You are on page 1of 9

Business Administration / Bedrijfskunde

Naam student Examennummer Handtekening

: _____________________________ : : _____________________________

Schriftelijk Tentamen
Algemeen Vak: Vakcode: Datum: Docent(en): Wetenschapsleer BKB0016 10 juli 2008 Prof. dr J. (Hans) van Oosterhout (HC), dr. B.Wempe(RC) Groep: Soort tentamen (open of gesloten boek): Tijd: Totaal aantal paginas
(inclusief 2 voorbladen):

1 Gesloten boek van 9.30 uur tot 12.30uur 9

Instructies Het tentamen bestaat uit 20 multiple-choice vragen en 3 open vragen. In totaal zijn met dit tentamen 100 punten te verdienen (= cijfer: 10). In het multiple-choice gedeelte kunt u maximaal 60 punten scoren; met de open vragen kunnen maximaal 40 punten worden verdiend. Voor wat betreft het multiple-choice gedeelte heeft elke vraag altijd 3 mogelijke antwoorden, waarvan er slechts n het juiste is! U dient de antwoorden op de multiple-choice vragen op het speciaal daarvoor bestemde formulier in te vullen. Gelieve dat uitsluitend te doen met een zwart (HB) potlood! Het multiple-choice formulier dient u tezamen met de op dit opgavenformulier ingevulde antwoorden op de open vragen in te leveren. U dient alle tentamenopgaven in te leveren. Niet complete tentamens worden niet nagekeken en krijgen dus ook geen cijfer!U bent er zelf voor verantwoordelijk dat beide delen van het tentamen goed worden ingeleverd. Voor wat betreft de open vragen dient u de antwoorden binnen de bij elke vraag gegeven kaders op te schrijven. Tekst buiten de kaders telt niet mee in de beoordeling! Schrijft u helder en leesbaar! Onleesbare antwoorden tellen evenmin mee in de beoordeling. Schrijft u dus vooral niet te klein. U heeft meer ruimte dan u wat ons betreft nodig heeft voor elk antwoord. Voorts: Er mag geen boek en/of andere documenten worden gebruikt! Er mag geen woordenboek worden gebruikt!

Toelichting, Adviezen en Waarschuwing

___________________________________________________________________________________________________ 1

Toelichting Vergeet niet op beide formulieren uw naam en examennummer in te vullen! Lever alle tentamenopgaven in! Adviezen Het verdient zonder meer aanbeveling antwoorden op de open vragen eerst op klad te formuleren. Wees bij de beantwoording van de open vragen to the point. Als u het antwoord niet weet helpt het niet een ellenlang verhaal op te hangen. Schrijf dan liever een paar korte zinsneden op die volgens u de richting van het antwoord aangeven (ook al weet je niet precies hoe het zit). Voor een zwetsverhaal krijgt u geen punten. Voor korte zinsneden die in de buurt van een goed antwoord komen misschien nog wel! Veel succes! Let op! Tijdens het tentamen wordt streng gecontroleerd op fraude. Mobiele telefoons dienen tijdens tentamens uitgeschakeld te zijn en opgeborgen in jas of tas. Gebruik van mobiele telefoons is verboden en ook als blijkt dat uw mobiele telefoon aan staat wordt dat aangemerkt als fraude. Ook andere elektronische apparatuur is niet toegestaan. Studiemateriaal zoals een grafische rekenmachine, woordenboek of wetboek mag slechts gebruikt worden als dit uitdrukkelijk is toegestaan. Woordenboeken en wetboeken mogen niet geannoteerd zijn. Indien fraude wordt geconstateerd kan de examencommissie een sanctie opleggen tot een maximum van uitsluiting van alle tentamens voor n jaar.

___________________________________________________________________________________________________ 2

Multiple-choice vragen (60 punten) 1. De uitspraak Een theorie is waar als deze in overeenstemming is met andere ware theorien. beschrijft de a. correspondentietheorie van waarheid b. coherentietheorie van waarheid c. pragmatische theorie van waarheid 2. Het begrip bewustzijn is een a. waarnemingsbegrip b. theoretisch begrip c. logisch begrip 3. De redenering: Als het regent worden de straten nat De straten zijn nat Dus: Het heeft geregend is een voorbeeld van: a. inductie b. deductie c. een drogreden

4. Volgens Popper kunnen wetten (of universele uitspraken) nooit waar zijn omdat a. wetten niet kunnen worden waargenomen, alleen de gevallen waarover die wetten gaan b. wetten per definitie gaan over gevallen die niet zijn waargenomen c. wetten nooit uitsluitsel geven over elk individueel waargenomen geval 5. Welke van de volgende elementen hoort volgens Kuhn binnen een paradigma niet thuis? a. Een anomalie b. Een exemplar c. Een symbolische generalisatie 6. Volgens de empiristen a. hoorden in de wetenschap uitsluitend theoretische begrippen thuis b. kon men alleen door waarneming kennis verwerven c. was waarneming altijd theoretisch besmet 7. Functionele verklaringen zijn problematisch omdat ze a. op een hoger analyse niveau vaak niet door waarnemingen worden ondersteund b. veronderstellen dat wat functioneel is voor X ook een noodzakelijke voorwaarde voor X is, terwijl dat niet zo hoeft te zijn. c. de oorzakelijke relatie waarop ze gebaseerd zijn niet rationeel verdedigd kan worden 8. De waarschijnlijkheid van een uitspraak wordt groter naarmate a. de empirische inhoud van die uitspraak kleiner wordt b. de empirische inhoud van die uitspraak groter wordt c. geen van beide
___________________________________________________________________________________________________ 3

9. De intensie van een begrip betreft a. de concrete gevallen waarnaar dat begrip verwijst b. de conjunctie van algemene eigenschappen die een begrip definiren c. de subjectieve bedoeling van een begrip 10. Volgens Van Willigenburg a. kunnen alleen inzichten gebaseerd op feiten wetenschappelijk zijn b. kunnen inzichten gebaseerd op goede redenen wetenschappelijk zijn c. kan de wetenschap zich niet met normatieve vragen inlaten 11. Welke van de volgende uitspaken is een ontologische uitspraak? a. De eigenschappen van geld kunnen wij niet waarnemen en dus ook niet kennen b. Geld bestaat omdat wij het als geld accepteren c. De variabele geld kan uitsluitend op ratio meetniveau gemeten worden 12. Volgens het sociaal holisme kunnen sociale fenomenen a. wel worden waargenomen, maar bestaan ze niet echt b. niet worden waargenomen, maar bestaan ze niettemin echt c. niet door andere sociale fenomenen verklaard worden 13. Volgens Sumantra Ghoshal a. Is er in de management wetenschappen sprake van de dubbele hermeneutiek b. Is er in management wetenschappen geen bewijs voor causaliteit . c. Is er in management wetenschappen geen waardevrijheid. 14. De uitspraak Het kwadraat van een getal is altijd een positief getal is een: a. Analytische uitspraak b. Synthetische uitspraak c. Geen van beide 15. De zo genoemde speltheorie is een uitwerking van a. De sociale betekenistheorie b. Het logisch positivisme c. De rationele keuze theorie 16. Een metafysische theorie a. is wetenschappelijk geverifieerd b. is wetenschappelijk niet te verifiren c. is in wezen altijd een normatieve theorie 17. De logisch positivisten stonden het ideaal van a. een volledig empirische wetenschap voor b. een volledig rationele wetenschap voor c. de eenheidswetenschap voor

___________________________________________________________________________________________________ 4

18. De logische reductie eis houdt in dat a. Alle uitspreken in een systeem van kennis herleidbaar moeten zijn tot logische waarheden b. Alleen logische uitspraken in een systeem van kennis gereduceerd dienen te kunnen worden tot waarnemingen c. Alle uitspraken in een systeem van kennis met behulp van de logica tot waarnemingen herleidbaar dienen te zijn. 19. Als er gesproken wordt over de confirmatiegraad van een uitspraak voor alle x geldt y dan kan men deze uitdrukken in de volgende formule: a. Aantal niet waargenomen gevallen x Aantal waargenomen gevallen x b. Aantal waargenomen gevallen x Alle mogelijke gevallen x c. Alle mogelijke gevallen x Aantal waargenomen gevallen x 20. Voor een zuiver cordinatie spel geldt dat er a. een milde belangentegenstelling bestaat tussen de spelers b. een sterke belangentegenstelling bestaat tussen de spelers c. geen belangentegenstelling bestaat tussen de spelers

___________________________________________________________________________________________________ 5

Open vragen (40 punten) 1. (10 punten) Noem ten minste 2 centrale veronderstellingen van de rationele keuze theorie. Leg kort uit wat met deze veronderstellingen wordt bedoeld. Beargumenteer zeer bondig bij elk antwoord waarom de veronderstellingen die je noemt realistisch zijn of niet. Veronderstelling I:

Veronderstelling II:

___________________________________________________________________________________________________ 6

2. (10 punten). Leg in het kort de volgende begrippen uit. Geef in die antwoorden in ieder geval ook aan wat de verschillen tussen deze begrippen zijn. Behaviorisme:

Hermeneutiek:

___________________________________________________________________________________________________ 7

3. (20 punten) In de mens- en maatschappij wetenschappen kunnen verschillende soorten verklaringen worden gegeven voor een bepaald fenomeen. Noem ten minste 3 verschillende soorten verklaringen en geef een kort voorbeeld van elke verschillende soort. A.

B.:

___________________________________________________________________________________________________ 8

Vraag 3 C op volgende pagina!

C.

___________________________________________________________________________________________________ 9