Sie sind auf Seite 1von 14

www.teleac.

nl/duits

Werkwoorden ich du er/sie/es wir ihr sie Sie U ich habe/bin Zijn bin bist ist sind seid sind sind gewesen hebben habe hast hat haben habt haben haben gehabt worden/zullen werde wirst wird werden werdet werden werden geworden

sein zijn Ich bin mde. Du bist gemein. Er/Sie/Es ist ein Mann/eine Frau/ein Kind. Wir sind Studenten. Ihr seid zu frh. Sie sind zu spt. Sie U sind ein guter Mensch . Er ist immer ein guter Freund gewesen. haben hebben Ich habe ein Buch. Du hast eine Frau. Er/Sie/Es hat begonnen. Wir haben ein Kind. Ihr habt einen Hund. Sie haben viel Spa. Sie U haben Zeit. Haben Sie frher Tiere gehabt? werden worden of zullen Ich werde Arzt.. Ich werde rechtzeitig da sein. Du wirst untersucht. Du wirst zu spt sein. Er/Sie/Es wird gerufen. Er/Sie/Es wird kommen. Wir werden ausgelacht. Wir werden nicht lachen. Ihr werdet mde. Ihr werdet es nicht vergessen. Sie werden bewundert. Sie werden es sofort tun. Sie U werden betrogen. Sie U werden es schon merken. Er ist Arzt geworden. Let op! 1. ich wrde ik zou Ich wrde das ganz anders tun.

2007 Teleac/NOT

www.teleac.nl/duits

2. In het alledaagse Duits wordt iets wat in het verleden is gebeurd meestal aangeduid met haben/sein + voltooid deelwoord: Gestern bin ich zu spt gekommen. Ich habe gehrt, dass du krank gewesen bist. Warum hast du das gemacht? Ongeveer dus net als het Nederlands. Soms wijkt het af, zie de volgende veel voorkomende voorbeelden: lachen lachen ich habe gelacht arbeiten werken ich habe gearbeitet wissen weten ich habe gewusst beginnen beginnen gehen gaan geschehen gebeuren gelingen lukken stehen staan vergessen vergeten Het gewone werkwoord wonen ich du er/sie/es wir ihr sie Sie U ich habe/bin wohne wohnst wohnt wohnen wohnt wohnen wohnen gewohnt ich habe begonnen ich bin gegangen es ist geschehen es ist gelungen ich habe gestanden ich habe vergessen

komen komme kommst kommt kommen kommt kommen kommen gekommen

werken arbeite arbeitest arbeitet arbeiten arbeitet arbeiten arbeiten gearbeitet

rijden/varen fahre fhrst fhrt fahren fahrt fahren arbeiten gefahren

zien sehe siehst sieht sehen seht sehen sehen gesehen

helpen helfe hilfst hilft helfen helft helfen helfen geholfen

Opmerkingen 1. De stam van een werkwoord heeft een vaste vorm. Je krijgt 'm door -en weg te laten. Net als in het Nederlands: kommen kommwohnen wohnDe stam staat altijd compleet vr de uitgang. 2. Werkwoorden met de stam op sisklank wijken bij du af: du reist dus: stam + alleen t Net zo gaan bijvoorbeeld: heien, genieen. 3. Werkwoorden met de stam op d/-t en werkwoorden die eindigen op men en nen krijgen bij du, er/sie/es en ihr een tussen-e, tussen de stam en de uitgang: arbeiten atmen du arbeitest du atmest er/sie/es arbeitet er/sie/es atmet ihr arbeitet ihr atmet net zo gaan bijvoorbeeld: antworten, reden, ffnen

2007 Teleac/NOT

www.teleac.nl/duits

4. Sterke werkwoorden met een a of e in de stam veranderen bij du en er/sie/es van klank: De a wordt en de e wordt i of ie. ich fahre rijden/varen du fhrst er/sie/es fhrt ich helfe helpen du hilfst er/sie/es hilft ich sehe zien du siehst er/sie/es sieht Natuurlijk zijn er soms lichte afwijkingen: geben geven du gibst er/sie/es gibt nehmen nemen du nimmst er/sie/es nimmt 5. Om aanwijzingen te geven gebruik je net als in het Nederlands de gebiedende wijs: tegen 1 persoon: frag(e) komm(e) fahr(e) gib tegen meer personen: fragt kommt fahrt gebt in de u-vorm: fragen Sie kommen Sie fahren Sie geben Sie Gib/Gebt/Geben Sie mir bitte den Pfeffer mal. Fahre/Fahrt/Fahren Sie vorsichtig! Komme/Kommt/Kommen Sie bitte endlich mal aus dem Bett! Habe/Habt/Haben Sie bitte etwas Geduld. Sei/Seid/Seien Sie bitte ruhig! Enkele afwijkende werkwoorden 1. Let bij volgende werkwoorden vooral op het enkelvoud. Daar zitten de afwijkende vormen! kunnen kann kannst kann knnen knnt knnen knnen mogen darf darfst darf drfen drft drfen drfen Lusten mag magst mag mgen mgt mgen mgen moeten muss musst muss mssen msst mssen mssen moeten bevel soll sollst soll sollen sollt sollen sollen willen will willst will wollen wollt wollen wollen weten wei weit wei wissen wisst wissen wissen

Ich Du Er/sie/es wir ihr Sie Sie

De ich-vorm en de er/sie/es-vorm hebben geen uitgang. De ich-vorm, du-vorm en er/sie/es-vorm hebben een klinkerverandering. 2. zou(den) graag willen ich mchte du mchtest er/sie/es mchte wir mchten ihr mchtet sie mchten Sie mchten Ich mchte (gern): ein Glas Wein. nach Hause gehen. ein Eis. einen Kaffee. einen Tee.

2007 Teleac/NOT

www.teleac.nl/duits

Geslachten, naamvallen en lidwoorden Grammatica in het kort 1. der-woorden / die-woorden / das-woorden der-woorden: der Mann, der Junge, der Stier die-woorden: die Frau, die Kuh, die Lehrerin das-woorden: das Kind, das Kalb

der: NL de die: NL de das: NL het

Veel woorden moet je gewoon met der/die/das leren: der Baum, der Computer, der MP3-Player die CD, die Welt, die Strae, die Tasche, woorden op e zijn altijd die-woorden Woorden met in het Nederlands het zijn haast altijd das-woorden: das Auto, das Haus, das Buch, das Bild, das Mdchen 2. ein / eine ein Mann, ein Junge, ein Stier ein Kind, ein Kalb Maar: eine Frau, eine Kuh, eine Lehrerin 3. der den Soms wordt der

ein Baum, ein Computer, ein MP3-Player ein Auto, ein Haus, ein Buch, ein Bild, ein Mdchen eine Strae, eine Tasche, eine CD, eine Welt

den

Der Mann lacht.

Ich sehe den Mann.

Hoe weet je nu wanneer je der en wanneer je den moet zeggen? Dat zit zo: De man lacht. hij lacht Der Mann lacht. Ik zie de man. hem Ich sehe den Mann. Dus: Hij: der Mann Hem: den Mann 4. ein einen Bij ein gaat het net zo: Ein Mann hij lacht. Ich sehe einen Mann hem. Dus: Hij: ein Mann Hem: einen Mann Alles bij elkaar: enkelvoud mannelijk: der / ein vrouwelijk: die / eine onzijdig: das / ein

meervoud die / keine die / keine die / keine

Grammatica uitgebreid Het Nederlands heeft alleen maar de lidwoorden de, het en een. In het Duits is het wat ingewikkelder; de lidwoorden krijgen verschillende uitgangen.

2007 Teleac/NOT

www.teleac.nl/duits

Aan het lidwoord kun je meestal het geslacht, de naamval en enkel- of meervoud van het zelfstandig naamwoord dat bij dit lidwoord hoort herkennen. Let op! In het Duits heeft elk zelfstandig naamwoord een hoofdletter: de man der Mann de vrouw die Frau Het geslacht Het Duits heeft net als het Nederlands drie geslachten; mannelijk, vrouwelijk en onzijdig. Elk zelfstandig naamwoord heeft een bepaald geslacht. Vaak heel logisch: mannelijk: der Mann, der Junge, der Stier der: NL de vrouwelijk: die Frau, die Kuh, die Magd (dienstmeisje) die: NL de onzijdig: das Kind, das Kalb das: NL het Woorden die geen natuurlijk geslacht kennen moet je gewoon met lidwoord leren: der Baum die Strae das Haus Woorden met in het Nederlands het zijn haast altijd das-woorden: das Auto, das Haus, das Buch, das Bild, das Mdchen Naamvallen / lidwoorden De lidwoorden krijgen verschillende uitgangen. Dit hangt af van het zinsdeel. Die vormen noemen we naamvallen. 1. De der-groep naamval mannelijk 1 der Mann 3 dem Mann 4 den Mann

vrouwelijk die Frau der Frau die Frau

onzijdig das Kind dem Kind das Kind

meervoud die Kinder den Kindern die Kinder

Net als der gaan: dies- deze; dit, jed- ieder, welch- welk, all- alle voorbeeld: naamval 1 3 4

mannelijk dieser Mann diesem Mann diesen Mann

vrouwelijk jede Frau jeder Frau jede Frau

onzijdig welches Kind welchem Kind welches Kind

meervoud alle Kinder allen Kindern alle Kinder

1e naamal Het onderwerp in de zin staat in de 1e naamval. Voorbeeld: De man lacht. De man is onderwerp, dus 1e naamval en mannelijk Der Mann lacht. 3e naamval Het meewerkend voorwerp (je kunt er in het NL meestal aan of voor bij zetten) staat in de 3e naamval.

2007 Teleac/NOT

www.teleac.nl/duits

Voorbeeld: Hij geeft zijn moeder een ticket naar Athene. aan zijn moeder Er schenkt seiner Mutter ein Ticket nach Athen. 4e naamval Het lijdend voorwerp in de zin staat in de 4e naamval. Voorbeeld: Ik ken de man niet. de man = lijdend voorwerp, dus 4e naamval en mannelijk Ich kenne den Mann nicht. Let op! Voorzetsels gaan ook altijd met een bepaalde naamval. Zie hieronder bij rubriek Voorzetsels. 2. De ein-groep naamval mannelijk 1 ein Mann 3 einem Mann 4 einen Mann

vrouwelijk eine Frau einer Frau eine Frau

onzijdig ein Kind einem Kind ein Kind

meervoud keine Kinder keinen Kindern keine Kinder

Dus: ein gaat haast net zo als der/die/das, behalve in de 1e naamval mannelijk en in de 1e en 4e naamval onzijdig: hier krijgt ein verder geen uitgang. Net als ein gaan: kein geen en de bezittelijke voornaamwoorden: mein- mijn, ihr- haar,ihr- hun,dein- je; jouw, unser- ons; onze, Ihr- uw, sein- zijn, euer- jullie De verschillen tussen de der-groep en de ein-groep zitten dus in: de 1e naamval mannelijk enkelvoud; de 1e en 4e naamval onzijdig enkelvoud. Alle andere uitgangen zijn dezelfde!!

Zelfstandige naamwoorden Grammatica in het kort 1. der-woorden / die-woorden / das-woorden der-woorden: der Mann, der Junge, der Stier die-woorden: die Frau, die Kuh, die Lehrerin das-woorden: das Kind, das Kalb

der: NL de die: NL de das: NL het

Veel woorden moet je gewoon met der/die/das leren: der Baum, der Computer, der MP3-Player die Strae, die Tasche, die CD, die Welt woorden op e zijn altijd die-woorden Woorden met in het Nederlands het zijn haast altijd das-woorden: das Auto, das Haus, das Buch, das Bild, das Mdchen 2. ein / eine ein Mann, ein Junge, ein Stier, ein Baum, ein Computer, ein MP3-Player ein Kind, ein Kalb, ein Auto, ein Haus, ein Buch, ein Bild, ein Mdchen Maar: eine Frau, eine Kuh, eine Lehrerin, eine Strae, eine Tasche, eine CD, eine Welt

2007 Teleac/NOT

www.teleac.nl/duits

Grammatica uitgebreid Mannelijk - vrouwelijk onzijdig? 1. Mannelijk der-woorden het geslacht als het vanzelfsprekend is: der Mann, der Junge namen van dagen, maanden, jaargetijden en windstreken: der Montag, der Mrz maart, der Frhling de lente, der Osten namen van personen en dieren die eindigen op er: der Bcker de bakker, der Knstler de kunstenaar, der Meister de kampioen, der Kater, der Hamster namen van auto's: der Mercedes, der VW, der BMW, der Opel 2. Vrouwelijk die-woorden het geslacht als het vanzelfsprekend is: die Frau, die Dame, die Kuh woorden die uitgaan op heit, keit, schaft, ung, ion: die Freiheit, die Mglichkeit, die Mannschaft het elftal, die Landung, die Lampion, die Lampe woorden die eindigen op e als ze geen personen aangeven: die Decke, die Sache 3. Onzijdig das-woorden Als je in het Nederlands het woord het ervoor kunt zeggen. dit is een prima hulpregel, maar er zijn nogal wat uitzonderingen: das Pferd, das Lied, das Kind verkleinwoorden: das Bumchen, das Huslein woorden die beginnen met Ge en eindigen op e: das Gebirge, das Gemse groente 4. Een paar trucjes: Ga eerst na of het woord vrouwelijk is. Dat is het gemakkelijkst te leren; dan nagaan of het woord onzijdig (het) is. Als dit allebei niet het geval is, kies dan voor mannelijk! Leer altijd het zelfstandig naamwoord met het lidwoord, want aan het lidwoord kun je het geslacht, de naamval en enkelvoud of meervoud van een zelfstandig naamwoord meestal herkennen! In woordenboeken staat meestal ook aangegeven of een woord mannelijk mnnlich, vrouwelijk weiblich of onzijdig schlich is. De bijbehorende Duitse afkortingen zijn m, w en s. Meervoudsvorming Bij het meervoud van zelfstandige naamwoorden in het Duits kennen we 3 hoofdregels: mannelijke woorden: Umlaut + -e(alleen op a,o,u) der Gast die Gste vrouwelijke woorden: -en of -n die Karte die Karten onzijdige woorden: -e das Geschenk die Geschenke

2007 Teleac/NOT

www.teleac.nl/duits

Naast deze hoofdregels zijn er voor mannelijk, vrouwelijk en onzijdig flink wat afwijkingen, bijv. das Buch-die Bcher/der Vater-die Vter/die Mutter-die Mtter en vele andere. We gaan daar verder niet op in. Verstandig is iedere keer bij het leren van een woord ook het meervoud er gelijk bij te leren. De belangrijkste regels meervoudsvorming: Zelfstandig naamwoord Regels voor meervoudsvorming; in het meervoud krijg je Mannelijke woorden 1.Umlaut + -e

Voorbeelden

Der Baum-die Bume; der Stein-die Steine; der Stamm-die Stmme; der Arzt-die rzte Der Fischer-die Fischer; der Esel-die Esel; der Wagen-die Wagen Die Frau-die Frauen; die Tour-die Touren; die Prfung-die Prfungen

2. Mannelijke woorden op el, -er en en krijgen geen uitgang. Vrouwelijke woorden 1.en

2. Vrouwelijke woorden op Die Insel-die Inseln; e, el, -er krijgen een n. die Schwester-die Schwestern; die Katze-die Katzen; 3. Vrouwelijke woorden op Die Freundin-die Freundinnen; in krijgen -nen die rztin-die rztinnen; die Lehrerin-die Lehrerinnen Onzijdige woorden 1.e Das Schaf-die Schafe; das Papier-die Papiere; das Heft-die Hefte; das Regal-die Regale

2. Onzijdige woorden op el, Das Mittel-die Mittel; -en,-er,-chen en lein das Fhlen-die Fhlen; krijgen geen uitgang. das Mdchen-die Mdchen; das Frulein-die Frulein; das Zimmer-die Zimmer Let op: 1. In de derde naamval meervoud krijgt het zelfstandig naamwoord steeds een extra-n, waar dat mogelijk is. Dus: die Zimmer, maar den Zimmern; die rzte, maar den rzten. 2. Veel zelfstandige naamwoorden vormen hun meervoud niet volgens de regels. Ze zijn onregelmatig. Zie hiervoor het woordenboek.

Voorzetsels Grammatica in het kort 1. Altijd + dem/der/den Ich komme auch aus der Stadt.

2007 Teleac/NOT

www.teleac.nl/duits

Er ist hier mit den Eltern. Ich habe das von der Mutter gehrt. Gehst du zur (zu der) Stadt? Ich schlafe oft kurz nach dem Essen. Ein Polizist steht bei meinem Auto. 2. Altijd + den/die/das Es fhrt ein Bus durch die Strae. Dieses Buch ist fr die Mutter. Ohne den Computer kann man das nicht ausrechnen. Das Postamt ist um die Ecke. Wir sind gegen das neue Gesetz (= wet). 3. Afwisselend + dem/der/den of + den/die/das waar?/waarheen? Waar? Das Kind spielt hinter dem Haus. Die Blumen stehen auf dem Tisch. Der Lffel liegt rechts neben der Gabel. Der Fernseher steht in der Ecke. Die Kuckucksuhr hngt an der Wand. Das Buch liegt unter dem Bett. Die Lampe hngt ber dem Tisch. Das Auto steht vor dem Haus. Der Teller steht immer zwischen der Gabel und dem Messer. Waarheen/waar naar toe? Das Kind geht hinter das Haus. Die Blumen stelle ich auf den Tisch. Er legt den Lffel rechts neben die Gabel. Er stellt den Fernseher in die Ecke. Er hngt die Kuckucksuhr an die Wand. Er legt das Buch unter das Bett. Ich hnge die Lampe ber den Tisch. Ich stelle das Auto vor das Haus. Ich stelle den Teller immer zwischen die Gabel und das Messer. Er erzhlt immer noch ber (over) den Krieg. Grammatica uitgebreid Een voorzetsel is een woord, dat nooit verandert en waar in het Duits een bepaalde naamval bijhoort: zonder geld, tegen Bayern-Mnchen, tot de volgende keer, voor mijn moeder. Voorzetsels staan meestal vr het woord of zinsdeel dat door dat voorzetsel in een bepaalde naamval komt te staan. 1. voorzetsels met altijd de derde naamval mit met Ulla wohnt in einem Haus mit einem Garten. nach na; naar; volgens Nach dem Essen ist er eingeschlafen. Nach meiner Meinung bist du verrckt! Bei bij Er trinkt Kaffee bei seiner Mutter. von van Er hat von seiner Nachbarin ber dieses Hotel gehrt. zu naar; bij Ich gehe zu der (zur) Polizei. Mchtest du Milch zu dem (zum) Kaffee? aus uit Wtend rannte er aus dem Haus.

2007 Teleac/NOT

www.teleac.nl/duits

gegenber tegenover

Dem Restaurant gegenber ist der Bahnhof. Gegenber dem Restaurant ist der Bahnhof.

Opmerkingen het voorzetsel bij: wanneer gebruikt je bei en wanneer zu? bei als het een rust is Ich bin bei meiner Mutter. zu als het een beweging is Wann kommst du zu mir? het voorzetsel naar: wanneer gebruik je nach en wanneer zu? nach bij namen van plaatsen en landen Ich fahre nach Frankreich. en vr de woorden links en rechts Sie geht nach links und ich nach rechts. zu in alle andere gevallen Ulla geht zu ihrem Bruder. Voorzetsels vormen bei dem beim von dem vom zu der zur zu dem zum vaak samen met het lidwoord de n woord: Ich war beim Fuballspiel. Ulla wurde vom Bruder vom Flughafen abgeholt. Jrgen geht zur Stadt. Es ist nicht weit zum Bahnhof.

2. voorzetsels met altijd de vierde naamval durch door Man kommt durch eine Drehtr in das Warenhaus. fr voor Der Vater hatte eine CD fr die Tochter mitgebracht. ohne zonder Meine Mutter geht nie ohne meinen Vater in Urlaub. um om Er kommt gerade um die Ecke gelaufen. gegen tegen Das Segelschiff fuhr gegen den Wind. 3. voorzetsels met de derde of de vierde naamval Wanneer moet je een derde en wanneer een vierde naamval gebruiken? Een 3e naamval: als het werkwoord doe-woord + voorzetsel aangeeft een rust, een zich bevinden, een ergens zijn. Je kunt vragen: waar? Een 4e naamval: als het werkwoord + voorzetsel aangeeft: een richting, een beweging ergens naartoe. Je kunt vragen: waarheen? Voorbeelden met de 3e naamval: auf op Auf dem Tisch steht eine Vase. stehen auf de vaas is er hinter achter Hinter dem Bahnhof ist das Postamt. sein hinter het postkantoor bevindt zich daar vor voor Das neue Cruiseschiff liegt direkt vor der Brcke. liegen vor het cruiseschip is daar zwischen tussen Zwischen den Briefen lag ein Kugelschreiber. liegen zwischen de balpen bevindt zich daar Voorbeelden met de 4e naamval: auf op Wir setzen uns auf die Bank. sich setzen auf we komen op de bank hinter achter Ich stelle das Auto hinter das Ferienhaus. stellen hinter de auto komt achter het vakantiehuis vor voor Mein Vater fhrt das Auto vor unsere Wohnung. fahren vor de auto komt voor de woning zwischen tussen Er legte das Buch zwischen die Hefte. legen zwischen het boek komt tussen de schriften

2007 Teleac/NOT

10

www.teleac.nl/duits

Extra voorzetsels an aan, neben naast, in in; naar, ber over; boven, unter onder Opmerking: Als je de regels waar?/waarheen? niet kunt gebruiken (je kunt dus niet zeggen of het een 'zichbevinden' of een 'ergens-naar-toe-gaan' is), dan gebruik je na auf en ber (over) de vierde naamval. Na de andere voorzetsels gebruik je de derde naamval. Voorbeeld: Er sagt nichts ber seine Freundin. sagen ber 4e naamval Es gibt immer Streit zwischen den Brdern. Streit geben zwischen 3e naamval Verdere voorbeelden: auf diese Weise, in drei Tagen, vor zwei Jahren, enz.

Het persoonlijk voornaamwoord 1. enkelvoud naamval 1e persoon 2e persoon 1 3 4 ich ik mir jij mich jij du jij dir jou dich jou

3e persoon mannelijk er hij ihm hem ihn hem

vrouwelijk sie zij ihr haar sie haar

onzijdig es het ihm hem es het

2. meervoud naamval 1 3 4

1e persoon wir wij uns ons uns ons

2e persoon ihr jullie euch jullie euch jullie

3e persoon sie zij ihnen hun sie hen

3. beleefdheidsvorm enkelvoud / meervoud naamval 1 Sie u 3 Ihnen u 4 Sie u Opmerkingen Net als zelfstandige naamwoorden staan ook de persoonlijke voornaamwoorden altijd in een bepaalde naamval. Welke? Dat hangt weer af van het zinsdeel of van het voorzetsel dat gebruikt is. Zie onderdeel naamvallen en voorzetsels. Net als in het Nederlands kun je der Mann vervangen door er, enz. De uitgangen r/-e/-s/-e blijven gewoon staan! Simpel dus. Der Mann ist krank. er ist krank. de man hij Die Frau ist alt. sie ist alt. de vrouw zij Das Kind ist jung. es ist jung. het kind het Die Menschen sind frhlich. sie sind frhlich. de mensen zij

2007 Teleac/NOT

11

www.teleac.nl/duits

Dat geldt natuurlijk ook alweer net als in het Nederlands bij zelfstandige naamwoorden, waar geen personen of dieren mee zijn bedoeld. Der Reiseplan er ist fr mich gnstig. Diese Ferienwohnung sie ist sehr schn gelegen. Das Gras hier es ist wunderschn grn. All die Bcher sie wiegen zusammen beinahe 15 Kilo.

Het bijvoegelijk voornaamwoord Grammatica in het kort Currywurstt ??? Ein junger Mann betritt einen kleinen Imbiss, bestellt eine schne Bratwurst und meint zum alten Herrn, der den schnen Imbissstand besitzt: "Sagen Sie mal, Sie haben auf Ihrem tollen Plakat drauen Currywurst mit zwei groen T geschrieben. Das ist doch falsch." "Ja, das stimmt !" meint der alte Imbissbesitzer, "aber seitdem sind schon Dutzende von neuen Kunden hier hereingekommen, um mir das zu sagen. Genau wie Sie. Und sie haben alle etwas gegessen!" In het tekstje hierboven is het duidelijk te zien: meestal eindigt het bijvoeglijk naamwoord op en, soms op e, -es of er. Vuistregel is dus: bij twijfel en. Een foutje is niet erg, de boodschap komt echt wel over! Grammatica uitgebreid Een bijvoeglijk naamwoord is een woord dat iets zegt over een zelfstandig naamwoord. Voorbeeld: Das groe Haus ist gestern durch eine Explosion ganz zerstrt. groe zegt iets over Haus en is dus een bijvoeglijk naamwoord. Bij het bijvoeglijke naamwoord maken we onderscheid in twee groepen: 1. de der-groep Naamval mannelijk vrouwelijk onzijdig 1 der junge Mann die junge Frau das junge Kind 3 dem jungen Mann der jungen Frau dem jungen Kind 4 den jungen Mann die junge Frau das junge Kind Dus: bijna altijd -en. Maar in 5 gevallen -e.

meervoud die jungen Kinder den jungen Kindern die jungen Kinder

De uitgangen van het bijvoeglijk naamwoord in de der-groep gebruik je ook na: dies- deze; dit, welch- welke, jed- ieder, solch- zulke, manch- menig, all- alle 2. de ein-groep naamval mannelijk 1 ein junger Mann 3 einem jungen Mann 4 einen jungen Mann

vrouwelijk eine junge Frau einer jungen Frau eine junge Frau

onzijdig ein junges Kind einem jungen Kind ein junges Kind

meervoud meine jungen Kinder meinen jungen Kindern meine jungen Kinder

Dus: ongeveer net zo als de der-groep. Alleen de 1e naamval mannelijk en de 1e en 4e naamval vrouwelijk en onzijdig krijgen een andere uitgang, verder ook hier steeds en. De uitgangen van het bijvoeglijk naamwoord in de ein-groep gebruik je ook na: kein- geen, unser- onze, mein- mijn, euer- jullie, dein- jouw, ihr- hun, sein- zijn, Ihr- uw, ihr- haar

2007 Teleac/NOT

12

www.teleac.nl/duits

3. het zelfstandig gebruikte bijvoeglijk naamwoord Het zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoord wordt precies hetzelfde verbogen als het gewone bijvoeglijke naamwoord. Het wordt echter met een hoofdletter geschreven. Je denkt er steeds achter: Mann, Frau, Menschen. der alte Mann der Alte denk hierachter: Mann die alte Frau die Alte denk hierachter: Frau die alten Menschen die Alten denk hierachter: Menschen

De trappen van vergelijking We kennen drie trappen: de stellende trap klein de vergrotende trap kleiner de overtreffende trap kleinst Het bijvoeglijk naamwoord klein kleiner reich reicher schn schner krijgt in de vergrotende trap -er en in de overtreffende trap st. kleinst reichst schnst

Eindigt het bijvoeglijk naamwoord op d, t of een sisklank s, z, of sch dan krijgt de overtreffende trap meestal est. breit breiter breitest hei heier heiest stolz stolzer stolzest hbsch hbscher hbschest Het Nederlandse dan na de vergrotende trap is in het Duits als. Mein Vater ist grer als meine Mutter. Mijn vader is groter dan mijn moeder. Dieses Ferienhaus ist schner als unser Dit huis is mooier dan ons huis eigenes Haus. Een Umlaut krijgen in de vergrotende en overtreffende trap: alt lter ltest arm rmer rmst dumm dmmer dmmst hart hrter hrtest jung jnger jngst kalt klter kltest klug klger klgst kurz krzer krzest lang nass scharf schwach schwarz stark warm lnger nsser schrfer schwcher schwrzer strker wrmer lngst nssest schrfst schwchst schwrzest strkst wrmst

onregelmatige vormen: gern lieber

liebst

2007 Teleac/NOT

13

www.teleac.nl/duits

gro gut hoch nah viel

grer besser hher nher mehr

grt best hchst nchst meist

Opmerkingen ebenso wie even ... als Du bist ebenso gro wie ich. Jij bent even groot als ik. Als overtreffende trap komt ook zeer vaak voor: am + overtreffende trap + en in het Nederlands vaak vertaald met het: am schnsten, am krzesten, am meisten, am hchsten, am liebsten, am wrmsten Johann luft am schellsten. Am liebsten trinke ich Limo. Jan loopt het snelst. Het liefst drink ik limonade.

2007 Teleac/NOT

14