You are on page 1of 13

EXAMENREGLEMENT

DE FACULTEITSVERGADERING VAN DE FACULTEIT DER


MAAT SCHAPPIJWETENSCHAPPEN

Gehoord

het wetenschappelijk personeel van de Faculteit, de Examencommissie


van de Faculteit, het Bestuur van de Faculteit, de Studentencommissie en het Bureau van de
Faculteit,

gelet

op de artikelen 19, 20 en 21 van de Universiteitswet (GB 1966 no.78) en op het Examenreglement


van 27 juli 1984

overwegende

dat het, in verband met een richtige gang van zaken bij het wetenschappelijk onderwijs en het
afnemen van examens, noodzakelijk is een uniform Examenreglement vast te stellen voor de
doctorale studie aan de Faculteit,

heeft besloten

vast te stellen het navolgende examenreglement:


I. ONDERWIJS, EXAMENS EN TENTAMENS

Artikel 1. Onderwijseenheden, studiebelasting en studiepunten

1. Onderwijseenheden
-----------------

Het wetenschappelijk onderwijs wordt verzorgd door middel


van onderwijseenheden.
Onderwijseenheden kunnen bestaan uit:
a. een cursus, zijnde een geheel van hoorcolleges, werkcolleges, werkgroepen, practica of
een combinatie daarvan, gedurende een studiejaar of een gedeelte daarvan;
b. stages en het verslaan daarvan:
c. het schrijven van papers, essays, scripties e.d;
d. het schriftelijk rapporteren op grond van deelname aan seminars, congressen, symposia,
excursies, e.d.;
e. het verrichten van literatuurstudie ter voorbereiding op tentamens, referaten en
soortgelijke opdtachten;
f.elementen of combinaties van bovenstaande onderwijseenheden.

2. Studiebelasting
---------------
a. Teneinde de studiebelasting zo objectief mogelijk aan te geven, wordt gebruik gemaakt
van een creditpointssysteem.
b. Een creditpoint wordt toegerekend, na succesvolle afronding van een
onderwijseenheid waaraan de student 60 begeleide en 90 niet-begeleide uren heeft
besteed.
c. De doctorale studie aan een dagopleiding omvat per studiejaar twee semesters van elk
15 collegeweken. De totale studiebelasting gedurende vijf jaar bedraagt minimaal 48
creditpoints.
d. De totale studiebelasting van de doctorale studie aan een avondopleiding is gelijk aan
die van een dagopleiding.
Het aantal creditpoints dat per studiejaar aan een avondopleiding behaald moet worden,
wordt navenant aan het aantal van de dagopleiding, door de Faculteit bepaald, op advies
van de desbetreffende studierichting.
3. Het creditpointssysteem
-------------------------

1. Het relatieve gewicht van de onderwijseenheden wordt als volgt in creditpoints


uitgedrukt:
a. voor een college-, werkgroep- of practicumuur wordt één
studie-uur in rekening gebracht;
b. voor een stage worden 7 creditpoints voor 16 begeleide studieweken toegekend;
c. voor het schrijven van werkstukken geldt:
-- voor ingewikkelde werkstukken, waarbij veel literatuur moet
worden verwerkt en/of waarvoor ingewikkeld onderzoek moet
worden verricht, wordt voor elke opgedragen pagina een
studiebelasting van acht uur gerekend.
Tot deze categorie van werkstukken behoren o.m. de
afstudeerscriptie en afrondende verslagen van leeronderzoeken;
-- voor minder omvangrijke en/of eenvoudigere werkstukken wordt een belasting van
zes uur per opgedragen pagina in rekening gebracht;
d. voor literatuurstudie geldt:
-- in de propedeusefase wordt voor het bestuderen van vijf pagina’s literatuur één uur
gerekend;
-- in de doctorale fase wordt voor zes pagina's één uur verdisconteerd.

2. Het in lid 3 sub 1 punt b, c en d b6paalde wordt door de Examencommissie


vastgesteld, na verkregen advies van de vakgroepen.

Artikel 2. Examens

1. De doctorale studie omvat twee fasen, te weten: de Propedeusefase en de doctorale fase.


2. De propedeusefase wordt afgesloten door het propedeuse-examen en de doctorale fase door
het doctoraal-examen, als de afsluiting van de gehele studie.

3. a.* De doctorale fase bestaat uit de volgende onderdelen:


D-I (=Doctoraal-I), D-II (= Doctoraal-II), D-III (=
Doctoraal-III) en D-IV (= Doctoraal-IV).

----------------------
1* Het teken “ * ” geeft aan dat het bijbehorende artikel of lid hiervan is gewijzigd c.q. aangevuld
door de faculteitsvergadering van 8 en 15 mei 1997.
N.b. : Overal waar het teken “ * ” voorkomt is deze voetnoot van toepassing.

b.* De afsluiting van een fase of onderdeel van een fase, of van de gehele studie door de
student, wordt vastgesteld door de Examencommissie, ingesteld door de Faculteit. Zij
wordt in haar werkzaamheden bijgestaan door het Bureau van de Faculteit. De
Examencommissie bestaat uit een voorzitter, de Richtingscoordinator van de
desbetreffende studierichting en een lid dat tevens als Secretaris optreedt.
Zij neemt haar besluiten na eventueel de student van de desbetreffende studierichting
in de Studentencommissie te hebben gehoord.

4. a. Bij de afsluiting van de propedeusefase wordt een Certificaat uitgereikt en bij de


doctorale fase, als afsluiting van de studie, de bul van het doctoraal examen.
b. Bij de afsluiting van een onderdeel van de doctorale fase ontvangt de student
desgevraagd een verklaring waarin de desbetreffende onderwijseenheden en de
bijbehorende cijfers zijn vermeld. Op verzoek van de student kunnen tussentijds
verklaringen worden verstrekt, aangevende de behaalde onderwijseenheden en de
desbetreffende cijfers.

Artikel 3. Tentamens

1. Een tentamen is een mondelinge of schriftelijke toetsing van een onderwijseenheid die in
meerdere semesters, een semester of deel daarvan wordt afgerond.

2. Een docent is bevoegd deeltentamens af te nemen, onder voorwaarde dat de


Examencommissie, via de vakgroep, hiervan op de hoogte wordt gesteld.
De te hanteren normen dienen vooraf te zijn vastgesteld en bekendgemaakt, onverminderd het
bepaalde in artikel 4 lid 5.

3.* De gelegenheid tot het afleggen van tentamens wordt drie maal per jaar geboden, in perioden
vastgesteld door het Bestuur van de Faculteit.

-------------------------
2* Het teken “ * ” geeft aan dat het bijbehorende artikel of lid hiervan is gewijzigd c.q. aangevuld
door de faculteitsvergadering van 8 en 15 mei 1997.
N.b. : Overal waar het teken “ * ” voorkomt is deze voetnoot van toepassing.

4. * Elke student heeft, met inachtneming van het in de volgende leden bepaalde, het recht om
drie maal aan een bepaald tentamen deel te nemen.
Teneinde voor een (vierde) dispensatiekans en eventueel een (vierde of vijfde) bijzondere
kans in aanmerking te komen, kan de belanghebbende, met inachtneming van artikel 6 lid 1
sub b punt 2. respectievelijk sub b punt 3. een verzoek indienen bij de Examencommissie.

5. * Tentamens mogen in beginsel slechts in de daarvoor vastgestelde tentamenperioden worden


afgelegd.
In de propedeusefase en in het D-IV- onderdeel van de doctorale fase is de student verplicht
in elke achtereenvolgende tentamenperiode een kans te benutten. Niet benutte kansen worden
als verspeeld beschouwd. In de onderdelen D-I, D-II en D-III van de doctorate fase is de
student in beginsel vrij zelf te bepalen in welke van de tentamenperioden bestemd voor deze
fase-onderdelen hij de drie kansen zal benutten.
De desbetreffende vakgroep/studierichting is echter gerechtigd om aan te geven in welke
volgorde de tentamens in bepaalde onderwijseenheden dienen te worden afgelegd.

6. Nadat een student reeds twee maal aan een tentamen heeft deel-genomen, zonder daarvoor
een voldoend cijfer te hebben behaald, is de examinator, zoals bedoeld in artikel 4 lid 1,
bevoegd omstandigheden te creëren ter bevordering van een gunstig resultaat.

7. a. De student is verplicht uiterlijk vijf werkdagen voor een tentamen bij het
Faculteitsbureau in te tekenen, bij gebreke waarvan niet rechtsgeldig aan dit
tentamen kan worden deelgenomen.

b. Indien blijkt dat een student onrechtmatig heeft deelgenomen aan een tentamen
wordt dit tentamen voor de desbetreffende student nietig verklaard door de
Examencommissie.

8. De student die zich voor een tentamen heeft ingeschreven kan zich, uiterlijk drie werkdagen
voor het tentament terugtrekken.

9. Indien een student zich voor deelname aan een tentamen heeft ingeschreven en zich niet terug
heeft getrokken, wordt de betrokkene geacht aan dit tentamen te hebben deelgenomen.

10. Slechts in bijzondere gevallen kan de Examencommissie, gehoord de student, beslissen dat
van het in dit artikel bepaalde, ten gunste van de student, wordt afgeweken.

II. BEOORDELING: SLAGINGSNORMEN, DOORSTROMINGSNORMEN

Artikel 4. Beoordeling

1. Examinatoren :
------------
a. De examinator is het lid van het wetenschappelijk personeel dat de onderwijseenheid
verzorgt c.q. begeleidt, de toets afneemt en beoordeelt en de uitslag samen met de
medebboordelaar vaststelt.

b. Bij afwezigheid van de examinator wijst de Examencommissie een vervanger aan.

c. indien voor een bepaalde onderwijseenheid meerdere examinatoren zijn, bepalen deze
onderling wie van hen de beoordeling coördineert en de resultaten ervan doorgeeft aan
de student en de Examencommissie
2. Wijze van examineren:
--------------------
a. Schriftelijke en mondelinge tentamens worden afgenomen en beoordeeld door de
examinator en de medebeoordelaar.
De Examencommissie wijst de medebeoordelaar aan.
b. Studenten hebben het recht hun tentamenwerk, nadat het is beoordeeld, in te zien. Dit
dient in het bijzijn van de examinator te geschieden.
c. De uitslag van een tentamen dient uiterlijk 21 dagen na het afnemen ervan te worden
bekendgemaakt, eventueel onder voorbehoud.
d. Het beoordelen van de stage c.q. het leeronderzoek en het verslag van de stage c.q. het
leeronderzoek , alsmede papers, essays e.d., geschiedt door de examinator en een
medebeoordelaar. Afstudeerscripties worden beoordeeld door de Examencommissie
en de Scriptiecommissie (zoals nader uitgewerkt in het Scriptiereglement)
e. Van elke beoordeling van een onderwijseenheid of een deel daarvan ontvangt de
student, via het Faculteitsbureau, een schriftelijk bewijsstuk.
Een afschrift daarvan wordt op dit bureau bewaard.
f. Alle schriftelijke stukken worden bewaard tot de afschrijving van de student, na het
behalen van de doctorale bul of na overschrijding van een limiet (volgens artikel 6 lid
2 sub a).
3. Cijferbeoordeling.
----------------

De beoordelingen worden alle uitgedrukt in de cijfers 1 tot en met 10.


Aan deze cijfers komt de navolgende betekenis toe:

1 = zeer slecht 6 = voldoende


2 = slecht 7 = ruim voldoende
3 = gering 8 = goed
4 = zeer onvoldoende 9 = zeer goed
5 = onvoldoende 10 = uitmuntend

4* Aan de toetsing van een onderwijseenheid is voldaan wanneer het


desbetreffende cijfer 6 of hoger bedraagt.

5* a. In geval een tentamen is opgesplitst in deeltentamens, moet van te voren worden


vastgesteld hoe een cijfer behaald voor een bepaald deeltentamen bijdraagt tot het
eindcijfer van dat tentamen.
b. Voor de geldigheid van een deeltentamen mag het desbetreffende cijfer niet lager
dan 5,0 zijn.

6. a. Bij tentamens wordt het onderlinge gewicht van de vragen c.q. opdrachten van te
voren beken gemaakt. Indien dit niet is geschied worden alle vragen geacht hetzelfde
gewicht te hebben.
b. Indien een student besluit om een (deel-)tentamen waarvoor hij geslaagd was over te
doen, dan wordt de uitslag van het oorspronkelijke (deel-)tentamen nietig verklaard en
vervangen door die behaald bij het hertentamen.

7. a . Het cijfer voor een tentamen wordt, zonder enige afronding, tot op tienden berekend
en vervolgens vanaf vijftiende naar het naast hogere gehele cijfer afgerond, terwijl
breuken van minder dan vijftiende worden verwaarloosd.
Voorbeeld : 6.5 t/m 6,9 worden zeven;
6,4 t/m 6,1 worden zes.

b. Indien een tentamen uit deeltentamens bestaat, wordt het eindcijfer, zonder enige
afronding, tot op tienden berekend uit de desbetreffende deelcijfers. De uitkomst
wordt vervolgens afgerond op de wijze vermeld in lid 7 sub a van dit artikel.
Deelcijfers worden, zonder enige afronding, tot op tienden berekend.
Artikel 5. Slagingsnormen en judicium

1. Voor het behalen van het propedeuse-examen moet de student alle onderwijseenheden die voor
deze fase in de betrokken studierichting verplicht zijn gesteld, hebben behaald.

2. Voor het behalen van het doctoraal examen, zoals omschreven in artikel 2 lid 2 en 3, moet
de student alle onderwijseenheden die voor de doctorale fase van de betrokken
studierichting verplicht zijn gesteld, hebben behaald.
De cijfers en de onderwijseenheden waarvoor zij zijn behaald, worden vermeld op de
cijferlijst.

3. Is de student voor meer dan het vereiste aantal onderwijseenheden geslaagd, dan worden
deze, met de behaalde cijfers, apart vermeld op de cijferlijst.

4. a. Het behalen van het propedeusecertificaat geeft de student toelating tot de doctorale fase
van de desbetreffende studierichting.
b* Een student wordt pas dan tot het D-IVonderdeel toegelaten, indien de onderdelen D-I, D-II,
en D-III, zoals bedoeld in artikel 2 lid 3 sub a, succesvol zijn afgerond.

5. a. Zowel voor het propedeuse als voor het doctoraal examen wordt het predicaat “Cum laude”
toegekend, wanneer voor de onderwijseenheden van de desbetreffende fase het gemiddeld
cijfer van 8,0 of hoger en geen enkel cijfer lager dan 7,0 is behaald. Het predicaat “met
genoegen" wordt toegekend, wanneer voor de onderwijseenheden van de desbetreffende fase
het gemiddeld cijfer van minstens 7,0 is behaald.
Voor de toekenning van een predicaat mag de student slechts éénmaal hebben deelgenomen
aan elk tentamen.
b. Studenten die in aanmerking komen voor een predicaat krijgen een
beloning, vastgesteld door het Bestuur van de Faculteit.
Artikel 6.* Doorstromingsnormen Studielimieten, dispensatie
en bijzondere kansen

1. a. De nominale studieduur aan een dagopleiding bedraagt 5 jaar.

b.* 1. De student van een dagopleiding dient binnen één jaar na aanvang van het eerste
studiejaar, alle onderwijseenheden van de propedeusefase succesvol te hebben
afgerond.
Voor de onderwijseenheden van de faseonderdelen D-I, D-II en D-III tezamen
dient hij geslaagd te zijn binnen drie jaar na het behalen van het propedeuse examen.
Het D-IVonderdeel dient, voltooid te zijn binnen één jaar na het slagen voor de
allerlaatste onderwijseenheld behorende tot het traject D-I tot en met D-III.

2. Een student kan dispensatie aanvragen bij de Examencommissie om in aanmerking te


komen voor een vierde kans, op de gronden vermeld in lid 4 van dit artikel.

3. Wanneer een student niet voldoet aan de in lid 4 van dit artikel genoemde gronden om in
aanmerking te komen voor dispensatie of wanneer zijn verzoek om dispensatie is
afgewezen, kan hij een bijzondere (vierde) kans aanvragen.
Wanneer een student een aan hem verleende (vierde) dispensatiekans niet heeft weten te
benutten, kan hij in aanmerking komen voor een bijzondere (vijfde) kans.
De bijzondere (vierde of vijfde) kans kan echter uitsluitend worden verleend wanneer de
betrokkene slechts één onderwijseenheid, hetzij in de propedeusefase, hetzij in een
onderdeel van de doctorale fase, nog niet succesvol heeft afgerond.

4. Het tentamen i.v.m. de in punt 3 bedoelde bijzondere kans voor één onderwijseenheid wordt
afgenomen door een speciaal daartoe door het Faculteitsbestuur samengestelde
Toetsingscommissie. Deze commissie bestaat uit tenminste één lid van de
Examencommissie de desbetreffende docent en een andere vakdeskundige.

5. Een student die in aanmerking wenst te komen voor de in punt 3


bedoelde bijzondere (vierde of vijfde) kans, dient tijdig een gemotiveerd verzoek, vergezeld
van relevante bewijsstukken in, bij de Examencommissie.

6. Met inachtneming van de rechten op drie kansen, een (vierde) dispensatiekans en een
(vierde of vijfde) bijzondere kans, bedraagt
de toegestane maximale duur van de propedeusefase twee jaar, van de faseonderdelen D-I,
D-II en D-III tezamen vier jaar en van het D-IV -onderdeel twee jaar. De duur van de totale
studie aan een dagopleiding mag dus maximaal acht jaar bedragen.
c. De nominale studieduur aan een avondopleiding bedraagt zes en een half jaar.

d.* 1. De student van een avondopleiding dient binnen één en een half jaar na aanvang van het
eerste studiejaar, alle onderwijseenheden van de propedeusefase succesvol te hebben
afgerond. Voor de onderwijseenheden van de faseonderdelen D-1, D-II, en D-III tezamen,
dient de student geslaagd te zijn binnen vier jaar na het behalen van het propedeuse-
examen. Het D-IV-onderdeel dient voltooid te zijn binnen één jaar na het slagen voor de
allerlaatste onderwijseenheid behorende tot het traject D-I tot en met D-III.

2. Het bepaalde in lid 1 van dit artikel sub b punt 2. t/m 5. is eveneens van toepassing op
studenten van de avondopleiding.
3. Met inachtneming van de rechten op drie kansen, een (vierde) dispensatiekans en een
(vierde of vijfde) bijzondere kans, bedraagt de toegestane maximale duur van de
propedeusefase drie jaar, van de faseonderdelen D-I, D-II en D-III tezamen vijf jaar en van
het D-IV-onderdeel twee jaar. De totale studieduur van de avondopleiding mag dus
maximaal tien jaar bedragen.

2. a. Bij overschrijding van één der limieten in het vorige lid genoemd, met betrekking tot de
nominale en eventueel de toegestane maximale studieduur, wordt de student afgeschreven
van de universiteit.
b. Herinschrijving is pas mogelijk, twee jaar na de afschrijving, met dien
verstande dat opnieuw een aanvang moet worden gemaakt met de studie.
Onderwijseenheden die reeds succesvol waren afgerond, worden dan behandeld Conform
artikel 7.

3* Dispensatie, zoals in lid 1 van dit artikel bedoeld, wordt verleend door de Examencommissie,
gehoord de student, de Studentencommissie en de studie-adviseur, na verkregen advies van
het Bureau Studentenzaken.

4. Dispensatie kan slechts op de volgende gronden worden


verleend:
a. langdurige afwezigheid wegens ziekte, waardoor studeren niet mogelijk was. (De
Examencommissie moet gedurende de periode van de ziekte, hiervan in kennis
worden gesteld, door middel van een doktersverklaring);
b. langdurige afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling;
c. langdurige afwezigheid wegens dringende redenen (zulks ter beoordeling van de
Examencommissie);
d. onmogelijkheid tot participatie aan de onderwijseenheden om redenen van
overmacht, binnen of buiten de Universiteit gelegen. (zulks ter beoordeling van de
Examencommissie), of
e. ongunstige, zeer bijzondere (huiselijke) omstandigheden, ter beoordeling door de
Examencommissie, na ingewonnen advies bij de maatschappelijk werker(ster) van
de universiteit.

5* Om voor dispensatie in aanmerking te komen dient de student een gemotiveerd verzoek met
relevante bewijsstukken (in 3- voud) in bij de Examencommissie. Uit het verzoekschrift moet
een duidelijk causaal verband blijken tussen de vermelde gronden en de studie.

6* Voor zowel de dag- als de avondopleiding geldt, dat de student gedurende zijn studie aan de
universiteit, continu ingeschreven dient te zijn. Hij behoort zich, zonder onderbreking,
jaarlijks in te schrijven. Door dringende redenen gedwongen, mag de student besluiten zich
af te schrijven, om zich uiterlijk aan het begin van het eerstvolgende studiejaar weer in te
schrijven.
Daarbij behoudt hij alle rechten en plichten van het moment van afschrijving.
Vrijwillige afschrijving op deze wijze is de student gedurende de totale studie slechts één
maal toegestaan.

Studenten die op het tijdstip van het besluit tot vrijwillige afschrijving reeds drie kansen
hebben gebruikt en, krachtens lid 4 van dit artikel, niet in aanmerking komen voor
dispensaties zijn uitgesloten van deze regeling.
Zij hebben wel de mogelijkheid om, met inachtneming van lid 1 sub b punt 3. van dit artikel,
een bijzondere (vierde) kans aan te vragen.
Is de student, na vrijwillige afschrijving, langer dan één jaar afwezig geweest, dan heeft hij,
indien hij zich weer inschrijft, het recht op het aanvragen van vrijstellingen en/of
compensaties volgens artikel 7.

Artikel 7.* Vrijstelling/compensatie

De Examencommissie kan een student gehele of gedeeltelijke vrijstelling en/of compensatie


verlenen voor onderwijseenheden behorende tot het studieprogramma, op grond van eerder, aan of
buiten de universiteit, door de student behaalde cijfers voor respectievelijk de desbetreffende of
overeenkomstige onderwijseenheden.
Het besluit tot het verlenen van vrijstelling en/of compensatie wordt genomen, op basis van een
daartoe strekkend schriftelijk verzoek van de student aan de Examencommissie en na advies van de
desbetreffende examinator, gehoord de Studentencommissie.

III. FRAUDE EN SANCTIES

Artikel 8. Fraude

1.* Is er een redelijk vermoeden dat een student fraude heeft gepleegd, dan
dient daarvan, onder overlegging van eventuele bewijsstukken,
schriftelijk melding te worden gemaakt aan de Examencommissie.
Zulks dient te geschieden door:
a. de surveillant (die al dan niet de examinator is) en wel binnen vijf werkdagen
na de tentamendatum, indien hij tijdens het tentamen op de vermoedelijke
fraude stuitte.
b. de examinator en wel binnen dertig dagen na de
tentamendatum, indien hij na het tentamen, bijvoorbeeld tijdens het
corrigeren van het tentamenwerk, fraude vermoedde.

2.* De Examencommissie stelt binnen zeven werkdagen nadat de vermoedelijke fraude aan haar
is kenbaar gemaakt vast, of er fraude is gepleegd. In de vaststellingsprocedure worden door
de Examencommissie in ieder geval gehoord: de desbetreffende examinator, de student en
de Studentencommissie.

3.* Indien de in lid 1 van dit artikel bedoelde surveillant niet de examinator is, wordt ook de
eerstbedoelde gehoord.
4. De Examencommissie maakt haar besluit, als bedoeld in het tweede lid van dit
artikel, schriftelijk kenbaar aan de belanghebbenden.

Atikel 9. Sancties

1. * Indien t.a.v. een student voor de eerste maal fraude wordt geconstateerd, moet
deze student alle tentamens van alle onderwijseenheden van zijn fase of fase-
onderdeel opnieuw afleggen.
2. Indien t.a.v. een student voor de tweede maal fraude wordt geconstateerd,
wordt deze student afgeschreven.
3* De student mag zich, twee jaren na zijn afschrijving weer inschrijven, maar
komt niet in aanmerking voor vrijstellingen en/of compensaties volgens artikel
7.

IV. BEROEP

Artike1 10. Beroep

1* Tegen een besluit van de Examencommissie staat beroep open bij het
Dagelijksbestuur van de Faculteit. Dit Bestuur (dat voor deze aangelegenheid
wordt uitgebreid met de voorzitter van de Studentencommissie of een door
deze aangewezen vervanger) beslist, gehoord de student en het Hoofd van het
Bureau Studentenzaken, in laatste instantie.

2.* Het beroep zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel, dient binnen een periode van
acht werkdagen nadat het desbetreffende besluit ter kennis van de
belanghebbende is gebracht, schriftelijk te worden ingediend bij het
Dagelijksbestuur van de faculteit.

3. Een besluit over het beroep dient binnen dertig dagen na de schriftelijk
indiening ervan, te zijn genomen en schriftelijk ter kennis van de
belanghebbende(n) te zijn gebracht.

4. Beroep heeft geen schorsende werking

V. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 11. Overgangsbepalingen

Op studenten die uiterlijk in het studiejaar 1993/1994 zijn ingeschreven en in de


gelegenheid worden gesteld om hun studie af te ronden, blijft het oude
Examenregelement( van 1984) onverminderd van toepassing.
Artikel 12. Slotbepalingen

1. In alle gevallen waarin dit reglement niet voorziet, beslist het Bestuur van de
Faculteit.

2. Dit examenreglement kan worden aangehaald als "Examenreglement-Faculteit


der Maatschappijwetenschappen"

3. Dit reglement treedt in werking op I november 1994.

4* De wijzigingen en aanvullingen in dit reglement die door de


faculteitsvergadering d.d. 8 en 15 mei 1997 zijn vastgesteld, treden in werking
op 1 augustus 1997.

N.B.: Alle verzoekschriften (o.m. de in attikel 6


bedoelde) dienen, t.b.v. de registratie, via de afdeling "Agenda" van
het Faculteitsbureau (in gebouw VI, beneden) te worden ingediend.