat voorschrijft, spreekt Lakatos over een progressief
onderzoeksprogramma. Zodra de beschermgordel de vele wijzigingen echter niet meer
kan opvangen en geen nieuwe hypothesen meer oplevert, spreekt Lakatos over een
degeneratief onderzoeksprogramma. Op dat moment kan de beschermgordel de harde
kern niet langer verdedigen en stevent het onderzoeksprogramma af op een crisis
waarna het vervalt tot pseudowetenschap.

82

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Kuhns antwoord op Lakatos


Lakatos probeerde een historisch accurate beschrijving van de wetenschap te combineren
met een normatieve benadering. Kuhn antwoordde dat de terminologie wel anders was
maar dat het analytische instrument dicht bij dat van Kuhn lag. Harde kern,
beschermgordel en een degeneratieve fase zijn parallelle termen voor paradigma,
normale wetenschap en crisis.
Volgens Kuhn zal Lakatos blind blijven voor deze parallellen als hij de nadruk blijft leggen
op de irrationaliteit van Kuhn en de rationaliteit van zijn eigen methodologie van
wetenschappelijke onderzoeksprogrammas.
Er zijn drie gronden waarop irrationaliteit wordt aangevallen door Lakatos maar die
overeenkomen volgens Kuhn:
1. Kuhn beweert dat er andere dan rationale motieven een rol spelen in de
wetenschappelijke revolutie. Lakatos bedoelde net zoiets toen hij zei dat men
rationeel kan vasthouden aan een degeneratief programma totdat het wordt
overgenomen.
2. Kuhn verdedigt het irrationalisme als hij stelt dat de keuze tussen twee
paradigmas een keuze van de gemeenschap is. Lakatos stelt dat een
gemeenschap eerlijk moet zijn en dat ze slechte openbare gegevens niet mogen
negeren.
3. Kuhn stelt dat twee paradigmas onmeetbaar en onvergelijkbaar zijn. Lakatos
spreekt over twee rationele onderzoeksprogrammas die rivaliserend zijn. Toch
verwierp de laatste de incommensurabiliteit.

Paul Feyerabends methodologisch anarchisme


Feyerabend beweert dat wetenschap in wezen een anarchistische onderneming is. Er is
niets mis met de wetenschappelijke methode van kennisverwerving het is alleen niet de
enige methode en we moeten andere methoden ook gebruiken. Dit is het belangrijkste
punt van Feyerabend wat gemakkelijk verkeerd begrepen kan worden.
Dit onbegrip stamt af van de titel van zijn meest belangrijke werk Against Method
(1974). De titel suggereert dat Feyerabend zich in het geheel afzette tegen de
wetenschappelijke methode maar dit is niet het geval. Hij daagt alleen het monopolie van
deze methode uit. Hij stelt voor om een overvloed aan methoden te gebruiken, inclusief
de wetenschappelijke methode.
Feyerabend viel de mensen aan die stelden dat er objectieve feiten waren. Feiten worden
al gezien in een bepaald licht: theory-laden. Deze feiten zijn dus idealistisch.
Wetenschappers presenteren hun theorien en visies als feiten die werkelijk bestaan.
Als men een klein deel van de realiteit gesoleerd bekijkt, lijkt het alsof er stabiele feiten
bestaan en dat strikte regels van toepassing zijn. Deze feiten worden niet gepresenteerd
in het licht van cultuur, religie of humor. Feyerabend stelt dat de wereld veel complexer
is dan de wereld die gepresenteerd wordt in simpele modellen en dat de overtuigingen
van de wetenschapper van belang is voor de manier waarop hij de wereld ziet.
Feyerabend ontkent niet dat zon traditie succesvol kan zijn. Hij vraagt zich alleen af of
het de enige methode moet zijn.

83

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Een anarchistische theorie over kennis


Met het methodologische anarchisme pleit Feyerabend voor een visie dat als we inzicht
en kennis willen verwerven over de wereld, we onze epistemologische streven niet
moeten beperken tot n strakke methode, of deze nu wetenschappelijk is of niet. De
geschiedenis heeft ons geleerd dat het dogmatisch vastklampen aan een bepaalde visie
niet tot vooruitgang leidt.
Volgens Feyerabend kan iedere methode een bron van kennis zijn. Het is de rationaliteit
van de wetenschap wat hier weer onder de aanval ligt.

Methodologische anarchie vs. de wetenschappelijke methode


Omdat er geen objectieve feiten zijn, noemt Feyerabend wetenschappers sculptors of
reality. Als we tijdens een onderzoek een methode niet inzetten, lopen we de kans om
feiten te missen. Het belangrijke thema is hier dat het verwerpen van een theorie
impliceert dat men feiten verwerpt.
Mensen die kennis willen verwerven moeten counterrules gebruiken en de consistency
condition verwerpen.
Counterrules = regels die zich verzetten tegen de bekende regels van de wetenschap
Het gebruik van counterrules en theorien die onmeetbaar zijn met de huidige
opvattingen impliceert ook dat nieuwe hypothesen niet consistent hoeven te zijn met
deze theorien. Als men zich houdt aan deze eis consistency conditions dan vindt
met de ene theorie beter dan de andere dat volgens Feyerabond niet gerechtvaardigd
kan worden.
Er zijn een aantal redenen waarom Feyerabend de ene theorie niet accepteert als beter
dan een andere:
1. We kunnen niet a priori (=op voorhand) een theorie uitsluiten, we lopen dan de
kans op het missen van feiten die gegenereerd worden door tegensprekende
theorien.
2. Het kan niet rijmen met een humanitaire houding. Als er geen feiten zijn dan
zouden onderwijzers niet moeten onderwijzen dat ze er wel zijn of dat de
wetenschappelijke methode de enige methode is om deze feiten te vinden.
Een persoon moet complete vrijheid gegeven worden als deze een wetenschappelijk of
een ander probleem moet oplossen. Er mogen geen normen of beperkingen worden
opgelegd aan de zoektocht naar de oplossing.
Feyerabend stelt dat voodoo een waardig alternatief is net zoals Chinese geneeskunde,
astrologie en de regendans. Als de mensen dit willen, moet de regering hen dit geven.
Een consequentie van deze visie is dat Feyerabend pleit voor een scheiding van
wetenschap en staat net zoals er een scheiding is tussen Kerk en staat. Als een kind wil
toveren wil leren op school dan moet dit kunnen.
Een andere consequentie is dat er geen demarcatiecriterium nodig is. De eis voor dit
criterium stamde van onze wens om een onderscheid te maken tussen menselijke acties
die kennis produceren (science) en die acties die dat niet doen (non-science).

84

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Veel van Feyerabends filosofie is gebaseerd op de aanname dat er geen objectieve feiten
zijn. Er zou vrijheid moeten zijn in het verwerven van kennis. Maar er is een goede reden
om niet te accepteren dat er geen objectieve feiten zijn.

De Sokal hoax
Feyerabend had veel kritiek en hij werd de grootste vijand voor de wetenschap genoemd.
Volgens Feyerabend was normale wetenschap een sprookje en dat er net zoveel
aandacht moest zijn voor concurrerende weten van kennis zoals astrologie, acupunctuur
en hekserij.
Alan Sokal nam niet alleen Feyerabend maar alle constructivisten onder handen door te
beweren dat er wel feiten bestaan en dat het de taak is van de wetenschapper om deze
te vinden. Hij deed dit op een opvallende manier.
Hij schreef een artikel dat pretendeerde constructivistisch te zijn en hij bekende op de
dag van verschijnen dat het een hoax was. Het artikel had de naam Transgressing the
Boundaries: Towards a Transformative Hermeneutics of Quantum Gravity Het artikel
werd daadwerkelijk gepubliceerd in Social Text (1979).
Sokal publiceerde elders dat hij een wetenschapper is die gelooft dat er objectieve
realiteit is met objectieve feiten en dat het doel van de wetenschap is om deze feiten te
vinden. Als we totale vrijheid accepteren dan eindigen we met zowel wetenschappelijke
en morele relativisme. Dit zijn niet wenselijke visies, niet in het minst gezien vanuit
sociaal en politieke hoek.
Als we de feiten kwijtraken, raken we zowel de wetenschap als de moraliteit kwijt. Als we
iemand verantwoordelijk willen houden voor zijn immorele acties kan hij altijd het
argument gebruiken dat hij de feiten simpelweg construeert op een andere manier dan
dat wij doen. We hebben feiten nodig, niet alleen in de wetenschap, maar ook in de
samenleving in zijn geheel.

Biografien
Imre Lakatos (1922-1974)
Imre Lakatos werd in Hongarije geboren als Imre Lipschitz. Omdat hij Joods was,
veranderde hij eerst zijn achternaan in Molnr. Hij kon ontsnappen aan de nazis. Na WO
II was Lakatos een communist en zou hij zijn naam terug veranderd kunnen hebben
maar hij veranderde hem naar een proletarische naam Lakatos. Onder het Russische
regime in Hongarije had hij een baan op het ministerie van onderwijs. Hij was echter niet
goed in het volgen van de Russische opdrachten zonder vragen te stellen. In 1950 werd
hij gearresteerd en zat hij drie jaar gevangen.
Nadat hij werd vrijgelaten ging hij aan het werk als vertaler van wiskundeboeken. Toen
Hongarije zich af wilde scheiden van de Sovjet Unie werden veel Hongaren naar Rusland
gedeporteerd. Lakatos was bang dat hem dit ook zou overkomen en hij vluchtte naar
Wenen. Hij ging naar Engeland om filosofie te studeren aan Cambridge. Hij was in
London actief in de filosofie van de wetenschap en werd hij gezien als een Popperiaan. In
1963 en 1964 publiceerde hij zijn beroemde Proofs and Refutations in 4 delen in de
British Journal for the Philosophy of Science. Na zijn dood verscheen het in boekvorm.

85

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Paul Feyerabend (1924-1994)


Geboren in Wenen. Na de middelbare school ging hij in het leger waar hij verlamd
raakte. Hij leerde lopen met krukken. Hij studeerde astronomie en later filosofie waarin
hij een PhD kreeeg in 1951. In 1952 ging hij naar London en studeerde hij onder Popper.
Na een tijd in Bristol verhuisde hij naar de VS., Berkeley. Hier ontmoette hij Kuhn.
Feyerabend voelde zich verplicht om de wetenschappelijke en rationele cultuur te
onderwijzen van de blanke man als een intellectueel imperialist. Dit leidde tot zijn
culturele relativisme. Feyerabend werd steeds excentrieker. Hij voelde zich niet begrepen
en begon extreme versies van zijn visie te ontwikkelen als antwoord op zijn critici. Het
laatst boek was zijn autobiografie Killing Time. Hij stierf aan hersenkanker in 1994 in
Genolier, Zwitserland.

Samenvatting
Imre Lakatos probeerde de visies van Popper en Kuhn te combineren en te verbeteren.
Hij was het met Popper eens dat wetenschap een rationele onderneming is en dat het
normatief is. Hij was het met Kuhn eens dat wetenschappers werken met zoiets als
paradigmas welke hij onderzoeksprogrammas noemde. Onderzoeksprogrammas
verschillen van paradigmas in de zin dat ze naast elkaar kunnen bestaan en dat er geen
wetenschappelijke revolutie is als een programma wordt herzien en aangepast.
Feyerabend vond dat het monopolie van de wetenschappelijke methode van het
verzamelen van kennis niet gerechtvaardigd kan worden en dat we ook andere methoden
moeten accepteren. Zelfs als dit betekent dat we methoden moeten gebruiken met
counterrules. Volgens Feyerabend zijn feiten constructies en relatief aan de gebruikte
methode. Sokal beweerde dat als we de feiten kwijt zouden raken, we niet alleen de
wetenschap zouden verliezen maar dat we ook onze moraliteit zouden verliezen. We
kunnen dan niemand meer verantwoordelijk houden voor bepaalde feiten.
Het lijkt er sterk op dat we met Feyerabend de bodem van het ravijn hebben bereikt. Via
Comte, Wittgenstein I, Mach, Carnap, Neurath, Popper, Wittgenstein II, Kuhn
en Lakatos is wetenschap geverifieerd, geconfirmeerd, gefalsifieerd, geconstrueerd en
gecorroboreerd en tot slot door Feyerabend volledig kapot gerelativeerd. Keer op keer
blijkt het onmogelijk om duidelijk te maken wat wetenschap is.
Aan de andere kant lijkt de practical joke van Alan Sokal ook een uitweg te bieden: niet
alles is relatief. Hij weerlegt relativisme en constructivisme met een argument dat is
gebaseerd op actie: een sprong van het balkon. Het is dus geen hoogdravende
intellectuele discussie of nauwkeurig geobserveerde werkelijkheid, maar een verwijzing
naar een eenvoudige handeling, die laat zien dat ook relativisme en sociaal
constructivisme onhoudbaar zijn. Misschien ligt niet in het denken of observeren, maar in
het handelen een bruikbaar demarcatiecriterium besloten? Die vraag zal centraal staan in
het derde, afsluitende deel van deze cursus.

86

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Terugblik op deel I en II
We hebben diverse wegen naar de waarheid verkend. De klassieke wegen waren de
herinnering van Plato, de intutie van Aristoteles en de autoriteit van God. Onvrede over
het gebrek aan vooruitgang leidde na de middeleeuwen tot een kritische houding van
mensen als Bacon, waarmee het tijdperk van de verlichting werd ingeluid. Al snel doken
allerlei filosofen op die hun duit in het zakje deden, deels genspireerd door de klassieke
filosofie.
Descartes legde met zijn twijfel aan alles de grondslagen voor het moderne rationalisme;
Berkeley plaatste de waarheid in ons, in plaats van buiten ons; Hume maakte van de
wetenschapper een mens met passies en gewoonten en Kant maakte ten slotte van al
deze ideen een soort amalgaam waarbij de feilbare mens beschikte over een feilloze
ratio die ons begrip van de wereld vanuit het verstand op de wereld projecteerde. Geen
van deze filosofen slaagde er echter in om het bestaan van absolute, universele kennis
zeker te stellen. In reactie daarop poogde Comte om, in de geest van Bacon, tot een
positieve, kritische wetenschap te komen, die met behulp van observatie en experiment
leidde tot theorien die vanwege hun voorspellende waarde de wereld hanteerbaar
maakten. Vanaf dat moment werd in de westerse filosofie definitief gezocht naar een
demarcatiecriterium.
Intellectualistische filosofien als het logisch positivisme en kritisch rationalisme werden
specifiek ontworpen om duidelijk te maken hoe wij tot zekere kennis konden komen. Al
gauw werd echter duidelijk dat noch verificatie, noch confirmatie, noch falsificatie tot een
duidelijke scheidslijn tussen wetenschap en andere kennis leidde. Kuhn en Lakatos legde
vervolgens de bal nog terug bij de wetenschappelijke gemeenschap die min of meer
dogmatisch tot de verzameling van kennis komt, maar met Feyerabend sloeg het
relativisme definitief toe.
De nieuwe wereld
Wellicht is het u opgevallen dat in deze cursus nog geen enkele Amerikaanse stroming
aan bod is geweest. Dat is deels omdat Amerika als intellectuele regio lang niet zon
voorgeschiedenis kent als West Europa. Het moderne Amerika ontstond immers pas na
de middeleeuwen. Je zou dan ook kunnen zeggen dat het ontstaan van de Verenigde
Staten grofweg parallel loopt aan de ontwikkeling van de moderne Europese filosofie.
Nadat aan het eind van de middeleeuwen enkele avonturiers voor het eerst voet aan wal
zetten in de nieuwe wereld, werd deze in hoog tempo gekoloniseerd. Deze expansie loopt
grotendeels gelijk met de eerste golf van moderne filosofie. Sterker nog: het moment
waarop het bestaansrecht van de Verenigde Staten in 1776 definitief wordt beklonken in
de onafhankelijkheidsverklaring, valt vrijwel gelijk met het verschijnen van
het belangrijkste werk van Kant. Je zou kunnen zeggen dat beide ontwikkelingen
daarmee hun conclusie bereiken.
Met het einde van de burgeroorlog, ongeveer honderd jaar later,
ontstaat een betrekkelijke rust waarin het nieuwe Amerika zich letterlijk kan gaan
bezinnen. Al snel duiken daarbij drie elementen op die het Amerikaanse denken
substantieel anders maken dan de Europese filosofie van dat moment.
Ten eerste ontstaat een nadruk op het individu en diens beleving. Denkers als
Whitman en Emerson bekritiseren vanuit het subjectieve karakter van de ervaring
bijvoorbeeld het mechanistische, reductionistische denken. Ten tweede is er een
groeiende interesse voor het darwinisme. Terwijl de receptie daarvan in Europa
87

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

moeizaam verloopt, raken Amerikaanse filosofen als Fiske en Wright er juist door
genspireerd. Ten derde wordt in de context van ontginning van een nieuwe wereld de
vraag naar een goede inrichting van die wereld relevant. De rol van kennis als instrument
om de wereld in te richten komt dus naar de voorgrond. Terwijl in Europa met het werk
van Comte juist een intellectualistische zoektocht naar demarcatiecriteria begint, groeit
in Amerika vanuit de genoemde elementen een filosofische positie die de mens ziet als
een natuurlijk, innerlijk gedreven en handelend individu. Zou deze stroming dan de
oplossing kunnen bieden voor het failliet van de wetenschapsfilosofie.

Pragmatisme: filosofie van VS stijl van wetenschap


Introductie
Het pragmatisme is een typische Amerikaanse manier van denken over de wetenschap.
Het leek een veelbelovende wetenschapsfilosofie maar het is genegeerd. Dit is spijtig
omdat het een aantrekkelijk perspectief biedt op de aard en reikwijdte van de
wetenschap.
Nadat we alle filosofien hebben bestudeerd, moeten we tot de conclusie komen dat we
nog geen bevredigend antwoord hebben op de vraag: wat is wetenschap? Het lijkt erop
dat niemand succesvol is geweest in de demarcatie van wetenschap en
pseudowetenschap. Mensen zijn ook niet overtuigd van de validiteit van
wetenschappelijke beweringen, de reikwijdte van de wetenschap, buiten de empirische
situatie. Toch zijn we het erover eens dat wetenschap een bepaalde onderneming is. Men
houdt vast aan de intutie dat de mens kennis bezit over de diepe en verborgen
structuren van de wereld, zelfs op het gebied van de menswetenschappen zoals
economie, psychologie en sociologie.
Toch moeten we blijven zoeken naar een antwoord op de vraag wat is wetenschap? Het
boek van George Orwell 1984 schetst een beeld van een wereld waarin het idee is
opgegeven dat er objectieve en wereldlijke beperkingen aan wat mensen willen geloven
of geacht worden te geloven. Het vervalt in absolute macht van de elite en immoraliteit.
Verder geloven de mensen in het algemeen dat de wetenschap kritisch is op zichzelf.
Verwoestende als de Amerikaanse Burgeroorlog was, het heeft bijgedragen aan het
verwerpen van het idee dat de oude cartesiaanse filosofie zou bijdragen aan het
archimedische startpunt van waaruit de menselijke kennis kan worden veilig gesteld. In
Europa beweerden zowel Descartes als Kant zekere kennis te hebben over de wereld. De
politieke gebeurtenissen in de VS voedde echter het idee dat de tijd rijp was voor een
Amerikaanse filosofische renaissance. De oude filosofen beweerden een theorie van de
waarheid te hebben, een theorie van kennis en van moraliteit. Deze grondslag bleek
echter gewoon weer een metafysisch systeem, een systeem dat niet had kunnen
voorkomen dat er zoveel bloed zou worden vergoten tijdens de Burgeroorlog. Ook was
het systeem niet in staat om de nieuwste onderzoekresultaten in te lijven:
evolutietheorie en de experimentele wetenschap van de psyche van de mens
(psychologie).

Verwarring over de eenheid van pragmatisme


Filosofen als Charles Sanders Peirce, William James en John Dewey begonnen opnieuw na
te denken over het hele filosofische project om kennis te verwerven over de wereld. Zij

88

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

waren de grondleggers van het pragmatisme hoewel niet iedereen het erover eens is dat
ze alle drie dezelfde ideen hadden over filosofie en hoe het verder moet. Ook hadden ze
dezelfde ideen over de wetenschap.
Rorty, een eigentijdse pragmatist, zag een duidelijk verschil tussen het werk van Peirce
aan de ene kant en het werk van James en Dewey aan de andere kant. En hij zag een
onderscheid tussen deze oude pragmatisten en de neopragmatisme en verschillen binnen
deze nieuwe stroming.
Velen hebben beweert dat William James het pragmatisme introduceerde in de filosofie
als een afzonderlijk Amerikaanse filosofie maar ook hier verschillen de meningen.

Oorsprong van de term pragmatisme


James schreef in een artikel Pragmatism A New Name for Some Old Ways of Thinking
(1907) dat Peirce degene was die het principe van het pragmatisme bekend maakte
hoewel hij dat woord zelf nooit gebruikt heeft. Ook Dewey accepteerde dat de term van
Peirce afkwam maar ook hij schrijft in een artikel dat de term voor het eerst gebruikt
wordt door James.
Helaas heeft Peirce nooit de waardering gekregen voor het ontwikkelen van het
pragmatisme. James en Dewey werden bekend met de pragmatische ideen van Peirce.
James is degene die het meeste met het pragmatisme wordt geassocieerd. Historici zijn
nog steeds bezig met het achterhalen van de oorsprong en verloop van het pragmatisme.
Peirce, James en Dewey deelden allemaal het idee van de pragmatische stelregel dat
door Peirce gentroduceerd werd n 1878. Dit impliceert een gedeelde pragmatische visie
op de wetenschap en een overtuiging dat het concept van onderzoek centraal stelt,
ondanks individuele verschillen.
Pragmatisme als een specifiek perspectief op wetenschap vindt zijn oorsprong in een
bepaald idee over geloof/overtuiging. Peirce en anderen maakten gebruik van een
beschrijving van Bain: een overtuiging is dat waarop een mens bereid is om te handelen.
Het pragmatisme is een wetenschappelijke en filosofische stroming die erdoor
gekenmerkt wordt door de focus op het verbinden van de praktijk met de theorie. Een
ander typisch kenmerk is dat ze stelt dat de waarheid van een theorie of een wet daarin
bestaat dat ze bevestigd wordt in de praktijk (verificationisme). In het pragmatisme
wordt de mens als handelend wezen in het centrum gezet en waarbij handelen en denken
in dienst staan van het oplossen van praktische problemen. Verdere kenmerken van het
pragmatisme zijn een functionalistische en consequentialistische inslag.
Daarnaast bestaat er ook nog een morele of religieuze variant, die de waarheid van
metafysische opvattingen of van religieuze leerstellingen bevestigd ziet als ze heilzaam
blijken te zijn op zedelijk of moreel gebied en als ze daarin richtinggevend zijn.

Peirces fixatie op de overtuiging


Peirces pragmatisme was een reactie op de filosofie van Descartes. Descartes probeerde
een zekere basis te ontwikkelen voor onze kennis over de wereld. Hij deed dit door te
twijfelen aan alles.
Peirce was het hier zeker niet mee eens. Als wetenschapper had hij opgemerkt dat er
empirische data is dat Descartes idee van de onfeilbare intutie tegensprak. Hierdoor
89

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

twijfelde Peirce over de regel van Descartes dat een duidelijk en onderscheidend idee
waar is als hij daarmee een intutief duidelijk en onderscheidend bedoeld. Hebben
mensen werkelijk een intutieve kracht om intutie te onderscheiden van een andere
vorm van cognitief?
Veel werk van Peirce is daarom gefocust op het probleem over hoe ideen duidelijk
worden gemaakt als we niet kunnen vertrouwen op intutie die deze perfect duidelijk
maken. Peirces oplossing voor de verduidelijking van onze ideen is de wetenschap.
Peirce maakt een onderscheid tussen papieren twijfel en levende twijfel:
Papieren twijfel = cartesiaanse twijfel, we twijfelen aan onszelf zonder het gevoel
te hebben dat we twijfelen aan wat we weten. We willen onze overtuigingen over
de wereld niet opgeven.
Levende twijfel = twijfel die echt onbehaaglijk en ongemakkelijk voelt. De twijfel
gaat samen met een situatie waarin het van praktisch belang is dat we weten
hoe de wereld is.
Peirce beweert dat een persoon tijdens zijn studie redenen vindt om te gaan twijfelen
aan een overtuiging van vroeger. Hij twijfelt omdat hij daar een positieve reden voor
heeft en niet vanwege de cartesiaanse stelregel van de twijfel.
Het is belangrijk om te begrijpen dat Peirce suggereert dat alle overtuigingen in principe
feilbaar zijn en het is ontoelaatbaar dat iets als waar wordt aangenomen enkel en alleen
op basis van het eigen denken. Onze interactie met de wereld verloopt op zodanige wijze
dat onze geest werkt als een soort interface. Wat we ook denken over de wereld is het
resultaat van onze interactie met die wereld en we moeten we ons inspannen om te zien
of wat we geloven over de wereld inderdaad waar is. Peirce probeert de wetenschap te
karakteriseren en niet de individuele geest, als een middel om onze ideen duidelijk te
maken. Wetenschap zal gepresenteerd worden als het correctieve mechanisme voor onze
overtuigingen over de wereld. Om van onze levende twijfel af te komen is wetenschap de
meest effectieve manier om onze concepten op te helderen en de twijfel weg te nemen.
Dit is het beeld dat Peirce schetst in zijn twee beroemde artikelen: Fixation of Belief en
How to Make Our Ideas Clear.
Methoden van fixatie op de overtuiging
In Fixation of Belief verdedigd Peirce de stelling dat irritaties door twijfel een strijd
veroorzaken om een geloofsovertuiging aan te houden. Peirce onderzoekt verschillende
methoden van geloofsfixatie.
Peirce maakt onderscheid tussen twee gevoelssensaties:
Het gevoel van overtuiging: stabiele staat van overtuiging die ons handelen
bepaalt.
Het gevoel van twijfel: staat die ons laat zoeken naar een manier om van deze
twijfel af te komen.
Er is niet alleen een verschil in sensatie maar ook in praktisch opzicht.
Inquiry = de overgang van een gerriteerde staat van twijfel naar een geruststellende
staat van overtuiging. Als een overtuiging is ontstaan bereiken we volkomen bevrediging,
of de overtuiging nou waar of onwaar is.

90

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Methoden van geloofsfixaties:


1. Vermijding. Deze methode houdt niets anders in dan dat we alle situaties
en personen die twijfel in ons kunnen oproepen, gewoon uit de weg gaan.
Zodoende informeren we onszelf niet, en kunnen we dus onkritisch vasthouden
aan onze huidige overtuigingen. In het meest extreme geval leidt deze
vermijding tot een volledig terugtrekken uit de sociale wereld. Het probleem met
dergelijk vermijdingsgedrag is dat de mens tegelijkertijd ook een sociale impuls
heeft. Deze dwingt ons anderen op te zoeken, waardoor wij vanzelf terecht komen
in sociale situaties die twijfel oproepen over onze individuele overtuigingen.
2. De meest basale wijzigingen van onze overtuigingen wordt dus veroorzaakt door
het contact met de mensen om ons heen. Daarbij is het betrekkelijk eenvoudig
om af te gaan op de autoriteit van anderen. Ons verlaten op autoriteit is dan ook
de tweede vorm van fixatie van onze overtuigingen. Bij deze vorm van fixatie
ligt de verantwoordelijkheid voor de vorming van onze overtuigingen deels bij de
mensen om ons heen. Goede voorbeelden hiervan zijn het educatie- en
sanctiesysteem waarop onze beschaving gebaseerd is. Deze systemen schrijven
ons grotendeels voor hoe wij ons dienen te gedragen.
3. Het probleem met deze methode is echter dat geen enkele autoriteit volledige
controle kan uitoefenen. Ook in een goed gecontroleerde
samenleving blijven zich situaties voordoen die het individu aan het twijfelen
brengen. Zodra dat gebeurt, zal automatisch ook de autoriteit in twijfel getrokken
worden. Ten gevolge daarvan zullen individuen de basis van hun overtuigingen bij
zichzelf gaan zoeken. Op dat moment werpen zij de willekeurigheid van hun
overtuigingen van zich af, en kiezen zij met hun eigen ratio de overtuigingen die
hen het beste passen. Deze methode heet dan ook de a priori methode van
fixatie.
4. Welke overtuigingen zij daarbij kiezen is echter sterk afhankelijk van het
moment en zijn daarom gevoelig voor de ontwikkeling die hun smaak op dat
moment doormaakt. De overtuigingen die zij dan kiezen, zijn weliswaar niet meer
arbitrair, maar het uitgangspunt daarvan is dat dan nog wel. Om ook die
willekeurigheid te verwerpen moeten we een ander uitgangspunt zoeken dat
onafhankelijk is van het moment waarop we onze zoektocht beginnen. De enige
aanname die daarvoor in aanmerking komt volgens Peirce, is de aanname dat er
een externe permanentie is: een oneindige wereld die buiten onze ervaring ligt,
die onafhankelijk is van onze eigen overtuigingen. Pas als we die aanname
aanvaarden bedrijven we de beste methode van fixatie: wetenschap.
Peirce ontkent het cartesiaanse duidelijk en onderscheidende criterium voor ware
overtuigingen. Hij moet die wel vervangen door iets anders en dat zullen we zien in de
volgende paragraaf.

91

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Methode

Voordelen

Nadelen

Tenacy/vermijding

Ontduikt efficint de irritatie


van de twijfel

Gaat in tegen de sociale


impuls

Authority

Zorgt voor een vaste


overtuiging in de gemeenschap

Mensen missen samenhang in


hun overtuigingen

A priori

Gerespecteerd vanuit de visie


van de reden

Maakt onderzoek tot zoiets als


de ontwikkeling van smaak

Science

Uiteindelijk zal iedereen tot


dezelfde conclusie komen

Zijn er niet!

De pragmatische stelregel
In Peirces artikel How to Make Our Ideas Clear (1878) wordt beweerd dat het advies dat
is voorbestemd waarmee iedereen die het onderzoek deed, uiteindelijk mee instemt, is
wat we bedoelen met de waarheid en het object in dit advies is echt. Dit leidt tot de
overtuiging dat de wetenschappelijke methode uiteindelijk zal leiden tot ware
overtuigingen. We bemerken hier een eigenaardig kenmerk van een overtuiging in
Perceiaanse pragmatisme. Een overtuiging komt in onze aard tot stand door een regel of
actie: een gewoonte.
Peirces pragmatische stelregel: als je wilt weten wat ons idee van iets is, zoek naar ons
idee van het zinvolle effect of ons idee van iets is ons idee van zijn zinvolle effect.
Deze stelregel vloeit voort uit zijn idee over ideen: soms worden mijn gewoonten
doorbroken door een onverwachte gebeurtenis. Er ontstaat twijfel waar we vanaf willen
zodat weer een stabiele situatie ontstaat. Deze stabiele staat wordt gevormd door n
van de vier methoden.
Het is inderdaad zo dat bij Peirce het correspondentieprobleem op de loer ligt, vooral
omdat hij heel expliciet de aanname van een wereld buiten ons hoofd als grondslag voor
het wetenschappelijk denken presenteert. Daarmee ontstaat een kloof tussen de
buitenwereld en onze overtuigingen over die wereld. Peirce probeert die kloof te dichten
door te verwijzen naar de consensus tussen wetenschappers. Toch is zijn filosofie geen
sociaal-constructivistische filosofie zoals die van Wittgenstein. Hij beweert bijvoorbeeld
niet dat wij de wereld zelf creren door met elkaar af te spreken hoe de wereld is.
Consensus is bij Peirce meer een soort hypothetisch einddoel van de wetenschap.
Het is een wat ingewikkelde constructie, maar kort samengevat komt het hierop neer: er
is een 'externe permanentie' en er zijn in onze geest overtuigingen over die permanentie.
In het ideale geval zouden die twee perfect corresponderen. In feite is die
correspondentie ook waar elk mens naar onderweg is. Zolang die er nog niet is, zullen er
momenten van twijfel ontstaan die ons duidelijk maken dat onze overtuigingen nog niet
volledig aansluiten bij de werkelijkheid. Door te leven en te handelen treedt als het ware
langzaam aan een convergentie op tussen overtuigingen over de werkelijkheid en de
werkelijkheid zelf.
Ditzelfde geldt voor de wetenschappelijke consensus. Dat we het nog niet met elkaar
eens zijn is gewoon een teken dat onze overtuigingen nog niet volledig corresponderen
92

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

met de werkelijkheid. Naarmate die correspondentie sterker wordt, zal dus ook steeds
meer consensus optreden. Niet omdat we dat zo graag willen, maar gewoon omdat
het een onvermijdelijk resultaat van onze wetenschappelijke zoektocht is. Ergens in de
toekomst ligt een hypothetisch moment waarop de realiteit en onze gezamenlijke
overtuigingen over de realiteit exact samenvallen. De filosofie van Peirce is dus wel
degelijk een echte correspondentiefilosofie. Consensus is gewoon een logisch gevolg van
die correspondentie.
Pragmatisme, waarheid en realiteit
Peirce observeert dat wat echt is datgene is wat een effect heeft op onze overtuiging. Hij
vraagt zich af hoe we ware overtuigingen kunnen onderscheiden van onware
overtuigingen. Dit onderscheid kan alleen door de wetenschap worden aangegeven en
leidt naar realiteit en waarheid. Leidt dit niet tot het idee dat de waarheid is wat iedereen
voor waar houdt?
Peirces pragmatisme zegt dat wat we bedoelen te zeggen met onze bewering dat een
overtuiging waar is, is dat we nu denken dat er niets is dat onze overtuiging kan
veranderen. Peirce voldoet dus niet aan de zogenaamde consensustheorie (= groot
aantal mensen zijn het eens) van de waarheid, maar aan een verfijnde vorm van
correspondentietheorie (=de waarheid hangt af van de relatie van de bewering tot de
wereld).
Later probeerde Peirce zijn pragmatisme minder afhankelijk te maken van specifieke
psychologische hypothesen.
Peirces pragmatisme heeft ook antropologische implicaties. Hij stelde dat wat mensen
geloven wordt duidelijk door wat ze doen of zeggen in verschillende omstandigheden.
Mensen leren van hun fouten.
Er zijn een aantal redenen om de wetenschapsfilosofie in het Amerikaanse pragmatisme
te bespreken. De pragmatische visie pakt alle problemen uit deel II aan: het laat het
inductieprobleem verdwijnen, wetenschap is een set van Popperiaanse vermoedens en
verwerpingen, het legt de nadruk op de geschiedenis zonder een beroep te doen op
onmeetbaarheid, het geeft antwoord op theory-ladenness en het werpt een blik op de
discussie op wetenschappelijk realisme en daarmee de status en bereik van de
wetenschap.

James over waarheid en realiteit


In 1898 gebruikte James voor het eerst het woord pragmatisme als referentie naar
Peirces pragmatische stelregel. Toch is James vooral bekend van zijn werk voor de
psychologie en schreef het boek Principles of Psychology.
James gebruikte het pragmatisme is de psychologie. Ook hij ageerde tegen de
cartesiaanse filosofie van systematische twijfel.
We gaan niet in op de discussie over de verschillen tussen Peirce, Dewey en James. Alle
drie de pragmatisten zijn het erover eens dat waarheid uiteindelijk betekent dat het
correspondeert met de realiteit.
Waarheid = een eigenschap van zekerheid over onze ideen.
Realiteit volgens James is de realiteit van onze ervaringen.
93

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Omdat we het concept waarheid gebruiken en dat we willen weten wat waarheid
betekent, hebben we weer een criterium nodig dat hierop van toepassing is. Zoals we
gezien hebben is de pragmatische stelregel van Peirce zon criterium. James wilde heel
graag deze stelregel toepassen op de waarheid. De stelregel van James is echter anders
dan die van Peirce.
Stelregel van James; een bewering is zinvol als:
Het ervaringsgerichte consequenties heeft of,
Het heeft geen ervaringsgerichte consequenties maar de overtuiging heeft
ervaringsgerichte consequenties.
Deze laatste toevoeging zet James op een spoor dat weg voert van Peirce en Dewey.
Het verschil tussen Peirce en James
De realiteit is volgens James niet primair in ons getreden via de zintuigen of gegeven in
de ratio. Volgens hem is deze vooral in ons verankerd in het handelen van ons als
emotionele acteur. Hierbij moeten emoties niet zomaar worden opgevat als iets dat je
voelt of uitdrukt, maar echt als een diepgevoelde drijfveer. Ook voor hem is twijfel een
vruchtbaar uitgangspunt om de realiteit te verkennen. De enige dingen waaraan je
volgens hem nooit hoeft te twijfelen, zijn de dingen waar je continu sterk emotioneel
mee verbonden bent. De dingen in de buitenwereld waar je vanuit een interne drijfveer
het sterkst op gericht bent, daarvan kun je zeker zijn dat ze bestaan.
Neem even het voorbeeld van de honger als interne drijfveer. Deze is vanuit onze
evolutionaire geschiedenis sterk gericht geraakt op het eten van zoet, vet en zout eten,
omdat dit waardevolle voedingsbronnen zijn. Dit maakt dat wij een sterke emotionele
verbondenheid voelen met patat en gevulde koeken. Als er iets is, waarvan wij nooit het
bestaansrecht hoeven te betwijfelen, dan zijn het dus die patat en gevulde koeken.
Dingen waarmee we een dergelijke emotionele verbondenheid niet hebben, zouden net
zo goed niet kunnen bestaan.
Waar Peirce dus nog een poging doet tot een soort intellectuele zoektocht naar de
essentie van wetenschap, geeft James vooral een diepgewortelde psychologische,
fenomenologische invulling van het begrip 'realiteit'. Hij kijkt in zichzelf en concludeert
dat Descartes ongelijk had. Net als Peirce verwerpt hij diens intellectuele twijfel.
Volgens James kunnen we veel meer dingen met zekerheid vaststellen. Als je goed in
jezelf kijkt introspectie was een van de methoden die James gebruikte dan kun je
concluderen dat er veel meer zaken zijn waarvan je met een gevoelsmatige zekerheid
kunt stellen dat deze echt waar zijn. Dat zijn misschien dingen die voor een ander
niet zeker zijn, maar voor jouw als subject wel omdat ze in jouw leven effectief zijn.
James legt dus ook de eis van universele geldigheid terzijde. Kennis is verankerd
in individueel gedrag en dus per definitie niet universeel geldig.

De ethiek van de overtuiging


Clifford, een tijdgenoot van Peirce, beweerde dat als een man een overtuiging heeft die
hij heeft geleerd in zijn kindertijd of later, deze overtuiging iedere twijfel wegdrukt.
Wetenschappelijke realist => verdedigt het idee dat het goed is om iets te accepteren bij
een gebrek aan bewijs.

94

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Empirist => zou bezwaar aantekenen aan deze manier van het uitsluiten van de
mogelijkheid van het hebben van een rationele overtuiging ondersteunt met empirisch
bewijs.
Cliffordianen => als er geen reden is om te geloven en er geen reden is om niet te
geloven moet men zijn oordeel opschorten.
James => laten zien dat in een Cliffordiaans geval het rationeel is om ofwel te geloven of
niet te geloven en onder de juiste omstandigheden kan men zelfs spreken van een
rationele overtuiging in beide gevallen.
Het terugkerende thema is: wat is het bereik van de wetenschap en tot welke mate zijn
we gedwongen om te geloven wat de wetenschap ons verteld over de structuur van de
wereld en de natuur van de mens?
Het idee van de wil om te geloven is vaak verbonden met het idee van vrijwilligheid zoals
we zien in de inzet van Pascal. Het idee is dat men kan geloven naar believen. Dat wil
zeggen dat men elk geloof kan vasthouden als men echt dat geloof wil hebben, in het
geval van Pascal is dit het geloof in het bestaan van God.
De vraag die Pascal stelde was of we in God moeten geloven. Het risico om in een
oneindige staat van lijden beindigen is niets vergeleken met het plezier van een
wereldlijk leven dat men kan winnen door het geloof in God te verwerpen. Andersom is
ook mogelijk: het plezier verliezen in een wereldlijk leven is slechts een oneindig kleine
opoffering vergeleken met eeuwige gelukzaligheid in het Paradijs. Pascal concludeert in
zijn Penses (1670) dat men zeker in God moet willen geloven. Hij adviseert ongelovigen
om de wil om te geloven in God te oefenen. Men denkt soms dat Pascal beweerde dat
men in essentie vrij is om te besluiten wat te geloven. Voluntarisme, het idee dat men
kan kiezen en willen wat te geloven, kan worden gezien als een levensoptie binnen de
epistemologie. Men is vrij te geloven wat men wil geloven.
De discussie over wat te geloven wordt, gezien de huidige staat van de wetenschap,
gekenmerkt tussen deze twee opties:
Clifford => men kan alleen iets geloven als er voldoende bewijs is.
Pascal => men kan willen en kiezen wat men gelooft.
James accepteerde de wil, of het recht, om te geloven. Hij bekritiseerde Pascal echter
wel om zijn stelling omdat het meer een inzet is van missen en wijwater. Het draait hier
meer om een gok en een eeuwige beloning.
Maar James zette zich ook af tegen Clifford in zijn Will to Believe (1897). Waar Clifford
ons adviseert om het geloof te verwerpen, noemt James dit advies zelf een passievolle
beslissing. James probeert ruimte te creren voor het idee dat de wetenschap niet
dicteert wat we moeten geloven en dat er een fundamentele vrijheid om te geloven wat
men wil geloven.
James had als psycholoog een scherp oog voor de rol van emoties, sentimenten,
doeleinden en zorgen in de mens. Volgens James bepalen deze factoren wat we waard
vinden om te geloven in de eerste plaats. James verschilt aanzienlijk met Peirce en
Dewey op het punt dat hij denkt dat ondanks dat de wetenschap ons overhaalt om
bepaalde visies te accepteren, er altijd ruimte zal zijn voor het geloof wat we waard
vinden te geloven en willen geloven.
95

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Men kan zich voorstellen dat in het domein van het religieuze geloof er voldoende ruimte
is voor het geloof in een godheid als iemands karakter wordt bepaald door bepaalde
stemmingen en emoties, etc. In The Varieties of Religious Experience (1902) stelt James
nogmaals dat wat we geloven, vooral in religie, het resultaat is van wat we als zinvol
ervaren voor onszelf, het helpt ons met het leven om te gaan. Als pragmatist voegt hij er
zoals verwacht aan toe dat het niet van belang is dat wat we geloven ook werkelijk waar
is. Peirce en Dewey benadrukken dat de wetenschappelijke methode als een
fixatiemethode onze overtuigingen kunnen corrigeren. James benadrukt dat het
sentiment altijd ons onderzoek zal sturen, zelfs het wetenschappelijk onderzoek, en dat
we ons bewust moeten zijn van een mate van vrijheid dat de wetenschap ons altijd zal
bieden om te geloven wat we willen geloven.
James wijst erop dat we het recht hebben om te geloven wat we willen geloven. Een
streng gelovig persoon wil simpelweg niet geloven in de evolutietheorie van Darwin. Het
is ook mogelijk dat iemand al dan niet gelooft of een mens altrustisch kan zijn n.a.v. de
evolutietheorie.
Later verdedigt James zijn punt onder de kop van het recht te geloven. Daarmee
bedoelt hij dat vanwege het feit dat de wetenschap gestuurd wordt door sentimenten,
individuen met verschillende sentimenten verschillende dingen mogen geloven over het
universum. Wetenschap fixeert ons geloof helemaal niet.

Pragmatisme en wetenschap
James stuurt zijn interpretatie van het pragmatisme dus weg van het idee dat de
wetenschap de enige methode belichaamt die onze overtuigingen bepaalt. Is het eigenlijk
wel mogelijk om te geloven naar wens? Geloof lijkt niet iets te zijn dat komt en gaat met
sterke intenties of wensen. En hoe zit dat met wetenschap? Wetenschap stelt grenzen
aan wat mensen mogen geloven. Onderscheid James versie van pragmatisme zich van
het idee dat wetenschap van het grootste belang is als we leren over hoe de wereld in
elkaar zit?
Van Fraassen heeft het idee van James opgenomen om ondersteuning te vinden voor de
bewering dat wetenschap slechts beperkte macht heeft om onze overtuigingen te
bepalen. Ruwweg beweert Van Fraassen dat we alles mogen geloven dat niet in
tegenspraak is met de empirische data die we hebben geaccepteerd. Pragmatische
filosofen als Peirce, Dewey en veel hedendaagse wetenschappelijke realisten willen
beweren dat de wetenschappelijke methode het meest effectief onze arbitraire
overtuigingen kan opschonen. James, Van Fraassen en moderne wetenschappelijke antirealisten denken dat er grenzen zijn aan de wetenschap als de enige bepaler van onze
overtuigingen.
Een belangrijk thema is natuurlijk tot welke mate wetenschap echt ruimte biedt om
dingen over de wereld te geloven dat afwijkt van de geaccepteerde wetenschappelijke
visie. Als er onzichtbare en onbewuste processen zijn die het handelen van mensen
stuurt, kunnen we dan nog steeds beweren dat de wereld geen onbewuste
informatieprocessen bevat?
Deze vraag refereert weer aan het probleem van de onderdeterminatie.
Onderdeterminatie = verwijst naar situaties waarin de beschikbare bewijsmateriaal
onvoldoende is om te identificeren welk geloof we moeten vasthouden over dat bewijs.

96

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

Zolang er veel mogelijk onverenigbaar hypothesen over de wereld zijn die een of andere
manier overeenkomen met de bekende empirische gegevens, mogen we natuurlijk
gebruik maken van de ruimte binnen de wetenschap. Als we willen geloven dat er geen
onbewuste processen zijn in de mens, hebben we het recht om dit te geloven. De wereld
kan er inderdaad heel anders uitzien dan de manier waarop we nu denken dat het op
basis van onze beste wetenschappelijk onderzoek is.
Wat de pragmatisten Peirce en Dewey willen beweren is dat, ondanks de mogelijkheid
om te twijfelen aan het bestaan van onbewuste verwerking, dit alleen kan leiden tot niets
anders dan papieren twijfel, niet een echte en levende twijfel. Wetenschappelijke praktijk
bestaat uit vele regels uit gewoonte die niet gebroken zullen worden tenzij ze als
problematisch worden gevoeld.
Er is geen twijfel dat Peirce en Dewey aan de ene kant en James aan de andere kant
verschillende stromingen zijn in het Amerikaanse pragmatisme. Ze delen het
pragmatische idee dat al onze wetenschappelijke hypothesen speculatief, voorwaardelijk
en hypothetisch zijn. Ze zijn het eens dat als we een bewering voor waar aannemen, we
denken dat er ook in de toekomst er geen observaties zullen zijn die het tegenspreken.
Het grootste verschil tussen Peirce en James is dat volgens de laatste de wetenschap
uiteindelijk altijd ruimte voor geloof laat.
Uiteindelijk zal er ook een keuze gemaakt moeten worden tussen twee visies in de
wetenschap en wetenschappelijke overtuigingen.
1. Wetenschap laat geen enkele ruimte om iets anders te geloven dan wat de
wetenschap zegt, gegeven het feit dat we proberen om van onze arbitraire
overtuigingen af te komen (Peirce).
2. Wetenschap zegt een heleboel over de wereld maar het laat altijd ruimte voor
mensen om van mening te verschillen in hun mening over de uiteindelijke aard
van de wereld.
Wat belangrijk is om op te merken is dat in ieder geval de Amerikaanse pragmatisten
een extreem positief oordeel hebben over de waarde en het bereik van de wetenschap.
Wetenschap moet objectief zijn
Wetenschap biedt ons kennis en controle
Wetenschap impliceert niet het verwoestende onmeetbaarheid
Wetenschap lijdt niet onder het relativisme vanwege de theory-ladenness van
observaties of culturele vooroordelen.
Wetenschap is niet n van de vele mogelijke verhalen over het universum. Wetenschap
toont het universum in de meest ware wijze die mogelijk is. Pragmatici pleiten voor de
objectiviteit, validiteit en het bereik van de wetenschap vanuit hun stelling dat de
wetenschap het geloof fixeert. Zij nemen wetenschap als eerste en belangrijkste
methode van onderzoek met resultaten met open einden.
Wetenschap wordt gezien als een zelfcorrigerend leermechanisme. I.p.v. het gebruiken
van kennis dat is verkregen door alleen overdenkingen, willen ze de resultaten van de
wetenschap gebruiken. Dit gebruik van de wetenschap is een bron van denken over de
wetenschap en epistemologie. Deze continuteit in het onderzoek, van abstracte
filosofering naar concreet empirisch onderzoek, wordt vaak naturalisme genoemd. In de
tweede helft van de vorige eeuw vond dit idee van naturalisme ondersteuning van een

97

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

vooraanstaande figuur in de analytische filosofie: de Amerikaanse denken Willard Van


Orman Quine.

Naturalisme: filosofie op de rand van de wetenschap


Intermezzo: Darwins evolutietheorie
Een van de belangrijkste uitgangspunten van Darwin was het idee van Thomas Malthus,
dat de populatie in de wereld harder groeit dan de middelen die beschikbaar zijn om die
populatie te onderhouden. Het gevolg daarvan is een schaarste die we op een of andere
manier het hoofd moeten bieden. Slechts een beperkt aantal individuen zal dus kunnen
profiteren van de beschikbare bronnen en zodoende tot overleven en voortplanten
komen. Dit zullen logischerwijs diegenen zijn die het best zijn aangepast aan
de leefomgeving.
Om die aanpassing te kunnen verklaren had Darwin twee fundamentele concepten nodig:
variatie en selectie. Het concept van variatie had hij nodig om te kunnen verklaren hoe
het kwam dat sommige individuen beter aan de omgeving waren aangepast dan
anderen, en het concept van selectie had hij nodig om te kunnen verklaren hoe alleen de
best aangepasten overbleven. Het concept selectie was betrekkelijk eenvoudig uit te
leggen. Het lag al besloten in zijn redenering: de individuen die het best aangepaste
ontwerp hebben, komen het meest tot voortplanting en geven dus hun goede ontwerp
door aan hun kinderen. De natuur selecteert dus als het ware vanzelf het best
aangepaste ontwerp. Daarom sprak Darwin over natuurlijke selectie.
Het concept variatie was lastiger, omdat Darwin in zijn tijd over onvoldoende
kennis beschikte omtrent de genetica. Hij observeerde dat het nageslacht veel
eigenschappen van de ouders meekreeg, maar daarbij wel altijd variatie vertoonde. Die
variatie ontleende hij dus aan de empirie, waarna hij veronderstelde dat deze ergens
tijdens de voortplanting ontstond. De herontdekking van het werk van Mendel en latere
ontwikkelingen in de genetica zouden zijn gelijk uiteindelijk bewijzen. Kort samengevat
zijn het dus achtereenvolgens variatie in genetische samenstelling en natuurlijke selectie
die gezamenlijk leiden tot de biologische aanpassing van organismen aan hun
leefomgeving.

Darwiniaanse epistemologie en genaturaliseerde filosofie


Quine stelde voor om neodarwiniaanse ideen te gebruiken als n van de
wetenschappelijke bronnen voor zijn genaturaliseerde epistemologie. We zullen laten zien
hoe een meer realistisch georinteerd naturalisme ontstaat als we Darwin serieus nemen.
Wanneer we accepteren dat de mens onderdeel is van de natuur, dan kunnen we
aannemen dat wij betrekkelijk goed aangepast zullen zijn aan onze omgeving. Over een
periode van miljoenen jaren is de mens gevolueerd tot uiterst functioneel wezen dat
zich prima weet te handhaven in de wereld. Vanuit die optiek is het onvoorstelbaar
dat ons begripsvermogen slecht zou aansluiten bij de realiteit. Het proces van natuurlijke
selectie zorgt er juist voor dat er een behoorlijk goede correspondentie ontstaat tussen
organismen en hun leefomgeving.
Merk op dat deze opvatting sterk lijkt op die van William James. Hij was dan ook sterk
genspireerd door de ideen van Darwin. Sterker nog: hij was de eerste die een
omvattende psychologie probeerde te baseren op de evolutietheorie. Ons denkvermogen
98

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com

is volgens hem een gevolueerd stuk gereedschap om de onzekerheid in de wereld het


hoofd te bieden. Kennis is dus niet een extern gegeven dat we aanschouwen of een
abstractie die we daaruit afleiden, het is een verzameling aangeboren strategien die ons
helpen om ons aangepast te gedragen.
Allerlei intellectualistische ideen lijken te verdwijnen in deze evolutionaire opvatting. Het
inductieprobleem wordt bijvoorbeeld grotendeels irrelevant. We kunnen op basis van de
empirie nooit besluiten tot universele geldigheid van onze kennis, maar vanuit de
evolutietheorie is het wel aannemelijk dat we een soort universeel begrip van de
wereld hebben dat ons helpt onze ervaringen te interpreteren. Ook het probleem van
theoriegeladenheid valt daarmee weg. We hebben weliswaar een vooropgezette mening
over de wereld, maar die is langs evolutionaire weg aan de natuur ontleend. We kunnen
er dus van uitgaan dat die vrij aardig correspondeert met de realiteit. Een relativisme
zoals dat van Kuhn of Feyerabend is dus niet alleen overbodig, het is zelfs onhaalbaar.
De gevolueerde correspondentie tussen ons en de wereld, maakt namelijk dat onze
kennis een veel hoger waarheidsgehalte heeft, dan je op basis van toeval zou
verwachten.

99

Verspreiden niet toegestaan | Gedownload door: Silverr Mac | E-mail adres: Mac-andrew_r@hotmail.com