You are on page 1of 5

De archeologische-genealogische methode

Mark Lambrechts

Keren we terug naar Foucaults archeologie. De kortste omschrijving die hij ooit van het begrip archeologie
heeft gegeven is misschien: 'beschrijving van het archief''. Daarbij moet archief, zoals gezegd, zeer ruim
worden opgevat. 'Onder archieven versta ik in de eerste plaats de verzameling van dingen die in een cultuur
worden gezegd, die worden bewaard, geëxploiteerd, of opnieuw gebruikt, die worden herhaald en veranderd.
Heel die verbale massa kortom die door de mensen is geproduceerd, die in hun technieken en instellingen is
belichaamd en verweven is met hun geschiedenis en hun bestaan.' Iets technischer omschrijft Foucault het
archief als volgt: 'Onder archief versta ik het geheel van vertogen dat daadwerkelijk is uitgesproken.'
Uiteindelijk gaat het hem dus om de beschrijving van het vertoog, het discours, dat hij eens definieerde als
volgt: 'De term vertoog zullen we hanteren voor een geheel van uitspraken voor zover deze behoren tot
dezelfde discursieve formatie.' Ook het begrip 'discursieve formatie' verduidelijkt Foucault: '...wanneer men
in een groep van uitspraken een zelfde referentiesysteem kan opsporen en beschrijven, een bepaalde mate
waarin uitspraken van elkaar afwijken, een zelfde theoretisch netwerk en een zelfde veld van strategische
mogelijkheden, dan kan men er zeker van zijn dat zij behoren tot wat men een discursieve formatie zou
kunnen noemen.' Ons inziens heeft IJsseling gelijk wanneer hij het vertoog (discours) met de 'logos' van de
sofisten vergelijkt. 'Discours kan het beste begrepen worden als een Franse vertaling van de Griekse logos,
maar dan niet opgevat als een soort innerlijke ratio maar eerder als een oratio of als een netwerk van
gesproken en geschreven woorden, die beschouwd worden in hun feitelijke en materiële bestaan, in hun tot
stand komen of productie en in hetgeen zij tot stand brengen of in hun effect. Het is de betekenis van de
logos zoals men die aantreft bij de sofisten en in de retorische traditie.'

Nu is het Foucault niet om het vertoog omwille van het vertoog te doen, maar om de praktijk die aan de
vertogen ten grondslag ligt. In L' archéologie du savoir wordt dat met klem gesteld. 'De archeologie ( ... ) is
er niet op uit de eenzelvige en soevereine zelfstandigheid van het vertoog te waarborgen; wat ze wil
ontdekken is het veld waarin een discursieve praktijk bestaat en functioneert.' (cursief M. L.) Foucault is er
dus niet primair op uit woorden of dingen te beschrijven; zijn analyseobject is een discursieve praktijk. 'Ik
probeer het vertoog te nemen in zijn zichtbaar bestaan, als een praktijk die aan regels gehoorzaamt ( ... ) En
het is deze praktijk die ik in haar consistentie, om niet te zeggen haar materialiteit, beschrijf.' De discursieve
praktijk ligt ten grondslag aan het vertoog. 'Als we het vertoog nu denken als een verzameling uitspraken die
alle door dezelfde historische voorwaarden mogelijk zijn gemaakt, dan is duidelijk dat de regels die het
bestaan van de uitspraken beheersen, ook heersen over het vertoog voor zover het vertoog als een praktijk te
beschouwen is. Technisch gesproken noemen we de verzameling van verbale uitingen die alle aan dezelfde
regels gehoorzamen, een discursieve formatie.'

Lecourt merkt ons inziens terecht op dat de discursieve praktijk bij Foucault alleen op immanente wijze kan
worden verklaard. 'Het vertoog kan niet worden gedefinieerd buiten de betrekkingen die het constitueerden;
daarom kan men beter spreken van "discursieve relatie" of "discursieve regelmatigheden" dan van "vertoog".
In laatste instantie is het vertoog een praktijk.' In die zin is het ook begrijpelijk dat Foucault door Lecourt
enigszins als 'materialist' wordt beschouwd: 'De categorie “discursieve praktijk" zoals zij hier door Foucault
voorgesteld wordt, geeft de theoretische vernieuwing aan die hij doorvoert; een vernieuwing die in de grond
van de zaak een materialistische is omdat zij geen enkel "vertoog" aanneemt buiten het systeem van de
materiële betrekkingen waardoor het wordt gevormd en gestructureerd.' Het is echter juist deze immanentie
van de discursieve praktijk die voor Lecourt als marxist problematiek is. Naar zijn mening kan de plaats van
de discursieve praktijk slechts worden bepaald vanuit een externe positie of vanuit een 'basis'. Maar het is
duidelijk dat Foucault zijn archeologie zou moeten opgeven als hij van de 'immanentie' van de discursieve
praktijk afstand zou doen. 'Hier ziet men', zegt Lecourt daarom ook, 'welke de betekenis is van Foucaults
keuze tussen het historische materialisme en zijn eigen constructie; deze theoretische keuze is uiteindelijk
een politieke. We hebben de consequenties van deze keuze tot in detail onderzocht: zij stelt aan de
archeologie de "limiet die zij niet zal kunnen overschrijden". Wanneer de archeoloog daarentegen van terrein
veranderen zou, zou hij ongetwijfeld vele andere rijkdommen ontdekken. Met dien verstande dat hij dan
opgehouden zou zijn "archeoloog" te zijn.' Ysmal schaart zich achter het verwijt van Lecourt dat de
archeologie van Foucault geen determinatie 'in laatste instantie' kent. 'Met betrekking tot het marxisme, met
name tot de theorie van het maatschappelijke geheel zoals deze door Louis Althusser is geschetst, bevindt
zich bij Foucault een "blinde vlek", een lacune, en wel die van de determinatie in laatste instantie. Meerdere
malen zet Michel Foucault de rol van de instituties bij de formatie van een vertoog uiteen, met name, bij de
formatie van het medische vertoog. Maar hij doet dat steeds in de vorm van een opsomming of van een
nevenschikkende reeks.'

Dit laatste verwijt van Ysmal gaat echter ons inziens niet op! Foucault neemt juist het voorbeeld van de
geneeskunde om aan te tonen hoe belangrijk de politieke praktijk in zijn ogen is. Alleen geeft hij deze een
zeer eigen functie. Naar zijn opvatting is het niet zo dat de politieke praktijk het bewustzijn van de mensen of
hun concepten heeft moeten veranderen, opdat daarna ook de geneeskunde een verandering kon ondergaan.
'De politieke praktijk werkt op veel directer wijze op de geneeskunde in: wat de politieke praktijk heeft
veranderd, is niet de betekenis of de vorm van het vertoog, maar de voorwaarden waaronder het ontstond,
werd opgenomen en functioneerde; het is de bestaanswijze van het medische vertoog die veranderd is.' Niet
de objecten van het medische vertoog ondergaan een verandering onder invloed van de politieke praktijk,
maar het systeem dat aan de geneeskunde een mogelijk object verschaft; evenmin zijn het de analyses zelf
die onder invloed van de politieke praktijk een verandering ondergaan, maar wel het systeem waarop de
formatie van analyses berust; de politieke praktijk bepaalt ook niet de begrippen, maar wel het systeem dat
de vorming van een aantal begrippen regeert. Kort en bondig omschrijft Foucault de wisselwerking van
politieke praktijk en geneeskundig vertoog daarom als volgt: 'Het wetenschappelijke karakter van een
wetenschap kan men niet beoordelen uit naam van een politieke praktijk ( ... ) Maar wel kan men uitgaande
van een politieke praktijk de bestaanswijze en het functioneren van een wetenschap ondervragen.' Kortom:
het is niet de politiek die de discursieve praktijken bepaalt; noch de discursieve praktijk die de politiek
bepaalt; de discursieve praktijk zelf is immers reeds wezenlijk politiek.

Foucault geeft zelf toe dat hij dit politieke karakter slechts geleidelijk aan ontdekt en ontwikkeld heeft. 'Wat
aan mijn werk ontbrak, was het probleem van het "discursieve regiem", dat wil zeggen het probleem van de
machtseffecten die uitgaan van het spel van de uitspraken. Ik verwisselde dit "discursieve regiem" al te zeer
met het systematische karakter van de uitspraken, met hun theoretische vorm of met zoiets als het paradigma.
Op het punt waar De geschiedenis van de waanzin en De woorden en de dingen samenkomen, bevond zich,
onder twee zeer verschillende opzichten, dit centrale probleem van de macht, dat ik nog maar heel slecht
afgebakend had. In tegenstelling tot de traditionele geschiedschrijvingen waarin de menselijke soevereiniteit
op de voorgrond staat, richt Foucault - in navolging van Nietzsche - zijn genealogie op de meest diverse
vormen van onderwerping. 'De genealogie daarentegen maakt de verschillende onderwerpingssystemen
weer zichtbaar: niet de anticiperende macht van een betekenis maar het hazardspel van de overweldigingen.'

Dat Foucault met deze genealogie nog méér nadruk legde op de inwerking van macht op de mensen, lokte
natuurlijk nieuwe reacties uit. Bauch bijvoorbeeld meent dat daarmee elk perspectief uit de geschiedenis
verdwijnt, omdat alle gebeurtenissen nog slechts ondergeschikt worden gemaakt aan de grillen van de macht.
'Foucault sluit aan bij Nietzsche's Wille zur Macht, het boek waarin in wezen de 'Umwertung der Werte'
voltrokken werd, omdat het alles in de westerse filosofie vanaf Herakleitos zijn geldigheid deed verliezen
behalve de eb en de vloed der substantie die slechts komen. en gaan, zonder doel of hogere ontwikkeling;
iets dat zich weliswaar rusteloos beweegt, maar uiteindelijk neerkomt op een pas op de plaats.' In
werkelijkheid gaat het Foucault echter niet om een aanbidding van de macht. Wat hij met zijn genealogie wil
laten zien is, hoe ons denken en weten gedetermineerd is door praktijken die wij niet in de hand hebben. 'Dat
nu zou ik genealogie willen noemen: een vorm van geschiedschrijving die de ontstaanswijze van vormen van
weten, vertogen, Sovjetgebieden enzovoort weergeeft, zonder te moeten verwijzen naar een subject dat aan
het veld van de gebeurtenissen transcendent zou zijn of dat met zijn loze identiteit door heel de geschiedenis
holt.'

Wat Foucault hier met genealogie bedoelt staat ons inziens niet ver van zijn omschrijving van de
archeologische methode af. 'Vaststellen wat, in zijn verschillende dimensies ( ... ) de bestaanswijze van de
vertogen is, in het bijzonder van de wetenschappelijke vertogen (hun formatieregels, hun voorwaarden, hun
afhankelijkheden, hun veranderingen) waardoor het weten ontstaat dat momenteel het onze is, of
nauwkeuriger gezegd, het weten dat dat opmerkelijke object, de mens, als domein heeft genomen.' Zonder
zover te gaan als Jambet , die niet het minste onderscheid tussen Foucaults archeologie en diens genealogie
ziet, menen wij, net als Riddel, dat er een grote verwantschap tussen beide bestaat. Deze verwantschap is
wellicht nog het beste door IJsseling samengevat: 'Elk weten is slechts mogelijk op grond van het
functioneren van een veld van machtsverhoudingen en deze machtsverhoudingen kunnen slechts
functioneren op grond van een weten. De archeologie van het weten valt dan ook samen met een genealogie
van de macht.'

Er zijn niettemin auteurs die menen dat de genealogie, die Foucault voor het eerst in Surveiller et punir zou
hebben gebruikt, een belangrijke afwijking of zelfs een totale ommekeer ten opzichte van de vroegere
archeologie impliceert. Wat daarbij moet worden opgemerkt is dat Foucault de term 'genealogie' in 1967
weliswaar verwierp (omdat ze de indruk kon wekken dat het bij de genealogie om een beschrijving zou gaan
van een begin en een vervolg), maar dat hij het genealogiebegrip wel al hanteerde in zijn inaugurele rede
voor het Collège de France van 1970. Hij noemde toen als taak van de genealogie na te gaan op welke wijze
een vertoog wordt gevormd. En reeds toen behandelde Foucault de relatie tussen de genealogische en de
kritische benadering. 'Het verschil tussen de kritische en de genealogische aanpak betreft niet zozeer object
of domein, maar aangrijpingspunt, perspectief en begrenzing ervan.' Ook is het beslist onjuist dat Foucault
vóór Surveiller et punir (1975) geen aandacht voor het machtsvraagstuk zou hebben gehad. Naar zijn eigen
mening is hij daar eigenlijk vanaf zijn eerste werken mee bezig geweest. 'Als ik nu terugdenk, zeg ik bij
mezelf: waar kon ik het bijvoorbeeld in De geschiedenis van de waanzin of in de Naissance de la clinique
anders over hebben dan over de macht? We zijn het met Leysen eens, die verdedigt dat het begrip macht al in
L'archéologie du savoir een belangrijke plaats inneemt.

In elk vertoog is de werking van machtsprocedures dus aanwezig. Telkens wanneer de archeoloog teksten uit
het verleden opgraaft, stuit hij op macht. 'Het is daardoor beslist onmogelijk om ze ooit te pakken te krijgen
zoals ze "in vrije toestand" zouden kunnen zijn; men kan de teksten niet anders opsporen dan in hun
retorische vorm, hun tactische vooringenomenheid of hun dwingende leugens die nodig zijn voor het spel
van hun betrekkingen tot de macht.' Een van de grondinzichten van Foucault is, zoals door IJsseling en
Franck naar voren wordt gebracht, dat spreken en weten altijd in een netwerk van machtsposities zijn vervat.
Dat houdt onder andere in dat een woord slechts de betekenis heeft die het door de macht krijgt toegewezen
of opgelegd. Lebris heeft dus gelijk wanneer hij zegt dat het archief nooit 'onschuldig' is: 'Foucault heeft
aannemelijk weten te maken dat het archief, dat als definitieve bewijs van "de werkelijkheid" geldt, niet
"onschuldig" is, maar altijd het effect van een indeling, de neerslag van een voorbij scenario, een restant dat
reeds op een bepaalde wijze is georganiseerd, dat dus niet ophoudt te functioneren en in de loop van de
geschiedenis blijft veranderen. "De werkelijkheid" van de historicus is altijd "gestrikt" - zij bestaat altijd al
als historisch vertoog.' Wanneer een woord een bepaalde betekenis heeft, dan is het omdat in de eindeloze
strijd van de interpretaties, een bepaalde interpretatie dominant geworden is. 'Er bestaat niet zoiets als een
absoluut eerste stof die nog moet worden geïnterpreteerd, want in de grond van de zaak is alles al
interpretatie ( ... ) Dat is ook wat Nietzsche beweert wanneer hij zegt dat de woorden altijd door de hogere
klassen zijn uitgevonden; zij verwijzen niet naar iets dat zij betekenen, zij leggen een interpretatie op.'

Foucault stelt niet alleen dat elk vertoog op de macht stuit of dat de macht van invloed is op elk vertoog,
maar ook dat vaak alleen door de macht een bepaald gebeuren tot vertoog getransformeerd wordt. Ook komt
het vaak voor dat het optreden van de macht rechtstreeks wordt weergegeven in een bepaald vertoog, zodat
de archeoloog slechts dit vertoog hoeft te volgen om de macht aan het werk te zien: 'Al die dingen die het
gewone uitmaken, het onbelangrijke detail, het onaanzienlijke, de roemloze dagen en het dagelijkse leven,
kunnen en moeten worden gezegd. Nog beter is het als ze worden opgeschreven. Ze zijn beschrijfbaar en
overschrijfbaar geworden, juist in de mate waarin ze doortrokken zijn van de mechanismen van de politieke
macht (...) Dat er in de alledaagse gang van zaken zoiets als een te ontraadselen geheim zou kunnen zijn, en
dat de onbelangrijke dingen op een bepaalde manier essentieel zouden kunnen zijn, dat werd steeds niet
gezien tot het moment dat op al deze minuscule beroeringen de kleurloze blik van de macht kwam te rusten.'

Wanneer het waar is dat er geen vertoog zonder machtsuitoefening mogelijk is, dan geldt dat natuurlijk ook
voor Foucaults eigen vertoog, en moet de vraag worden gesteld naar de consequenties die dit voor het
waarheidskarakter van zijn vertoog heeft. Nu geldt ook voor het waarheidskarakter van de vertogen dat dit
slechts in en door de machtsverhoudingen kan bestaan. 'De waarheid is van deze wereld; ze wordt er
voortgebracht door veelvoudige dwang. En tegelijkertijd gaan er geregelde machtseffecten vanuit'. De strijd
van de interpretaties is uiteindelijk ook een strijd om de waarheid. 'Er is strijd "om de waarheid", of in elk
geval "rondom de waarheid", waarbij nogmaals moet worden bedacht dat ik onder waarheid niet zoiets
versta als "de verzameling van ware dingen die moeten worden ontdekt of aanvaard", maar "de verzameling
van regels volgens welke men het ware en het onware scheidt en men aan het ware specifieke machtseffecten
toekent”.'. Onder het begrip 'waarheid' verstaat Foucault dus een geheel van procedures die de productie, de
verdeling, de circulatie en het functioneren van een aantal uitspraken beheersen. Terecht wijst Cotten op het
feit, dat de waarheid naar de opvatting van Foucault essentieel procesmatig van karakter is.

Dat Foucault de mogelijkheid van een niet aan de macht gebonden waarheid ontkent, betekent niet dat de
waarheid altijd een reflectie is van de heersende machtspatronen in de maatschappij 'Het gaat er niet om de
waarheid van elk machtssysteem te bevrijden - dat zou trouwens een hersenschim zijn want de waarheid is
zelf macht - maar de macht van de waarheid los te maken uit de vormen van (sociale, economische of
culturele) hegemonie waarbinnen zij momenteel functioneert.' Foucault erkent zelfs dat hij graag een beroep
doet op de fictie om de waarheid te vatten. 'Wat het probleem van de fictie betreft, dat is in mijn ogen een
zeer belangrijk probleem; ik ben me ervan bewust nooit iets anders dan fictief te hebben geschreven.
Daarmee wil ik echter niet zeggen dat bezijden de waarheid zou zijn. Het lijkt me mogelijk de fictie in de
waarheid te laten werken, waarheidseffecten te produceren middels een fictief vertoog, en zodanig te werk te
gaan dat het waarheidsvertoog iets nieuws oproept of "fabriceert", iets dat nog niet bestaat en dat men
daarom “fingeert’.’’ De greep naar de fictie maakt dus een essentieel onderdeel van Foucaults werkwijze uit.
Er is een waarheid mogelijk die tegen de bestaande machtsverhoudingen kan worden ingezet. Dat neemt
echter zijn argwaan niet weg tegen de hartstochtelijke 'wil tot waarheid', die altijd beperkend en reducerend
werkt. 'Tenslotte geloof ik dat deze wil tot waarheid, die aldus door instituties wordt gedragen en verbreid,
ertoe neigt om - ik spreek steeds over onze maatschappij - een zekere druk en een soort dwingende macht uit
te oefenen op de andere vertogen.' Daarom vindt Foucault het noodzakelijk dat ook die opdringerige wil tot
waarheid ter discussie wordt gesteld.

Uit dit alles blijkt hoezeer de archeologische-genealogische werkwijze van Foucault een breuk met de
traditionele geschiedschrijving vormt. Wellicht heeft niemand beter dan Foucaults collega aan het College de
France, P. Veyne, aangegeven hoe 'revolutionair' en baanbrekend diens werk voor de geschiedschrijving is.
'Foucault, dat is de volleerde historicus, het hoogste wat de geschiedschrijving vermag. Deze filosoof is een
van de zeer grote historici van onze tijd, dat lijdt geen twijfel, maar hij zou ook wel eens de auteur van de
wetenschappelijke revolutie kunnen zijn, waar alle historici om heen draaiden.'
Veyne heeft goed gezien waar het Foucault om gaat: niet om de structuur, noch om de diskontinuïteit of het
vertoog, maar om wat hij de 'schaarste' noemt. De feiten zijn immers niet spontaan of toevallig aanwezig; ze
zijn veeleer schaars en hadden er evengoed niet kunnen zijn. De feiten of de gebeurtenissen zijn niet van
nature gegeven; ze zijn het gevolg van een bepaalde praktijk die ze laat zijn wat ze zijn. De feiten vormen
slechts het topje van de ijsberg, en wanneer we meestal aIleen maar dit topje zien, is het omdat we de
praktijk uit het oog hebben verloren of deze verdinglijken tot zichtbare objecten. Veyne beklemtoont het
belang van wat we eerder de 'discursieve praktijk' hebben genoemd. De praktijk is het onderste gedeelte van
de ijsberg en verschilt als zodanig niet erg van haar zichtbare top. Toch vormt zij de basis waarvan men uit
dient te gaan. Foucault, aldus Veyne, heeft duidelijk gemaakt dat de historicus slechts dan kan onderzoeken
wat is gezegd en als vertoog is gegeven, wanneer hij in de eerste plaats de praktijken onderzoekt op basis
waarvan het vertoog is ontstaan. Dit onderzoek naar de praktijken is iets heel anders dan het zoeken naar een
of andere vorm van semantiek, ideologie of iets impliciets in het vertoog. Het heeft niets te maken met
semantiek want deze benadert de dingen vanuit de woorden, terwijl men primair moet onderzoeken hoe de
woorden de dingen zelf inkleden en ons doen geloven dat er natuurlijke dingen of gegevens zijn. Het vertoog
heeft ook niets te maken met ideologie; het verhult namelijk niets maar doet veeleer het tegendeel: het toont
precies dat wat er werkelijk wordt gezegd, ook al is de spreker zich daarvan niet altijd bewust. Evenmin is
het vertoog iets impliciets, dat wit zeggen iets waaruit men uitspraken kan afleiden; het vertoog is immers
veeleer zelf een afgeleide of een gevolg, en wel van het toeval, van de ups en downs van bepaalde praktijken
en de transformaties ervan. Wel stelt Veyne de vraag hoe het komt, dat ons bewustzijn niet beter op de hoogte
is van die 'verzonken grammatika' van het vertoog. Dat is volgens hem omdat het bewustzijn ons niet de
wereld openbaart, maar hoofdzakelijk leert ons erin te bewegen. Ons bewustzijn is vooral 'reactief': eigenlijk
zijn aIleen de reacties bewust, niet datgene wat aan hen ten grondslag ligt. Juist omdat de mens zozeer op
zichzelf is gesteld, weet hij niet hoe beperkt de reikwijdte van zijn bewustzijn is. Tegenover deze
tekortkoming van ons bewustzijn plaatst Foucault de 'verscherpte opname' van de archeoloog, die niet van
zijn bewustzijn uitgaat maar van de praktijk en die van daaruit de dingen observeert.
De grote verdienste van Foucault is volgens Veyne geweest, dat hij heeft laten zien dat de praktijk een actief
gebeuren is; zij mag dus niet worden herleid tot een gebeurtenis die eens plaats heeft gehad: 'Alles draait om
deze paradox, die de centrale stelling is van Foucault en tevens zijn meest oorspronkelijke: datgene wat is
gemaakt of gedaan (het object) moet worden verklaard door datgene wat het maken of het doen op elk
moment in de geschiedenis is geweest; ten onrechte stellen wij ons voor dat het maken en het doen, dat wil
zeggen de praktijk, zou kunnen worden verklaard op basis van wat is gedaan of gebeurd.' Het object kan dus
niet als een doel of een oorzaak worden beschouwd, men moet het in de eerste plaats zien als het gevolg, en
wel het gevolg van een levende praktijk.

De filosofie dient dan ook vooral afgestemd te zijn op relaties. Elke praktijk brengt immers haar eigen
objectiveringen voort, terwijl ze zelf voortkomt uit de werkelijkheid van het moment, dat wil zeggen uit de
objectivering van verwante praktijken. Een dialektische beweging tussen de verschillende praktijken is er
niet; de relaties tussen de vele praktijken moet men niet vanuit een hogere 'eenheid' willen zien. Aan de
praktijken zelf is het laatste woord. Veyne zegt daarom ook: 'Er zijn slechts praktijken. Dat maakt de
kwintessens uit van deze nieuwe methodologie van de geschiedschrijving; meer dan "het vertoog" of de
epistemologische cesuren, die vooral de aandacht van het grote publiek hebben getrokken. De waanzin
bestaat slechts als object in en door een praktijk, maar de betreffende praktijk is zelf geen waanzin.'

Veyne maakt een in dit verband treffende vergelijking tussen Foucault en Duns Scotus. De laatste stelt:
'materia est in actu, sed nullius est actus; est quodam in actu ut est res quaedam extra nihil' (De materie is
aktief, maar ze is niet de act van een bepaald iets: ze is iets aktiefs in de mate waarin ze uitgaat boven het
niets). Voor Duns Scotus zijn er geen natuurlijke dingen, en toch blijft de geschiedenis van de dingen een
realiteit die moet worden verklaard. Voor dezelfde moeilijkheid staat Foucault. Aanvankelijk vond hij zijn
toevlucht bij de fenomenologie, die naar een beschrijving van de essentie der dingen zoekt; dat loste de
moeilijkheid onvoldoende op. Daarop ging hij bij Nietzsche te rade, die hem leerde dat de dingen slechts
bestaan in functie van hun relatie tot elkaar. Kortom, alles is historisch, alles is van alles afhankelijk, zodat
men een bepaald object slechts kan verklaren wanneer men weet aan te geven van welke historische kontekst
het afhankelijk is. Foucault sluit zo aan bij het bekende gezegde van Deleuze: 'Er zijn geen bomen, er zijn
slechts wortelstokken.' In. wezen gaat het Foucault om een filosofie van veelvoudige relatie en betrekkingen;
men mag zijn denken daarom niet reduceren tot een analyse van het vertoog. 'Foucaults filosofie is niet een
filosofie van "het vertoog", maar een filosofie van de relatie. Want "relatie" is de ware naam van wat men als
"structuur" heeft aangeduid.'

Deze relatie-filosofie biedt een uitweg uit het probleem hoe te ontkomen aan een bewustzijnsfilosofie zonder
in de aporieën van het marxisme te vervallen, dat wil leggen: hoe te ontkomen aan een subjectfilosofie
zonder aan de problemen van een objectfilosofie overgeleverd te lijn. Foucault verweet de fenomenologie
immers dat hij van een contituerend bewustzijn uitgaat, dat zelf niet als gecontitueerd wordt beschouwd. Het
marxisme vervalt volgens hem in de aporie dat het de productieverhoudingen als determinerend beschouwt,
zonder te kunnen verklaren waarom deze of gene productieverhouding ontstaat. De centrale betekenis van de
relaties in Foucaults werk maakt daarom het revolutionaire aspekt van zijn archeologische-genealogische
benadering uit. 'Iedere geschiedschrijving is wezenlijk archeologisch, hij kan niet anders: de geschiedenis
verklaren en uiteenzetten betekent in de eerste plaats haar geheel zien, de zogenaamde natuurlijke gegevens
aan gedateerde en schaarse praktijken relateren die hen tot object maken, en deze praktijken zelf verklaren,
niet op basis van een bewegend principe, maar op basis van alle naburige praktijken waarop zij zich enten
(...) Foucault maakt dan ook schoon schip met al die geruststellende banaliteiten, de natuurlijke gegevens in
hun beloftevolle horizon, om aan de werkelijkheid, onze enige en unieke werkelijkheid, haar eigen
irrationele, 'schaarse', verontrustende en historische karakter te verlenen', aldus Veyne.

Uit Mark Lambrechts, Michiel Foucault Excerpten & Kritieken, 1982, SUN Socialistiese Uitgeverij
Nijmegen, ISBN 90 6168 7764