Sie sind auf Seite 1von 20

Schrijf Vaardig 1, 2 en 3

Methode met grammaticale opbouw voor anderstaligen


Extra oefeningen grammaticale
termen met sleutel
Marilene Gathier
bussum 2012
c
u i t g e v e r ij
c o u t i n h o
Deze extra oefeningen horen bij Schrijf Vaardig Methode met grammaticale opbouw voor anders-
taligen van Marilene Gathier.
2012 Uitgeverij Coutinho bv
Alle rechten voorbehouden.
Het is docenten die de methode Schrijf Vaardig voorschrijven als verplichte literatuur, toegestaan om deze
extra oefeningen te verveelvoudigen.
Uitgeverij Coutinho
Postbus 333
1400 AH Bussum
info@coutinho.nl
www.coutinho.nl
Noot van de uitgever
Wij hebben alle moeite gedaan om rechthebbenden van copyright te achterhalen. Personen of instanties die
aanspraak maken op bepaalde rechten, wordt vriendelijk verzocht contact op te nemen met de uitgever.
ISBN 978 90 469 0273 8 (deel 1)
978 90 469 0317 9 (deel 2)
978 90 469 0318 6 (deel 3)
NUR 114

Extra oefeningen grammaticale termen bij Schrijf Vaardig 3/20
Inhoud
Inleiding | 4
Oefeningen | 5
Sleutel | 16

Extra oefeningen grammaticale termen bij Schrijf Vaardig 4/20
Inleiding
In Schrijf Vaardig worden veel grammaticale termen gebruikt. Met de toets kun je zien of je alle
termen goed begrijpt, of dat je nog moet oefenen. Je kunt deze oefeningen maken als je veel
fouten hebt gemaakt in de toets en als je extra wilt oefenen. Als je alle oefeningen gemaakt
hebt, maak je de toets nog een keer.
Deze oefeningen zijn bedoeld om de grammaticale termen te leren. Bij de oefeningen staat
steeds een klein stukje theorie. Meer theorie over het gebruik vind je in de boeken. Je hoeft die
theorie nu nog niet te kennen. Bijvoorbeeld: je moet wel weten wat een lidwoord is, maar nog
niet wanneer je wel of niet een lidwoord gebruikt.
Je kunt deze oefeningen (behalve oefening 12) ook digitaal doen op
www.coutinho.nl/schrijfvaardig.
De sleutel bij de oefeningen vind je achter in dit document.
Veel succes!

Extra oefeningen grammaticale termen bij Schrijf Vaardig 5/20
Oefeningen
Oefening 1
Omcirkel het onderwerp. Zet een streep onder de persoonsvorm.
In de vakantie gaan we verhuizen.
1 Mijn collega Jeanine heeft laatst in het trappenhuis van onze school opgesloten gezeten.
2 Na haar les op een avond in een lokaal boven liep ze naar beneden, naar de docentenka-
mer.
3 Daar zijn kasten voor boeken, mappen, enzovoort.
4 Wij laten daar tijdens de lessen altijd onze spullen liggen.
5 Met haar handen vol boeken en mappen liep ze dus naar beneden.
6 Toen Jeanine bij de verdieping met de docentenkamer aankwam,
7 wilde ze de deur tussen het trappenhuis en de gang opendoen.
8 Maar die bleek al op slot te zitten.
9 Snel liep mijn geschrokken collega terug naar boven om daar het trappenhuis uit te
kunnen.
10 Maar boven bleken de deuren ook al op slot te zitten.
11 Mijn collega besloot toen de beveiliging te bellen
12 en ze wilde haar telefoon pakken.
Onderwerp (subject) en persoonsvorm (finiete verbum)
Elke zin heeft een onderwerp.
1 Het boek ligt daar.
2 In de vakantie gaan we verhuizen.
Het onderwerp kun je vinden met de vraag: Wie of Wat + de werkwoorden?
1 Wat ligt? het boek
2 Wie gaan verhuizen? we
Een onderwerp kan nooit met een voorzetsel beginnen. Dus in de vakantie kan nooit het
onderwerp zijn.
Naast het onderwerp staat in een hoofdzin de persoonsvorm. Dat is het eerste werkwoord
(verbum) in de zin.
1 Het boek ligt op de tafel.
2 In de vakantie gaan we verhuizen.

Extra oefeningen grammaticale termen bij Schrijf Vaardig 6/20
13 Maar die kon ze nergens vinden!
14 Geen wonder, hij zat in haar tas in de docentenkamer.
15 Toen begon Jeanine in paniek maar zo hard mogelijk te roepen.
16 Dat had resultaat na een minuut of vijf.
17 Er kwamen twee beveiligers om haar te bevrijden.
18 Die zeiden: Sorry voor het op slot doen van alle deuren.
Oefening 2
Kijk naar oefening 1 en vul in:
1 Zin 1 staat in het (enkelvoud / meervoud)
2 Zin 2 staat in het (enkelvoud / meervoud)
3 Zin 3 staat in het (enkelvoud / meervoud)
4 Zin 4 staat in het (enkelvoud / meervoud)
5 Zin 15 staat in het (enkelvoud / meervoud)
6 Zin 16 staat in het (enkelvoud / meervoud)
7 Zin 17 staat in het (enkelvoud / meervoud)
8 Zin 18 staat in het (enkelvoud / meervoud)
Oefening 3
Kijk naar oefening 1. Zet zin 11 en 12 in het meervoud.
11

12

Enkelvoud (singularis) en meervoud (pluralis)
Het enkelvoud is een substantief (zelfstandig naamwoord) of werkwoord voor n persoon
of ding.
Het meervoud is een substantief of werkwoord voor twee of meer personen of dingen.
Als het onderwerp in het enkelvoud staat, staat de persoonsvorm ook in het enkelvoud.
Als het onderwerp in het meervoud staat, staat de persoonsvorm ook in het meervoud.

Extra oefeningen grammaticale termen bij Schrijf Vaardig 7/20
Zet zin 10 en 17 in het enkelvoud.
10

17

Oefening 4
Zet een cirkel om het onderwerp, een rechthoek om het lijdend voorwerp en onderstreep
de persoonsvorm.
In het weekend maak ik mijn huiswerk voor de hele week.
1 Ongeveer vier miljoen Nederlandse huishoudens hebben bij elkaar dertig miljoen huis-
dieren voor de gezelligheid of als een hobby.
2 Vaak halen gezinnen met kinderen een hond of kat in huis.
3 Huisdieren kunnen een belangrijke rol spelen bij de ontwikkeling van kinderen.
4 Want kinderen leren verantwoordelijkheid te nemen bij het verzorgen van een dier.
5 Welk dier hebben de meeste huishoudens aangeschaft?
6 Bij veel gezinnen met een huisdier is er een kat of een hond.
7 Van deze gezinnen heeft 47% een kat.
8 Op de tweede plaats komt de hond, bij 36% van de gezinnen met een huisdier.
Lijdend voorwerp (direct object)
Sommige zinnen hebben een lijdend voorwerp. Dat is een persoon met wie of een ding
waarmee iets gebeurt.
1 In het weekend maak ik mijn huiswerk voor de hele week.
2 Meestal moeten we een paar grammaticaoefeningen maken.
Het lijdend voorwerp kun je vinden met de vraag: Wie of Wat + de werkwoorden + het
onderwerp?
1 Wat maak ik? mijn huiswerk
2 Wat moeten we maken? een paar grammaticaoefeningen
Een lijdend voorwerp kan nooit met een voorzetsel beginnen. Dus voor de hele week kan
nooit het lijdend voorwerp zijn.

Extra oefeningen grammaticale termen bij Schrijf Vaardig 8/20
9 Maar ook konijnen, vissen en allerlei soorten vogels hebben een goed leven in Nederlandse
huishoudens.
10 Om al deze dieren aan te schaffen, te voeden en te onderhouden trekt elk gezin jaarlijks
gemiddeld zon driehonderd euro uit.
Oefening 5
Onderstreep de lidwoorden, zet een cirkel om de adjectieven, een rechthoek om de sub-
stantieven en een driehoek om de werkwoorden.
De oude man zit op een kapotte bank.
1 Bij makelaars of op websites waar je huizen kunt vinden, wordt veel gebruikgemaakt van
bijvoeglijke naamwoorden.
2 Zo wordt een woning aantrekkelijk voor een klant.
3 Dit is een deel van de informatie op zon website over een huis in Rotterdam:
4 In een rustig en kindvriendelijk deel van de geliefde wijk Schiebroek vindt u een ruime
hoekwoning met garagebox en een geweldige circa vijftien meter diepe achtertuin op het
zuidwesten.
5 De woning heeft een brede, tuingerichte woonkamer en een garagebox die vanuit de
woonkamer te bereiken is.
6 De woning heeft een verzorgde, nette voortuin, en een ruime hal voorzien van garderobe.
7 U kunt hier een compleet huis naar uw zin tegen een zeer aantrekkelijke prijs kopen!
Lidwoord, substantief, adjectief, verkleinwoord
De oude man zit op een kapotte bank in het park een lekker ijsje te eten. Hij is tevreden met
zijn leven.
Werkwoorden zijn: zit, eten, is
Lidwoorden zijn: de, het en een. Ze horen bij een substantief.
Substantieven zijn: man, bank, park, ijsje en leven. Het zijn personen of dingen, of
abstracte begrippen. Je kunt er een lidwoord voor zetten.
Adjectieven zijn: oude, kapotte, lekker en tevreden. Ze geven meer informatie over
personen of dingen.

Extra oefeningen grammaticale termen bij Schrijf Vaardig 9/20
Oefening 6
Maak van de substantieven in de zinnen verkleinwoorden.
1 Het kind heeft heel kleine voeten, hij heeft schoenen in de kleinste maat.
Het heeft heel kleine , het heeft
in het kleinste .
2 De jongen kan ook nog niet lopen op de schoenen, vooral de jonge moeder wil dat hij ze
draagt.
Het kan ook nog niet lopen op de ,
vooral het jonge wil dat hij ze draagt.
3 Ze heeft de schoenen voor haar zoon gekocht in een winkel met veel dure spullen.
Ze heeft de voor haar gekocht in een
met veel dure .
4 Ze koopt daar ook dure kleren voor hem die hij op feesten moet dragen.
Ze koopt daar ook dure voor hem die hij op
moet dragen.
Verkleinwoord (diminutief)
Een verkleinwoord is een substantief, maar dan voor een klein ding of kleine persoon.
Het eindigt op -je / -tje / -kje / -pje / -etje / enzovoort.
Bijvoorbeeld:
huis huisje huizen huisjes
tuin tuintje tuinen tuintjes
woning woninkje woningen woninkjes (let op: dus niet woningkje(s))
boom boompje bomen boompjes
kar karretje karren karretjes (let op: dus niet karje(s))

Extra oefeningen grammaticale termen bij Schrijf Vaardig 10/20
Oefening 7
Onderstreep de bijwoorden, zet een cirkel om de voorzetsels en een rechthoek om de
voegwoorden in de zin.
Ik ga morgen naar de tandarts, omdat ik sinds gisteren kiespijn heb.
1 We hebben gisteren lekker gegeten in een bistro, hoewel het wel erg duur was.
2 Meestal krijg je in zon duur restaurant een klein beetje op je bord en je hebt na de maaltijd
nog steeds honger.
3 Daarom gaan we niet zo vaak naar een bistro, maar gisteren hadden we een heel speciale
reden.
4 Het was namelijk precies een jaar geleden dat we elkaar ontmoet hadden tijdens een feestje
en verliefd werden op het eerste gezicht.
5 Dat wilden we natuurlijk goed vieren, terwijl we eigenlijk geen geld voor een etentje had-
den.
Bijwoord, voorzetsel, voegwoord
Een bijwoord geeft meer informatie bij een werkwoord (dus hoe iets gedaan wordt) of bij
een adjectief. Voorbeelden zijn: snel en heel. Een bijwoord lijkt soms erg op een adjectief en
ziet er soms ook hetzelfde uit. Ook woorden zoals gisteren, misschien, zo, niet zijn bijwoorden.
Bijvoorbeeld:
De man loopt snel naar de bushalte, want de bus komt bijna. En hij wil niet te laat op zijn werk
komen. Dat zou heel vervelend zijn. Als hij te laat komt, moet hij zeker s avonds ook langer door-
werken.
Een voorzetsel geeft een plaats of een tijd aan. Een voorzetsel staat voor een substantief
(met soms een lidwoord of adjectief ertussen).
Bijvoorbeeld:
in de bruine kast op de oude fiets naar huis aan de muur
Er zijn ook werkwoorden met vaste voorzetsels (denken aan, kijken naar, enzovoort.)
Een voegwoord is een woord om twee zinnen of zinsdelen te verbinden.
Bijvoorbeeld:
Ik ben blij dat je er bent, maar ik ben wel ongerust geweest.
Wil je even bellen als je later komt, want dan weet ik waar je blijft.

Extra oefeningen grammaticale termen bij Schrijf Vaardig 11/20
Oefening 8
Onderstreep alle persoonlijke, bezittelijke en aanwijzende voornaamwoorden.
1 We hebben pas nieuwe buren: een man en een vrouw zijn vorige week naast ons komen
wonen met hun drie kinderen.
2 Die kinderen zijn ongeveer even oud als onze kinderen, dus ik denk wel dat ze contact met
die van ons zullen leggen.
3 Er wonen niet zo veel kinderen in deze buurt, dus dat vind ik wel leuk voor mijn kinderen.
4 Volgens mij komen ze uit Marokko, aan hun uiterlijk en kleding te zien. De vrouw draagt
tenminste een hoofddoek, maar hun dochters dragen er geen.
5 Ze hebben zich al even aan ons voorgesteld, ook hun namen klinken Marokkaans.
6 We hebben afgesproken dat ze binnenkort een keer koffie bij ons komen drinken.
Zet nu de voornaamwoorden in de juiste kolom.
Zin nr. Persoonlijk voornaamwoord Bezittelijk voornaamwoord Aanwijzend voornaamwoord
1
2
3
4
5
6
Voornaamwoorden
met nadruk (accent) zonder nadruk (accent)
Persoonlijke
voornaamwoorden
ik jij u hij zij wij jullie zij
mij jou u hem haar het ons
jullie hen/hun
ik/k je u hij/ie ze het/t we
jullie ze
me je u hem/m haar/dr het/t
ons jullie ze
Bezittelijke
voornaamwoorden
mijn jouw uw zijn haar ons/
onze jullie hun
mijn/mn je uw zijn/zn haar/dr
ons/onze jullie/je hun
Aanwijzende
voornaamwoorden
deze die dit dat zon zulke

Extra oefeningen grammaticale termen bij Schrijf Vaardig 12/20
Oefening 9
Zet een cirkel om de imperatieven, een rechthoek om de infinitieven en een driehoek om
de voltooid deelwoorden in de zin. Onderstreep de andere vormen van het werkwoord.
Je moet je broer nog bellen en vergeet ook je moeder niet. Die heeft vandaag weer gebeld.
1 Als je examen doet, kom dan wel op tijd!
2 En zet vooral je telefoon uit voordat het examen begint.
3 Want als je telefoon gaat, moet je met het examen stoppen.
4 Luister ook goed naar de instructies die de examinator geeft.
5 Doe vooral ook niet te vroeg je boekje open!
6 Want ook dan kunnen ze je wegsturen.
7 Als ze je wegsturen, moet je je weer opnieuw aanmelden en opnieuw betalen.
8 Zo is dat met een cursiste gebeurd, die vergeten was haar telefoon uit te zetten.
Infinitief, imperatief en voltooid deelwoord
Een infinitief is het hele werkwoord. Het is nooit de persoonsvorm in de zin.
Bij een persoonsvorm zoals wil, kan, mag, moet, zal, enzovoort komt meestal nog een infi-
nitief in de zin. Na het woord te komt ook een infinitief in de zin. De infinitief staat meestal
achteraan in de zin.
Bijvoorbeeld:
Ik moet vanavond mijn mail nog checken. Ik beloof je dan de fotos te sturen.
Een imperatief is een bevel. Je zegt dat iemand iets moet doen. Er is dan meestal geen onder-
werp in de zin. Een imperatief staat meestal vooraan in de zin.
Bijvoorbeeld:
Kom eens hier en luister even naar me.
Een voltooid deelwoord is de werkwoordsvorm die in het perfectum en plusquamperfec-
tum wordt gebruikt.
Bijvoorbeeld:
Ik heb lekker gegeten.

Extra oefeningen grammaticale termen bij Schrijf Vaardig 13/20
Oefening 10
Geef de tijd van de cursief gedrukte werkwoordsvormen aan door ze op de juiste plek in
het schema te zetten.
1 Op 31 december heeft een kleuter van vier jaar in Madrid tijdens een orgaantransplantatie
vijf nieuwe organen gekregen.
2 Ibai Uriarte kreeg een nieuwe lever, maag, twaalfvingerige darm, dunne darm en alvleesklier.
3 De ouders van de jongen waren in november met hem naar de dokter gegaan,
4 omdat hij een opgezwollen buik had.
5 Het gezwel in zijn buik bleek toen het embryo van zijn tweelingbroer te zijn.
6 Toen artsen in november het embryo weggehaald hadden,
7 hadden ze een fout gemaakt.
8 Daardoor moest Ibai een vijfvoudige orgaantransplantatie ondergaan.
9 De operatie is geslaagd en heeft zes uur geduurd.
10 Ibai moet nog een tijd in het ziekenhuis blijven.
Zin nr. Plusquamperfectum
(v.v.t.)
Perfectum
(v.t.t.)
Imperfectum
(o.v.t.)
Presens
(o.t.t.)
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
De werkwoordstijden
Nederlandse term Internationale term Voorbeeldzin
o.t.t. = onvoltooid tegenwoordige tijd presens Wij eten meestal om halfzeven warm.
o.v.t. = onvoltooid verleden tijd imperfectum Gisteren was dat anders.
v.t.t. = voltooid tegenwoordige tijd perfectum We hebben toen pas om acht uur gegeten.
v.v.t. = voltooid verleden tijd plusquamperfectum Ik had toen pas na mijn werk boodschappen
gedaan.

Extra oefeningen grammaticale termen bij Schrijf Vaardig 14/20
Als je het goed hebt gedaan, zie je in de linker kolom wat er het eerst is gebeurd, in de middel-
ste kolommen wat er daarna is gebeurd en in de rechter kolom wat er het laatste is gebeurd.
Oefening 11
Lees de tekst en vul het schema in.
1 Sommige mensen hebben een vreselijk slecht gebit. Zij schamen zich daar meestal voor.
2 Een slecht gebit valt snel op, bijvoorbeeld als je lacht.
3 Een vriend van mij werd laatst door de tandarts behandeld, nadat hij hem in het weekend
met vreselijke kiespijn had opgebeld.
4 Deze tandarts raadde hem aan om een kunstgebit te nemen.
5 Een paar weken later is hij geopereerd.
6 Al zijn kiezen zijn getrokken.
7 Dat was wel een pijnlijke behandeling, hij heeft zich dan ook een paar dagen ziek gemeld.
8 Hij durfde zich zonder gebit ook niet op het werk te vertonen.
9 Maar toen hij een kunstgebit had, voelde hij zich veel beter.
10 Ik vind ook dat hij er erg door is opgeknapt.
Verschillende soorten werkwoorden
Een scheidbaar werkwoord is een werkwoord dat in twee stukken verdeeld kan worden.
Bijvoorbeeld:
Ik vul het formulier in.
Een wederkerend werkwoord is een werkwoord dat me / je / zich / ons bij zich heeft.
Bijvoorbeeld:
Hij herinnert zich die avond nog goed.
In de actieve vorm doet het onderwerp zelf iets. Een passieve vorm geeft aan dat er iets
met het onderwerp gebeurt, het onderwerp doet het niet zelf.
Bijvoorbeeld:
Actief: Ik bel morgen de dokter.
Passief: Hij wordt morgen door de dokter gebeld.

Extra oefeningen grammaticale termen bij Schrijf Vaardig 15/20
Geef bij de werkwoorden in het schema aan of ze wederkerend of scheidbaar zijn of dat ze in de
passieve vorm staan.
Wederkerend
werkwoord
Scheidbaar
werkwoord
Passieve vorm
1 schamen zich
2 valt op
3 werd behandeld
3 (had) opgebeld
4 raadde aan
5 is geopereerd
6 zijn getrokken
7 (heeft) zich gemeld
8 zich vertonen
9 voelde zich
10 (is) opgeknapt
Oefening 12
Schrijf een tekst.
Hoe ziet voor jou een ideale vakantiedag eruit? Schrijf een tekst in het presens (onvoltooid
tegenwoordige tijd).
Bijvoorbeeld:
Ik sta pas om tien uur op. Dan ontbijt ik rustig. (Enzovoort.)
Deze oefening kun je het beste maken op een apart vel papier en laten nakijken door je docent.

Extra oefeningen grammaticale termen bij Schrijf Vaardig 16/20
Sleutel
Oefening 1
Zin nr. Onderwerp Persoonsvorm

1 Mijn collega Jeanine heeft
2 ze liep
3 kasten zijn
4 Wij laten
5 ze liep
6 Jeanine aankwam
7 ze wilde
8 die bleek
9 mijn geschrokken collega liep
10 de deuren bleken
11 mijn collega besloot
12 ze wilde
13 ze kon
14 hij zat
15 Jeanine begon
16 Dat had
17 twee beveiligers kwamen
18 Die zeiden
Oefening 2
1 Zin 1 staat in het enkelvoud.
2 Zin 2 staat in het enkelvoud.
3 Zin 3 staat in het meervoud.
4 Zin 4 staat in het meervoud.
5 Zin 15 staat in het enkelvoud.
6 Zin 16 staat in het enkelvoud.
7 Zin 17 staat in het meervoud.
8 Zin 18 staat in het meervoud.

Extra oefeningen grammaticale termen bij Schrijf Vaardig 17/20
Oefening 3
Zin 11 Mijn collegas besloten toen de beveiliging te bellen
Zin 12 en ze wilden hun telefoons pakken.
Zin 10 Maar boven bleek de deur ook al op slot te zitten.
Zin 17 Er kwam een beveiliger om haar te bevrijden.
Oefening 4
Zin nr. Onderwerp Lijdend voorwerp Persoonsvorm

1 Ongeveer vier miljoen
Nederlandse huishoudens
dertig miljoen huisdieren hebben
2 gezinnen met kinderen een hond of kat halen
3 Huisdieren een belangrijke rol kunnen
4 kinderen verantwoordelijkheid leren
5 de meeste huishoudens Welk dier hebben
6 een kat of een hond - is
7 47% een kat heeft
8 de hond - komt
9 konijnen, vissen en allerlei
soorten vogels
een goed leven hebben
10 elk gezin gemiddeld zon driehon-
derd euro
trekt uit
Oefening 5
Zin nr. Lidwoord

Substantief Adjectief Werkwoord
1 makelaars websites
huizen naamwoorden
bijvoeglijke kunt vinden wordt
gebruikgemaakt
2 een een woning klant aantrekkelijk wordt
3 een de een deel informatie web-
site huis Rotterdam
is
4 een de een
een het
deel wijk Schiebroek
hoekwoning garage-
box meter achtertuin
zuidwesten
rustig kindvriende-
lijk geliefde ruime
geweldige diepe
vindt

Extra oefeningen grammaticale termen bij Schrijf Vaardig 18/20
5 De een een
de
woning woonkamer
garagebox woonkamer
brede tuingerichte heeft bereiken is
6 De een een woning voortuin hal
garderobe
verzorgde nette
ruime
heeft voorzien
7 een een huis zin prijs compleet aantrek-
kelijke
kunt kopen
Oefening 6
1 Het kindje heeft heel kleine voetjes, het heeft schoentjes in het kleinste maatje.
2 Het jongetje kan ook nog niet lopen op de schoentjes, vooral het jonge moedertje wil dat hij
ze draagt.
3 Ze heeft de schoentjes voor haar zoontje gekocht in een winkeltje met veel dure spulletjes.
4 Ze koopt daar ook dure kleertjes voor hem die hij op feestjes moet dragen.
Oefening 7
Zin nr. Bijwoord

Voorzetsel Voegwoord
1 gisteren lekker wel erg in hoewel
2 Meestal nog steeds in op na en
3 niet zo vaak gisteren heel naar Daarom maar
4 namelijk precies geleden tijdens op dat
5 natuurlijk goed eigenlijk voor terwijl
Oefening 8
1 We hebben pas nieuwe buren: een man en een vrouw zijn vorige week naast ons komen
wonen met hun drie kinderen.
2 Die kinderen zijn ongeveer even oud als onze kinderen, dus ik denk wel dat ze contact met
die van ons zullen leggen.
3 Er wonen niet zo veel kinderen in deze buurt, dus dat vind ik wel leuk voor mijn kinderen.
4 Volgens mij komen ze uit Marokko, aan hun uiterlijk en kleding te zien. De vrouw draagt
tenminste een hoofddoek, maar hun dochters dragen er geen.
5 Ze hebben zich al even aan ons voorgesteld, ook hun namen klinken Marokkaans.
6 We hebben afgesproken dat ze binnenkort een keer koffie bij ons komen drinken.

Extra oefeningen grammaticale termen bij Schrijf Vaardig 19/20
Zin nr. Persoonlijk voornaamwoord Bezittelijk voornaamwoord Aanwijzend voornaamwoord
1 we ons hun
2 ik ze ons onze die die
3 ik mijn deze dat
4 mij ze hun hun
5 ze ons hun
6 we ze ons
Oefening 9
Zin nr. Imperatief Infinitief Voltooid deelwoord Andere vorm

1 kom doet
2 zet uit begint
3 stoppen gaat moet
4 Luister geeft
5 Doe open
6 wegsturen kunnen
7 aanmelden betalen wegsturen moet
8 uit zetten gebeurd vergeten is was
Oefening 10
Zin nr. Plusquamperfectum
(voltooid verleden tijd)
Perfectum (voltooid
tegenwoordige tijd)
Imperfectum
(onvoltooid verleden tijd)
Presens (onvoltooid
tegenwoordige tijd)
1 heeft gekregen
2 kreeg
3 waren gegaan
4 had
5 bleek
6 weggehaald hadden
7 hadden gemaakt
8 moest
9 is geslaagd / heeft geduurd
10 moet

Extra oefeningen grammaticale termen bij Schrijf Vaardig 20/20
Oefening 11
Wederkerend
werkwoord
Scheidbaar
werkwoord
Passieve vorm
1 schamen zich x
2 valt op x
3 werd behandeld x
3 (had) opgebeld x
4 raadde aan x
5 is geopereerd x
6 zijn getrokken x
7 (heeft) zich gemeld x
8 zich vertonen x
9 voelde zich x
10 (is) opgeknapt x