Sie sind auf Seite 1von 75

Eindwerk UWLM Mei 2005

In de schaduw van de banaan


Chris Claes

Voor Hanne
Onderweg naar een collectief geheugen

Bananen
De banaan is n van de oudste vruchten ter wereld. Tot op heden blijft ze stof voor discussie onder geschiedkundigen. De inzet maakt het belang van de banaan doorheen de geschiedenis en in grote delen van de wereld duidelijk: was de verboden vrucht in de tuin van Eden een banaan, zoals de Koran stelt, of een appel zoals de Bijbel verkondigt? Trouwens, niets overtreft de smaak van een verse banaan, zeggen kenners. Ze biedt zich aan in haar eigen beschermende cocon, moet niet gewassen worden, niet bereid, en je hebt er geen speciaal keukengerei voor nodig. Gewoon pellen en genieten. Je kan ze puur eten, of er suiker, room, wijn, kaas of sinaasappelsap bijvoegen. Echt speciaal wordt het als je bananen in de diepvriezer stopt totdat ze gedeeltelijk bevroren zijn. Mixen en je hebt een koele roomachtige lekkernij als nagerecht. Maar ook niet te versmaden bij het ontbijt, bij granen. Om je vingers af te lekken. Of geplet tot bananenpuree als verfijning van een fruitsalade. Om nog maar te zwijgen van gekookte of gebakken bananen: plantains zoals ze in Franstalig Afrika genoemd. Bananenchips. En wat niemand verwacht: zelfs de heerlijke gerechten met overrijpe bananen doen menigeen het water uit de mond vloeien. Bananen komen oorspronkelijk van Zuidoost-Azi, ze passeerden ondermeer in CentraalAmerika vooraleer ze veel later in onze fruitmanden en lunchpakketten terechtkwamen. 350 jaar pasten ze zich aan de Centraal-Amerikaanse context aan vooraleer Europese grond te raken. De banaan is afkomstig van Maleisi. Nieuwsgierige reizigers namen ze mee naar Indi waar de Boeddhistische Pali geschriften in de zesde eeuw voor Christus er voor het eerst gewag van maken. Alexander de Grote proefde zijn eerste banaan in 327 voor Christus. Gedurende zijn tocht door Indi. Hij zou de banaan in de Westerse wereld binnengebracht hebben. Theophrastus, een Griekse filosoof en natuurwetenschapper (327 tot 287 voor Christus), vertelt een legende over wijze mannen die in de schaduw van de bananenboom zitten om van de vruchten te eten. Volgens de Chinese geschiedschrijver Yang Fu had China al bananenplantages in 200 na Chr. Ze groeiden alleen in de Zuidelijke regio van China en werden als exotisch beschouwd; zeldzame vruchten die nooit populair werden tot in de 20ste eeuw. De banaan zou Madagascar, een eiland aan de Oost-Afrikaanse kust, bereikt hebben in 650 na Christus. Islamitische krijgers actief in slavenhandel reisden naar Afrika. Samen met deze winstgevende slavenhandel waren ze beslagen in de handel van ivoor en bananentrossen. Door hun talrijke reizen westwaarts via de slavenroute zouden de bananen het WestAfrikaanse Guinee bereiken. In 1402 ontdekten Portugese matrozen deze weelderige vrucht en legden zij de eerste bananenplantages aan op de Canarische Eilanden. De trip van de banaan ging verder naar het Westen. De Franciscaanse monnik Tomas de Berlanga verscheepte de wortelstokken naar het eiland Santo Domingo in 1516. Snel werd de banaan populair in de Cariben en Centraal-Amerika.

De populaire naam banaan komt toe aan de Arabische slavenhandelaars. De bananen die in Zuidoost Azi en Afrika groeiden waren niet de twintig centimeter lange reuzenbananen die nu onze supermarkten overstelpen. Ze waren klein, ongeveer even lang als een mensenvinger, zelfs de kleur en de vorm kwamen overeen. Het toekennen van de naam banan, Arabisch voor vinger, is dan ook niet echt verwonderlijk. In Costa Rica spreekt men nu nog van een hand bananen met 4 of 5 vingers, de eenheidsmaat voor het inpakken van bananen in kartonnen dozen voor zeetransport. In Centraal-Amerika heeft de banaan de economie, de politiek en de cultuur ingrijpend veranderd en gedomineerd vanaf het einde van de 19de eeuw. De wieg van wat men bananenrepublieken ging noemen was Costa Rica, meer bepaald Limn, de oostelijke provincie die grenst aan de Atlantische Oceaan. Vandaag draait in deze tropische streek nog steeds alles rond banaan. Iedereen leeft direct of indirect van banaan. Iedereen is gelukkig met banaan. En iedereen klaagt ook over banaan. De smeltkroes van de verschillende culturen die zich hier vormde, is gebaseerd op de banaan. Ze vormt een collage met elementen uit Nicaragua, van de oorspronkelijke Indiaanse bevolking, van de Jamaicaanse cultuur en dus ook van de Britse taal, van de Spanjaarden, van Colombia, en van de Verenigde Staten. In het begin van de 21ste eeuw beginnen de eerste scheuren in het bananensysteem zich te vertonen. Telkens je van de hoofdstad San Jos naar de havenstad Limn rijdt, zie je onderweg steeds meer bananenplantages die gerooid worden ten voordele van ananas. Werkgelegenheid biedt de ananasproductie echter weinig vergeleken met banaan. Ananas is het gewas bij uitstek om te gedijen op totaal uitgeputte gronden. Doorgaans ook het laatste gewas voordat de bodem het helemaal laat afweten. Maar of de bevolking uit de schaduw van de banaan zal raken, is voorlopig nog maar de vraag.

Barra Del Colorado Gucimo Siquirres

Ortega y Bolsn

Puerto Viejo

In de schaduw van de banaan


In de Atlantische kuststreek van Costa Rica verspreidt alles door de combinatie van hitte en vochtigheid een eigen typische geur. Zelfs de schaduw van de bananenplant geeft zijn geur af. Een geur van zweet, van verhitte, vochtige aarde en noeste arbeid. Hij vermengt zich met zoetzure flarden van bananentrossen die overal verspreid over de grond en in de grachten liggen te rotten, met de scherpe geur van de blauwe plastic zakjes, gedrenkt in chemicalin, die rond de bananen getrokken worden om de insecten op afstand te houden en de bijtende geur van de sproeistoffen die tweewekelijks vanuit vliegtuigjes over de plantages verstoven worden tegen allerlei schimmelziektes. Komt daar nog bij dat lucht niet alleen een dichtheid en een geur heeft, maar ook een smaak. Een smaak die zoet, zout, zuur en/of bitter kan zijn. Het zijn deze smaken van lucht waarvan gezegd wordt dat ze onze psychische toestand benvloeden. Afhankelijk van de plaats en het uur smaakt de lucht hier zowel zoet als zuur, als zout, als bitter. Soms overheerst het zoete, soms het bittere. Maar globaal gezien, ondanks alle mogelijke tegenkanting, overheerst de smaak van de hoop. Bananenplantages bieden een monotoon en gesoleerd landschap. De valleien in de Atlantische kustzone waren vroeger compleet bedekt met tropisch regenwoud, hadden een slechte drainage en werden geplaagd door insecten en slangen. Sinds het einde van de 19de eeuw werd deze streek omgetoverd tot n van de meest vruchtbare bananenplantages van Latijns-Amerika. De brandende zon vermengt zich bijna dagelijks met regen tot vier meter jaarlijks en creert zo, dag en nacht, het microklimaat van een sauna. De temperaturen schommelen tussen 23 en 34 graden Celsius, ideaal voor de bananenteelt. De kleur van de bananenplantages is turkoois groen, vanuit de hoogte gezien althans en vergeleken met de andere schakeringen van groen die de plantages omringen. Of beter gezegd: die tussen de plantages ingesloten zijn. Als je vanuit de hoofdstad San Jos de bergkammen van de Zurqu oversteekt en de afdaling naar de kustvlakte aanvangt, zie je op de heldere dagen de zee die zich meer dan honderd kilometer verder bevindt. De uitgestrekte vlakte is helemaal groen. Donkergroen van de restanten van het regenwoud, lichtgroen van de weilanden en turkoois groen van de bananenplantages. Tot voor halfweg de jaren 80 van de vorige eeuw kon je de havenstad Limn vanuit San Jos alleen langs een grote omweg via het zuiden van het land bereiken. De weg volgde de spoorwegroute die zorgvuldig over de laagste bergen getrokken was. De nieuwe weg trekt zich door de Zurqu, een paar immense bergen ten oosten van de hoofdstad die beschermd zijn; het Nationaal Park Braulio Carillo. Op het hoogste gedeelte ervan heeft men een tunnel in de berg gedynamiteerd. Beneden slingert de weg zich, bijna tot in Limn, een beetje verheven over de scheiding van de laagvlakte en de flanken van de vulkaan Turrialba. De turkooisgroene lappen van de bananenplantages worden in regelmatige patronen gesneden door bruingrijze strepen; onverharde wegen, spoorwegen en enorme afwateringskanalen. Op regelmatige afstanden ziet men de enorme rode golfplatendaken van de verwerkingsinstallaties waar de bananen gewassen en verpakt worden en de daken van de

arbeiderswoningen, de winkeltjes en de ontspanningsruimtes, met enkele voetbalvelden er langs. Er iets van verwijderd liggen de huizen van de opzichters en bedrijfsleiders. De stadjes liggen aan de knooppunten van de spoorwegen die de United Fruit Company in het begin van de 20ste eeuw door het woud trok, om de bananen tot aan de haven te krijgen. De arbeiders van de plantages, de avonturiers die als eersten gronden zonder eigenaar bezetten en later de arme, landloze arbeiders die braakliggende gronden van de bananenplantages bezetten, de handelaars in landbouwproducten, de kartonfabriek waar bananendozen gemaakt worden, de hotels, restaurants, bordelen, bars en cafs, de horlogemakers, elektriciens, handelaars in bouwmaterialen: alles en iedereen beweegt zich hier al 100 jaar in en rond de schaduw van de banaan.

De groene paus
En man slechts, bedeeld met meer dan een gemiddelde dosis hebzucht en ambitie is verantwoordelijk voor de overheersing van de banaan in de Centraal-Amerikaanse maatschappij in de twintigste eeuw. Minor Keith, 23, begon in 1871 tegen beter weten in aan een hachelijke onderneming: de aanleg van een spoorweg door de bergen en de jungle van Costa Rica. De verbinding van de hoofdstad San Jos met het havenstadje Limn. De Costa Ricaanse regering had al menigmaal geprobeerd om de spoorweg aan te leggen, maar dat nooit tot een goed einde gebracht. En toch was het hoogst noodzakelijk om een ijzerweg te trekken tussen de koffieplantages in de Centrale Vallei van het land en de havenstad in het Oosten aan de Atlantische Oceaan. Om dat huzarenstukje te begrijpen moet je de voorgeschiedenis kennen, zegt Jorge Barboza terwijl hij zijn handen ten hemel slaat. Alsof hij de hulp van God inroept om deze witte Europeaan door een bliksemflits uit zijn onwetendheid te halen. Ik had hem om meer uitleg gevraagd over Minor Keith en zijn gedurfde onderneming. Jorge is vakbondsleider van Sitrap, een syndicaat dat de belangen verdedigt van bananenarbeiders. Uiterlijk beantwoord hij aan wat ik me van een vakbondsleider voorstel: niet al te groot, struis gebouwd, klauwen van handen, pekzwart naar achter gekamd haar, gebruind gezicht met hier en daar een litteken, stoppelbaard en de onvermijdelijke snor. Niet het fijne latinosnorretje dat men hier cultiveert om vrouwen te versieren. Een volle, dikke, zwarte snor, typisch voor socialistische of communistische voormannen. Ik denk dan meteen aan de borstbeelden van Lenin, Trotski en Stalin, of aan Daniel Ortega, de Nicaraguaanse ex-president en held uit de Sandinistische revolutie. Onze koffie kon al sinds 1850 niet meer concurreren met deze van andere landen uit de regio, de economie ging er totaal onderdoor, dreunt Jorge zijn geschiedenisles op. Sinds de onafhankelijkheid in 1823 hadden de opeenvolgende regeringen zich gretig op de koffieproductie gestort. Een snel en vlot vervoer van de koffiebonen naar de koffiedrinkers was dan ook noodzakelijk. De gebruikelijke weg langs de havenstad Puntarenas, via de Stille Oceaan, betekende een te grote omweg. De klanten in Europa en aan de Oostkust van de VS haakten af. Het vervoer was gewoon te duur. Die spoorweg was dus hoognodig. Ik zit vanachter op zijn moto. Een helm dragen we niet. De natte zandwegen zitten vol putten. De aanhoudende regen van de laatste dagen heeft ze tot boven gevuld. Je kan ze beter ontwijken, sommigen kunnen hier makkelijk een halve meter diep zijn, overdrijft hij. Al slalommend rijden we traag over de droge delen. We gaan van het stadje Siquirres naar het Oosten, richting Limn, naar een illegale grondbezetting, in de schaduw van enkele bananenplantages. Het is begin 1990, ik ben een nieuweling hier. Pas uit Europa overgewaaid. En ik wil hier nog verscheidene jaren blijven. Een goed begrip van de geschiedenis lijkt me dan ook geen overbodige luxe. Op een kilometer van de plantages stoppen we bij een soda, een volks eethuisje waar men geen alcohol mag serveren. Een klein gebouwtje, lichtgroen geverfde muren uit snelbouwsteen opgebouwd, het dak van verroeste golfplaten. De voorkant volledig open, met traliehekken beschermd. In het lokaal staan slechts vier oude tafeltjes met een witblauw geruit tafelkleed waarover plastic folie getrokken is. En derde van het gebouw zit

verborgen achter de stenen toog, waarachter de gastvrouw geregeld in de keuken verdwijnt. Ze is dienster, kok en kassierster. Mijn verbazing is groot wanneer Jorge bier vraagt. Ze serveren het in plastic bekertjes, flesjes mag niet, loopt hij vooruit op mijn vraag. Wetten, zegt hij, zijn er veel, meer dan in jouw land waarschijnlijk, voor alles is er een wet, maar dat wil nog niet zeggen dat men er ook rekening mee houdt. De kleine, mollige vrouw, rond haar haar een zwart netje, perfect zoals de wet voorschrijft, antwoordt met een va pus, een typisch Nicaraguaanse uitspraak, ga dan zegt ze letterlijk, ok bedoelt ze. We vragen beiden een casado, de lokale naam voor een dagschotel. Letterlijk betekent casado getrouwde man, een niet mis te verstane uiting van de verwachtingen ten aanzien van een getrouwde vrouw. Een enorme schotel. Volgestouwd met rijst, zwarte bonen, rauwe witte kool, een schijfje tomaat, een lepel ondefinieerbare warme groenten, twee overlangs gesneden stukken gebakken kookbanaan, een hard gekookt ei en daarbovenop een grote schep vlees gestoofd in tomatensaus. Mondongo, glundert Jorge, koeienmaag. Beresterk wordt je daarvan. De kolonisatie door de Spanjaarden blijkt net als voor elke Tico, zoals de Costa Ricanen zichzelf noemen, ook voor Jorge het begin van de vaderlandse geschiedenis. Vooral armere Spanjaarden emigreerden naar hier. Ook al dankt het land zijn naam aan de woorden Que costa rica! (Wat een rijke kust!). Ze kwamen uit de mond van Columbus toen hij op zijn tweede reis naar Amerika voet aan land zette op het strand van Limn. Achttien september 1502 was dat. Hij had naast de natuurlijke pracht een handvol indianen ontmoet, weelderig behangen met allerlei sieraden, waaronder goud. Grondstoffen zoals ertsen of metalen bleken echter niet voorradig in onze ondergrond. Helemaal geen rijke kust dus. Ik houd me bezig met stukjes koeienmaag in nog kleinere stukjes te snijden. Schoorvoetend werk ik ze naar binnen. Op het bord van Jorge ligt enkel nog een hoopje witte kool. Hij veegt zijn handen schoon met een papieren servet. Veel indianen leefden hier ook niet in die periode. Op slavenarbeid hoefden de kolonisatoren dus niet te rekenen. Er bleef de nieuwe Spanjaarden geen andere keuze dan voedsel te verbouwen op kleine lappen grond. Niet groter dan wat ze zelf konden bewerken. De Nicaraguaanse vrouw vraagt of we koffie willen. Alles wat de vertering van koeienmaag vergemakkelijkt lijkt me meer dan welkom. Jorge is nu niet meer te stoppen. De opgenomen energie zet zich rechtstreeks om in een eindeloze woordenstroom. Na de onafhankelijkheid promootten de opeenvolgende regeringen koffie, koffie en nog eens koffie. Alles werd aan de boeren ter beschikking gesteld: kredieten, grond, plantgoed, en zelfs markten. Voedsel mocht niet meer geproduceerd worden, dat moest maar ingevoerd. Buitenlandse deviezen, dollars, die moesten en zouden het land rijk maken. Je zou kunnen zeggen dat het een vroeg experiment was voor de vrijhandelsakkoorden waar we nu mee zitten. De geboorte van de koffiearistocratie was een feit en tot op heden houdt ze stand. Het land heeft een heleboel presidenten gekend, allen echter afkomstig van slechts een dozijn invloedrijke families, koffiefamilies. Minor Keith kwam uit New York, had ik eerder in mijn reisgids gelezen. Zijn verschijning was in tegenstelling met wat hij zou bereiken: klein, mager en fragiel. Hij was in dienst getreden in het bedrijf van zijn oom. Samen met zijn broer en enkele neven zou hij de opdracht in Costa Rica voor zijn oom uitvoeren. De 150 km lange spoorweg moest door de moerassige laaglanden van de Caribische kust en de bergen van het Centrale vulkanisch gebergte getrokken worden. Wat op het eerste zicht voor de jonge Keith geen overdreven hels

karwei leek, werd al gauw een nachtmerrie. Het zou twintig jaar duren vooraleer de eerste treinen het traject overbrugden. Keith bleek enorm volhardend. Vierduizend arbeiders stierven, inclusief een broer en een neef van hem, bij de aanleg van een stuk van nog geen 40 kilometer. Het moeten er veel meer geweest zijn, zegt Jorge alsof het een voetnoot is, geschiedenisboeken worden door de rijken geschreven. De dodelijke reputatie van de spoorwegaanleg deed de lokale arbeiders afhaken. Keith rekruteerde zevenhonderd moordenaars en dieven uit gevangenissen in de VS (slechts vijfentwintig overlevenden kwamen terug in New Orleans terecht). Ook bracht hij een boot met tweeduizend Italiaanse immigranten van Louisiana, maar de grote meerderheid rebelleerde bij het zien van de miserabele arbeidsomstandigheden. Uiteindelijk ging Keith arbeiders zoeken op de Caribische eilanden, vanuit Jamaica kwam de meeste respons. De belofte van hoge lonen en een retourticket voor de terugvaart waren de sleutel tot succes. De zwarten kwamen met veel enthousiasme, omzeggens niemand keerde ooit terug naar het geboorteland. De lonen waren laag, als er al geld voor handen was, en het retourticket bleef uit. De Jamaicaanse immigratie betekende het begin van de typische AfroCaribische cultuur van de provincie Limn. De Costa Ricaanse regering kon de aangegane leningen niet tijdig afbetalen. Keith onderhandelde met bevriende banken in Groot-Brittanni. In ruil kreeg hij 35.000 ha gronden van de regering in eigendom, allemaal gelegen rond de spoorweg. Kan je je dat voorstellen, vraagt Jorge me, de ministers woonden allemaal in de Centrale Vallei en dat op die gronden wat indianen woonden, dat liet ze koud, die moesten maar verhuizen. Keith kreeg het beheer van de spoorweg in handen, maar naast de koffie viel er niets te verdienen. Op reizigers moest hij niet hopen, niemand had iets verloren in de jungle van de Caribische kust. Op zijn verkregen gronden begon hij uit noodzaak de bananenteelt uit te breiden. De vruchten voerde hij uit naar de VS en Europa. Hij had bananenbomen geplant om de arbeiders te voeden, lacht Jorge, geld voor lonen had hij immers niet. De groene paus van Centraal-Amerika noemde de Uruguayaanse geschiedschrijver Eduardo Galeano hem, en niet zonder reden. Het bananenbedrijf van Keith werd n van de meest succesvolle economische ondernemingen van de laatste eeuwen. Samen met enkele bankiers in de VS zette hij in 1899 de United Fruit Company op, een vijftigtal jaar later en enkele fusies rijker omgedoopt tot Chiquita, ht wereldmerk van de bananen. The United Fruit Company begon al gauw na haar oprichting in andere LatijnsAmerikaanse landen bananenplantages aan te leggen: Guatemala, Honduras, Colombia, Cuba, Nicaragua, Panama, Jamaica en Santo Domingo. Wat niet in de boekjes staat, zegt Jorge, is dat Keith in alle Centraal-Amerikaanse landen spoorwegen bouwde. Hij wilde n groot Centraal-Amerikaans spoorwegnet uitbouwen.

10

Het begrip bananenrepubliek is rechtstreeks verbonden met Chiquita. Het bedrijf slaagde er steeds in om de politiek te bepalen in haar eigen voordeel. En lukte dat niet, dan werd de regering van de VS en haar leger opgetrommeld, zoals bij een staatsgreep in Guatemala om de belasting op de bananenproductie af te schaffen. In de jaren 40 van vorige eeuw trok Chiquita een tijdje weg uit de Caribische kuststreek van Costa Rica. Volgens Jorge werd een staking voor betere arbeidsomstandigheden gebruikt als motief. Om de vakbonden in diskrediet te brengen, zegt hij overtuigend, maar het was de Panama-ziekte, een schimmel zonder remedie die de bananenbomen n voor n velde en die het vertrek uit de zone inluidde. In de jaren 70 werden de vroegere plantages echter terug in productie genomen. De regering was er in geslaagd om de vakbonden te breken en er waren ondertussen resistente variteiten voorhanden. Samen met twee andere bananenmultinationals, Dole en Del Monte, heeft Chiquita van de hele zone n grote bananenplantage gemaakt. De strategien zijn echter veranderd, zegt Jorge. Op initiatief van Chiquita verkochten ze alle drie veel van hun gronden aan nieuwe firmas, vooral binnenlandse maar ook veel Colombiaanse, gefinancierd met drugsdollars. Chiquita kocht de bananen op, voerde ze uit en verkocht ze. Het risico werd kleiner en de winsten groter. En de spoorweg?, vraag ik benieuwd. Die stortte de diepte in tijdens een aardbeving, zegt Jorge. Hij was toen al niet meer dan een toeristische attractie. s Zondags zat hij vol dagjestoeristen die de mooie landschappen in de bergen wel eens vanuit een ander en avontuurlijk perspectief wilden bekijken. Alleen het gedeelte in de laagvlakte is nog steeds in gebruik om de banaan naar de haven te voeren. Koffie komt daar nu al lang aan met trucks.

11

Grondbezetters
We stappen van de moto bij een sober, klein gebouw, aan de rand van n van de bananenplantages, Het is opgetrokken uit bamboepalen, een dak van palmbladeren en zwarte plastic zeilen die dienst doen als muur. Net zoals de huisjes die hier in de buurt staan. Een illegale grondbezetting. Een twintigtal mannen zit binnen te wachten, de vrouwen staan buiten te keuvelen in de dichte schaduw van een mangoboom. Kinderen van alle leeftijden springen luidkeels op blote voeten door de modder en de plassen. Een stukgetrapte voetbal vliegt toevallig tot bij Jorge. Hij vangt hem op zijn borst en neemt hem in n tijd op zijn slof. De kinderen gieren het uit, de bal verdwijnt door een opening tussen de palmbladeren in het zaaltje. Binnen gestommel. Geen al te beste entre, fluistert hij me lachend toe, en dat ondanks mijn Tai Chi lessen. Jorge haast zich naar enkele mannen die wat verderop met hun hoofd naar de grond staan te overleggen. Rubberen laarzen, bloot bovenlijf. Beiden dragen aan hun gescheurde met modder bespatte broek een machete in een lederen holster, rond hun lijf gebonden met een rafelig touw.

En van de kinderen benadert me. Hoe heet je? Pablo. En hoe oud ben je? Over twee weken word ik veertien. Wat ben je aan het doen? Niets. Gewoon. Aan het spelen. Wat dan? Met de bal, en wat over de plassen springen. Ik wacht op mijn ouders. Ga je dan niet naar school? Neen, ik ben te oud.

12

Een reeks overbodige vragen. Ik stel me aan. Had het moeten weten. Kinderen gaan in afgelegen dorpjes in het beste geval naar het lager onderwijs. Zelden of nooit voltooien ze dat. Als ze moeizaam kunnen lezen en wat woorden kunnen schrijven is dat hier al meer dan behoorlijk. Officieel klinkt het dan: In dit land is er van de bevolking slechts een klein percentage analfabeet of ongeschoold. Het kost geld. Steeds meer. Onderwijs op zich verschaft men gratis. De verplichte uniformen, wit hemdje en blauwe stoffen broek of rok, boeken en ander schoolgerief echter niet. En hoe ouder, hoe groter de investering. Om nog maar niet van de afstand naar de scholen te spreken.

Jorge wenkt me, hij stapt met de twee mannen het zaaltje binnen. Ik krijg een plaats op n van de houten banken. Crisisberaad. Twee gezinnen zijn weer lastiggevallen door handlangers van de eigenaar van de finca, een tweehonderd hectare grote boerderij. Jorge houdt het voorlopig op noteren, hij onderbreekt niemand, laat ze rustig hun verhaal doen. Een vrouw, Cecilia, wordt naar binnengeroepen. Zij was de enige ooggetuige van de pesterijen. Het waren vier jongeren. En van hen had een legeruniform aan, begint ze haar getuigenis. Twee bosmaaiers hadden ze bij en ze gingen hiermee kriskras door het masveld van Chelo. De maskolven waren al mooi ontwikkeld. Nog een viertal weken zon hadden ze nodig vr de oogst. Kende je iemand van hen? Nee, ik stond te ver. En heeft niemand anders hen opgemerkt? Een bosmaaier maakt toch een oorverdovend geluid. Nee, blijkbaar niet. Je weet dat hier s morgens weinig volk op de boerderij aanwezig is. Een oudere man treedt haar bij: Wij zitten allemaal op Finca Vier. Ik weet ondertussen dat Finca Vier n van de bananenplantages verderop is. De arbeiders werken er van vijf uur s morgens tot n uur s middags. En de meerderheid van de vrouwen was in Siquirres, zegt hij. Ze hadden afspraak met enkele ambtenaren van het IDA. Het IDA, het Instituut voor Plattelandsontwikkeling werd door de overheid in het leven geroepen om de talloze grondconflicten te beslechten. Wanneer
13

bezetters blijven volhouden ondanks het machtsvertoon van de politie, onderhandelt het IDA met de rechtmatige eigenaars over de aankoop van de ingenomen gronden. Als ze tot een vergelijk komen, koopt de overheid de gronden op en verdeelt die onder de grondbezetters. Het instituut maakt dan een plan voor terugbetaling op, meestal over twintig jaar, en doet de nodige studies voor het installeren van de basisvoorzieningen: wegen, water en elektriciteit. Tenminste, als je de druk op de ketel kan houden, had Jorge me eerder verteld. Ze moeten van die afspraak met het IDA geweten hebben, zegt Cecilia. Ze neemt een kind van een jaar of twee op haar schoot en probeert hem stil te krijgen. Als we thuis zijn durven ze hier geen oogst komen vernielen. Ik vraag of het IDA de gronden al gekocht heeft van de eigenaar. Enkelen bekijken me met een brede glimlach, uit beleefdheid vermoed ik. De rest blijft naar de grond staren met de ellebogen op de knien en de vlakke handen tegen de wangen. Nee, zegt de oudere man, en het zal ook niet snel gebeuren. De eigenaars willen niet verkopen, ook al zitten wij hier al bijna tien jaar en lagen de gronden daarvoor al even lang braak. De eigenaars zijn niet van hier, neemt de vrouw over. Ze heeft haar kind ondertussen aan de borst gelegd. Buiten het smakken is hij stil nu. Het zijn rijke zwarten, ze wonen in San Jos. Vroeger hadden ze hier cacao, maar die hebben ze gelaten voor wat hij was. Ze probeerden ons eerst via het gerecht te verjagen. De eerste maal dat de politie ons hier wegjoeg, woonden we hier al vier jaar. Ze kwamen met grote vrachtwagens en bulldozers. Met meer dan vijftig kwamen ze, tot de tanden bewapend. Alle huizen werden met de grond gelijk gemaakt en het materiaal op de vrachtwagens geladen. Een tiental mannen die weerstand boden werden opgepakt en een tijdje vastgezet. Een priv-militie betaald door de eigenaars bewaakte de boerderij gedurende meer dan een maand. Toen ze niet meer opdaagden, begonnen we op de plaatsen waar vroeger onze huisjes stonden opnieuw te bouwen. Driemaal hebben ze sindsdien de oogsten vernield, de huisjes met de grond gelijk gemaakt en ons verjaagd. Twee jaar geleden hebben we de kathedraal in San Jos gedurende veertig dagen bezet om aandacht te vragen voor het grondprobleem. Dat helpt wel wat, zegt Jorge. Je krijgt media-aandacht. De politie heeft in elk geval sindsdien geen poging meer ondernomen om hen uit de boerderij te verjagen. De eigenaars hebben hier nog wel iemand komen vermoorden, roept Cecilia. Het kind schrikt op en verslikt zich in de melk. Met haar rechterhand duwt ze het hoofdje snel tegen de borst. De kleine zucht diep vooraleer hij verder zuigt. Ja, maar we hebben geen bewijzen, zegt een andere vrouw die tegen de rand van de deuropening is komen leunen. Met dat verhaal geraken we er niet, zegt mijn buurman. De vrouw van Rafael had iets met iemand van die familie. Ze had er als meid gewerkt. Voor hetzelfde geld was het een passionele moord. Ik zie Jorge zijn hoofd fronsen. Hij onderbreekt de man snel. Kom, kom, laten we kijken naar de toekomst. Met roddels uit het verleden lossen we niks op. Stap voor stap overloopt hij met de aanwezigen wat er moet gebeuren. De advocaat van Sitrap zal een klacht gaan neerleggen tegen onbekenden en men spreekt af dat er voorlopig een beurtsysteem opgezet wordt om de wacht te houden tot de mas geoogst is.

14

Witte en rode vakbonden


Bij het verlaten van het dorp zie ik dat er elke honderd meter een armzalig huisje staat langs de smalle paadjes. Rondom, in een straal van een tiental meter, houden de bewoners de rode bodem naakt. Tegen ongedierte, zegt Jorge. Het is nooit aangenaam een slang tussen je sokken te vinden of wakker te worden van een schorpioen die van het plafond op je kussen dondert. Daarrond staan wat fruitbomen met enkele kippen en parelhoenen eronder, hier en daar een geit of een varken aan een touw. Elektriciteit of water is er niet. In n van de huisjes zie ik door de deuropening een vijftal mensen voor een tv zitten. Aangesloten op een autobatterij, vertelt Jorge als ik hem met een schoudertik vragend wijs op het gebeuren. Ook al heb je niks, een tv hoort daar bij. Het is schrijnend, zegt hij, uitzichtloos. En toch, toch blijft er die onoverwinnelijke hoop op een oplossing of betere tijden. Die krijg je niet uit hun hoofd. Ze hebben vermoedelijk niet veel keus, zeg ik. Oh nee, dat hebben ze niet. Ze raken alleen maar uit de ellende door het grote lot te winnen. Gewoon het verwerven van die grond zou toch ook al helpen. En dan?, zegt hij fel, denk je dat ze dan uit de miserie zijn?. Heb je gezien hoe ze leven? De mannen werken in de bananenplantages, telkens voor drie maanden. Dan worden ze op straat gezet. Zo omzeilt men het sociale zekerheidssysteem. Als er voldoende werk voor handen is, worden ze na een maand rust opnieuw aangeworven, als er niet teveel goedkope Nicaraguaanse arbeidskrachten rondlopen en als ze bereid zijn de bijdrage voor de witte vakbond te betalen. De witte vakbond?, vraag ik verbaasd. Ik kan me voorstellen dat Sitrap, de vakbond van Jorge rood is, maar van een witte heb ik nog nooit gehoord. Wat hebben vakbonden met vrede?, vraag ik hem alsof ik een bijkomende tip verwacht om het raadsel op te lossen. Hij lacht. We zitten ondertussen in het kleine kantoortje van Sitrap, in Siquirres. Slechts drie meter op twee, twee schrijftafeltjes, op elk een typemachine. In de hoek pronkt een stencilmachine, ook hier onlosmakelijk verbonden met het vakbondswerk. Naast deze kamer is er nog een ruimte die als vergaderzaal dienst doet. Tegen een muur staan een vijftigtal plooistoelen gestouwd. Ik vermoed dat nog niet de helft kan opgesteld worden in deze ruimte. Hier in de bananenplantages is het Solidarismo uitgevonden, begint Jorge te vertellen, de witte vakbonden. De bazen zijn de initiatiefnemers, ze organiseren en regelen alles, het lidmaatschap, de agendas, de activiteiten, noem maar op. Dat zijn dan toch geen vakbonden, onderbreek ik hem. Neen, strikt genomen is het een overleg tussen werkgevers en werknemers, maar gedomineerd door de eersten. Ze willen de vrede bewaren. Witte vakbonden stellen krediet ter beschikking van de arbeiders, zetten sociale activiteiten op, bouwen sportfaciliteiten, maar doen geen enkele poging om de arbeidersrechten te verdedigen. Andere vakbonden zijn illegaal in de plantages. Officieel is er recht en vrijheid om zich te organiseren in Costa Rica. Maar in de praktijk bestaat dat niet. Als ze weten dat je tot een vakbond behoort, hoef je geen werk meer te gaan vragen op een bananenplantage. Zo simpel is dat. Ze hoeven je zelfs niet te ontslaan, de contracten zijn toch maar voor drie maanden.

15

En de regering, vraag ik, komt die niet tussen?. Neen, ook al heeft de Internationale Arbeidsorganisatie van de Verenigde Naties al verscheidene maal een uitspraak gedaan die zegt dat witte vakbonden de vereisten op vrije organisatie niet nakomen. Maar als ze nu die grond verwerven, begin ik opnieuw. Ja, dan hebben ze die grond. Als ze dan georganiseerd te werk gaan en blijven aandringen, zullen de paadjes ooit wegen worden, komt er waterleiding, een schooltje, een kerk en elektriciteit. Tegen dan zijn ze oud. Hun kinderen kunnen er dan misschien van profiteren, als die dan al niet lang naar San Jos getrokken zijn. Weet je, zegt hij plots, de meeste illegale grondbezettingen die ik hier meegemaakt heb zijn na een lange strijd gelegaliseerd en de basisvoorzieningen komen er dan beetje bij beetje. Maar veel vooruitgang heb ik nog niet gezien. Maar met zekerheid over de grond kunnen ze toch boeren en de oogsten verkopen?, hou ik enigszins koppig vol. Ja, lacht hij, was het maar waar, iedereen zou rijk worden: ze hebben geen kennis van landbouw, geen geld om te investeren in zaaigoed en kunstmest. Ze kennen alleen de bananenteelt en daar sproeit men met vliegtuigen. Het lijkt me niet waarschijnlijk dat ze die manier van werken kunnen na-apen. En kunnen ze dan geen kredieten krijgen van de bank? Alleen als ze exportgewassen willen produceren. Sommigen doen dat ook. Maar ook die gewassen zijn nieuw voor hen, ze hebben er geen ervaring mee. En mochten ze al een oogst hebben en mocht die niet langs het veld blijven liggen en wegrotten omdat hij niet op de markt geraakt, dan krijgen ze toch geen goede prijs voor hun product. Ik ken er enkelen die met kredieten gewerkt hebben. Ze wonen hier niet meer. Ze konden die niet terugbetalen en moesten uit noodzaak hun grond terug verkopen. De statistieken die hij me onder de ogen duwt, liegen er niet om. Tien jaar nadat de gronden in de nederzettingen gelegaliseerd zijn, blijft er slechts tien percent van de originele grondbezetters over. De overige negentig percent heeft hun grond gedwongen moeten verkopen. En die gaan dan weer ergens anders grond bezetten, zegt Jorge. Het lijkt wel een beroep: grondbezetter, gniffel ik. Ja, sommigen zien het ook als een belegging. Ze bezetten grond, krijgen die officieel toegewezen en verkopen hem dan zo snel ze kunnen. Ze kunnen dan weer enkele jaren verder. Dit lijkt me eerder een argument van de overheid om grondbezetters in een slecht daglicht te stellen, om ze af te doen als speculanten. Maar zeker geen taal van een vakbondsleider. Ofwel zit hij in een dip ofwel gelooft hij er niet meer in. Als zelfs hij de moed verloren heeft, waar moet het dan naartoe? De vicieuze cirkel van de armoede op het platteland. Ook hier zullen nog veel kinderen naar de krottenwijken van de grote steden trekken, hier of in de VS, hopend op een beter leven. Het weinige geld dat ze zullen hebben wekelijks misschien uitgeven aan een loterijbriefje. Het moest maar eens lukken

16

Ocotal

Nandaime

17

De schaduw reikt ook tot in Nicaragua


Mijn eerste kennismaking met Nicaragua dateert van 1990. Ik bezoek er gedurende een maand ontwikkelingsprojecten van Belgische organisaties. Hallucinant. Iedereen druk in de weer voor de verkiezingscampagne van de Sandinisten. Van de projecten zie ik niet meer dan de terreinwagens die versierd met de zwartrode Sandinistische vlaggen, iedereen naar de verkiezingsmeetings brengen. Buiten Sandinisten blijkt er niemand te wonen in Nicaragua. Alleen in de kranten en op tv zie ik leiders van de UNO, de unie van partijen die het FSLN, het Sandinistische Front voor de Nationale Bevrijding, uit het zadel willen lichten. Patrick, een Belgisch coperant neemt me in zijn met vlaggen getooide terreinwagen mee naar La Conquista, een dorp in het Zuiden van Nicaragua, nabij het stadje Nandaime. Hij is n van de duizenden ontwikkelingswerkers die hier neergestreken zijn bij het begin van de revolutie. Zonder zijn blauwe ogen zou ik hem niet uit een Nicaraguaanse menigte kunnen plukken. Lang zwart golvend haar, gerafelde jeansbroek, een geruit hemdje en de onvermijdelijke pet waarop het hoofd van Daniel Ortega, opnieuw presidentskandidaat, afgebeeld staat. No pasarn staat eronder gedrukt. Ze zullen niet passeren. Patricio, zoals men hem hier aanspreekt, leidt een project van de Sandinistische boerenvakbond UNAG in La Conquista.

Nicaragua is ondertussen een verscheurd land. Op het einde van de zeventiger jaren was dat anders, iedereen wilde Anastasio Somoza weg. De laatste telg van de Somozaclan had het te bont gemaakt. Zelfs zijn belangrijkste bondgenoot, de VS, haakte af toen de opmars van de Sandinisten niet meer te stoppen viel. Kort nadat het FSLN in 1979 Managua binnentrok en de macht greep, begonnen zich op het platteland de eerste kernen van opstandelingen te
18

manifesteren. Ze zagen de linkse koers van de Sandinisten niet zitten. Vooral de onteigeningen en landhervormingen speelden een belangrijke rol. Deze contrabeweging kreeg al gauw de steun van de VS en begon zich te organiseren in basissen net over de grens. Eerst in Honduras, daarna in Costa Rica. Het project in La Conquista is een product van de landhervorming. De Sandinisten hebben hier een boerderij van vijfhonderd hectare onteigend en aan de vroegere landarbeiders geschonken, vertelt Patricio. Zij hebben een coperatieve opgericht en met onze hulp een veestapel opgebouwd. Het stokpaardje van de Sandinisten, het coperatieve denken en handelen. Patricio lijkt me nog van de oude generatie ontwikkelingssamenwerkers. Hij wandelt over het erf van de boerderij als een landeigenaar. Dit hier hebben we gebouwd zodra we hier kwamen, vertelt hij trots, mooi, niet?. Een bakstenen halfgesloten hoeve met bruine dakpannen. In tegenstelling tot Costa Rica is de typische Spaanse dakpan hier nog niet van de kaart geveegd door de metalen golfplaat. Ik woon hier nu. Voorlopig. Als het project afloopt dan wordt dit gebouw het kantoor van de coperatieve.

Wat doe je hier? vraag ik hem. Oh, zon beetje van alles eigenlijk, zegt hij, zien hoe we het geld best besteden, vergaderingen beleggen en voorzitten, voorlichting aan de leden, het beheer van het vee, de bodem, de gewassen, afrekeningen maken, al wat er komt kijken bij een boerderij eigenlijk. Meer nog dan een landeigenaar besef ik dat hij een rasechte boer is, hij doet gewoon alles zelf. Op de achtergrond zie ik een voor deze streken indrukwekkend machinepark. Je rijdt waarschijnlijk ook zelf met de tractor? hoor ik mezelf zeggen zonder enige intonatie eigen aan een vraag. Ja, ik repareer ze ook graag zelf als ze stuk zijn. Elke maand maak ik met de auto een trip naar Costa Rica, naar San Jos, inkopen doen, vooral wisselstukken voor de machines. Ik besluit van onderwerp te veranderen. Hoe is de situatie hier eigenlijk na meer dan tien jaar Sandinisme? Een vraag waar je alle kanten mee uitkan, besef ik, waar menigeen een discours van enkele uren op los zou kunnen laten. Niet zo bij de zwijgzame Patricio: Oh, dat gaat wel. Als de verkiezingen volgende week voorbij zijn, zal alles terug in de plooi vallen. Verbaasd kijk ik hem aan. Dus dan beginnen de contras opnieuw dorpen aan te vallen?
19

Wie weet, normaal gezien zou de VS dan moeten afzien van steun aan hen. Maar dat zullen ze toch niet doen, democratische verkiezingen of niet. Zelfs in zijn onderbewuste lijkt hij geen enkele twijfel te hebben. De Sandinisten gaan de verkiezingen winnen. Een formaliteit. Iedereen is immers Sandinist. Op de dag van de verkiezingen kom ik terug in Managua aan. Het is al vijf uur in de namiddag en uit de radio klinken de eerste exit polls. Het zal in hemelsnaam nog spannend zijn. Zij aan zij staan de Sandinisten en de UNO. Wat later een interview met Violeta Chamorro, de presidentskandidate voor de UNO. Ze glundert, overtuigd dat ze morgen een bureau kan laten inrichten in het presidentile paleis. s Avonds bij de eerste voorlopige resultaten, loopt de stad leeg. Niemand op straat, stilte alom. Mensen zitten binnen, luisteren naar de radio of kijken naar tv. De UNO wint, nipt, maar genoeg. De Italiaan Giuseppe, die ook een kamer bewoont in het doorgangshuis waar ik verblijf, had het niet durven denken of hopen. Maar eigenlijk, als je het nuchter bekijkt, hadden we het moeten weten, zegt hij. Iedereen is die smerige oorlog gewoon beu. En met de Sandinisten aan de macht blijft die oorlog verder razen. Wie kiest voor Violeta, kiest voor vrede. Niet voor haar partijprogramma, ook niet tegen de Sandinisten, maar simpelweg voor vrede. Hij heeft het bij het rechte eind. De Nicaraguanen zijn de verplichte legerdienst beu. De gedachte alleen al dat de kans groot is dat hun zonen sneuvelen in de gevechten tegen de contras. Maar ook de economische situatie heeft hen naar de UNO gedreven in het stemhokje. De economische boycot van de VS en de maatregelen die de regering intern nam.

Op een druk bijgewoonde persconferentie in het Olof Palme conferentiecentrum geeft de Sandinistische Junta schoorvoetend haar nederlaag toe. De strijdvaardigheid verliezen ze niet. Niemand zal ons de revolutie af kunnen pakken, roept hij door de zaal, de klok wordt niet teruggedraaid, no pasarn!. Gedurende de week die ik nog in Managua rondloop blijven de straten leeg. Niemand, zelfs niet de leiders van de UNO, voelt zich geroepen om de overwinning te vieren.

20

Halsstarrig als terpentijn


Vijftien jaar nadat de Sandinisten de macht overdroegen, in de zomer van 2005, trek ik door de voormalige oorlogsgebieden van Nicaragua, langs de Panamericano, de weg die zich als een kransslagader van Noord tot Zuid door het Amerikaanse continent snijdt. De ex-contras en Sandinisten proberen in de dorpen samen een uitweg te zoeken uit de hachelijke economische situatie die er elk jaar nog verder op achteruit gaat. Tijdens het Sandinistisch bewind was de armoede ondanks alles minder. De drie presidenten die na de Sandinisten aan de macht kwamen, slaagden er met een neoliberaal beleid in om Nicaragua in de top van de minst ontwikkelde landen te krijgen. Samen met Hati, het enige andere land van het Amerikaanse continent dat op deze lijst voorkomt. In de grensstreek tussen Honduras en Nicaragua, langs de Panamericano, vult de zoete terpentijngeur van de dennenbomen de afstanden tussen de houtvuurtjes waarop de rode bonen staan te pruttelen en men de mastortillas bruin bakt. De droge hitte en de matige wind zorgen voor een constante vervluchtiging. Een ongewone geur in de tropen en toch staan deze naaldbomenwouden in hun natuurlijke biotoop. Tenminste, de steeds meer gesoleerde plakken die halsstarrig blijven stand houden.

Een vijftal jaar geleden veegde de orkaan Mitch deze streek letterlijk van de kaart. Ze lijkt opgelapt. Dit wil zeggen: zolang je op de Panamericano blijft. Het asfalt is pekzwart, nog niet door zon en regen verbleekt. De nieuwe gele en witte wegmarkeringen steken des te feller af.

21

De lange rechte stukken wisselen af met sierlijk draaiende strengen die zich tussen de heuvels doorwringen. Zodra je je ook maar honderd meter van de weg verwijdert, vallen je ogen op de ravage die de orkaan aangericht heeft. Gescheurde wegen, gevallen bruggen, runes van houten huizen en scheuren in de grond, opengereten door het wassende water van de rivier. De toenmalige president, Arnoldo Alemn, beheerde zelf de reconstructie van het land en dus ook de fondsen. Hij concentreerde zich volgens zijn eigen woorden op de economische hefbomen, volgens de rest van het land vulde hij zijn zakken. Hij zit nu in de gevangenis, wachtend op een proces wegens corruptie en malversatie van fondsen. Samen met enkele gemeenschappen van de Caribische kust probeert de indiaanse bevolking in deze streek haar identiteit te bewaren. Even halsstarrig als de naaldbomen. Sterker, men probeert de originele taal, het Nahuatl dat lang geleden door het Spaans werd verdrongen, te reconstrueren en op scholen te onderwijzen. Via allerlei culturele uitwisselingsprojecten schakelt men indiaanse leraars uit Mxico in. Ik ben vanuit Managua meegereisd met Alan, een kleurrijke figuur. In de jaren zeventig was hij in de strijd tegen de Somoza-dynastie n van de comandantes van het gevreesde Zuidelijke Sandinistische Front. Maar na enkele jaren Sandinistisch beleid hield hij het voor bekeken en hervatte hij zijn studies. Hij kwam achtereenvolgens in Santiago de Chili en Parijs terecht en begin jaren negentig als antropoloog terug naar zijn vaderland. Hij heeft zijn dochter Maya bij zich. Haar moeder is Frans. Net als het accent van Maya. Ze is hier op vakantie, elke twee jaar komt ze uit Parijs om hier wat energie op te slaan, om weer met volle moed twee jaar in die dolgedraaide heksenketel mee te kunnen. Alan heeft een boerderij een vijftigtal kilometer ten zuiden van Ocotal, in de bergen rond Matagalpa. Boeren is een groot woord, lacht hij, noem het maar een priv-woud. Hij verzorgt er trainingen en cursussen rond chacras, klankschalen, yoga en andere Oosterse helingswijzen.

22

Vanachter het stuur vertelt hij waar het hier om draait. Zijn wijde, witte linnen broek, geel hemd, sportieve zonnebril en blinkend, kaalgeschoren hoofd geven me de indruk dat hij net als ik hier buitenstaander is. Niks is minder waar. Tussen december en april loopt deze streek jaar na jaar leeg. Alleen vrouwen, kinderen en ouderen blijven hier. Sommige emigranten raken tot in de VS om werk te zoeken. Maar de meerderheid trekt in die periode van droogte naar Costa Rica waar ze voor een hoog loon (voor Costa Ricaanse normen een hongerloon) het beste van zichzelf achterlaten in de bananenplantages, de koffie- en suikerrietoogst. Veel jongeren, zowel mannen als vrouwen blijven ginder wonen, mannen met gezinnen komen elk jaar terug om in de tussenperiode wat mas, bonen en rijst te zaaien en te oogsten, voor eigen verbruik. Ik had in Managua in de krant El Nuevo Diario, gelezen dat in Nicaragua bijna 50 % van het Bruto Nationaal Product afkomstig is van remesas, het geld dat door landgenoten uit het buitenland opgestuurd wordt naar hun familie. De grootste bron van buitenlandse deviezen. Ocotal, een stadje van een tienduizend inwoners, ligt in een vallei, net voor de laatste bergen die Nicaragua van Honduras scheiden. De laatste rustplaats voor de grens voor de vele vrachtwagenchauffeurs die hun lading doorheen Centraal-Amerika voeren. We verblijven in het huis van Doa Carmen. Een weduwe die in omzeggens elk gesprek trots aanhaalt dat haar zoon het tot advocaat geschopt heeft. Meer dan een hotel is het huis een gastenverblijf voor allerlei onderling geconnecteerde mensen die om de n of andere reden vanuit de hoofdstad enkele dagen naar deze streek komen. Reclame maakt ze niet. Alleen bekenden of bij uitbreiding bekenden van die bekenden komen er in. Het huis is koel, hoge plafonds. Alles geeft uit op een binnenplaats van een vijfentwintig vierkante meter die de allure van een stuk tropisch woud heeft. Ze is bedekt met planten en bomen. Af en toe valt een avocado van blad op blad, van tak op tak tot op de grond. Ook mango en bananen zijn er te vinden in deze miniatuurboerderij. Op een rekje bij de voordeur stalt Doa Carmen de overschotten uit voor verkoop aan voorbijgangers. De volgende dag heeft Alan een bijeenkomst georganiseerd van verschillende indianengemeenschappen in Mozonte, een groot reservaat op een tiental kilometer ten noorden van Ocotal. We arriveren stipt. Hier wil dat zeggen veel te vroeg, een uur misschien. Consuelo, de indiaanse burgemeester van Mozonte, neemt ons mee voor een rondleiding door haar dorp. De eerste halte is een rune van een immens gebouw. Onder het ingevallen dak werken we ons tot aan de binnenplaats. Het was van de Jezueten, zegt ze, die hadden hier verschillende ateliers waar men allerlei ambachten kon leren, vooral houtbewerking en keramiek. Het is inderdaad indrukwekkend, alle materiaal en machines staan er nog, sommige vernield, andere na een fikse opknapbeurt gebruiksklaar. Al tien jaar claimen we deze plaats, klaagt Consuelo, maar de overheid gunt ze ons niet. Jij bent toch de burgemeester, antwoord ik haar. Ja, maar het is tien jaar geleden onrechtmatig verkocht aan iemand die niet van hier is, en het gerecht wil ons niet in het gelijk stellen. Alan ziet mijn aarzelende blik en komt tussen. Dit is een reservaat en daarom is het verboden om gronden of gebouwen te verkopen aan niet-indianen. De grondwet zegt dat de gronden niet verkoopbaar zijn. En die grondwet zegt nog meer. Indianen hebben recht op hun eigen organisatievormen, op hun eigen autoriteiten. Dus eigenlijk moet men hier zelf kunnen beslissen wat met de gronden gebeurt, en niet enkele rechters van buiten het gebied. Ik begrijp dat de verkoop onwettig is. Maar waarom begrijpt een rechter dat niet?

23

Niemand kent de wet, zegt Consuelo, ze bestaat, maar niemand bestudeert ze, niemand kent ze, zelfs de rechters en advocaten niet. Alan neemt het over. Men blijft hier maar boerderijen in het reservaat verkopen aan vreemden. De indianen hebben natuurlijk ook geld nodig. Er is hier geen werkgelegenheid, die concentreert zich allemaal rond Managua. De notarissen bezegelen elke verkoop, maar wettelijk mogen ze dat niet. Ik vraag me af wat die inwijkelingen hier dan komen doen. Een totaal verdorde streek, die amper groen te krijgen valt met de regens. Het zijn vooral houthandelaars die hier grond opkopen, zegt Alan, en als er niet snel iets verandert, nemen ze de laatste pijnbomen mee, dan zal het pas dor worden. Al deze indianendorpen moeten verdwijnen, jammert Consuelo, totdat de laatste overgeblevene zegt dat hij niet meer wil bestaan. We zijn ondertussen beland bij een dagcentrum voor jongeren en vrouwen. Zij maken allerlei kunstwerkjes, vooral schilderijen en potten en beeldjes van keramiek, die via tussenhandelaars aan de toeristen gesleten worden. Hier komen toch geen toeristen?, zeg ik. Nee, zegt Consuelo, vooral in Managua worden ze verkocht. De bedoeling van dit centrum is eigenlijk in de eerste plaats om jongeren van straat te houden, zegt Alan. Omdat ze niets om handen hebben, en natuurlijk ook door de armoede, zijn er veel problemen met drugs en prostitutie. Via een opleiding tot pottenbakker of schilder trachten we hen weer op het rechte pad te krijgen, zegt Consuelo, en dat lukt ook voor veel jongeren, maar de grote meerderheid zullen we nooit bereiken. En een groot deel trekt naar de bananenplantages in Costa Rica, soms tijdelijk, maar meestal zien we ze niet meer terug. De streek loopt eigenlijk stilaan leeg.

24

We bereiken het gemeentehuis, de plaats van de bijeenkomst, ongeveer een uur te laat en dus op tijd. Een vijftigtal mensen, afgevaardigden van alle dorpen uit het reservaat, zitten op krukjes in een cirkel. Consuelo leidt de vergadering. Een verdere stap in het organiseren van de gemeenschappen in het reservaat. Het eerste uur gaat op aan klaagzangen over de huidige situatie. Een bejaarde man, die twintig kilometer afgelegd heeft op zijn paard, vat het samen in enkele zinnen. Gezien de rijkdommen van de streek zouden we tot de rijksten van het land moeten behoren. Maar omdat we geen toegang tot gronden en water hebben, behoren we tot de armsten. Tijdens de Spaanse inquisitie begon men onze taal af te nemen, onze traditionele kledij en de manier waarop we ons haar tooiden. Dat zijn we allemaal kwijt. Nu neemt men onze gronden af, onze bomen en daarmee ook onze dieren en de regen. Er rest ons nog alleen onze waardigheid. En als we ons nu niet organiseren dan verliezen we die ook.

25

Sandinisten en Contras, verenigt U


Op de terugweg naar Ocotal ontmoeten we ex-contraleider Rigoberto Ruz. Don Rigoberto, geboren in Matagalpa is veehandelaar en reist het ganse land af. In 1981 sloot hij zich aan bij de MILPAS, letterlijk vertaald masvelden, maar hier een letterwoord voor Antisandinistische Volksmilities, de contras dus. In het begin telde onze eenheid honderd tachtig strijders, maar na enkele jaren was ik commandant van een zeshonderdtal. De verschillende eenheden samen in het Noorden telden ongeveer zesduizend manschappen. Zelf bleef ik in de bergen tot 1987. Ik moest me tweemaal laten opereren aan mijn neus voor een infectie, nadien kon ik niet meer terug naar de bergen.

Waarom ben je eigenlijk de bergen ingetrokken?, vraag ik hem. De meerderheid van de strijders waren boeren, antwoordt hij. Wij sloten ons zeker niet bij de strijd aan om de macht te veroveren of het land te besturen. We vochten ook niet voor een terugkeer naar het verleden, de tijd van Somoza. Het is gewoon omdat de Sandinistische regering ons verraden heeft. Wij hadden hen geholpen om aan de macht te komen en zij installeerden een marxistisch bewind. Een bewind dat vanuit een stadsmentaliteit tegen het platteland aankeek. De contrarevolutie was een boerenstrijd. Of hij nu geen spijt heeft van die strijd?
26

Neen, waarom zou ik? Toen de Sandinisten inzagen dat ze ons niet uit het land konden drijven, hebben ze een wapenstilstand uitgeroepen en ons aan de onderhandelingstafel gezet. Ik heb daar met waardigheid al onze strijders vertegenwoordigd. Ik heb veel kritiek gekregen, akkoord. Omdat veel strijders niet op de hoogte waren van wat er in de onderhandelingsgesprekken verteld werd, hadden ze de indruk dat wij de contrabeweging verkocht hadden. Maar dat is niet waar. Ik herinner me nog dat ik in een onderhandelingsronde in Sapo gezegd heb: het woord overgave staat niet in het woordenboek van de strijders. Wij zijn niet naar Sapo gekomen om ons over te geven, we zijn gekomen met goede wil, om een realistische oplossing te vinden voor het probleem van Nicaragua. Maar godzijdank is alles nu voorbij, zucht hij. Inclusief de ruzies. We drinken nu koffie met onze vroegere vijanden. Ik denk dat we het proces van verzoening nu moeten verder uitbouwen. Ik ben terug naar Nicaragua gekomen omdat ik wegens verschillende voorvallen niet in Honduras kon blijven. Ik besefte dat er hier iets heel belangrijks stond te gebeuren. De gewapende strijd was niet meer aan de orde, de verkiezingen hadden daarvoor gezorgd. De poort voor de burgerstrijd werd wijd opengezet. En, vraagt Alan cynisch, heeft de strijd wat uitgehaald? Wat is er na vijftien jaar van verzoenen uitgekomen? Rigoberto, duidelijk verrast door de vraag, wikt zijn woorden. Wel, antwoordt hij, het gewapend conflict eindigde bij de verkiezingen in 1990, maar de nieuwe strijd, de verzoening van het Nicaraguaanse volk, was en is niet gemakkelijk, want je moet elkaar vergiffenis schenken. Vergeven maar niet vergeten, ontsnapt uit de mond van Alan. Dat is nu net het probleem want vergeven is vergeten. De verschillen, de wonden moeten vergeten worden. Vergeven is dus niet makkelijk. Op vergaderingen vroeg een vrouw het woord en zei: Ik verloor mijn kind. Een andere stond recht en zei: Ik mijn man, maar hier ben ik, om ons te herenigen. Als er diepe wonden geslagen zijn is vergeven een bittere borrel die je moet drinken. Maar ik denk dat we toch veel vooruitgang geboekt hebben. En wat op economisch vlak, blijft Alan volhouden, vind je dat er daar vooruitgang is geboekt?. Die vooruitgang hangt samen met de verzoening van de families, zegt Rigoberto resoluut. Ik hoef voor niemand te liegen, we zijn er slechter aan toe dan vroeger. Er is meer vrijheid van denken nu, maar geld hebben we nog steeds niet. Toen de oorlog stopte hadden wij ook geen gronden meer. En die hebben we nu ook niet. Nu gaan we samen met de Sandinisten betogen voor grond. De opeenvolgende regeringen hebben ons in de steek gelaten. Zakkenvullers. Er is maar n oplossing, een boerenpartij, nationalistisch en patriottisch. Een partij waarin zowel ex-contras als Sandinisten zetelen. Natuurlijk zullen er wel tegenstrijdigheden aan het licht komen, maar als we duidelijk voor ogen hebben wat we willen voor het platteland, dan kunnen we die wel overstijgen.

27

Nicas regalados
De grens tussen Nicaragua en Costa Rica, via de Panamericano in het Oosten nabij de Stille Oceaan, vormt geen bruuske overgang meer zoals tien jaar geleden. Aan beide zijden biedt het uitzicht niet meer dan immense veeteelt-ranches. Weiland, weiland en nog eens weiland. Hier en daar een breed uitwaaierende Guanacasteboom. De boom die de naam gaf aan deze provincie. Guanacaste maakt pas recent deel uit van Costa Rica. Een Nicaraguaans generaal van de Somozaclan schonk deze provincie ooit aan Costa Rica. In ruil voor enkele stuks vee, gaat het verhaal. De rest van de Costa-Ricanen noemt de inwoners van Guanacaste nog steeds nicas regalados, geschonken Nicaraguanen. De levenswijze, de taal en de eetgewoonten van de Guanacastecos mogen dan praktisch identiek zijn aan deze van hun noorderburen, ze beschouwen het als een zware belediging om zo aangesproken te worden. Ortega en Bolsn, twee dorpjes die in elkaar vloeien, situeren zich op het punt waar de Tempisquerivier zich zuidwaarts breed in de golf van Nicoya stort. Het is het begin van het schiereiland Nicoya. De dorpen zijn afgelegen en moeilijk te bereiken. De zandwegen die vanuit de stadjes Filadelfia en Santa Cruz naar de dorpen vertrekken zijn gedurende een lange periode in het regenseizoen onberijdbaar. Deze streek in het Noordoosten van Costa Rica kent anderzijds een lang droog seizoen, minstens zes maanden, en aan de bewoners te horen duurt deze periode steeds langer. Ook in het regenseizoen regent het minder vaak dan vroeger, maar als het dan regent, valt alles tegelijkertijd uit de hemel, zegt Martn Gutirrez. In deze streek, gedomineerd door grote ranches, kan je Martn moeilijk als veeboer beschouwen. Hij beheert sinds een twintigtal jaar de zestig stuks vee van Coopeortega. Een coperatieve die opgezet werd door een twintigtal jongeren om aan de werkloosheid te ontkomen en het leeglopen van de streek tegen te gaan. De jongeren zijn nu veertigers en wonen nog steeds in Ortega en Bolsn. Veel hebben ze niet, maar toch voldoende om hun leven hier niet op te geven.

28

We lopen achteraan, op een tiental passen van de rest van de groep. Op de boerderij van de coperatieve is het feest vandaag. Oogstfeest. De laatste stengels suikerriet werden gisteren binnengehaald. Vroeger stond de hele boerderij vol, zegt Martn, nu nog maar een tiental hectare. De prijs die we van de raffinaderij krijgen is meestal niet eens voldoende om de oogstarbeid te betalen. Maar toch is het feest vandaag. Eerder omdat we van het werk verlost zijn en voor een deel ook wel uit gewoonte, lacht hij. De hoevegebouwen zijn mooi versierd. Zoals steeds en overal met slingers in de kleuren van de Costa Ricaanse vlag: blauw, wit, rood. Kokosbladeren zijn zorgvuldig over bamboegeraamten geweven om niet iedereen in de zon te zetten. De oude trapiche, een molensysteem dat met de hand bediend wordt om het sap uit het suikerriet te persen, is voor de gelegenheid in werking gesteld. Een twintigtal kinderen staat netjes achter elkaar in de rij om een bekertje van het hemelse drankje te bemachtigen. Viviana begroet me met een extra bekertje. Leuk om jou nog eens te zien. Ik had het moeten weten. Als het feest is... Ortega is haar achternaam. Naast Gutirrez omzeggens de enige achternaam die hier voorkomt. Een oude man vertelde me ooit dat dit een logisch verschijnsel is. Als er nooit mensen van buiten het dorp bijkomen, dan krijg je dat. Er zijn alleen maar mensen die vertrekken. Iemand die hier niet geboren is, wil hier niet komen wonen, ook al trouwt men met iemand van hier. Iedereen moet hier dus ondertussen familie van iedereen zijn.

Viviana is alleenstaande moeder. Soms raakt ze als bij wonder zwanger en zelfs haar oude moeder waar ze een woning mee deelt, komt dan uit de lucht vallen. Dag Viviana, je straalt weer. Ze lijkt nog magerder dan weleer. Nog breekbaarder. En de kinderen?, vraag ik. Goed, goed, alleen Marcos blijft sukkelen met zijn astma-aanvallen. Astma. Een ziekte die ook hier de laatste jaren veld wint. In elke familie is er wel iemand die er aan lijdt. En de coperatieve? Redden jullie het? De coperatieve is een heel andere vraag, zegt ze, daar kan ik moeilijk goed op antwoorden. Je weet dat we enkele jaren beslist hebben om minder suikerriet te planten. De vrouwen zijn toen begonnen met kleine groenten- en kruidentuintjes. Dat lukt goed, maar veel meer dan wat we zelf opeten, oogsten we niet. Dus extra geld brengt het niet in de lade.

29

Je moet wel minder kopen, werp ik op. Ja, dat is waar, ik denk dat vooral ons dieet beter is dan vroeger. Vroeger aten we alleen rijst met bonen met een ei of af en toe een stukje kip. Ik vermoed dat we nu meer vitaminen binnenkrijgen. En voor de rest?, vraag ik, maar voor ons begint de lokale dansgroep aan hun voorstelling. Een twintigtal jongens en meisjes, tussen zes en zestien jaar, geven het beste van zichzelf. In typische klederdracht brengen ze mooi gestileerde pasjes voort op het ritme van traditionele muziek. Soms als paren, soms alleen. De typische klederdracht heeft meer te maken met de Spaanse koloniale periode dan met de Chorotegas, de indianen die deze streek bewoonden en waarvan er nog ongeveer vijfduizend overblijven in een reservaat in de buurt. Voor de meisjes lange zwarte hoepelrokken met rode boorden en witte hemdjes met kleurrijke bloemmotieven aan de hals en de uiteinden van de mouwen. De jongens van hun kant, zwarte katoenen broeken, een wit hemd, een rood sjaaltje en een echte cowboyhoed. De muzikanten staan in een hoekje onder een gemproviseerd palmdak. Met vier slaan ze met hun stokken die op het uiteinde een wollen bol hebben, op een grote marimba. Een lokale versie van de xylofoon. Alle vier hebben ze hun eigen deel op de notenbalk, van bas tot sopraan, ritme inbegrepen. Met je ogen toe denk je dat je een orkest hoort. Viviana vertelt me dat de marimba eigenlijk een typisch Afrikaans instrument is. Verbaasd kijk ik haar aan. Dit is hier toch altijd geweest, het is het typische instrument van de indianen van Mexico tot hier. Blijkbaar is het binnengebracht door de slaven in het begin van de koloniale periode en via de Westkust van Centraal-Amerika afgezakt tot hier, verontschuldigt ze zich haast. Als je goed kijkt zie je toch veel mensen met kroezelig haar. De Afrikanen zijn ook tot hier afgezakt. Nu zijn er geen meer, maar hun bloed zit hier wel in dit volk. Dus de eerste Afrikanen in dit land kwamen niet in Limn toe voor de spoorweg? Stilaan, naarmate de namiddag vordert, wisselen de muzikanten de traditionele Guanacasteekse wijsjes in voor Mexicaanse drinkliederen. Canta y no llora, por que cielito lindo, los corazones, Ween en huil niet, omdat, mijn liefje, de harten.... Zelfs La Bamba. Samen met Martn en nog enkele anderen laten we het feest voor wat het is. De rivier Tempisque ligt maar op n kilometer van deze plaats. Daar hebben de coperativisten hun bootjes liggen. Een nieuwe geldbron. De landbouw vertoont steeds meer problemen, vertelt Martn, in het regenseizoen valt er soms gedurende maanden geen druppel uit de hemel. Je zaait mas of bonen bij de eerste regens. Dat is altijd zo geweest. Maar nu stopt het met regenen en na enkele weken verdrogen de scheuten, vult Viviana aan. En irrigatie?, stel ik voor. Of ik met d oplossing kom aandragen. Wie gaat dat betalen?, zeggen ze in koor. Het grootste deel van de honderd hectare ligt braak. Op sommige plaatsen helpen we de braak wat vooruit, zegt Viviana, door bomen te planten. Lokale bomen van hier, vooral Guanacaste, die trekt de oorspronkelijke vogels terug aan. Voor we de rivier bereiken lopen we door een bufferzone van vijftig meter breed. Struiken, bomen en gekwetter van vogels. Maar ook een kudde brulapen slingert over onze hoofden. Oppassen!, roept iemand uit de groep, als ze de kans krijgen pissen ze op je hoofd.

30

Aan de rivier liggen twee bootjes op de oever. Om bij het water te raken moeten we van een steile wand van bijna twee meter naar beneden klauteren. Vroeger stond het water bijna altijd gelijk met de oever, zegt Martn, nu ofwel twee meter lager, ofwel twee meter hoger. Er komt een bootje uit de bocht gevaren, de voorsteven onder een hoek van bijna vijfenveertig graden de lucht in, enorme golven crerend in het kielzog. Oldemar heeft er zin in, lacht iemand. Hij zal zeggen dat hij ze toch moet testen vooraleer passagiers mee te nemen, zegt Viviana met een uitgestreken gezicht. Oldemar neemt ons in zijn kunststofboot met zware buitenboordmotor mee stroomafwaarts. Aan de andere oever ligt een groot natuurpark. Het enige echte tropische droog woud dat hier nog overgebleven is, zegt hij. Ik mag niet te lang wegblijven. We moeten er vaart achter zetten. Oldemar heeft buiten zijn activiteiten bij de coperatieve nog een job als ober in het caf van zijn vader. Hij trekt zijn gezicht, zwartgebrand door de zon op het water, in een plooi alsof hij een snelrace gaat beginnen. Rustig, Oldemar, we willen ook wel wat zien, je gaat alle dieren wegjagen, waarschuwt Martn.

Op en rond het water valt inderdaad veel te zien. Allerlei soorten reigers, roofvogels, apen, hier en daar een toekan, een ara, een enkele krokodil. De mangroves zijn echter het meest adembenemend. Het kluwen van wortels die zich in alle mogelijke bochten rond elkaar vastgezet hebben in het ondiepe water lijken gruwelijker dan ooit. Het is eb en de Tempisque stroomt leeg. Bij vloed vloeit het zeewater hier binnen en valt er van de mangroves niet veel te zien. In de verte duikt een brug op. Een brug van enkele kilometer breed die vorig jaar in gebruik genomen is. Een investering van de Zuid-Koreanen, roept Oldemar me toe. In ruil voor deze constructie over de rivier die het vasteland met het schiereiland verbindt, kregen ze de visrechten in de Costa Ricaanse territoriale wateren aan de Stille Oceaan.
31

En de vissers? Dat zijn er steeds minder, antwoordt Viviana. Ze zijn niet georganiseerd en niemand verdedigt hun belangen. Het is alsof ze niet bestaan. Iets verder komen we bij het dorpje waar de ferry Nicoya met het vasteland verbond. Dit was tot enkele jaren geleden een welvarend dorp, volgebouwd met cafs en restaurants, winkeltjes en allerlei zaken die het wachten van de reizigers op de ferry verzachtten. Nu ligt de ferry half gekapseisd in de Tempisque en de gebouwen staan leeg. Op sommige plaatsen ontbreken er golfplaten op het dak, op andere stukken gevel. De tijd vernielt. Op de terugweg stel ik mijn vraag opnieuw aan Viviana. En voor de rest? Ze lacht. Wel zoals je kan zien. Het is leuk op de rivier varen en gids spelen. Maar voor de vrouwen is dat niet weggelegd. Buiten de tuintjes zijn we niet meer met landbouw bezig. We zijn nu wat jij een toeristische coperatieve zou noemen. En blijft het dorp leeglopen? Ja, meer dan ooit. De suikerrietplantages nemen tegenwoordig liever Nicaraguaanse werkkrachten aan, die zijn goedkoper. En de oogstperiode is trouwens elk jaar korter. Dit jaar was het zelfs geen twee maanden meer. Daar kan je geen jaar van leven. De mannen vertrekken naar Limn om te werken, de vrouwen proberen aan de slag te komen als huishoudster in de Centrale Vallei. Maar ook daar is de concurrentie met de Nicaraguanen groot. Martn moeit zich in het gesprek. De veeteelt blijft ook toenemen. En zoals runderen hier gehouden worden, heb je slechts n persoon nodig voor elke vijfhonderd hectare. Ze lopen gewoon los, op slechte weilanden met weinig of geen gras, maar zo groot dat de beesten wel altijd iets vinden. Dus, wat verwacht je dan? zucht Viviana Er is hier voorlopig geen toekomst. Enrique is vorige maand terug naar San Jos vertrokken, zegt Martn, hij was teruggekomen om zijn verwaterde idealen te herwinnen, maar honger heeft hem weer doen vertrekken. Nu de naam valt, herinner ik me Enrique, de broer van Viviana. De coperatieve vaardigde hem af naar San Jos. Hij ging binnen de nationale koepel van boerenorganisaties werken. Trouwde met een gemancipeerde vrouw uit Limn, kreeg twee kinderen en kon het leven in de hoofdstad niet meer aan. Hij kwam terug om zijn vroeger leven te hernemen, inclusief zijn verwaterd machismo. Zijn vrouw, ex-vrouw vanaf dat moment, bleef met de kinderen in San Jos. Hij riep zichzelf uit tot boer, maar met de auto die hij meebracht uit de hoofdstad werkte hij vooral illegaal als taxichauffeur. Was het honger of is hij terug naar zijn vrouw en kinderen?, vraag ik belangstellend. Honger. Zijn vrouw en kinderen wonen terug in Limn.

32

Op doorreis in San Jos


San Jos, de hoofdstad van Costa Rica, ligt in de Centrale Vallei, het Mekka van de elite, de toestromende massas armen (op doorreis of om te blijven) en de provinciehoofdsteden. Vijf van de zeven Costa Ricaanse provinciehoofdsteden liggen in de centrale vallei, op een oppervlakte niet groter dan de provincie Vlaams-Brabant, op een afstand die niet meer dan tien tot twintig kilometer bedraagt van de n tot de ander. De provinciale indeling van het land lijkt op een versneden taart, de welvaart zit in de punten. Decentralisatie, het modewoord van de jaren negentig, is dus relatief. De buitenbeentjes zijn de havenprovincies, eerst Puntarenas en vanaf het begin van de 20ste eeuw Limn.

Om met de deur in huis te vallen: San Jos is geen mooie stad. Aan het woord Manrique Sibaja, gelegenheidsgids, een Josefino zoals men de inwoners van de hoofdstad noemt. Voor de onafhankelijkheid in 1821 was Cartago de hoofdstad van Costa Rica. Niet dat Cartago mooi is, maar er zijn nog wel enkele mooie plekjes. Hier is eigenlijk niks meer overgebleven van de weelde van de Spaanse kolonie. Er zijn nog wat mooie recentere gebouwen in San Jos, maar die staan ingesloten tussen lelijke betonblokken. Manrique werkt in de gevangenis. Als advocaat verdedigt hij de rechten van de gevangenen. Hij verbleef lang in Talamanca, het grote indianenreservaat in het Zuidoosten van het land, om de rechten van de Bribri en Cabecar te verdedigen. In wezen is er geen verschil tussen nu en vroeger, zegt hij, ze hebben allebei geen rechten. Hij kwam terug omdat hij het culturele

33

leven in de hoofdstad niet kon missen. Theater, muziekvoorstellingen, tentoonstellingen, vrienden, ik deed niks dan werken in Talamanca, wat moest ik anders? Als zijn werkdag nu afloopt, gaat hij klanten bezoeken. Hij is genezer. Met zijn stenen en technieken om energie over te dragen tracht hij zieke mensen er weer bovenop te krijgen. Nee, je weet het, ik vraag geen geld voor de visites, zegt hij wanneer ik onder het stappen mijn fronsend voorhoofd naar hem omdraai. Ik heb de kans gekregen om de noodzakelijke kennis en ervaring onder de knie te krijgen, en dat is meer dan genoeg. Ik geef gewoon terug wat ik gekregen heb. Filosofische woorden voor San Jos. In dit beroep bestaat er meer dan n geldafzetter. San Jos heeft zich zij aan zij met de onafhankelijke republiek ontwikkeld, herneemt hij het onderwerp. We stappen in het centrum door de Avenida Central, de straat die de stad van het Oosten naar het Westen doorkruist. De meeste gebouwen die het uitzicht van de stad verfraaien zijn gebouwen waar de regering en het parlement zetelt of ooit gezeteld heeft. De eerste vorm van democratie vond ingang in 1889, ratelt hij zijn gidstekst af. Het stelde niet veel voor. Een tweepartijenstelsel (wat er nu nog steeds is), en de scheiding van kerk en staat. En de echte democratie dan?. Democratie is immers ht woord waar iedereen mee uitpakt. Costa Rica is ht toonbeeld van democratie, het Zwitserland van Centraal-Amerika is dan meestal het vervolg van het discours. Tussen 1940 en 1948, vervolgt Manrique, kwamen de christen-democraten aan de macht. Zij sloten een coalitie met de communistische partij. Deze regering voerde de minimumlonen in, de achturendag, gezondheidsverzekering en het vakbondsrecht. Jullie mogen de communisten dan toch voor iets dankbaar zijn... Fout. De toenmalige president, Caldern Guarda, haalde zijn mosterd in Belgi. Vooral het systeem van de sociale zekerheid. Hij leerde snel hoe het moest tijdens zijn universitaire studies in Leuven. Zijn eerste vrouw was trouwens Belgische, slechts enkele Costa Ricanen weten dat, ze kon geen kinderen krijgen en werd al snel vervangen. Ze is oud geworden en pas enkele jaren geleden in San Jos gestorven. Vandaar, ik meen me te herinneren dat hier enkele gebouwen staan die door Belgische architecten ontworpen zijn. Inderdaad, zegt hij plechtig, Caldern had ze in Belgi leren kennen. Het Nationaal Theater is n van die gebouwen. Het andere is la escuela metlica. Een school die opgetrokken is uit puur metaal en geel geverfd. Maar deze democratie bleek op andere vlakken toch niet zo democratisch te zijn. In 1948 woedde er gedurende enkele dagen een burgeroorlog. Juist, schertst hij, ik verdoe mijn tijd. Ik beweer ten stelligste van niet. Ik heb nooit de energie gevonden om meer dan enkele weetjes uit een oude toeristische gids te halen. In 1948 winnen de liberalen de verkiezingen. De regering verklaart ze ongeldig en een korte burgeroorlog breekt uit. De liberale anticommunisten winnen. Liberaal en anticommunist, valt dat te verenigen?, vraag ik. Ze noemden zich liberalen, nu noemen ze zich sociaal-democraten. Maar iedereen is het eens dat ze eigenlijk ook conservatieven zijn, en in wezen verschillen ze niet van de christendemocraten, zelfs hun programmas zijn identiek. In elk geval, ze stelden de communistische partij buiten de wet. En toen was er de echte democratie, raad ik. De meerderheid van de mensen dacht dat de nieuwe regering alle sociale verworvenheden zou afschaffen, negeert Manrique mijn uitspraak. Het tegendeel was waar. De nieuwe

34

grondwet in 1949 ging zelfs veel verder. President Figueres schafte eerst en vooral het leger af. Nog steeds een unicum in de wereld. Hij voerde landhervormingen door, vrouwen kregen stemrecht, hij nationaliseerde de banken en de verzekeringen, en hij gaf ook stemrecht aan zwarten en indianen. Dat laatste moet je natuurlijk met een korrel zout nemen. Je kan immers niet naar het stemhokje trekken zonder je identiteitskaart. En indianen hebben dat nog maar sinds een decennium, herinner ik mij. De twee partijen, de christen-democraten en de sociaal-democraten blijven elkaar afwisselen aan de macht, zowel in het parlement als voor het leveren van de president. Bij de laatste verkiezingen, in 2002, kwam er een derde partij op de proppen, afgesplitst van de sociaaldemocraten en ze won prompt twintig percent van de stemmen. Maar die hebben ondertussen ruzie onder elkaar, las ik in de krant. Ja, eigenlijk hebben ze al opgehouden te bestaan en draait alles weer als voorheen. Nog n pittig detail haalt Manrique aan. In 2004 werd eerst de vorige president in hechtenis genomen wegens corruptie tijdens zijn ambtsperiode (hij moest aftreden als voorzitter van de prestigieuze Organisatie van Amerikaanse Staten), twee weken later de derde laatste president, ook wegens corruptie, hij had geld ontvangen van het Franse Telecom voor telefoonlicenties. En onlangs is er een internationaal aanhoudingsbevel uitgeschreven voor de voorlaatste president, ook wegens een geval van corruptie. Hij heeft echter laten weten dat hij in Genve zal blijven, dat hij in Costa Rica niks te zoeken heeft. Hij was voorzitter van het Wereld Economisch Forum in Genve. Maar sinds dat aanhoudingsbevel is dat ook al geschiedenis. En van de drie is de zoon van Caldern Guardia, de tweede is de zoon van Figueres. Zo zie je maar. In elk geval is het hoopgevend dat het gerecht ingegrepen heeft, zeg ik, in veel landen zou dit nooit aan het licht komen. Wat later bereiken we het treinstation naar de Atlntico. Het is sinds begin jaren negentig niet meer in gebruik en totaal vervallen. Het is de enige plaats in San Jos waarvan de architectuur Caribisch is. Opgetrokken door Minor Keith, zegt Manrique fier. Alsof ik dat niet zelf had kunnen vermoeden. De cafs en eethuizen rondom het station die floreerden in de periode waarin de trein reed, liggen er verlaten bij. In n ervan zitten vier oudere zwarten aan een tafel domino te spelen. De luide klappen van de handen die het afleggen van de dominosteentjes op de tafel begeleiden, roepen het vertrekken van de trein op.

35

Tegen de bergwand naar boven


Het huis van Yamilet ligt op een tiental kilometer van het centrum van San Jos. Hoog tegen de zuidelijke bergwand van de Centrale Vallei. In de wijk Alajuelita. Een wijk die bij het uitspreken van de naam, angst oproept. Volgens de Ticos een uiterst gevaarlijke buurt, de plaats waar de criminaliteit zich geconcentreerd heeft. Wanneer ik op het ijzeren hek tik dat op enkele meters voor het huis staat en Upe roep, de doorsnee uitroep in San Jos als je voor een deur staat, hoor ik in de kamer een ya voy, ik kom al. Het gerammel van sleutels en een eerste slot dat geopend wordt, dat van de houten deur. Wanneer die opengaat zie ik de gitzwarte ogen van Yamilet door de tralies van het hek in de deuropening. Ze lijkt geen haar veranderd. Dik zwart haar, mooi lichaam en een lieve snoet. Wat later draait ze het derde hek open en kan ik binnen. Een kus op de wang. Kom binnen, kom binnen. Waar danken we dit bezoek aan? Ik vertel haar dat ik op doorreis ben en wat tijd over heb, net genoeg om haar te bezoeken. Je hebt vooral geluk dat je me hier aantreft, zegt ze. Ik werk zeven dagen op zeven. Van tien uur s morgens tot elf uur s avonds. In een restaurant. Alleen vandaag, omdat het zondag is, mag ik wat later beginnen. Jij weet ook niet van ophouden, is het enige wat ik over mijn lippen krijg. Zeven dagen op zeven, van s morgens tot s nachts. Het zal nu niet lang meer duren, zegt ze vrolijk. Beto en ik hebben onze spaarcenten samengelegd en een boerderijtje gekocht in de Zona Norte, tegen de Ro San Juan, op een boogscheut van Nicaragua.

Beto, haar man, werkte vroeger met contracten van korte duur, vooral in de bouw, maar later bij een priv-bewakingsfirma, d toekomst van Latijns-Amerika. Er zijn nu al meer privbewakers dan politieagenten. Beto is nu politieagent, zegt ze. Het ligt in onze bedoeling om voor het einde van 2005 wat koeien te kopen en daar te gaan wonen. Beto zou overgeplaatst kunnen worden naar ginds. Ik straal, voel me gelukkig. Ik ben blij in jouw plaats. Ik dacht al dat je je zou kapot werken in San Jos. Sommige mensen die hier tegen de bergwand terechtkomen in de krottenwijken blijken er toch in te slagen om nog ooit weg te raken. Een verhaal dat in de toekomst de jongeren weer vol moed naar de hoofdstad zal laten emigreren. Als men maar hard werkt, kan men rijk terugkeren, zal de moraal zijn. Ik leerde Yamilet kennen toen ze in een schooltje werkte aan de andere kant van San Jos. Poetsen en kinderoppas. Elke ochtend zeulde ze haar twee dochtertjes van twee en vier jaar met zich mee door de stad. Van de ene bus op de andere, sommige stukken te voet overbruggend. Anderhalf uur was ze elke dag onderweg. Ik vraag haar of ze zich die tijd nog herinnert.

36

Wat zou ik me dat niet meer herinneren, lacht ze. Mijn benen waren s morgens wanneer ik wakker werd nog steeds opgezwollen. En je werkte eigenlijk voor een hongerloon. Wat jij niet weet is dat ik het kleuterschooltje voor de kinderen ook moest betalen. De directrice zei me dat ik ze maar niet moest meebrengen. Ze deed er iets af, maar veel hield ik toch niet over. De kinderen hebben het wel goed gehad in die school. En hoe is het met de buurt? Heel goed, knikt ze bevestigend. We hebben al enkele jaren de eigendomstitels van de grond en het huis dat we hier gebouwd hebben. We hebben ons goed georganiseerd hier. Er is waterleiding, elektriciteit. We hebben zelfs een telefoonlijn. En de criminaliteit?, waag ik. Die is er niet, antwoordt ze. Dat zijn fabels. Als er in San Jos iets gebeurt, zeggen ze dat het iemand van Alajuelita moet geweest zijn. Omdat hier zo veel Nicaraguanen wonen. Die zijn steeds de kop van jut. Wendy en Gwendolyn verschijnen in de deuropening. Reusachtig komen ze me voor na zoveel jaren. Wendy is veertien ondertussen, Gwendolyn twaalf. Ze trekken me mee naar de slaapkamer. Kijk hier, fotos van vroeger. Herinneringen aan vervlogen tijden. Dan vertelt Gwendolyn een verhaal over koeien, weilanden en het huis dat ze gaan bouwen in de Zona Norte. Een immens huis van hout, op palen verheven boven de grond, binnen vol spiegels en bloemen. Alle bloemen van de wereld vind je in de Zona Norte, vertelt ze me enthousiast, en van elke bloem ga ik eentje in een pot planten en in huis zetten. En als je wil kan ik er ook voor jou opsturen. Op zijn minst toch een foto van al die bloemen.

37

De Reventazn geeft en neemt


In de schaduw van n van de bananenplantages, een twintigtal kilometer ten noorden van het Caribische stadje Siquirres, ligt Bambusal, een strook land van enkele honderden meters breed en een tweetal kilometer lang. Het ligt ingesloten tussen de bananenplantage aan n zijde en de rivier El Reventazn aan de andere zijde. El Reventazn ontspringt in de centrale bergketen ten Zuiden van de laagvlakte, net onder de krater van de uitgedoofde vulkaan Turrialba, en davert van meer dan drieduizend meter hoog de kustvlakte in, over een afstand van niet meer dan tachtig kilometer. De tropische slagregens stuwen van tijd tot tijd een enorme hoeveelheid water door de bedding. De combinatie van het grote hoogteverschil en de relatief korte afstand zorgt ervoor dat de rivier beneden nogal woest te keer kan gaan. Vandaar ook de naam Reventazn, de uitbarsting. Jaarlijks sleurt hij stukken oever stroomafwaarts met zich mee en brengt land van hogerop naar de oever van lagergelegen plaatsen. Bambusal ziet er dan ook elk jaar anders uit. Bambusal, zoals de naam zegt, was vroeger een moerassig deel van de bananenplantage waar bamboe gekweekt werd. Bamboestokken doen voor van alles en nog wat dienst in de bananenplantages, maar vooral als ondersteuning van de bananenplanten. Het enorme gewicht van de trossen trekt ze immers snel naar de grond. De plassen vermijdend, loop ik het erf op van het huis van Josu. Het huis oogt onveranderd. Hier en daar is het hout wat aangevreten, maar het zinken dak lijkt onlangs vernieuwd. Het ligt op een steenworp van de rivier. De twee meter hoge balken zijn geen overdreven luxe. Een breed overdekt terras aan de voorkant, in het midden een deur met aan weerszijden een raam zonder glas dat s nachts met een houten luik gesloten wordt. De brede trap naar boven komt uit in het midden van het terras. Onder het huis, tussen de steunbalken, stapels rommel. Landbouwgereedschap. Er liggen enkele honden sista te houden en een kleine afspanning herbergt een dozijn broedende kippen. Tussen het gaas schieten kuikentjes in en uit. Met een krachtig upe meld ik mijn bezoek aan. Gerommel onder het huis. Het hoofd van Josu verheft zich boven een stapel oude wandplaten. Zijn kastanjebruin haar onder de spinnenwebben. Kijk dat eens aan! Waaraan hebben we dit wonder te danken? Een stevige handdruk die hij met zijn linkerhand nog eens omsluit. Josu is een tijdje gaan werken voor de boerenvakbond in Gucimo, als voorlichter. Met een moto reed hij de zone door om boeren ervan te overtuigen biologisch te telen. Na een tijdje droogde het Europese geld voor het project op. Nu is hij terug thuis, bij zijn vrouw, had men mij in Gucimo verzekerd. Meer dan ooit. Hij logeerde in die tijd op een opplooibaar matrasje tussen de schrijftafels op zijn kantoor. De verleiding was te groot om s avonds de eenzaamheid weg te drinken in de kroegen. Zoals zoveel anderen, verloor hij zich in de zwoele nachten van het stadje. De laatste keer dat ik hem in Gucimo zag, leek hij zich gesetteld te hebben. Hij was ingetrokken bij een vrouw uit het nachtleven, en bij haar vier kleine kinderen uit vroegere relaties. Maar nu heeft hij zijn verleden hervat.

38

We zitten met uitzicht op de rivier. Uren en dagen heb ik op deze houten trappen zitten babbelen met Josu, zijn eerste vrouw en hun kinderen. De zoon heeft het bedrijfje nu overgenomen, de dochter vertrok enkele jaren geleden naar de stad. Josu raadt mijn gedachten als ik naar de stapel trossen van kookbanaan kijk naast de weg. We hebben nochtans om het even wat geprobeerd, guanbana (zuurzak), ananas, zoete bataat, cacao. Wat hebben we niet geprobeerd? Telkens opnieuw ging het een tijdje goed, soms was er zelfs oogst en kregen we die verkocht aan de handelaars die hier passeren voor de kookbananen. Maar telkens opnieuw waren we er aan voor de moeite. Na een tijdje rotte de oogst langs de weg, probeer ik. Tussenhandelaars zijn machtige mensen. Als ze ergens anders boeren vinden die voor minder willen verkopen, dagen ze niet meer op. Hetzelfde als ze hun spullen in de stad niet verkocht krijgen. Van contracten willen ze niet weten. Nee, de rivier, zegt hij. Hij loopt hier de laatste jaren steeds frequenter over het terrein en kookbanaan blijkt het enige te zijn dat min of meer overeind blijft of op zijn minst snel terug herstelt. Met een glimlach vraag ik hem of ze dan nog steeds profiteren van de piloten van de bananenplantage die knipogend steeds een beetje verder vliegen en de bestrijdingsmiddelen ook over hun kookbananen sproeien.

39

Ja, we moeten nog steeds hals over kop onze spullen bij elkaar rapen en maken dat we wegkomen wanneer we het gebrom in de verte horen. Zoute toastjes met geprepareerde tonijn uit blik, enkele glazen verdund limoensap en een kan warme, sterke koffie, zijn de brandstof om wat later de nederzetting te doorkruisen. Op dit smal, langgerekt stuk land wonen een dertigtal boerenfamilies. Een dubbelzinnige situatie. s Morgens voor dag en dauw zijn ze al druk in de weer als arbeider in de bananenplantage: zieke bladeren afhakken, pesticiden spuiten, kunstmest strooien, planten stutten, en oogsten. Oogsten blijft slavenarbeid, klaagt Josu. Met een machete, een hakmes, moeten we de planten op iets meer dan een meter hoogte doorhakken, de top komt naar beneden en we snijden daar de tros af. We dragen ze ongeveer 50 meter op onze rug, ze wegen toch tussen 35 en 50 kg, en hangen ze op een haak aan een kabelspoor. Wanneer er genoeg trossen achter elkaar hangen, en dat kan tot veertig vijftig gaan, trekken we de ganse rij, via een band rond ons middel tot aan de plaats waar de bananen gewassen en ingepakt worden. Een hels karwei.

Tegen de middag gaan de mannen van Bambusal met hun oudere zonen naar huis, een stevig middagmaal, een sista en dan hun eigen velden op. Ik herinner me plots een gesprek dat ik een tiental jaar geleden met Josu voerde. Ik vroeg hem waarom ze op hun eigen veldjes alleen maar kookbanaan telen, of ze dan nog niet genoeg hadden van al die bananen? We weten hoe je bananen moet telen, eigenlijk kunnen we niks anders. We zijn niet van hier en de grond en het klimaat zijn heel verschillend van waar we vandaan komen. Een twintigtal jaar geleden moet het nu zijn dat ze de gronden bezet hebben. Allemaal werkten ze in n van de bananenplantages in de buurt en waren het beu om in de arbeidershuisjes van de plantage te wonen. De gronden lagen al jaren braak, teveel risicos voor bananenteelt, de rivier is te woest. Dat was althans wat de bedrijfsleiders zeiden. Van zodra de arbeiders de gronden hadden ingenomen, de typische woningen bestaande uit wat staketsels, verroeste ijzeren golfplaten en vooral dikke zwarte plastic zeilen, hadden opgebouwd, en de eerste aanplanten van kookbananen opdoken, begon de heibel. We werden

40

constant bedreigd, geregeld werd alles vernield en werden we weggeleid door de politie, vertelt Josu. Er valt enige fierheid in zijn ogen te lezen. Hij weet ook wel dat ik besef dat ze de strijd nooit hebben opgegeven. De vakbond van bananenarbeiders waartoe ze behoorden, had al snel een vakbond voor autonome boeren opgericht, had hen georganiseerd en geholpen bij hun landbouwactiviteiten en de verkoop van hun bananen. Ze bespeelden ook de pers zo goed en zo kwaad mogelijk. Een quasi onmogelijke taak was dat, vertelt Josu, deze maatschappij verkiest de veiligheid al jaren boven de gerechtigheid, en alles wat tegen de rijkdom van enkelen ingaat, of enigszins naar uitingen van armoede ruikt, creert een onveiligheidsgevoel en moet dus niet geweten zijn. De pers doet daar gretig aan mee. Het wordt alleen maar erger. We komen voorbij het huis van Don Felipe. Tussen de steunbalken heeft hij elf hangmatten voorzien. Evenveel matten als mensen, lacht hij. We slapen hier meer dan boven. Don Felipe woont hier met zijn vrouw, zijn acht kinderen, tussen twee en achttien jaar, en zijn kleindochter. Het is ondertussen al bijna twintig jaar geleden dat Felipe met zijn vrouw in deze streek strandde. Hij kwam vanuit Nicaragua naar hier. Om seizoenarbeid te verrichten, maar ik bleef in de bananenplantages werken. Te goed betaald voor een Nica, grapt Josu. Voor mij was het in elk geval een fortuin, zegt Felipe, dat kon ik in Nicaragua nog in geen tien jaar verdienen. Na zes maanden zwoegen besloot hij zijn lief te gaan te halen. Ze trouwden nog snel in Nicaragua en voegden zich bij de grondbezetters in Bambusal. Mis je Nicaragua dan niet, vraag ik. Ik ben nooit meer terug gegaan, zelfs niet op vakantie, zegt hij. Josu vertelt me wanneer we verder wandelen dat Felipe het niet gemakkelijk heeft. Je vraagt je af hoe ze leven, zegt hij. Alleen Felipe en zijn oudste zoon van zestien werken, maar het zijn wel twaalf monden die ze moeten voeden. Zijn dochter van achttien bleek twee jaar geleden plots zwanger te zijn. Felipe was in alle staten. Aan iedereen en overal vertelde hij dat hij de vader zou vermoorden moest hij weten wie het was. Maar de dochter heeft het voor zich gehouden. Ze werkte ook in de bananenplantage, in de inpakhal. Ze is er moeten mee stoppen en nu zit ze dagenlang thuis met dat kindje op haar schoot. Geen enkele van de kinderen gaat nog naar school, allemaal werken ze op de velden van Felipe. Tot de kleinste toe, die dartelt s morgens ook al met de rest mee, met een knapzak op zijn rug. Er is hier toch leerplicht, werp ik op. Leerplicht, ja die is er, maar wie zal dat controleren? Ik had het moeten weten. Voor alles en nog wat zijn er wetten. Niemand die ze naleeft omdat niemand controleert. Ik vraag of ze nog altijd jacht maken op de leguanen. Die zijn er al lang niet meer, roept Josu uit. Voor Nicaraguanen is het vlees van de leguaan een lekkernij. Gallina de palo noemen ze het, boomkip. Voor Costa Ricanen zijn leguanen een wonder van de natuur. Je blijft daar af, ook omdat ze met uitsterven bedreigd zijn. Door de band genomen lusten ze het trouwens niet. Het laatste huis van het dorp is het huis van Pancho. Onderweg hebben we alleen maar de hoge kookbananenplanten gezien. Ze hangen zodanig over dat de zon zelfs op haar hoogste punt haar licht niet op het pad kan laten vallen. Je moet hier modder en plassen ontwijken tot je draaierig wordt.

41

Pancho is, naast bananenarbeider en boer, ook de lokale winkelhouder en bij feestelijke gelegenheden tovert hij zijn winkel om tot een heuse feestzaal. Een wonder: er staan hier rond het huis andere dingen dan kookbananen. Maniok, gunabana-bomen, avocados, sinaasappelbomen, limoenbomen, een veldje ananas. Dit erf is een festijn na deze wandeling. We gaan zitten, ik smullend, onder de schaduw van een mangoboom. Josu en Pancho halen voorvallen boven van de laatste tien jaar. Het sterkste verhaal is het proces dat ze samen met Sitrap en enkele internationale mensenrechtengroeperingen aangespannen hadden tegen de grote bananenmultinationals (Dole, Chiquita en Del Monte) en tegen de chemische bedrijven Dow, Shell en Occidental. Zesduizend bananenarbeiders uit de plantages in Costa Rica hadden klacht neergelegd in de VS. Door het veelvuldig gebruik van de aaltjesverdelger Nemagon waren ze steriel geworden. Het actieve bestanddeel van Nemagon, DBCP, veroorzaakt ook afwijkingen bij babys en lever- en nieraandoeningen. Tot in 1990 bleven de multinationals het gebruiken in de bananenteelt. Ondanks het verbod uitgevaardigd door het ministerie van milieu en gezondheid van de VS in 1977. We konden het niet geloven toen het nieuws ons bereikte, zegt Pancho. Wie zou het ook geloven?, vult Josu aan, een bende Costa Ricaanse armoezaaiers die deze reuzen in hun thuisland voor het gerecht sleuren. Tienduizend euro schadevergoeding per persoon, verzekert Pancho me. Dat is toch maar een peulschil voor die firmas zeg ik verontwaardigd. Voor ons is dat veel. Pancho knikt bevestigend op de woorden van Josu. Maar we hebben het geld nog niet gezien, zegt hij. Wie weet hoe lang dat nog zal duren, als het al tot hier zal geraken. Pancho, vraag ik, maar jij hebt toch nog kleine kinderen? Ik had net iets verderop een meisje en een jongen van niet meer dan zes jaar zien hollen. Ja, die zijn na 1990 geboren. Dus? Dus ben ik niet steriel. Maar de vakbond heeft de geneeskundige onderzoeken geregeld, bij bevriende dokters. Het moet kunnen, af en toe moet men de zaken kunnen omkeren en het geld halen waar het zit. Geld dat zelfs letterlijk op de rug van deze mensen verdiend is.

42

Gucimo, het leven in een smeltkroes


Gucimo, een stadje van tienduizend inwoners. Ontstaan in het begin van de 20ste eeuw, gebouwd rond een straat die loodrecht naar het noorden loopt vanaf de autobaan San Jos Limn. Geleidelijk aan doemden steeds meer straatjes en wijken op. Nu is het een warboel van huizen, van snelbouwblokken of hout, met daken van golfplaten, geverfd in allerlei felle kleuren. Boven de daken een warboel van elektriciteitskabels en antennes. Enkele hoofdstraten zijn geasfalteerd, de rest gewoon verhard. Gucimo vervult ondertussen alle functies die men hier van een stad verwacht: een ziekenhuis, college, lagere school, kerken en gebedshuizen van alle mogelijke godsdiensten en uit de VS overgewaaide sekten, warenhuizen, elektrowinkels, winkels voor doe-het-zelvers n een busstation waar je de reis naar San Jos of Limn kan aanvangen. De stad is groot geworden door de banaan, er rond gonst het van de plantages en het centrum is rond de spoorweg gebouwd die de bananen naar de havenstad Limn brengt. Handel en middenstand bepalen het straatbeeld. Op elke hoek een caf. Zwarten, blanken, Nicaraguanen, indianen, Chinezen, Colombianen, NoordAmerikanen, alles loopt hier door elkaar. Het is het laatste stadje in de richting van San Jos dat prat kan gaan op een Caribische cultuur. Verder dan Gucimo vestigde de zwarte bevoking zich niet, de rivier Jimnez was de natuurlijke grens. Het volgende stadje, Gupiles, vooral bewoond door Josefinos - inwoners van San Jos - wordt hier consequent het buitenland genoemd. De economische activiteiten en de functie van deze stad zijn omzeggens identiek aan die van Gucimo, maar de sfeer is totaal verschillend mede doordat de bevolking hier homogeen is.

43

Wij, Zwarten, werken niet in bananenplantages


Een terrein van meer dan een halve hectare overspannen met een zwart net met kleine gaatjes reikt tot tegen het huis in n van de recentere wijken van Gucimo. Een boxerhond loopt aan een zware ketting op en neer voor de deur. H gringo, Wapin? What brings you here? Wapin, de welkomstgroet bij uitstek in deze streek, afkomstig van What Happened?, wat is er gebeurd?. Het Queens English is door de zwarte bevolking afkomstig van Jamaica in stand gehouden. Bull klinkt als vanouds hartelijk. Bloot bezweet bovenlijf, versleten bermuda, rubberlaarzen, lange kroezelbaard en volledig kaal geschoren. Enthousiast leidt hij mij mee onder de netten en toont vol trots zijn vlinderkwekerij. Onder de netten heeft hij allerlei tropische struiken in een wirwar door elkaar geplant, een kleurenpracht. Als je een tak aanraakt gonst het van de vlinders die verschrikt opvliegen. Hij toont me de verschillende soorten eitjes die onder de bladeren plakken en wijst de larven en vlinders aan die hier binnen luttele weken zullen uit te voorschijn komen. Een lucratieve bezigheid. De larven van de morfo, een grote vlinder waarvan de vleugels bij het spreiden helblauw worden met een zwart oog en een gouden randje in het midden, voert hij uit tegen woekerprijzen naar de VS en Europa. De bedoeling is dat de verzamelaars ze ter plaatse laten ontpoppen tot vlinders, ze drogen en een plaatsje geven in hun collecties. Van de opgezette vlinders maken zijn vrouw en zijn kinderen kunstwerkjes.

De vlinderkwekerij is wellicht het dertiende ambacht van Bull. Hij is n van de kinderen van een voorname zwarte familie in Gucimo. Allemaal hebben ze enkele huisjes die ze verhuren, hebben of hadden ze cafs en restaurants. Samen met zijn broer beheert Bull een grote boerderij op de flanken van de Turrialba vulkaan.
44

Van de regering moet je in deze landen niks verwachten, wijst hij mij op mijn Europese roots. In jouw land is het systeem zo goed dat je zelfs een uitkering krijgt om te slapen, grapt hij. Hier moet je het zelf doen, en wie niet wil stelen moet ondernemend zijn. Bull is bovenal een intellectuele autodidact. Avonden en nachten bracht ik door aan de toog van zijn caf, discussierend over de wereldpolitiek, het lot van Afrika, de trots van de zwarte bevolking, zijn voorbeeldland Cuba. Elke ochtend om elf uur kwam hij met de fiets naar zijn caf aan de spoorweg afgezakt, opende deuren en luiken, gaf alles een beurt, zette reggaemuziek op en nestelde zich achter de toog met enkele kranten, tijdschriften en boeken. Klokslag twaalf uur bracht zijn vrouw hem zijn middagmaal en de bocas of hapjes die traditioneel met het bier geserveerd worden. Af en toe kwam een klant het saaie, donkere caf binnen en als het meezat keek Bull uit zijn lectuur op en vatte een gesprek aan. Als er geen vonk oversprong was het gesprek voor wat hem betrof snel afgelopen en verdiepte hij zich weer in zijn papieren. Meer dan vijf mensen zag ik nooit tegelijkertijd in zijn caf. Die bar verhuur ik nu, zegt hij. Ik kijk hem verbaasd aan. Verhuren? Jij huurde ze toch zelf van iemand? Nu is ze van mij, lacht hij. Hoe heb je dat weer klaargespeeld? Simpel, de baas, Macho Viento, is enkele jaren geleden gestorven. Er kwam wat verre familie om een nieuwe huurprijs te onderhandelen. Ik heb ze gezegd dat ik geen huur betaalde, dat deze zaak van mij was. En ze geloofden dat op staande voet. Neen, natuurlijk niet, proest hij het nu uit. Ze kwamen met kadasterplannen, eigendomsaktes, met fardes vol papieren. Ze sleepten me zelfs haast letterlijk naar de rechtbank. Maar ik heb mijn slag thuisgehaald. Ik kon aantonen dat ik de bar al meer dan tien jaar uitbaatte en zij hadden geen bewijzen dat ik huur betaalde. Geen facturen. Macho kwam elke maand langs en ik betaalde hem cash. Een wet die ik uit het oog verloren was. Als je in Costa Rica kan bewijzen dat je tien jaar ergens gevestigd bent zonder daar voor te betalen, hetzij in een huis, een handelszaak of een boerderij, dan mag je automatisch het eigenaarschap opeisen. De bescherming van de gebruiker. Een wet waar vooral illegale grondbezetters zich te goed aan doen. Bull staat op het punt om te vertrekken naar de boerderij van een oude, zwarte Guacimeo, iemand die je zijn levensverhaal vertelt als je hem vraagt naar zijn maniok, zegt hij. Maniok, of yuca zoals men het hier noemt, is een wortelgewas dat goed ligt op de lokale markt maar waarvan vooral de uitvoer naar het latinogedeelte van de VS bloeit. Ga mee, ik moet yuca gaan kopen. De kwaliteit is veel beter dan degene die je hier in de winkels vindt. Verser en goedkoper. Het bedrijf van McCarthy ligt op een tiental kilometer van Gucimo, ingesloten tussen enkele bananenplantages in handen van Colombiaanse firmas. Wekelijks doen ze me een bod, lacht de struise man, maar mij krijgen ze hier alleen in een doodskist weg. De lichtblauwe verf van de houten woning is voor een groot deel afgebladderd. Achter de open ramen hangen de hemden en T-shirts op lange waslijnen te drogen. De paalwoning staat op een halve meter boven de grond. Het overdekte terrasje lijkt n grote orchideententoonstelling. De potten staan op de balustrades en stukken boomschors waarop de orchideen parasiteren hangen vanaf het dakgebinte naar beneden. De hobby van mijn vrouw, beantwoordt McCarthy mijn blik.

45

Hij neemt ons langs een dichtbegroeid paadje mee naar zijn yuca, achteraan zijn boerderij. Dan kan je zelf een zak volstoppen, zegt hij tegen Bull. Anders reclameert hij achteraf toch, richt hij zich tot mij. Dit lijkt wel ongerept woud, zeg ik hem verbaasd. Zie je die luiaard?, vraagt hij, ze heeft een jong op haar rug. Zij baant zich een weg naar boven. De beweging van haar voorpoten lijkt een film in slow motion. De lange gekromde nagels van haar drie vingers grijpen zich vast op de boom. Het kleintje laat zich slapend op de rug van de moeder meesleuren. Hoe kun je die hier houden?, vraag ik hem. Waar zouden ze naartoe moeten? Dit is een klein groen eilandje tussen de plantages. Ik besef dat ze inderdaad niet meer weg kunnen. Ze zitten in een natuurlijke kooi. De maniokstruiken belemmeren het uitzicht, ze zijn tot ongeveer twee meter hoog opgeschoten. Een enorm veld. Twee hectare schat ik op het eerste zicht. Op sommige hoger gelegen delen kan je de toppen van de bananenbomen van de plantages zien, zowel links, rechts als recht voor je. Geen wonder dat ze je weg willen, ze moeten serieuze bochten maken met hun sproeivliegtuigjes. Bull begint naarstig met blote handen de grond rond de stengel van een yuca weg te scheppen. De losse structuur van de bodem helpt hem een handje. Of hij al lang yuca teelt, vraag ik aan McCarthy, denkend aan de waarschuwing van Bull. McCarthy begint inderdaad zijn hele levensverhaal uit de doeken te doen. Dat zijn vader in deze streek terechtkwam vanuit Limn in de vijftiger jaren. Hij bouwde een huisje in Gucimo, zegt hij, Hij kwam met de overtuiging van een goudzoeker. Zeker van zijn zaak. Hij moest en zou het hier maken. Alleen lag de toekomst hier in de landbouw. De bananenfirmas waren weggetrokken en nergens is de grond beter voor landbouw dan hier. Hij liet zijn oog vallen op dit stuk land, in totaal veertig hectare nam hij in bezit. Hij zaaide en oogstte alles waar hij zin in had, plande weinig op voorhand. Het was alsof hij s morgens opstond en bedacht dat hij die dag best wat mas zou zaaien. Maar hij verloor zijn hart aan alles wat knollen in de grond aanmaakte: yuca, yam, cocoyam en zoete bataat. Hij verkocht alles aan tussenhandelaars. Zij kwamen met hun vrachtwagentjes tot hier. Zij verkochten het op hun beurt in de grote steden zoals Limn of San Jos. Ik ben dus als het ware opgegroeid tussen yucaplanten. Bull heeft ondertussen al n zak tot boven gevuld. Zie je wel, zegt hij overtuigd, McCarthy heeft de yuca met de pap mee in zijn mond gekregen. Kijk maar, n onnozele yucaplant en mijn zak zit vol. Ik besluit hem dan maar te vragen wat zijn geheim is. Mijn handen, zegt hij. Hij houdt me hier simpelweg voor de gek. Je moet goede handen hebben om yuca te planten. Ik vraag me af of hij zelf niet beseft waarin zijn kennis ligt. Je moet de juiste stukjes stengel afsnijden. Ze mogen niet te lang zijn, niet te kort. En ze moeten het juiste aantal ogen hebben. De snede moet de perfecte hoek hebben. Je moet ze ook onder de juiste hoek in de grond duwen, ze mogen niet te diep zitten en ook niet te ver boven de grond uitkomen. Hier geldt weer: het exacte aantal ogen onder de grond, want daar moeten de wortels uit groeien, en het exacte aantal ogen boven de grond, want daar komen de nieuwe stengels uit. Hoeken en aantallen, blaas ik, het lijkt wel wiskunde. Ja, maar het is meer dan dat, zegt hij. Je moet ook rekening houden met het weer, het mag niet te nat zijn en niet te droog. Dat lijkt me simpel. Dat zie je natuurlijk als je gaat planten. Voor een stuk, zegt hij met zijn wijsvinger in de lucht nu. Je moet het ook kunnen voorspellen, wat vandaag is, is daarom morgen niet meer. Aan het fluiten van de jigiros hoor je bijvoorbeeld of ze om water vragen. Er zijn veel dingen waar je kan uit afleiden hoe het weer de volgende dagen gaat zijn. Ik

46

moet denken aan onze weermannen op tv die om de haverklap verwijten rond hun oren krijgen omdat ze het weer niet juist voorspeld hebben: de computermodellen spraken elkaar tegen is dan het meest gehoorde argument. McCarthy luistert naar de vogels. En het belangrijkste ben ik nog vergeten, haast hij zich, je moet de maan in het oog houden. Dat ontbrak er nog aan, de maan. Je mag een plant die snel wortels moet vormen alleen maar planten na de volle maan, tijdens het laatste kwartier. Als je ze plant bij volle maan of vr volle maan, dan is de aantrekkingskracht van de maan te groot en wordt het water weggetrokken uit de stengelstokken. De planten drogen uit of zullen nooit sterk worden. Ik sta ervan versteld hoe McCarthy de natuur gebruikt om zijn ding te doen. Dit is een groot probleem hier, zegt hij, degenen die hier komen boeren houden geen rekening met de natuur en ze bakken er dan ook weinig van. Ik weet dat de indianen dat nog wel doen. Zij gaan zelfs veel verder. Zij deinzen er niet voor terug om de stand van andere hemellichamen in rekening te brengen om te bepalen wanneer ze mogen oosten en zaaien. Mag Bull dan nu wel oogsten?, probeer ik nieuwsgierig. Eigenlijk niet, lacht McCarthy, hij zal zijn knollen niet lang kunnen bewaren, ze zullen snel uitdrogen. Bull kijkt sip op. Hij zit weer met zijn handen in de grond te graven. Ik zal wat minder betalen, als de kwaliteit vandaag toch niet zo goed is, antwoordt hij gevat. Ik pols bij McCarthy of hij of zijn vader ooit in de bananenplantages gewerkt hebben, om moeilijke tijden te overbruggen. Neen, antwoorden hij en Bull samen. Ik kijk verbaasd van de n naar de ander. Van een duidelijk en kordaat antwoord gesproken. Wij, zwarten, werken niet in bananenplantages, zegt Bull. Daar zijn we te fier voor, valt McCarthy hem bij. Zij misbruiken hun arbeiders, laten ze zwoegen als ossen, betalen ze weinig en zetten ze op straat als het hen uitkomt. Ik heb een gevoelig thema aangesneden. Bull raakt opgewonden: Ze zijn bovendien nog eens verantwoordelijk voor de verloedering van de streek, alle bossen zijn bijna verdwenen, er hangt hier constant een geur van vergif, de gronden zitten vol venijn, er zijn nergens zoveel gevallen van maag- en darmkanker als hier, en de helft van de mannen is hier steriel door de chemische troep die men hen verplicht te spuiten. Goed dat je gekomen bent, Gringo, zegt Bull op de terugweg naar Gucimo, lang geleden dat ik nog eens een discussie heb kunnen opzetten over de toestand van de wereld. En lukt dat niet meer met Mathas, vraag ik hem. Ik probeer de boot af te houden. Discussie betekent in dit geval vragen beantwoorden. Mathas is een gemeenschappelijke vriend die er ongeveer dezelfde kijk als Bull op nahoudt, maar er ook meer naar leeft in de dagdagelijkse praktijk.

47

Mathas repareert nog een elektrische motor, hij verkoopt geen nieuwe apparaten
Als bij ons je cd-speler het niet meer doet, je videorecorder, je printer, je broodsnijmachine, zelfs je grasmaaier, dan valt het nogal eens voor, steeds vaker eigenlijk, dat men je in de winkel afscheept met een zinnetje dat gemeengoed is: Het loont de moeite niet, de reparatie kost evenveel of meer dan de aankoop van een nieuw. De consumentenmaatschappij piekt. Arbeid is te duur, je legt al gauw 50 euro op tafel opdat men onderzoekt wat er aan je apparaat scheelt. Carlos Retana, alias Mathas, denkt er zo het zijne van. Ik verkoop geen apparaten, dus als ik in leven wil blijven moet ik die apparaten van mijn klanten zo lang mogelijk aan de praat houden. Of dat nu wasmachines zijn, radios, industrile motoren, grasmachines of autos, een elektrische motor is een elektrische motor. Als er maar een snoer aanzit. Zijn werkplaats is een oude loods, ingesloten tussen andere loodsen, het industriegebied van Gucimo.

De voorkant van de werkplaats is niet meer dan een enorm traliehek, de hele lengte overdekkend. Opengedraaid overdag, reikt het tot op straat. Binnen is alles zwartgeblakerd door machineolie die in motoren verscholen zit. De drie muren zijn bedekt met gereedschap, tweedehandse onderdelen die zorgvuldig van niet te repareren apparaten verwijderd werden en spoelen van elektrische motoren. Deze spoelen zijn ht succes van de werkplaats. Van heinde en ver komt men naar hier om deze spoelen. Mathas windt ze zelf, met een onfeilbare kennis, tot op de millimeter exact de lengte van de spoel bepalend voor de kapotte motor en het apparaat waarin die huist.

48

En houten werkbank, ook zwartgeblakerd, ontpopt zich onder zijn handen in een mum van tijd tot administratief centrum, met balpennen, notitieboekjes, facturen en ontvangstbewijzen, rekenmachientjes en allerhande stempels. Een metamorfose die je aan toverstokjes doet denken. Zijn West-Europese uiterlijk blijft op deze plaats respect afdwingen. Zijn met olievlekken bedekt, gescheurd onderlijfje en onafscheidelijke short proberen dit imago te ondermijnen. Ooit was hij leraar, volwassenenonderwijs zegt hij. Ik trok het land rond en gaf gedurende enkele weken lessen elektriciteit, tot in de kleinste dorpen. De overheid had nog geld voor zulke dingen in die tijd. Geboren in de buurt van San Jos, als zoon van een koffieboer, kwam hij in Gucimo terecht in het begin van de jaren tachtig. Gestuurd door de partij, de MRP, de revolutionaire volksbeweging, een zusterpartij van het Sandinistische Front, en n van de splinterpartijen van links. Het overtuigen en mobiliseren van bananenarbeiders en illegale grondbezetters was zijn opdracht. In tegenstelling tot conservatief links stelden zij de gewapende strijd in plaats van de democratische weg voor als hefboom voor een socialistische maatschappij. Ik deed niet meer dan hele dagen over de spoorwegen lopen, van n huizenrij naar een andere, met de bewoners kletsen, pamfletten uitdelen en hopen dat ze naar de vergaderingen zouden komen. De hele provincie heb ik zo afgelopen. Halfweg de jaren zeventig was ik naar Nicaragua getrokken om mee te vechten met de Sandinisten. Ben er blijven plakken tot in 82. Na de overwinning van de Sandinisten heb ik me op de alfabetiseringscampagnes gestort. We zitten bij Winston, een caf op de hoek van de straat die naar het Noorden gaat, op een steenworp van zijn werkplaats. Het bier is hier het koudst grijnst hij me toe, de frigos werken niet goed, de thermostaat is stuk. En jij wil die niet maken natuurlijk, betrap ik hem. Natuurlijk niet, ik vertel Winston al jaren dat er geen wisselstukken te krijgen zijn in San Jos, dat wie weet hoe oud die machines zijn. Winston doet er nog een schep bovenop. Vooraleer hij de flesjes in de koeler stopt houdt hij ze onder een waterstraal. Zodra dat water bevriest haalt hij ze uit de koeler. Zo blijven ze langer koud, overtuigt hij ons. Ik zal het niet ontkennen.

49

Vrijdag, consumptiedag
Winston houdt deze bar al enkele jaren open. La Maravilla, Het Wonder, een naam die klinkt als een bel, maar niemand zou weten over welk caf je praat als je deze naam gebruikt. Winstons caf is de referentie, de persoon staat voorlopig nog voor de inhoud, niet het gebouw. Sinds kort is hij de fiere eigenaar. Gerfd van zijn vader die het wat rustiger aan wil doen. Het is vrijdagmiddag, da de pago, vandaag krijgen de duizenden bananenarbeiders uit de streek hun loon weer in hun handen geduwd. Tweewekelijks, want een maandelijkse uitbetaling zou iedereen voor 25 dagen op droog zaad zetten. Nu slechts een tiental dagen. Op straat is al veel beweging. Fietsende bruine bovenlijven, fluitend, lachend en roepend. Mexicaanse schlagers schallen tussen het getoeter door de open ramen uit de autoradios. Hier en daar een kreet gelukkig weerzien. Cafbazen en restauranthouders wachten geduldig maar zeker van hun zaak op het bananengeld. Winstons caf is al goed volgelopen. Hij haalt nog eenmaal het kammetje uit zijn achterzak en trekt met felle rukken door zijn kroezelige haarbos en bakkebaarden die aan weerszijden tot zijn kin reiken . Hij speelt zijn hemd uit, de zwarte brede schouders geven een diep contrast met het helwitte onderlijfje. Klaar voor het gevecht. De bevroren flesjes vliegen uit de koeler, zakflesjes worden met rum gevuld, limoenen in stukjes gesneden en kleine bordjes met zout gevuld. De geur van gefrituurd varkensvlees vermengt zich met de sigarettenrook. De toog en tafeltjes vullen zich geleidelijk aan met leeggoed, de bewijsvoering voor het maken van de rekening achteraf. Winston, y las bocas? roept iemand al voor de derde maal over de muziek uit. Geduld, geduld, ze komen eraan. Een stevige braspartij kan niet zonder de bocas, de hapjes waarvan je verwacht dat ze je iets langer op de been houden. Onovertroffen, lacht Mathas. Hij koopt enkele kilos goedkoop, vettig varkensvlees, snijdt dat in blokjes, strooit er potten vol zout over en bakt het zwart. Die lederen lapjes geven doen je alleen maar meer drinken. Ook de vrouwen beginnen binnen te lopen. In de hoop iets mee te pikken van de geldstroom, loerend op een gewillig slachtoffer. Grace, zwart, mooi gebouwd, veertig, in minirokje en topje, nestelt zich aan de toog. Het eerste halfuur zal ze geen drankje vragen. Ze wacht geduldig op haar kans. Winston laat begaan. Zij staat garant voor veel geld in de lade als de dag vordert. De stoep en de trappen beginnen zich ook te vullen met dorstige feestvierders. Straatventers vallen en masse binnen. Ze doen hun ronde langs de tafeltjes. Nmero 48, vraagt een mulat. Allerhande loterijbriefjes verdwijnen in de zakken van de klanten. Ieder heeft zo zijn geluksnummer waar hij naar op zoek is, en als de verkoper het niet bij zich heeft, wacht men geduldig op de volgende in de lange rij die nog zal passeren. Getallen van geboortedatums, de leeftijd van een geliefde, huisnummers, alles is goed als je er maar in gelooft dat dit nummer deze week uit de urn zal komen. Ook de Chinese loterij komt langs. Een illegale vorm waarbij je wekelijks een nummer van 1 tot 100 kan kiezen dat genoteerd wordt. Je betaalt een dollar en op zondag maakt de Chinese kolonie het winnende nummer bekend. De pot wordt onder de winnaars verdeeld. De Chinese

50

gemeenschap is hier een heel hechte gemeenschap, Los Cantoneses zoals men ze hier noemt baten over gans de streek restaurants, bars en kleine winkels uit. Het zijn niet de weelderige paleizen volgestouwd met fraaie schilderijen, Chinese vazen, waterpartijen en andere prullaria. Eenvoud, op armoede af, beheersen de inrichting. Ze spreken weinig of geen Spaans, huwen onder elkaar, verstoten degenen die het wagen dat toch met een lokaal iemand te doen, verzorgen het onderwijs van hun kinderen zelf en torsen zo de last van het heimwee naar hun moederland collectief op hun fragiele schouders.

51

De rijkdom uit het verleden


Chango heeft vandaag zelfs een volgepropte jutten zak over zijn schouder hangen. Duurdere spullen, beseffend dat hij ze alleen verkocht zal krijgen aan sterk benevelde geesten. Eens kijken of ik hier vandaag wat binnen kan rijven, mompelt hij tegen Mathas. Misschien vanavond, je bent te vroeg Chango. Zijn kleine, tere lichaamsbouw doet niet vermoeden dat Chango drie tot viermaal per week, wanneer de gezagsdragers slapen, minutieus graafwerk gaat verrichten in de buurt van Gucimo. Zenuwachtig roert hij zijn pink door zijn dun snorretje en de weinige baardharen die krullend rond zijn kin hangen. Hij laat zijn ogen over de ruimte dwalen, houdt ze af en toe gericht op een groepje klanten. Zucht en zet zich op een barkruk tussen ons in. Geen zin om vanavond mee te gaan graven?, vraagt hij. Hmm, ver van hier? Nee, in El bosque, een boerderij waar we nog een grafheuvel ontdekt hebben. Chango, Mathas en ik laten het feest voor wat het is en gaan op weg.

Chango doet het graafwerk waar de overheid niet in wil investeren. Met zijn getraind oog laat hij zijn oog over de horizont dwalen en weet dan zonder enige vorm van twijfel te vertellen
52

waar er nog graven van Huetarkrijgers leeg te halen zijn. Daarvan leeft hij. Hij haalt keramieken potten en standbeeldjes boven, af en toe een gouden koningin, maar bovenal voorwerpen van jade: krijgers, toekans en koninginnen. Hij verkoopt ze waar hij kan, meestal aan toeristen of rijkere Costa Ricanen. Een illegale praktijk. Elke vinder van nationaal patrimonium wordt geacht dat aan de overheid te overhandigen. Hij weet tenminste waar hij het over heeft. Iets wat van de rest van de inwoners van Gucimo moeilijk kan gezegd worden. Zij weten nauwelijks dat de bewoners vr de doortocht van Christoffel Columbus Huetarindianen waren. Een bevolkingsgroep die vanuit de Amazone in Brazili langs de kust naar boven getrokken was. Ze hadden veel gemeen met de nog honderdduizend resterende Bribri- en Cabecarbevolking die in het Zuiden van Limn in enkele reservaten woont. Zelf heb ik waarschijnlijk ook nog Huetarbloed in mijn aderen, zegt Chango s avonds onderweg naar de graafwerken, vandaar. Hoe weet je dat zo zeker? vraag ik hem. Dat zie je toch. Buiten op mijn hoofd heb ik toch bijna geen lichaamshaar, en mijn achterwerk is ook typisch indiaans, mijn staartbeen ligt veel dieper naar binnen. Dat kan toch even goed duiden op bloed van Azteken of Maya uit het Noorden. Neen, dat geloof ik niet, ik ben hier geboren, mijn ouders hebben hier altijd gewoond, en hun ouders. Nu van dat laatste ben ik niet echt zeker, niemand heeft ooit verteld dat ze van ergens anders kwamen. Dus? Vanuit Gucimo rijden we naar het Noorden, midden door de bananenplantages, over een stoffige weg die na regenbuien door de plantage-eigenaars onderhouden wordt. We laten de auto achter bij het huis van een bevriende boer en zoeken ons een weg door de velden, over grachten, door moerassige weilanden, over de harde stoppels van een pas geoogst rijstveld, soms over paadjes, vaker door het struikgewas. De maan schijnt sterk, Een voorwaarde om dit te kunnen doen, zegt Chango. Als je met lichten begint te schijnen wek je alleen maar argwaan. De tijd gaat snel voorbij. Chango vertelt vol animo over de indiaanse bevolking. De eerste indiaanse mensen zijn uit maszaden geboren. Sib, de eigenaar, bracht de zaden van suLakaska, de plaats van het lot. Hij bracht zaden van allerlei kleuren mee: zwart, wit, geel en paars. Daarom hebben de indianen een verschillende huidskleur, zegt Chango overtuigd, en verschillende tinten. Sib bracht deze zaden tijdens de nacht naar deze wereld. We zijn dus niet overdag geboren maar s nachts. En daarom houden we onze ceremonien ook allemaal s nachts. Hij lijkt zijn nachtelijke graafavonturen ook onder de noemer ceremonien te huisvesten. Ik leer dat Sib de maszaden in een korf bewaarde en hij ze allemaal met andere namen benoemde, de namen van de verschillende clans. Hij verdeelde ze later in twee groepen en waarschuwde de mensen dat ze niet met mensen van hun eigen groep mochten trouwen. Ik hoor Mathas met enige ironie in zijn stem vragen of dat het begin van de multiculturele maatschappij was. Neen, reageert Chango snel, ze zouden misvormde kinderen kunnen krijgen. Chango houdt halt. We zijn ondertussen al bijna een uur aan onze hindernissenkoers bezig. De begroeiing wordt dichter. We komen nog met moeite vooruit. Chango stelt ons gerust, hij

53

meende iets te horen maar het moet een dier geweest zijn, un tigrillo, fluistert hij, een wilde kat, n formaat kleiner dan de schuwe jaguar. Hier zitten nogal wat wilde beesten zegt hij, op een hoop gedreven in de kleine stukjes bos die ons nog resten. Wist je eigenlijk dat de tapir een heilig dier is voor de indianen? Hoe ik dat in godsnaam zou moeten weten. Zijn hier dan nog tapirs? vraag ik hem, de link leggend met zijn uitleg over de geconcentreerde fauna. Voor zover ik weet niet, lacht hij. In de bergen zullen er nog wel zitten maar ze laten zich zelden of nooit zien. Ik weet dat het tapir het grootste zoogdier van deze contreien is, lange tijd geliefd bij jagers, veelal als trofee, het bewijs van onverschrokkenheid. Verder gaat mijn kennis niet. We komen weer in open gebied terecht, weilanden. De hindernissen zijn vanaf nu prikkeldraden. Mathas herinnert zich een voorval op zijn enige Europese reis. Hij wandelde er langs een weiland, afgespannen met maar n ijzeren draadje op zestig centimeter hoogte, toen plots een meute koeien met vooraan enkele flink uit de kluiten gewassen stieren kwam aandraven. Ik liet alles wat ik in mijn handen had vallen en sprong zonder denken in het struikgewas aan de andere kant van de veldweg, doornstruiken. De stieren en de rest van de meute remden bruusk voor het onbenullige draadje, ik zat onder de doornen en het bloed. Een afrastering voor runderen is hier inderdaad anders, geen elektriciteit, drie tot vijf rijen prikkeldraad tot op anderhalve meter hoogte, om toch maar zeker te zijn dat de dieren niet uitbreken. Ook voor ons blijkt het niet steeds even simpel om erover te raken. De tapir was er lang voor de mensen, vervolgt Chango zijn relaas, Sib had de hemel en de aarde geschapen en hij wilde de mas naar de aarde brengen om hem te zaaien. Maar de aarde was alleen maar rotsen. Maar Sib wist dat er op een plaats ver weg van hier, op een andere planeet, een tapirfamilie leefde, een grootmoeder, een zoon, twee dochters en een kleindochter. Hij zond een vleermuis om het bloed op te zuigen van het kleine tapirmeisje. Toen de vleermuis terug kwam liet ze haar ontlasting op een rots vallen. Enkele dagen later begonnen de eerste bomen op die plaats uit de grond te schieten. Deze bomen hebben een rood sap dat op bloed lijkt. Ze zijn gegroeid uit het bloed van de kleine tapir. Met een list haalde Sib de tapirfamilie naar de aarde. Hij organiseerde een groot dansfeest, danste met de grootmoeder die het kleine meisje vasthield, deed haar zo om haar as tollen dat het meisje viel en door honderden voeten vertrappeld werd. Chango gaat steeds feller op in zijn verhaal. We staan hier al geruime tijd te luisteren, nu zelfs stokstijf. Het vlees en het bloed van het meisje werd geplet over de rotsachtige bodem. Nu kon Sib eindelijk zijn mas zaaien. Dit offer heeft de gronden hier vruchtbaar gemaakt. Vandaar het respect dat indianen hebben voor de tapir. We zijn er, zegt hij. Zie je die heuvel daar? Hij wijst recht voor zich uit. Ik kijk aandachtig en wend mijn blik af naar Mathas. Ook hij trekt zijn kin achteruit. We zien het niet. Ja, er steken hier sommige stukken van dit weiland hoger uit, maar dat lijkt net zowel voor ons, achter ons als opzij. We volgen Chango. Na een twintigtal meter houdt hij halt en bukt zich. Er is een put van drie op drie gegraven, een meter diep. Hij springt er in. Haalt zijn machete uit zijn gordel en begint de grond zachtjes, stukje per stukje, af te schrapen. We zullen die nacht niet veel meer vinden dan wat scherven van kleien potten, meer dan vijf eeuwen oud volgens hem, waardeloos besluit hij. Slechts twee tamelijke grote stukken passen in elkaar, een derde van een schaal. Voor mij een mooi aandenken. Middernacht is al weer enkele uren gepasseerd als we langs Winstons caf voorbij rijden. Er zitten nog enkele klanten aan de toog. Winston zit buiten op de trap. Whapin!, roept hij.

54

Pura vida, werpt Mathas de groet terug, kassa vol?. Winston grijnst en smijt met zijn ogen naar de klanten draaiend enkele vloeken uit zijn mond. Die zijn te zat om nog te consumeren, ik zou beter afsluiten en gaan slapen, zegt hij en kordaat trekt hij zijn hemd weer aan. De meeste klanten blijken afgezakt te zijn naar de bars naast de spoorweg, de befaamde chicheras, de chicha-tenten. Chicha is het bier dat traditioneel door de indianen gemaakt wordt van mas of bananen. Maar chichera staat hier voor de onderwereld, de plaatsen waar je je laatste geld opmaakt aan vrouwen, je luidkeels meezingt met de schlagers en zonder vechtpartij niet naar huis kan. De nacht is jong. Chango, waar haal je al die verhalen? Die zijn mij ook verteld, zegt hij ietwat fier, maar je kan ze nu ook lezen in boeken die ze in San Jos verkopen. In de betere boekhandel waarschijnlijk, mompel ik bij mezelf. Mij bewust zijnde van het misdrijf, het uitvoeren van lokaal waardevol patrimonium lijkt me bovendien moreel onverantwoord, koop ik die nacht als afscheid een mooie koningin van jade, glad gepolijst, een viertal centimeter lang. Ik hang ze meteen rond mijn hals. Of ze wel echt is? ik bedoel origineel? vraag ik hem. Misschien zijn er in San Jos ook wel winkels waar ze deze dingen verkopen. Je zou van minder verschieten. Misschien komen ze wel als extraatje bij de verhalen. Als je de proef op de som wil nemen moet je het ter hoogte van je hoofd nemen en laten vallen. Als het breekt bij het raken van de grond is het namaak, machinaal verwerkte jade. Als het niet breekt is het met primitief gereedschap door indianen gebeeldhouwd. Ik besluit voor n keer de proef op de som niet te nemen. Laten we zeggen, behalve eventueel aan een strenge douanier, dat het echt en oud is.

55

Gisteren loon, vandaag blut, morgen lenen


Hey gringo, Lester wil je spreken. Aan de overkant van de straat hangt Ana over een stenen muurtje. Een halve meter hoog, de bovenrand hier en daar afgebrokkeld, de witte kalk komt slechts op weinig plaatsen door de groene moslaag die de vochtigheid en de schaduw van de enorme advocadobomen erover geplakt hebben. Ik hang tegen de deurstijl van Winstons caf af te koelen van een warme dag. De zon trekt de regen die vannacht gevallen is weer terug de hemel in. Sol de agua, waterzon, noemen de Ticos deze hete, vochtige atmosfeer. Zo drukkend dat je denkt dat bliksem en donder elk moment kunnen losbarsten. Hij vraagt of je n kan komen, roept ze nogmaals. Ondertussen boent ze de rode, cementen vloer van het terrasje verder. Haar rechtervoet heeft ze op een kokosdop, het gedeelte aan de top van het omhulsel dat van de noot gescheiden wordt vr gebruik. De binnenkant van de dop verbindt de eigenschappen van zacht schuurpapier met die van een borstel en laat zich met de voeten gemakkelijk over de vloer bewegen. Anna danst op het ritme van een merengue die naar buiten galmt via de deur en ramen. En voet op de kokosdop, de ander op de vloer, wiegt ze haar achterwerk van links naar rechts. Met wat rode boenwas die ze vanuit een plastic tube verspreid, blinkt de vloer in een handomdraai. Weer poetsfeest?, roep ik haar bij het passeren toe. Ja, ben weer aant dansen, lacht ze. Lester, zit vanachter, loop maar door. In de woonkamer huppelt Alexandra vrolijk rond een graatmager hondje. Gringo, nonkel zoekt je, kwettert ze. Daar! en ze wijst naar de achterdeur. Drie jaar moet ze zijn, het jongste kind van Anna en Chinga. Een mooi halfbloedje, gaaf, vrolijk gezicht, mooie grote krullen die in vlechten met veelkleurige bandjes naar alle kanten steken. De oogappel van de familie. Met haar lieve ogen krijgt ze om het even wat ze verlangt. Vaak tot wanhoop van Ronny, Cindy, Alex en Cury, haar oudere broers en zussen. Lester leunt achter het huis met zijn achterwerk op een oud olievat. Zijn ogen gericht op Chinga en Alex die enkele hanen aan het verzorgen zijn. De beestjes hebben de hanengevechten van vandaag blijkbaar amper overleefd. Wapin, groet Lester, look, theyre dead but keep moving. Zoals steeds begint hij het gesprek in het Engels. Hij is de broer van Ana. Hun vader was een pure Jamaicaan die omzeggens alleen maar Engels sprak. The Queens English, zoals de zwarten hier zeggen. Naast hun Afrikaanse gebruiken die ze onderhuids meedragen, zijn ze nog steeds doordrongen van de Engelse cultuur. Vooral op s zondags, wanneer ze naar de Anglicaanse gebedsdienst gaan, pronken de vrouwen met de kleding die de koloniale vrouwen in het Jamaica van vijftig tot honderd jaar geleden moeten gedragen hebben, inclusief de oubollig aandoende hoedjes die je nu in Engeland alleen de adel nog ziet dragen. Het Queens English vinden ze verfijnder en verhevener dan het Amerikaanse Engels dat nu door de toeristische boom het land overspoelt. Voor hen is dit maar een vulgair afkooksel van hun echte taal. Ter volledigheid dient gezegd dat NoordAmerikanen het Engels dat de zwarte bevolking hier spreekt patua noemen. Omdat er zoveel Spaanse woorden ingeslopen zijn. Listen, zegt Lester, ik ben blut. Hij heeft duidelijk geen last van de enorme omwegen die de meeste Ticos maken om tot de kern van de zaak te komen. En eerlijk gezegd had ik de bui al zien hangen toen Ana me riep. Gisteren loon, vandaag blut en morgen lenen. Nee, serieus, lacht hij, morgen zijn het dorpsfeesten in La Isleta, ik wilde gewoon weten of je geen zin had

56

om mee te gaan. Dus niet echt lenen, gewoon meedrinken, schiet het door mijn hoofd. Ook vindingrijkheid en durf zijn hier levensnoodzakelijke deugden. Ana vervoegt ons. Die twee zijn totaal geobsedeerd door hun hanen, zegt ze. Vorige week hebben ze weer alle uurrecords van de korte afstand verbroken. De politie had het lokaal ontdekt waar ze hanengevechten houden. De jongen die op uitkijk stond was in slaap gedommeld. En?, vraag ik. De politie was van hier, jongens van Gucimo, ze hebben gewoon wat staan dreigen. Meer dan de helft van de aanwezigen was als een bliksemschicht verdwenen. Ach, ze hadden vandaag al een ander lokaal.

Ze wenkt ons naar binnen. In de keuken schept ze eten uit enkele potten die op het gasvuur staan. Rice and beans, zegt ze. Een Caribische schotel waarbij men alle ingredinten klaarmaakt in kokosmelk. Een gerecht dat alleen nog in de weekends bereid wordt. Het is een enorme klus. Uit de kokosnoten wordt het witte vlees gelepeld. Met een rasp maalt men het fijn, een bezigheid die je een tijdje zoet houdt. Men stopt het geraspte kokosvlees in een keukendoek en perst met de handen de melk eruit. Deze melk is de basis om zowel het vlees (meestal kip, soms ook vis of rundvlees), de black-eyed beans en de rijst te bereiden. Tomaten, selderij, spaanse pepers, ajuin, knoflook, verse kruiden, vooral thijm, en sterke pepers brengen het geheel op smaak. Deze Panama-pepers zijn de maatstaf voor het beoordelen van de kok. De schrik is dat de pepers openspringen tijdens het koken en de gasten met verbrande tongen, en honger, achterlaten.

57

Ana gaat tegenover ons zitten. Ze eet niet. Straks, als de rest gegeten heeft, kijk ik wel wat ik nog naar binnenspeel. Ik geef haar vijfenveertig jaar als ik ze van zo kortbij bekijk. Maar besef ten volle dat haar echte leeftijd daar zeker tien jaar onder ligt. Haar ronde, donkerbruine gezicht vertoont enkele verdikkingen ter hoogte van haar linkerwang. Heb je een zere kies Ana? Ze mompelt wat onverstaanbaars voor zich uit. Chinga is weer uit zijn dak gegaan, zegt Lester met zijn mond vol. Ze kijkt met tranige ogen op en zegt dat het niet zoveel voorstelt. Hij had wat veel gedronken vannacht, maar het is alweer voorbij. De hanen hebben me gered, probeert ze te lachen. Ik vraag haar of hij het geld vannacht in de cafs verspeeld heeft. Een onschuldige vraag, weet ik. Het antwoord is door de band bevestigend. Ja, ook, zegt ze. En hij heeft misschien zelfs een vrouw betaald. Maar dat is het probleem niet, daar kan je je aan verwachten. Ik heb geluk gehad dat ik hem nog gezien heb gisteren voordat hij op caf vertrok. Heb hem nog wat kunnen afluizen om wat kleding voor Cindy te kopen en wat inkopen te doen voor de volgende dagen. Dus, hoor ik mezelf nieuwsgierig en misschien wel ongepast opwerpen. Ik had hem verteld dat Alexandra nieuwe kledij nodig had, en niet Cindy. En die onnozele negra stond hier vanmiddag te pronken met haar nieuwe broek, lacht Lester. En toen, toen kwamen er klappen, zegt Ana. Ze staat met haar handen weer in de potten te roeren. Je weet dat hij Cindy niet mag. Zij is van el lechero, de melkboer, volgens hem. De zak. Ze is nu dertien jaar en nog steeds blijft hij dat volhouden. Kan ik er aan doen dat zij zo zwart is en de rest gewoon caf con leche. Dat is toch normaal dat er zo n tussenzit. Chinga heeft trouwens ook zwart bloed, hij noemt niet voor niets Adams. En ik zal toch wel weten wie de vader is. Ach, hij was nog dronken vanmorgen, tracht Lester zijn schoonbroer te verontschuldigen. Ik besef dat hij zich best kan inleven in het gedrag van Chinga. Ja, en dan, zegt Ana met een verongelijkt gezicht, dat is hij meestal. Eentje is gestorven, zegt Chinga vanuit de achterdeur. Hij loopt achter me door naar de koelkast. Wil je ook een biertje, vraagt hij. Ik zeg dat ik er niks meer bij krijg. Dat geldt ook voor het gesprek.

58

Het collectieve geheugen


Links achter in de hoek van de werkplaats van Mathas loopt een steile houten trap naar boven, met een touw dat op regelmatige afstanden knopen vertoont en dat vanaf het tien meter hoge plafond recht naar beneden hangt. De trap geeft toegang tot een klein appartementje onder het dak van de loods. Een museum zou je eerder zeggen. Tegen de muur fotos ingelijst in vergulde kaders, portretten van de helden van de Cubaanse revolutie. Een venster dat uitgeeft op een betonnen muur van snelbouwsteen, nauwelijks een halve meter achter het raam. De linker en rechter muur zijn volgepropt met boeken: oude encyclopedien en woordenboeken, romans van Benedetti, Garca Mrquez, Borges, Hemingway, Faulkner, Onetti, het complete oeuvre van Joaqun Gutirrez. Boeken van Eduardo Galeano, Marx, Lenin, Che, Fidel Castro, van Nicaraguaanse schrijvers en politici van de revolutie, van de Argentijn Juan Rulfo, de Salvadoraan Roque Dalton, Pablo Neruda, het houdt niet op. Een complete bibliotheek, een deel van het collectieve geheugen van Latijns-Amerika lijkt het wel. Dan een tafel vol met spullen, waarboven, op een meter afstand van het tafelblad een lamp met dunne ijzerdraad vanaf het plafond zachtjes wiebelend, schrijfgerief, enkele boeken, wat documenten, enveloppen, her en der wat gereedschap, een rekenmachientje en andere prullaria. Ook al is de loods volledig uit metaal opgetrokken, het appartementje is met hout afgeslagen, oud hout, met spleten en in de groene verf, typisch voor gans de Caribische streek, geschilderd. In een hoek is er nog een lage doorgang naar een sober slaapvertrek en een douche. Waarom heb je die collectie niet thuis staan?, vraag ik verbaasd. Euh, dit is ook thuis, soms althans. Hij reikt me een tas koffie aan, zwart, bijna olieachtig, overdreven gesuikerd. Soms heeft een mens zijn eigen ruimte nodig. Hier trek ik me terug als het allemaal wat veel wordt, als we weer eens overhoop liggen. Mathas is ondertussen een vijftiger, grijze slapen maar een slank getraind lichaam. Hij woont op twee kilometer van het centrum van Gucimo met Carmen Ligia en drie kinderen. Carmen Ligia behoort tot n van de voorname families van Gucimo. Dat wil zeggen: ze hebben door de jaren heen allemaal n of meerdere handelszaken verworven. En dat dwingt respect af. Bars, warenhuizen, restaurants, drankenwinkels, lokaal ontvangstkantoor voor de elekriciteitsen telefoonrekeningen. Mathas ligt niet goed in de markt bij de familie. Ik dacht spontaan aan zijn gescheurd onderlijfje en short, elke dag wat zwarter van de motorolie. Nee, maar het zal er wel mee te maken hebben, lacht hij. Een rode, nooit geld, leest hele dagen, dichter, verdwijnt tijdelijk zonder aankondiging, durft al eens een scheve schaats te rijden. Dat doen zij zeker niet als goede Costa Ricanen, onderbreek ik hem. Oh jawel, maar achter hoekjes en kantjes, niet int openbaar, zucht hij. Hij maakt zijn lijstje verder af terwijl we naar de bushalte stappen: zit op caf, durft al eens te veel te drinken, heeft geen auto, dweept met Cuba. Had de toeterende bus ons niet tot een draf gedwongen, zou de opsomming nog een hele tijd doorgegaan zijn vermoed ik. Ik vermoed ook dat Carmen Ligia een ander verhaal zal vertellen.

59

De bus zit afgeladen vol. CoopeLimn prijkt in veelkleurige letters op de voorruit. De rest van de bus lijkt ook wel lukraak stukje voor stukje uit een regenboog geplukt. Mooi opgemaakte gezinnen, kinderen met de typische kledij, met kantjes en boordjes en veel wit. Alleen bij kinderen komt het traditioneel Spaanse nog tot uiting. De rest van de bevolking draagt de kleding die wij in Europa ook dragen, dikwijls alleen nog sneller en stipter op de laatste mode afgesteld. Vooral de zwarte bevolking volgt dit op de voet. Je kan er prat op gaan dat wij over een jaar de kleuren en de snit zullen dragen die zij nu rond het lijf hebben. Maar ook boeren en arbeiders hebben zich een plaatsje verworven. Hun oogst in grote witte juten zakken op de middengang, onder hun zetels en voor zoveel als mogelijk netjes op de bagagedragers. Een honderdtal kilometer tot Limn. Langs de autoweg, een brede tweebaansweg, weinig huizen, hier en daar een groepje en om de tien kilometer een stadje. Dan moet de bus zich door drukte manoeuvreren. Mensen steken de autobaan kriskras over, een warboel van fietsers, verkopers, autos die overal geparkeerd staan. De autobaan deelt de stadjes in twee en soms krijg je de indruk dat ze dienst doet als stadsplein. De vrouw die naast me zit gaat haar dochter bezoeken in Limn. Ze heeft haar al twee maanden niet meer gezien. Het laatste wat ik er van gehoord heb is dat haar man het huis verlaten heeft, zegt ze, niet zonder enige opluchting. Hij heeft dat al meer gedaan, maar komt steeds terug. Dan zal hij je dochter toch graag zien, werp ik op. Zou hij haar dan afranselen wanneer hij terugkomt?, vraagt ze. Ik slik en besluit mijn mond te houden. Twee mooie kinderen heeft ze, glundert de vrouw, caf con leche, maar echte koningskinderen. Zelf is de vrouw zo wit als melk. Niet n stukje indiaans of zwart DNA moet ze hebben, zelfs geen deeltje van het DNA dat de Moren ooit in Spanje achterlieten. Vond ze het niet verschrikkelijk dat haar dochter een negro huwde? Nee, nee, beweert ze bij hoog en laag, hij is een deftige man, heeft werkzekerheid bij de overheid, er is niks mis mee. Niet meteen een antwoord dat zich aan de huidskleur refereert maar ik besluit het hierbij te laten. Iets verderop, net voor de bus Limn binnenrijdt, stapt ze af met in haar kielzog een stapel zakken vol cadeautjes voor de kleinkinderen en vruchten van het land voor haar dochter. Een tiental kilometer voor de bus Limn bereikt neemt de drukte toe, containervrachtwagens die stilstaan op de weg, anderen die vaart verminderen om de weg te verlaten en weer anderen die de weg opgepuft komen. Een hels getoeter. Overal grote terreinen waarop honderden, soms wel duizenden, containers gestapeld staan. De laatste stopplaats voor ze het schip opgaan of via een truck naar n of andere uithoek van Centraal-Amerika vertrekken. Door wegenwerken rijdt de bus ter hoogte van de olieraffinaderij Recope naar links, via het Noorden, langs de haven rijdt ze Limn binnen.

60

Honderd jaar later, de tijd heeft stilgestaan


Mathias en ik blijven zitten tot de eindhalte, een mierennest van af en aan lopende reizigers, taxichauffeurs, verkopers van pat, een lokaal broodje gevuld met een pikant, gekruide vleesbereiding, en natuurlijk de onvermijdelijke loterijventers. We lopen in de richting van de zee, vier blokken naar het Oosten. Nog veel houten gebouwen verspreid tussen de stenen blokken. De typische kleuren van de Caribische huizen: vaal lichtgroen en lichtblauw. We passeren het gebouw dat Marcus Garvey heeft laten optrekken, de Black Star Line, een groot houten cultureel centrum van de Afrocaribische cultuur nu, mooi gerenoveerd in blank hout. Binnenin allerlei ontmoetingsruimtes, ateliers en zaaltjes voor de culturele voorstellingen. Garvey was de leider van de eerste massabeweging van de Afrikaanse bevolking in de twintigste eeuw. Hij wordt beschouwd als de voorganger van Martin Luther King en Malcolm X. Hij richtte de Black Star Line op, een rederij die verschillende schepen had waar alleen maar mensen van Afrikaanse afstamming op mochten varen, van de kapitein tot de matrozen, de toeristen inbegrepen. Hij promootte de terugkeer van alle zwarten naar Afrika, het thuisland. Ook in Limn kwam hij deze terugkeer prediken in de jaren twintig. Zijn redenaarskunsten, pamfletten en zijn zwakheid voor grootse avonturen brachten ook hier menig hart in vervoering. Hij slaagde er echter nooit in om een schip naar Afrika te laten vertrekken.

De kustlijn van Limn is gekarteld en overhoop gegooid door een aardbeving begin 1991. Op sommige plaatsen is de zee gestegen, op andere het land. Hier en daar geven de runes van enkele duurdere hotels de weelde weer die hier voor de aardbeving heerste. De hoogdagen van de bananenindustrie. De oceaan beukt hier woest op de rotsen en koraalriffen. Op enkele plaatsen zijn kleine strandjes tussen de rotsen overgebleven. Zij lopen vol in de zonnige weekends en zijn voorzien van eet- en drinkgelegenheden. In n van die eetgelegenheden op Playa Bonita hebben we afgesproken met enkele mensen van Apde, een lokale vereniging die
61

zich bezig houdt met het beschermen van de natuur, het milieu en de cultuur van de streek. We zoeken ze tevergeefs in het restaurant, vinden ze languit op het witte zandstrand. De feeststemming zit erin. Een gitaar speelt een calypso en met luide stemmen wordt het refrein mee geschald: Playa Bonita es un bello lugar. Het is inderdaad een mooie plaats, de inham verzacht gedeeltelijk de golven die zonder omweg uit de oceaan op het vasteland beuken. Links liggen enkele vergane koraalriffen met hun afgeplatte toppen net boven de waterspiegel. Een partijtje strandvoetbal neemt haast de volledige strandoppervlakte in beslag. Een twintigtal jongeren die op hun blote voeten op en af achter een bal hollen. Larry Wein wijst naar een stip in de verte. Zie je dat bootje daar? Ik maak van mijn ogen een spleet maar zie het nauwelijks. Het is op weg naar Cuatro Millas, zegt hij, cocaine oppikken, de mode van het jaar. Limn heeft altijd wel wat gehad met drugs, en bij uitbreiding met Colombia. Eerst waren er de investeringen in bananenplantages om dollars wit te wassen, dan de nauwe contacten van bepaalde sectoren en groepen met de Colombiaanse FARC guerrilla, de Gewapende Revolutionaire Krachten, maar sinds lange tijd gebruikt de drugsindustrie Limn ook als doorsluishaven voor cocane naar de VS. Met de steeds strengere controles, wordt men hier steeds inventiever. Cuatro Millas is zoals de naam zegt een plaats op vier mijl van de kustlijn. Daar dropt men de pakketten vanuit boten die op doortocht zijn vanuit Colombia en kleine bootjes gaan ze ginder oppikken. Worden die dan niet gecontroleerd? Als jij ze al ziet varen met het blote oog, ziet de politie ze dan niet? Het is n pot nat, zegt Larry, ze zitten mee in de business. Het blijken vooral jongeren die met de bootjes de pakketten gaan ophalen. De visserij ligt hier plat, veel ander werk is hier niet. En je verdient geld als water. Je ziet arme straatschuimers van de ene dag op de andere in het centrum van Limn opduiken met een nieuwe sportwagen. Het zijn deze wagens die andere jongeren dan weer aanzetten om hetzelfde te doen. Op n of twee betaalde krachten na, zijn de mensen die bij Apde opereren vrijwilligers. Ze verdienen hun brood bij vakbonden, lokale ngos, in ziekenhuizen, in opvangcentra, als boer, maar ook bij de olieraffinaderij Recope bijvoorbeeld, de openbare streekontwikkelingsmaatschappij Japdeva, die de haven uitbaat, of in bananenplantages. Apde is er in geslaagd om in de provincie Limn een maatschappelijke beweging te organiseren langs de kustlijn, van de grens met Nicaragua tot aan die met Panama. Een beweging die zich op haar achterpoten gezet heeft tegen de plannen van de regering om olieplatformen toe te laten voor de kust. De concessies en vergunningen had de regering al gegeven aan enkele oliemastodonten uit de VS. Bush en Cheney hadden belangen in die bedrijven. Er werden petities gehouden, volksraadplegingen, dossiers aangelegd met de vermoedelijke gevolgen van de oliewinning op de natuurlijke rijkdom van de streek en men diende een bezwaarschrift in bij de Sala Cuatro, de lokale Raad van State.

62

Het is deze laatste zet die het gevaar voorlopig afgewend heeft. De Raad deed een uitspraak tegen de regering. Deze ziet zich nu genoodzaakt om een onoverkomelijke berg voorstudies te laten uitvoeren vooraleer de vergunningen mogen geleverd worden. Een harde opdoffer, die wegens contractbreuk waarschijnlijk ook een fortuin zal kosten, en nog waarschijnlijker, een hoop processen in de VS, het thuisland van de olielobby. De uitverkoop van de zee lijkt als twee druppels water op de uitverkoop van het land aan Minor Keith, de bananenkoning, eind negentiende eeuw, zegt Larry. Keith had tenminste nog een spoorweg gebouwd, deze baronnen hebben niks gedaan. Veel lijkt er inderdaad niet veranderd op politiek vlak in die honderd jaar. De beslissingen die men in San Jos neemt komt men hier te weten als de uitvoering ervan al begonnen is besluit Larry hoofdknikkend. Wat zou er ook veranderd zijn? Het zijn nog steeds de vijftien zelfde families die het land besturen. Van Keith kregen ze winstgevende aandelen in zijn bedrijven, zowel de spoorwegfirmas als de bananenplantages. En nu krijgen ze naar alle waarschijnlijkheid de aandelen van de oliemaatschappijen op een schoteltje aangeboden in ruil voor enkele voordelige beslissingen. De koffiearistocratie doopte zich om tot bananenaristocratie. De volgende stap laat zich raden als oliearistocratie, of specifieker: oliebaronnen. Op de terugweg naar Limn centrum komen we in een benarde situatie terecht. In n van de straten zitten we plots in de tang tussen twee kampen. Kogels fluiten over en weer. Noodgedwongen schieten wij n van de huizen binnen. Gelukkig waren de traliehekken niet afgesloten. Onze vrienden uit Limn blijven er rustig onder. Dit gebeurt hier wel meer. Twee rivaliserende groepen. Ze proberen elkaar een contract naar Cuatro Millas af te snoepen. Als men uitgeschoten is, komt de politie. Die staat hier dan wat. Mocht er iemand blijven liggen, roept men een ziekenwagen. Maar meestal is iedereen op tijd verdwenen. Degenen die het uit zichzelf niet meer kunnen, sleurt men mee. Na een half uur kunnen we verder. Tot een arrestatie kwam het inderdaad niet.

63

Over luchtfotos en regenwouden


In het uiterste Zuiden, aan de grens met Panama, liggen een vijftal idyllische dorpjes aan de Atlantische Oceaan. Koraalriffen breken de golven voor ze het land bereiken. Gitzwarte en hagelwitte stranden wisselen elkaar af. Enkele rijen naar zee overhellende kokospalmen behoeden het fijne zand voor de dreigende regenwouden. De regen valt overvloedig en laat zich aflossen door een meedogenloze zon, gebruikelijk na een uur, maar soms pas na enkele weken als de bergen weigeren de wolken die van over zee komen vrije doorgang te geven. Kortom, een paradijs. De onvoorspelbare regenbuien houden het massatoerisme voorlopig af. Voor rugzaktoeristen op zoek naar een jointje, naar de ideale surfgolf of een mooie vakantierasta, is dit paradijs het laatste decennium echter the place to be.

Puerto Viejo telt tweeduizend inwoners. Dit visserdorpje werd uitsluitend door zwarten bewoond tot halfweg vorige eeuw. Ten Westen, in de bergen, begint het indianenreservaat van Talamanca. Bribri-indianen kwamen zich in het dorp vestigen voor de centrumfuncties die het vervult. Maar witte Costa Ricanen, met uitzondering van enkele kunstenaars op zoek naar inspiratie, blijven tot op heden weg. Europeanen en Noord-Amerikanen komen echter des te talrijker hun leven hier leiden. En allemaal doen ze dat op dezelfde manier. Ze bouwen cabinas (kamers voor toeristen) langs de stranden, onder enkele hoge kolossen van het regenwoud dat ze voor de rest zorgvuldig kappen.

64

Het op stelten verheven restaurant van Stanford heeft lokaal gevangen kreeft op de spijskaart. Het prachtige uitzicht over de volledige baai van het dorp versterkt de smaak. Larry Wein veegt met zijn zakdoek over zijn bezwete voorhoofd. Teveel gegeten, gromt hij. Hij laat zijn enorme lijf onder tafel glijden en blijft met zijn achterwerk op de punt van de stoel hangen, zijn schouderbladen tegen de leuning. Het Queens English dat hij bij het verlaten van het restaurant tegen Stanford bralt, versta ik niet. De enige zinsnede die me bijblijft is cool, cool like a fish in the water. Come gringo, lets go, besluit hij. Lenig werpt hij zijn lijf van meer dan honderd kilo van de trap. Op weg naar Kkldi. In 1976 werd ergens op een administratief kantoor in San Jos een gebied van 3.538 ha langs de zuidelijke kustlijn van de Provincie Limn op een gedetailleerde landkaart afgebakend. Het was het werk van enkele politici en geografen ten dienste van de regering. Enkele maanden later vormde een officieel decreet dit gebied om tot beschermd indianenreservaat. Kkldi, de officile naam ervan, strekt zich uit tot aan het strand en grenst aan het grote reservaat van Talamanca dat verder het binnenland en de bergen ingaat. Ik sta versteld dat men dit gebied beschermd heeft, zeg ik tegen Larry terwijl we in de boerderij van zijn oom de zieke cacaovruchten van de bomen rukken en op een hoop smijten. Monilia, de gevreesde cacaoschimmel slaat ook hier toe. De enige oplossing bestaat erin om de aangetaste vruchten zo snel mogelijk te verwijderen en te vernietigen. In 1976 had het toerisme de kop toch al opgestoken? Niet zo fel, antwoordt hij, het regent hier te veel. Investeringen in toerisme zijn altijd gericht op de stranden van Guanacaste. Daar weet je dat het een half jaar niet regent. Waarom is dit hier dan uit de hand gelopen? wil ik weten. Je kan de oom van Larry nu moeilijk verwarren met een Bribi of Cabcar. Hij heeft net als Larry het uiterlijk van een Bantu uit Midden-Afrika. In 1976, zegt hij, besloot de toenmalige president Oduber aan de alarmbel te trekken. De Bribri en Cabcar indianen die in deze bergachtige streek woonden, zagen steeds meer van hun territorium verloren gaan. De president was ervan overtuigd dat de indianengroepen hun gebied niet zelf konden beschermen. Ik herinnerde me dat Chango me bij het grafdelven verteld had over gelijkaardige problemen. De indianen wonen al sinds mensenheugenis op deze plaatsen. Ze kennen geen individuele eigendomsrechten en dus ook geen legale middelen om zich te verdedigen binnen het heersende Costa Ricaanse rechtssysteem. Hun culturele en sociale gewoontes zijn anders, maar even waardevol. Hun landbouwmethodes zijn minder destructief voor het milieu en de waterbekkens. De overheid moet al haar burgers beschermen, had Chango gezegd, dus ook de indianen. Oduber liet een groot aantal gebieden afbakenen, gaat Larry verder, waaronder het grote reservaat van Talamanca met als annex het reservaat Cocles, dat door de lokale bewoners al gauw herdoopt werd tot Kkldi. Het was toevallig het eerste reservaat dat officieel erkend werd. Het ging om twee stukken land die ooit aan Chiquita toebehoorden maar verlaten waren en terug in het bezit waren gekomen van de overheid. Zonder slag of stoot stond Chiquita die gronden af?, wil ik weten. Het fijne weet ik er ook niet van. Er zal wel geld mee gemoeid zijn.

65

Het zou ook om andere afspraken kunnen gaan, vermoed ik: een ruil voor andere gronden op andere plaatsen, belastingsvrijstelling, doofpotoperaties, noem maar op. Van een bedrijf als Chiquita kon je vroeger alles verwachten. Het ITCO (het Instituut voor Land en Kolonisatie) had de opdracht om de reservaten af te bakenen. Op het eerste zicht een gemakkelijke opdracht. De gronden waren grotendeels in bezit van de Staat. Verder projecteerden ze de lokale bevolkingsaangroei en brachten het bestaande regenwoud in kaart. Dit laatste om het te beschermen tegen houtkap. Het shirt van Larry vliegt langs de hoop rotte cacaovruchten. Fucking hot, puft hij.

Dus de toenmalige bewoners van het gebied werden niet in rekening gebracht? Neen, de ingenieurs gebruikten alleen luchtfotos om de grenzen van het gebied vast te leggen. En ding had men over het hoofd gezien. Met luchtfotos bleek het onmogelijk om de cacaoboerderijen van de zwarte boeren te onderscheiden van maagdelijk regenwoud. Vanuit de lucht leek alles regenwoud. Cacao gedijt alleen in de schaduw en in de boerderijen staan de cacaovelden dan ook vol met lagere fruitbomen en hogere tropische hardhoutbomen, het is n van de meest ecologische landbouwsystemen die nog bestaan. Het is hier inderdaad donker in deze cacaoplantage. Als je naar bovenkijkt zie je alleen maar bomen en bladeren. En om de zieke vruchten af te trekken, moet ik me door een wirwar van struiken en boompjes wringen. Het begint me te dagen. Vanuit hun kantoor in San Jos, aandachtig met hun leesbrilletjes over de luchtfotos gebogen, hadden de ingenieurs zonder het te beseffen veel cacaoboerderijen aan het reservaat toegevoegd. Bijna de helft van de boerderijen die in het reservaat lagen behoorden toe aan zwarte boeren, zegt Larry. Bovendien hadden er zich al gedurende lange tijd enkele witte kolonisten gevestigd. In mijn land zou men die gewoon onteigenen, zeg ik.

66

Dat was ook de bedoeling. Zelfs nu na bijna dertig jaar is dat nog steeds de bedoeling. Het geld noodzakelijk om niet indianen te onteigenen, bleek niet voor handen te zijn toen. Nu blijkt het nog steeds niet voor handen te zijn. Zijn er dan nooit conflicten ontstaan tussen Indianen, zwarten en witten? Ze hadden toen al jaren naast elkaar gewoond zonder conflicten, en de indiaanse belangengroepen wilden dat ook zo houden. Zij drongen aan op een inkrimping van het reservaat, maar de opeenvolgende regeringen zijn daar nooit op ingegaan. En je oom wil niet verkopen? Jawel hoor, van cacao word je al lang niet meer rijk. Veel van de zwarte boeren zouden maar al te graag hun gronden verkopen aan de toeristenindustrie die zich hier begint te ontwikkelen sinds het begin van de jaren negentig. De gronden kunnen echter niet verhandeld worden, stelt het decreet.

67

Jagen op reen vanuit bootjes

Vliegensvlug tracht ik recht te komen. Een seconde, langer kan het niet geduurd hebben. Het fototoestel klaar, scherp gesteld op oneindig, telelens op verst bereik. Het gammele, smalle, houten bootje schudt heftig van links naar rechts. Net voordat ik de ontspanner indruk, verdween de ree. De foto geeft alleen een rietveld weer. Ik draai mijn hoofd zonder mijn voeten te verplaatsen zo ver als ik kan naar achter. Ananas heeft de motor losgelaten, het geweer nog in aanslag. Het dier moest maar eens genadeschot nodig hebben. Zijn door zon en avontuur ruw gezicht straalt. De buit is groot. Ik moet het doen met een foto van een ree opgehangen aan de achterpoten, klaar om gevild te worden. Zonder haast meert hij het bootje aan. Door het drassige rietveld slepen we het kadaver aan boord. De kogel zit in het hoofd. Een kilometer verderop, bij een boerderijtje langs n van de oevers wordt het dier vakkundig gevild en versneden. Voor we terug bij de boerderij van Ananas aankomen, meren we op een tiental plaatsen aan om stukken vlees uit te delen.
68

Zo doen we dat allemaal, zegt Ananas. We jagen enkel voor eigen gebruik. Op de keeper beschouwd jagen we niet. Alleen als er zich een dier aandient, danken we de Heer en leggen het neer. Ze dienen zich hier waarschijnlijk met tientallen tegelijk aan, werp ik hem terug. Zijn gerimpeld gezicht vertrekt geen spier. Eigenlijk niet. Vroeger was hier veel wild. De laatste jaren komen hier veel toeristen, mensen van elders, jagers. Het gebeurt nog maar zelden dat ik iets mee naar huis neem. Barra del Colorado begint waar de bananenplantages eindigen. Een nog grotendeels ongerept gebied in de grensstreek tussen Costa Rica en Nicaragua. In vorm gegoten door een een kluwen van rivierarmen. De Colorado is een afsplitsing van de Ro San Juan die zich van het Meer van Nicaragua een weg baant naar het Oosten. Aangemoedigd door tientallen grote rivieren uit het bergland van Nicaragua en Costa Rica, mondt hij uit in de Atlantische Oceaan via een wirwar van afsplitsingen. Alleen met motorbootjes kan je je hier bewegen. Langs de oevers wonen hier en daar wat boerenfamilies. De muren van de immense oerwouden herleiden hun kokosplantages tot weelderige grasvelden. Een paradijs voor biologen en natuurliefhebbers. Aras en toekans in de hoge bomen. Allerlei watervogels in en langs de rivier. Krokodillen die van kleine eilandjes in het water duiken wanneer de bootjes passeren. Het is ook n van de armste streken van Costa Rica. Als ze hun kokos al tot bij de verkopers krijgen, hebben de boeren nog geen garantie op een deftige prijs. Ze proberen het hoofd boven water te houden door hun bootjes als taxi in te zetten voor toeristen. Maar de concurrentie is hard. Op een steenworp van de lokale landingsstrip, aan de monding van de Colorado, bevinden zich enkele peperdure hotels, uitgebaat door buitenlanders. Met hun moderne speedbootjes kapen ze de Westerse toeristen weg.

Ananas leidt me mee naar mijn slaapplaats. Ik loop een honderdtal meter achter hem aan over een glibberig en kronkelig paadje door het woud. Een heel hotel voor jezelf, grapt hij. Het blijkt een oud veldhospitaaltje. Een houten vervallen gebouw van tien meter op drie met roestige golfplaten, verborgen tussen de bomen. Opluchting, voor de ramen zit geen glas, alleen muggengaas. Ik krijg terug een sprankel hoop dat het bij het minste briesje zal afkoelen vannacht. Je kiest je bed zelf maar uit, grinnikt hij nog, maar is ondertussen weer tussen de bomen verdwenen. Keuze genoeg, ja. Het gebouw is volgestouwd met olijfgroene plooibare kampeerbedden. Ik grijp het eerste het beste uit de stapel en plooi het open in een vrij hoekje. Ik installeer het muggennet.

69

Een uur later schuif ik met Ananas aan tafel. In zijn houten paalwoning met zicht op de rivier. De lage zon en dreigende wolken zorgen er voor dat op zijn minst het kleurrijke decor paradijselijk is. Boven het houtvuur waarop de rijst en de bonen pruttelen, hangt de prooi in smalle langgerekte stukken te roken. Zoetwaterkreeftjes, allerlei kleine visjes en een taai gerookt stuk vlees passeren mijn bord. Ananas kent deze streek op zijn duim. Hij hangt al meer dan dertig jaar in deze uithoek rond. Ik wil zijn avonturen graag horen. Zijn karaktertrekken en littekens tonen een bewogen leven. Het gesprek draait echter de ganse avond en een stuk van de nacht rond Eden Pastora, zijn grote held en leermeester. Ik zou voor hem mijn leven, zelfs mijn vrouw verloochenen, murmelt hij weemoedig. Zijn vrouw kijkt niet op van haar potten. De Nicaraguaanse verzetsheld Eden Pastora begon zijn carrire als activist voor de Conservatieve Partij op het einde van de jaren vijftig. Door de uitzichtloze politieke situatie in die tijd in Nicaragua, schaarde hij zich achter de Sandinistische guerrilleros in hun strijd tegen Somoza. Comandante Cero of Commandant Nul werd zijn beruchte schuilnaam. Het paste in de strategie van de Sandinisten om een zo breed mogelijk draagvlak te creren in de Nicaraguaanse maatschappij in hun pogingen om Somoza weg te krijgen. Vandaar dat ook iemand van de rijke bourgeoisie zoals Pastora er een onderdak vond. Commandant Cero gaat de geschiedenis in als de leider van een groep van 23 guerrilleros die er in slaagden om het Nationaal Paleis in Managua in te nemen in 1978, een jaar voor de revolutie. Heel de wereld stond perplex, niet in het minst de guerrilleros zelf. Het leek een onmogelijke opdracht. Het paleis lag op een groot open plein en werd bewaakt door tientallen soldaten. Van de gegijzelden koos de overgrote meerderheid de kant van de rebellen. Omdat ook enkele familieleden van Somoza zich in het paleis bevonden, werden er heel wat eisen van de groep ingewilligd en verkregen ze met enkele voorname gegijzelden een vrije aftocht naar Venezuela. Op de weg naar de luchthaven werden ze door duizenden mensen op een warm applaus onthaald. Bij de beslissende aanval van de Sandinisten op het Somoza-regime in juni en juli 1979 was Ananas, als n van de vele Costa-Ricanen, bij de zeshonderd manschappen onder bevel van Comandante Cero die vanuit Costa Rica naar Managua oprukten. Ik ging mee en bracht de gewonde compaeros terug de grens over naar de hulpposten van het Rode Kruis, vertelt Ananas. Ik liep constant op en af. In de echte raid op Managua was ik niet betrokken. Maar nuttig was ik wel. Ik kende die grensstreek als geen ander. Pastora werd na de overwinning van de Sandinisten achtereenvolgens Minister van Binnenlandse Zaken en Vice-Minister van Defensie. Hij bouwde het Sandinistische Volksleger uit. Een rare kronkel. Want enkele jaren later zou dat leger zijn vijand nummer n worden. De liefde tussen Pastora en de Sandinisten was begin jaren tachtig verkoeld. En Ananas, volgzaam als hij is, gaf Pastora overschot van gelijk. Communisme, totalitarisme was het roept hij uit. Nicaragua zat toen vol met Russen, Cubanen, Oost-Duitsers, de hele rode horde. Niemand had nog een keuze, er was geen vrijheid meer. Pastora sloot zich aan bij de contrabeweging. Paramilitaire antisandinistische groepen die gesteund door de VSregering en de CIA raids uitvoerden op Sandinistische doelwitten. Zijn uitvalsbasis werd Costa Rica. In die periode richtte Ananas hier zijn veldhospitaal in. Verdiende dat goed, dat werk bij de contras? Natuurlijk, antwoordt hij spontaan. Hier in de bananenplantages werden contras gerekruteerd, Nicaraguanen maar ook Costa Ricanen, voor zeshonderd dollar per maand. Een

70

loon waar je nu nog alleen maar kan van dromen. Het bleken zelfs VS militairen te zijn die het rekruteringswerk deden. De Costa Ricaanse regering werkte in het begin van de jaren tachtig gretig mee met de contras. De ontwikkelingshulp van de VS voor Costa Rica is nooit zo hoog geweest als in die dagen, vertelt Ananas, overal werd hier infrastructuur aangelegd met oorlogsdoeleinden: bruggen, wegen, landingsbanen, al wat je je maar kan inbeelden. Pastora werd in 1982 zelfs eens opgepakt door de Costa Ricaanse politie. Een enorme hoeveelheid wapens had hij bij zich. Vanuit San Jos kwam al snel het bevel om hem met wapens en al vrij te laten. Pastora gaf zijn strijd tegen de Sandinisten op in 1986 en vestigde zich in Costa Rica. In de jaren negentig trachtte hij zich enkele malen via verkiezingen terug in de Nicaraguaanse politiek te manoeuvreren. Zijn nieuwe Costa Ricaanse nationaliteit belette hem dat echter. Of hij dan die opwindende tijd niet miste, vroeg ik aan Ananas. Wat dacht je dan? Maar al bij al ben ik al blij dat ik het kan navertellen, zegt hij wijzend op zijn littekens in zijn hals en op zijn rechterwang. Dan wordt het stil en besluit ik naar mijn ziekenboeg te gaan. De ijzeren staven van een kampeerbed, de verbeelding van kermende hoofden, omwikkeld met witte doeken besmeurd met geronnen bloed en de geluiden van het woud, houden me tot de vroeger uurtjes uit mijn slaap.

71

De schaduwkant van de bananen


Een voettocht door Gucimo van de snelweg in het Zuiden tot het voetbalveld in het Noorden, duurt gechronometreerd amper zeven minuten en zesentwintig seconden. Met een stevige tred en onder normale omstandigheden welteverstaan; zonder hinderlagen, uitzonderlijk oponthoud of dagdagelijkse ontmoetingen. Maar bij nader inzien maakt vooral dit laatste het halen van deze recordtijd haast onmogelijk. Bekenden, maar ook onbekenden, kunnen overal opduiken. Je kunt ze spontaan op het lijf lopen terwijl zij ook op straat wandelen, of zelfs voor hun huis zitten, of uit de huizen, winkels of cafs tevoorschijn komen. Deze onvoorziene omstandigheden durven die tijdspanne van amper zeven minuten wel eens rekken tot een halve dag, of een hele als het echt tegenzit. Het is acht uur s morgens. De bus vanuit San Jos heeft me aan de ingang van Gucimo gedropt. Het heeft me moeite gekost om de chauffeur te overhalen me eruit te laten. Dit is een rechtstreekse bus naar Limn, bleef hij volhouden. Ik bleef koppig herhalen dat vergissen menselijk is. Een fikse, korte wandeling tot bij het huis waar ik moet zijn, zal me op dit vroege uur deugd doen. Wanneer ik afstap val ik bijna over Chana. Met haar hoge hakken, haar minirokje, haar diep uitgesneden hemdje en haar zilverkleurige handtas staat ze geconcentreerd in de verte te staren. En Chana, geen geluk vandaag?, groet ik haar. Doorheen de verschillende lagen schmink tonen zich enkele vage rimpels wanneer ze verlegen lacht. Ik sta hier nog maar pas. En waarheen gaat de reis vandaag? Naar Limn, ik heb een afspraak voor een baan. Goed zo zeg ik en wandel langs haar heen. La trailera noemt men haar in Gucimo. De truckster. Ze lijkt niet ouder dan zestien jaar. Elke morgen stipt om acht uur wandelt ze uitdagend en heupwiegend vanuit het centrum naar de snelweg. Met haar duim in de lucht wacht ze dan tot een truck haar meeneemt. Je kan er prat op gaan dat alle trucks luid toeteren. Stoppen doen ze echter lang niet allemaal. Eerst schikt ze zichzelf aan de kant van de weg die naar Limn gaat. Iemand vertelde onlangs dat bananentrucks meer geneigd zijn te stoppen. Wanneer ze echter om negen uur nog niet weg is, probeert ze de andere kant van de weg, in de richting van San Jos. Wanneer ze om tien uur s morgens nog geen geluk gehad heeft, wandelt ze even trots als ze gekomen is door het centrum terug naar huis. Maar dit gebeurt zelden. Bijna elke dag slaagt ze erin te solliciteren. Ik wandel haastig verder. In de verte zwaait Brgida met haar armen. Een jonge, zwarte Nicaraguaanse schone uit Bluefields. Ze heeft net de bank verlaten. Al zo vroeg op stap, vraagt ze. Ja, ik kom van San Jos, ze hebben me op de snelweg gedropt. En jij? Enkele facturen gaan betalen voor de vakbond. Ik ga nu ontbijten en dan naar kantoor. Brgida is boekhoudster. Ze haalde die titel terwijl ze receptioniste was voor de vakbond. Uit dankbaarheid blijft ze er voorlopig werken. En nog niet naar New York?, vraag ik haar. Neen, maar ik heb wel al contacten gelegd. Mijn tante heeft verschillende opties doorgestuurd en ik ben die nu aant afchecken. De volgende keer dat je komt ben ik zeker weg.

72

Brgida woont met haar oudere zus verderop in de straat in een vervallen houten huisje. Ze komt nog altijd even ijverig voor de dag. Ze is een toegewijde getuige van jehova. Enkele jaren geleden verzekerde ze me dat alleen hard werken je uit de ellende kan halen. En jehova natuurlijk ontsnapte me toen. Nee, die is voor als het hier op aarde niet lukt zei ze, hij is mijn verzekering voor het hiernamaals. Tegenover het park staat een menigte opgewonden te gebaren. Men blijkt ingebroken te hebben bij Lus. De dieven hebben een golfplaat losgemaakt en zijn door het dak naar binnen gekropen. Lus verkoopt spullen voor doe-het-zelvers. Men heeft vooral boormachines en elektrische zagen mee, jammert hij. Al snel vallen de naam Cejas (wenkbrauwen) en Atn (tonijn). Als er diefstallen gebeurd zijn in Gucimo besluit zelfs de politie om eerst van deze twee een sluitend alibi te vragen. En wanneer de politie er niet in slaagt voldoende bewijzen te vinden of hen te doen bekennen, gaan de slachtoffers zelf om hun gestolen goederen. Op die manier zijn het vertrouwden geworden van de Guacimeos en worden ze door iedereen op straat vriendelijk begroet. Chico Palmares staat buiten aan zijn winkel. Hij verkoopt gasbussen. Vroeger verkocht hij ook kunstmeststoffen en bestrijdingsmiddelen voor de landbouwers uit de buurt. Maar die vergunning is hij kwijt. Alleen de grote winkels mogen dat nog, zegt hij, dit land gaat naar de knoppen. Hij arriveerde in Gucimo in het zog van de lokale economische groei die de bananenplantages met zich mee brachten. En kun je overleven met de verkoop van gasflessen alleen? Hm, gromt hij, uiteindelijk moet iedereen toch koken, niet?. Chico komt uit Palmares, een stad aan de andere kant van het land. Zijn dagen vult hij na 30 jaar nog steeds met dagdromen over zijn geboortestreek. En zondagochtend gaat hij de voetbalwedstrijd op tv volgen in het caf van Winston, uitgedost met de kleuren van zijn ploeg. En bij winst zwaait hij de vlag en drinkt de rest van de dag op zijn kampioenen. Voor de licorera, de drankenwinkel, zitten Cury en Lily tegen het gesloten hek. Hey gringo, roepen ze met een zwaar Spaans accent, come here. Ze wachten tot de winkel opengaat om de nadorst te lessen. Hun ogen staan op oneindig, hun haar zit in de war en hun rafelige T-shirts verspreiden de geur van een woelige nacht. We zijn naar Limn geweest, big party. Ze zijn danig onder de indruk. Volgens de Guacimeos was Lily jaren geleden de mooiste vrouw van de streek. Tot ze crack begon te roken, vertelde Bull me onlangs. Op een maand tijd is ze veranderd van een mooie volle meid tot een geraamte. Sindsdien bedelt Lily langs de straat om betaalde liefde of om geld, maar liefst rechtstreeks om crack. Ze is onder deze omstandigheden er in geslaagd om een baby te krijgen. Niemand had ook maar enig vermoeden dat ze zwanger was. Na vier maanden heeft de sociale dienst het zoontje bij haar weggehaald. Hij zou geen eten krijgen. Bull kreeg de tranen in zijn ogen toen hij me dit vertelde. Big party! hoorde ik hen herhalen. Ik was de hoek al om. Er is al meer dan een uur verlopen sinds ik uit de bus ben gestapt. Ik ben halfweg, op slechts een tiental meter van het caf van Winston. Hey, zou je niet binnenkomen, roept een stem door de tralies van het venster. Mathas en Bull zitten binnen een tas koffie te drinken.

73

Kom erbij zitten, zegt Bull en hij schuift een stoel in mijn richting. Ik vertelde net aan Mathas dat de Europese Unie quotas gaat invoeren voor de bananen van de grote multinationals. De Unie wil blijkbaar haar eigen bananen meer kansen geven. Die van de Canarische Eilanden dacht ik gehoord te hebben. Men zal hier niet mee kunnen lachen in deze streek. Ik besef ten volle dat het oplossen van wereldvraagstukken tijd vraagt. Des te meer in een caf. Meer tijd dan een fikse wandeling door Gucimo. De ananasteelt zal de bananenvelden stilaan veroveren. Dat staat vast. Anderzijds zal het nog lang duren vooraleer de ananas ook de achtergebleven schaduw van de banaan zal uitgewist hebben.

74

Annex

De inheemse bevolking van Costa Rica en Nicaragua: enkele historische elementen


Costa Rica, en in iets mindere mate Nicaragua, vormden in pre-Columbiaanse tijden een trefpunt van verschillende culturen. Enerzijds de Midden-Amerikaanse cultuur en anderzijds de Zuid-Amerikaanse cultuur. Uit recente studies blijkt dat deze streek een cultureel belangrijk centrum vormde en een relatief groot bevolkingsaantal bezat. De gegevens over de verschillende culturen en de mengvormen komen voort uit opgravingen en beschrijvingen van de landbouw opgetekend door de eerste lichting van kolonisatoren. Net zoals deze landengte een biologische filter vormt voor dier- en plantensoorten uit Noorden Zuid-Amerika, kwamen de drie belangrijke Amerikaanse culturen hier met elkaar in contact: de Midden-Amerikaanse cultuur, de Andescultuur en de cultuur uit het Amazonewoud. De culturen uit Midden-Amerika en het Amazonewoud werden van elkaar gescheiden door de bergketen die de streek van Noord naar Zuid doorkruist. De westkant, de streek die grenst aan de Stille Oceaan, werd bewoond door etnische groepen nauw verwant met de culturen uit Mexico en Guatemala (Maya en Azteken). Er zijn bewijzen dat er uitwisseling geweest is met volkeren uit Ecuador en Peru. De kusten van Costa Rica en Nicaragua liggen in het midden van de zeeroute tussen Mexico en Ecuador. De oorspronkelijke taal van de Chorotega in Costa Rica en in Nicaragua, de belangrijkste inheemse bevolkingsgroep op dit moment, is nog sterk verwant met het Nahuatl, de taal die door de Maya in Mexico gesproken werd. De cultuur van deze bevolkingsgroepen heeft zich voor een groot stuk rond de landbouw ontwikkeld, waarbij mas het centrale element was. De mens zou zelfs ontstaan zijn uit een maskorrel. De landbouw van de inheemse bevolkingsgroepen aan de oostkant van de centrale bergketen karakteriseert zich echter door het verbouwen van knolgewassen, vooral maniok, net zoals dat het geval is bij de inheemse bevolking van de Amazone. De belangrijkste bevolkingsgroepen zijn de Bribi en Cabcar in Costa Rica en de Miskitos in Nicaragua. De verschillende landbouwsystemen en voedingsgewoontes komen overeen met verschillende etnische gewoonten, gebruiksvoorwerpen en de taalgrens. Op dit ogenblik leven er in Nicaragua nog ongeveer vijfhonderdduizend indianen. In Costa Rica zijn er dat slechts een dertigduizend, amper n procent van de totale bevolking.

75