You are on page 1of 12

Datum van inlevering: 02-03-2015

Studierichting & werkgroepnr: R&M


WG 02

Radboud Universiteit Nijmegen


Faculteit der Managementwetenschappen
Recht & Management

Onderzoeksinterventiemethodologie A
2014-2015

en

Opdracht nummer: 1
(1)Miaad Hamidy, s4268601
(2) Sjoerd Lormans, s4370163
(3) Ben Coenders, s4461649
Studierichting & werkgroepnr: R&M

WG 02

Datum van inlevering: 02-03-2015


Docentnaam: Tijmen Weber
Let op: nummer en identificeer elke pagina van deze opdracht
met je werkgroepnummer en datum!

Datum van inlevering: 02-03-2015


Studierichting & werkgroepnr: R&M
WG 02

Methodologische beschouwingen

Kennisvragen Ben Coenders


Vraag 1
Stel na het lezen van hoofdstukken van deze week voor jezelf een lijst op met de
belangrijkste begrippen uit die hoofdstukken. Ga daarbij af op je eigen oordeel:
welke onderwerpen zijn aan bod gekomen en welke begrippen waren daarin volgens
jou het belangrijkst?
Omschrijf vervolgens in je eigen woorden zonder de syllabus te raadplegen wat ze
volgens jou betekenen. Probeer de essentie weer te geven. Check achteraf aan de
hand van de tekst van de hoofdstukken in hoeverre je omschrijvingen correct is.
Vergelijk je omschrijvingen tijdens het werkcollege eventueel met die van je
groepsgenoot.
Empirisch onderzoek: Door waar te nemen gegevens verzamelen. Deze gegevens
interpreteren waaruit een algemene uitspraak over een onderzochte onderwerp kan
volgen.
Methodologie: De wijze hoe een onderzoek uitgevoerd moet worden.
Beschrijvend kennis: er wordt omschreven wat iets is
Verklarende kennis: wat iets is wordt uitgelegd waarom het zo werkt als het werkt
Voorschrijvende kennis: hoe je moet handelen
Justified belief: Aangezien men nooit 100% zekerheid kan geven wordt kennis
gerechtvaardigd
Universeel: Verwijzen naar een klasse van objecten
Individueel: Verwijzen naar een bepaald object
Empirisch: Verwijzen naar iets wat direct in de werkelijkheid waarneembaar is
Niet-empirisch: Verwijzen naar iets wat alleen zintuigelijk waarneembaar is
Singulier: betrekking hebbend op een object
Particulier: betrekking hebbend op enkele objecten
Analytisch: uitspraak die gestoeld is op logica/wiskunde
Synthetisch: uitspraak die gestoeld is op empirisme
Feitelijk: een uitspraak die je op waarheid kunt checken
Normatief: uitspraak die je niet op waarheid kunt checken, maar waar je het mee
eens of oneens bent
Statisch: een uitspraak over een bepaalde moment in de tijd
Dynamisch: een uitspraak over meerdere momenten in de tijd
Inductie: het gaat van het bijzondere naar het algemene. Dat wil zeggen vanuit
enkele bevindingen ga je generaliseren
Deductie: het tegenovergestelde van inductie, dus hier ga je van het algemene
naar het bijzondere
Abductie: een hypothese opstellen die waargenomen dient te worden
Vraag 2
Wat is het belangrijkste verschil tussen empirisme en rationalisme?
Waar rationalisme er van uitgaat dat de uiteindelijke bron van kennis de menselijke
rede is gaat empirisme er van uit dat de uiteindelijke bron van kennis via
zintuigelijke waarneming verkregen wordt.
2

Datum van inlevering: 02-03-2015


Studierichting & werkgroepnr: R&M
WG 02

Vraag 3
In hoofdstuk 3 van het theoriedeel staat de volgende tekst te lezen: Maar ook
waardeoordelen (Soll-uitspraken), die we in het vorige hoofdstuk hebben besproken,
worden niet geacht te behoren tot het domein van de wetenschap. Wetenschap, in
de opvatting van logisch positivisten, beperkt zich tot het domein der feiten.
Waarden hebben geen wetenschappelijke status.
Waarom vallen waardeoordelen buiten het demarcatiecriterium zoals dat door het
logisch positivisme wordt gehanteerd?
Waardeoordelen vallen buiten het demarcatiecriterium zoals dat door het logisch
positivisme wordt gehanteerd, omdat waardeoordelen niet verifieerbaar zijn.

Kennisvragen Sjoerd Lormans


Vraag 1
Stel na het lezen van hoofdstukken van deze week voor jezelf een lijst op met de
belangrijkste begrippen uit die hoofdstukken. Ga daarbij af op je eigen oordeel:
welke onderwerpen zijn aan bod gekomen en welke begrippen waren daarin volgens
jou het belangrijkst?
Omschrijf vervolgens in je eigen woorden zonder de syllabus te raadplegen wat ze
volgens jou betekenen. Probeer de essentie weer te geven. Check achteraf aan de
hand van de tekst van de hoofdstukken in hoeverre je omschrijvingen correct is.
Vergelijk je omschrijvingen tijdens het werkcollege eventueel met die van je
groepsgenoot.
Taxonomie: een hirarchisch geordende set van basisbegrippen in een bepaald
wetenschapsgebied.
Individueel: individuele begrippen verwijzen naar n object
Universeel: universele begrippen verwijzen naar een klasse van objecten
Particulier: particuliere begrippen verwijzen naar sommige objecten
Empirisch: direct waarneembaar
Niet-empirisch: niet direct waarneembaar, onder te verdelen in twee groepen:
Logisch/mathematisch: los van de waarneming
Hypothetisch: veronderstellen het bestaan van iets
Nomothetisch: wetten stellend, wetten gevend (algemene regels geven)
Idiografisch: wetenschapsopvatting met betrekking tot het bijzondere/singuliere
(individuele begrippen staan centraal)
Conceptie: de mogelijkheid die mensen hebben om ene situatie op een bepaalde
manier op te vatten
Construct: theoretische verklaring voor waargenomen verschijnselen
Analytische uitspraken: niet na te gaan met behulp van empirische
waarnemingen
Synthetische uitspraken: uitspraken met empirische inhoud
3

Datum van inlevering: 02-03-2015


Studierichting & werkgroepnr: R&M
WG 02

Feitelijke uitspraken: een uitspraak waar de waarheid van kan worden


vastgesteld
Normatieve uitspraken: een uitspraak die een waardeoordeel uitspreekt
Statische uitspraken: uitspraken met betrekking tot n moment in de tijd
Comperatief statische uitspraken: een vergelijking op twee momenten in de tijd
Dynamische uitspraken: verandering in de tijd over meer dan twee momenten
Beschrijvende verklaring: ze geven aan hoe iets is
Verklarende uitspraken: ze geven aan waarom iets is
Voorschrijvende uitspraken: uitspraken die zeggen wat je zou moeten doen om
een bepaalde situatie te veranderen
Theorie: een verzameling onderling samenhangende uitspraken die een
beschrijving en verklaring geeft van een bepaald verschijnsel
Hypothese: een veronderstelling die een beschrijving of verklaring voor een
bepaald verschijnsel geeft
Inductie: redeneren vanuit het bijzondere naar het algemene
Deductie: redeneren vanuit het algemene naar het bijzondere
Context of justification: het rechtvaardigen van bepaalde vermoedens die we
hebben over verschijnselen
Logisch positivisme: een manier van denken waarin de wetenschap zich beperkt
tot het domein der feiten (empirische gegevens, het zintuiglijk waarneembare staat
centraal)
Kritisch rationalisme: een manier van denken waarin de wetenschap zich
bezighoudt met de manier van denken (de ratio/menselijke rede) van de mens (de
menselijke ratio staat centraal)
Wetenschappelijk onderzoek: onderhevig aan drie eisen: openbaarheid,
controleerbaarheid en repliceerbaarheid
Fundamenteel onderzoek: het verleggen van grenzen van onze kennis, vergaren
van kennis omwille van die kennis zelf
Toegepast onderzoek: het vinden van praktische toepassingen op basis van wat
uit theoretisch gezichtspunt bekend is
Vraag 2
Wat is het belangrijkste verschil tussen empirisme en rationalisme?
Het belangrijkste verschil tussen het empirisme en het rationalisme is de
uiteindelijke bron van kennis die wordt uitgeput. Voor het empirisme staat
de zintuiglijke waarneming centraal terwijl daar tegenover staat dat voor
het rationalisme de menselijke rede (ratio) centraal staat. Bij het
empirisme gaat het om empirische gegevens terwijl bij het rationalisme de
manier van denken bepalend is.
Vraag 3
In hoofdstuk 3 van het theoriedeel staat de volgende tekst te lezen: Maar ook
waardeoordelen (Soll-uitspraken), die we in het vorige hoofdstuk hebben besproken,
worden niet geacht te behoren tot het domein van de wetenschap. Wetenschap, in
de opvatting van logisch positivisten, beperkt zich tot het domein der feiten.
Waarden hebben geen wetenschappelijke status.
Waarom vallen waardeoordelen buiten het demarcatiecriterium zoals dat door het
logisch positivisme wordt gehanteerd?
4

Datum van inlevering: 02-03-2015


Studierichting & werkgroepnr: R&M
WG 02

Het logisch positivisme houdt zich alleen bezig met aan wat
waarneembaar en ondubbelzinnig, namelijk door constatering met
zintuiglijke waarneming kan beschouwd worden (Strig, 1976).
Waardeoordelen zijn voor iedereen verschillend en deze kunnen niet
zintuiglijk waargenomen worden door derden (tenzij uitgesproken, maar
zelfs dan kan er niet met zekerheid vastgesteld worden). Waardeoordelen
worden door menselijk denken tot stand gebracht en kunnen wel worden
beoordeeld in het rationalisme.

Kennisvragen Miaad Hamidy


Vraag 1
Stel na het lezen van hoofdstukken van deze week voor jezelf een lijst op met de
belangrijkste begrippen uit die hoofdstukken. Ga daarbij af op je eigen oordeel:
welke onderwerpen zijn aan bod gekomen en welke begrippen waren daarin volgens
jou het belangrijkst?
Omschrijf vervolgens in je eigen woorden zonder de syllabus te raadplegen wat ze
volgens jou betekenen. Probeer de essentie weer te geven. Check achteraf aan de
hand van de tekst van de hoofdstukken in hoeverre je omschrijvingen correct is.
Vergelijk je omschrijvingen tijdens het werkcollege eventueel met die van je
groepsgenoot.
Empirisch onderzoek: door middel van het doen van waarnemingen onderzoek
doen.
Methodologisch: de manier waarop
Methedologie: de manier van leren
Beschrijvende kennis: wat iets is
Verklarende kennis: waarom iets op een bepaalde manier werkt.
Voorschrijvende kennis(prescriptieve): hoe iets veranderd kan worden
Nomothetisch: het geven van algemeen verbindende voorschriften(algemene
regels)
Fenomenologisch: alles is uniek
Deductief: het meer concrete explanandum wordt logisch afgeleid uit het meer
algemene explanans
Explanandum: dat wat verklaard moet worden
Explanans: dat wat uitlegt/verklaart
Deductief argument: redeneert van het algemene naar het specifieke, waarbij het
voorkomen van een wetmatigheid in de explanans van belang is.
Theorie: een verzameling onderling samenhangende uitspraken die een
beschrijving en verklaring geeft van een verschijnsel.
Verifieerbaar: empirisch toetsbaar(a-posteriori)
Wetmatigheden hebben een deterministisch karakter: hebben altijd
hetzelfde resultaat
5

Datum van inlevering: 02-03-2015


Studierichting & werkgroepnr: R&M
WG 02

Individueel: Verwijzen naar n bepaald voorwerp of object


Universeel: Verwijzen naar een klasse van objecten (door abstractie, algemene,
gemeenschappelijke)
Empirisch: Verwijzen naar iets dat direct in de werkelijkheid waarneembaar is
Niet-empirisch: Zintuigelijke werkelijkheid
Singulier: Betrekking hebbend op n object.
Universeel: Algemeen, geldt niet voor n subject maar voor alle
objecten/subjecten in een categorie.(voor alle x geldt: indien x een y is, dan is x ook
een z)
Particulier: Sommige-uitspraken, hebben betrekking op een beperkt aantal
objecten (er is tenminste en x die ook Y is/heeft)
Analytische uitspraken (ook wel logische of tautologische uitspraken
genoemd):
Geen empirische pretenties en haar waarheid is dus onafhankelijk van de empirie te
bepalen: waarheid hangt uitsluitend af van de logische structuur. Zon uitspraak is
a-priori waar of onwaar.
Synthetische uitspraken: Ze heeft wel empirische pretenties en haar waarheid
moet dus empirisch vast te stellen zijn. De waarheid ervan kan alleen a-posteriori
na waarneming vastgesteld worden.
Statisch: Betrekking op n moment in de tijd.
Dynamische uitspraak: Geeft een verandering in de tijd weer op meer dan twee
momenten
Retrospectieve uitspraak: Betrekking op het verleden
Prospectieve uitspraak: Betrekking op de toekomst
Comparatief statische uitspraak: Er wordt een vergelijking gemaakt tussen twee
tijdstippen
Universele beschrijvende uitspraken: Geven aan wat iets is hoe iets is, wat er
gebeurt, et cetera
Verklarende uitspraken: Geven aan waarom iets is zoals het is (beter dan
beschrijven)
Voorschrijvende uitspraken: Zeggen wat je zou moeten doen om een bepaalde
situatie te veranderen (normatief)
Vraag 2
Wat is het belangrijkste verschil tussen empirisme en rationalisme?
Rationalisme zegt dat de bron van kennis de menselijke rede is. Verder
redeneren vanuit uitgangspunten om tot ware kennis te komen d.m.v.
logisch denken. (waarneming zintuigen is bedrieglijk) (Descartes)
Empirisme: uiteindelijke bron van kennis is via zintuigelijke waarneming
(Locke)
Vraag 3
In hoofdstuk 3 van het theoriedeel staat de volgende tekst te lezen: Maar ook
waardeoordelen (Soll-uitspraken), die we in het vorige hoofdstuk hebben besproken,
worden niet geacht te behoren tot het domein van de wetenschap. Wetenschap, in

Datum van inlevering: 02-03-2015


Studierichting & werkgroepnr: R&M
WG 02

de opvatting van logisch positivisten, beperkt zich tot het domein der feiten.
Waarden hebben geen wetenschappelijke status.
Waarom vallen waardeoordelen buiten het demarcatiecriterium zoals dat door het
logisch positivisme wordt gehanteerd?
Normatieve uitspraken/ Soll uitspraken spreken een waardeoordeel uit
(zouden, behoort, zouden moeten). Positivisme: Men dient zich aan het
positief gegevene te houden, aan wat waarneembaar en ondubbelzinnig,
namelijk door constatering met zintuigelijke waarneming beschouwd kan
worden.

Toepassingsvragen
Vraag 1
In de syllabus zijn enkele indelingen gemaakt voor wat betreft soorten begrippen.
We hebben in principe bij begrippen slechts twee onderscheidingen gemaakt
(individueel/universeel
en
empirisch/niet-empirisch).
Maak
van
beide
onderscheidingen een tweedimensionale typologie en plaats de volgende begrippen
in een van de cellen van die typologie:
Individueel: Verwijzen naar n bepaald voorwerp of object
Universeel: Verwijzen naar een klasse van objecten (door abstractie, algemene,
gemeenschappelijke)
Empirisch: Verwijzen naar iets dat direct in de werkelijkheid waarneembaar is
Niet-empirisch: Zintuigelijke werkelijkheid
1. Organisatiecultuur: Universeel, niet-empirisch. Een organisatiecultuur is zeer
abstract en kan verwijzen naar een klasse van objecten. Daarnaast is het niet
iets dat je direct in de werkelijkheid kunt waarnemen.
2. Aarde: Individueel, empirisch. Het is n object en dit object kun je in de
werkelijkheid waarnemen.
3. Manager: Individueel, empirisch. Bij een manager ligt het eraan in welke
opzicht je het bekijkt. Kijk je naar de manager als persoon dan is het natuurlijk
n object en kun je het direct in de werkelijkheid waarnemen. Maar kijk je
naar de functie van het zijn van manager (leidinggeven) dan zou je kunnen
zeggen dat het universeel en niet-empirisch is. Er is dan sprake van een
abstract begrip, wat niet-empirisch is. Je kun de functie niet direct waarnemen
in de werkelijkheid.
4. Zwaartekracht: Universeel, niet-empirisch. Zwaartekracht is niet n object,
het verwijst naar een klasse van objecten. Daarnaast zien wij alleen de
effecten van zwaartekracht, maar niet het zwaartekracht zelf, waardoor het
ook een niet-empirisch begrip is.
5. Bureaucratie: Universeel, niet-empirisch. Een klasse van objecten dat niet
verwijst wat je direct in de werkelijkheid kunt waarnemen.
6. Snelheid: Universeel, niet-empirisch. Hierover ontstond in de groep wat
discussie. Waarbij het voornamelijk overging over of het een empirisch of niet7

Datum van inlevering: 02-03-2015


Studierichting & werkgroepnr: R&M
WG 02

empirisch begrip is. Als een auto zeer snel gaat dan kun je dit in de
werkelijkheid waarnemen. Maar aan de andere kant is het hetzelfde als
zwaartekracht waarbij er sprake is van een niet-empirisch begrip, wij zien
alleen de gevolgen ervan. Daarom gaan wij ervan uit dat ook dit begrip nietempirisch is.
Vraag 2
Geef van de volgende uitspraken aan van welk type ze zijn en beargumenteer je
keuze.
NB Er zijn meerdere categorien mogelijk!
Singulier: Betrekking hebbend op n object.
Universeel: Algemeen, geldt niet voor n subject maar voor alle
objecten/subjecten in een categorie.(voor alle x geldt: indien x een y is, dan is x ook
een z)
Particulier: Sommige-uitspraken, hebben betrekking op een beperkt aantal
objecten (er is tenminste en x die ook Y is/heeft)
Analytische uitspraken (ook wel logische of tautologische uitspraken
genoemd):
Geen empirische pretenties en haar waarheid is dus onafhankelijk van de empirie te
bepalen: waarheid hangt uitsluitend af van de logische structuur. Zon uitspraak is
a-priori waar of onwaar.
Synthetische uitspraken: Ze heeft wel empirische pretenties en haar waarheid
moet dus empirisch vast te stellen zijn. De waarheid ervan kan alleen a-posteriori
na waarneming vastgesteld worden.
Statisch: Betrekking op n moment in de tijd.
Dynamische uitspraak: Geeft een verandering in de tijd weer op meer dan twee
momenten
Retrospectieve uitspraak: Betrekking op het verleden
Prospectieve uitspraak: Betrekking op de toekomst
Comparatief statische uitspraak: Er wordt een vergelijking gemaakt tussen twee
tijdstippen
Universele beschrijvende uitspraken: Geven aan wat iets is hoe iets is, wat er
gebeurt, et cetera
Verklarende uitspraken: Geven aan waarom iets is zoals het is (beter dan
beschrijven)
Voorschrijvende uitspraken: Zeggen wat je zou moeten doen om een bepaalde
situatie te veranderen (normatief)
a) Private bedrijven zijn organisaties die niet tot de publieke sector behoren.
Universeel, analytische, feitelijke. Het is een uitspraak dat geldt
voor alle bedrijven geldt. De uitspraak is niet afhankelijk van de
empirie om bepaald te worden: waarheid hangt af van de logische
structuur. Daarnaast heeft het ook betrekking op een feitelijke
situatie in de werkelijkheid.
b) In Nederland rookt minder dan 25% van de bevolking.
Particulier, Synthetische uitspraak, statisch, feitelijk. Het heeft
betrekking op maar 25% van de bevolking, daarnaast moet haar
waarheid empirisch worden vastgesteld. De uitspraak heeft

Datum van inlevering: 02-03-2015


Studierichting & werkgroepnr: R&M
WG 02

betrekking op een moment en er is sprake van een uitspraak over de


feitelijke situatie.
c) De meeste mensen werken harder dan goed voor ze is.
Particulier, synthetische, feitelijk. Het heeft betrekking op een
aantal objecten en haar waarheid moet empirisch worden
vastgesteld. Ook is er sprake van een feitelijke situatie.
Vraag 3
Neem n van de handboeken die je bij een andere cursus in dit semester krijgt
aangeboden. Zoek een voorbeeld van een uitspraak, zoals de drie uitspraken in de
vraag hierboven. Geef de betreffende uitspraak weer in de vorm van een citaat, dus
met vermelding van bron en paginanummer.
Afhankelijke rechten zijn niet overdraagbaar. Universele uitspraak,
analytische uitspraak, feitelijk. Het is een uitspraak dat voor alle
afhankelijke rechten geldt. Haar waarheid is onafhankelijk van de empirie
en hangt uitsluitend af van de logische structuur, namelijk dat een
afhankelijk recht zodanig met een goed is verbonden dat het overgaan
ervan geen doel/zin/nut heeft als het goed niet mee overgaat. Het geeft de
feitelijke situatie van afhankelijke rechten weer.
Beargumenteer vervolgens wat voor type uitspraak het is en relateer die typering
ook aan de context waarin de uitspraak wordt gedaan.
Vraag 4
Geef van de onderstaande uitspraken aan van welk type ze zijn en of ze zich wel of
niet lenen voor empirisch onderzoek. Als ze zich lenen voor empirisch onderzoek,
geef dan zo nauwkeurig mogelijk aan hoe je de uitspraak op zijn waarheid zou
onderzoeken (dat wil zeggen welke empirische gegevens zou je moeten verzamelen
en hoe kom je aan die gegevens?)
A) Jonge organisaties gaan sneller failliet dan oudere organisaties
Deze uitspraak is:
Universeel: het gaat over jonge en oude organisaties in het algemeen ;
Synthetisch: aangezien de uitspraak empirische inhoud bevat en niet
wiskundig is;
Feitelijk: deze uitspraak kun je checken, het is dan waar of onwaar;
Dynamisch: aangezien deze uitspraak altijd geldt, dat wil zeggen meer
dan twee meetpunten in de tijd;
Beschrijvend: er wordt iets vastgesteld zonder aan te geven waarom.
Verder wordt er ook niets voorgeschreven;
Deze uitspraak leent zich wel voor empirisch onderzoek. Je zou dan eerst een
definitie van de termen: organisatie, failliet, jong & oud moeten geven.
Daarna verschillende situaties in kaart brengen waarin een organisatie failliet
kan gaan. Als dat gebeurd is moet er gekeken worden of jonge organisaties in
de vooraf afgebakende situaties daadwerkelijk sneller failliet gaan dan
oudere bedrijven.
B) Sommige organisaties hebben een bureaucratische structuur
Deze uitspraak is:
9

Datum van inlevering: 02-03-2015


Studierichting & werkgroepnr: R&M
WG 02

Particulier: het gaat hier over enkele bedrijven;


Synthetisch: aangezien dit wel empirische inhoud bevat en niet logisch
(wiskundig is);
Feitelijk: hiervan kan de (on)waarheid worden vastgesteld, het is bij deze
uitspraak dus geen kwestie van eens of oneens;
Dynamisch: heeft betrekking tot meerdere momenten in de tijd;
Beschrijvend: er wordt iets vastgesteld zonder aan te geven waarom en
zonder iets voorschriften;
Deze uitspraak leent zich wel voor empirisch onderzoek. Eerst geef je de
definitie van organisatie en bureaucratische structuur. Dan kijk je of
organisaties een dergelijke structuur handhaven.
C) De euro had nooit ingevoerd morgen worden
Deze uitspraak is:
Singulier: het heeft betrekking tot in object, de euro;
Synthetisch: is niet op basis van een logische vorm;
Normatief: hier kan niet worden vastgesteld of het waar is of niet. Het
gaat hier om een mening;
Statisch retroperspectief: het zegt wat over een bepaald moment in het
verleden;
Voorschrijvend: er wordt hier voorgeschreven dat de euro niet ingevoerd
had mogen worden;
Deze uitspraak leent zich niet voor empirisch onderzoek, omdat de effecten
op het leven die de gulden had gehad wanneer we deze hadden gehouden
niet in te zien zijn.
D) Nederlanders kennen de wet slechter dan nodig is
Deze uitspraak is:
Particulier: het gaat hier over de gemiddelde Nederlander. Dat betekent
dat er gemiddeld genomen Nederlanders de wet slechter kennen dan
nodig is, maar dat er ook een aantal Nederlanders de wet goed kennen.
Dus het gaat over enkele Nederlanders;
Synthetisch: deze uitspraak bevat empirische inhoud, je kunt hem
namelijk met een enqute toetsen;
Normatief: ook hier gaat het om een mening en is het een kwestie van
eens of oneens;
Dynamisch: het gaat hier over een tijdsbestek met meer dan twee
meetmomenten;
Beschrijvend: deze uitspraak is een constatering, verder wordt er geen
verklaring of voorschriften gegeven;
Deze uitspraak zou zich kunnen lenen voor empirisch onderzoek, maar dan
zou je eerst vast moeten stellen wat voor een Nederlander de benodigde
kennis van de wet moet zijn. Daarna moet je conform de eis de kennis
moeten toetsen bij de Nederlander. Daarna zou er over de kennis van de wet
van de Nederlander een uitspraak gedaan kunnen doen.
E) Alle Nederlanders worden geacht de wet te kennen
Deze uitspraak is:
Particulier: het gaat hier wel om alle Nederlanders, maar alle Nederlanders
is een afgebakend deel van alle Europeanen/mensen;
Synthetisch: deze uitspraak bevat empirische inhoud;
10

Datum van inlevering: 02-03-2015


Studierichting & werkgroepnr: R&M
WG 02

Feitelijk: alle Nederlanders worden inderdaad geacht de wet te kennen, dit


is een feitelijke uitspraak;
Dynamisch; alle Nederlanders werden vorige week geacht de wet te
kennen, maar ook vandaag en morgen. De uitspraak heeft dan ook
betrekking tot meerdere momenten in de tijd;
Beschrijvend: deze uitspraak verklaard niks en schrijft ook niks voor.
Deze uitspraak leent zich niet voor empirisch onderzoek, aangezien dit een
feit is. Wel zou je onderzoek kunnen doen welk nut het zou hebben wanneer
alle Nederlanders de wet kennen, maar niet dat alle Nederlanders worden
geacht de wet te kennen. Er wordt ook geen onderzoek gedaan naar het feit
dat je verkeer van rechts voorrang moet geven. Beide zijn gewoon regels.
Vraag 5
Maak van de volgende drie beweringen een geldige deductieve redenering door de
uitspraken in de juiste volgorde te plaatsen
Deductie: Gaat van het algemene/universele naar het bijzondere/singuliere.
Het gaat algemene/universele uitspraken naar bijzondere/singuliere
op een object betrekkende uitspraken, deze uitleg geldt voor alle
drie de subvragen.
a) Alaska is een hond
b) Alaska heeft vijf poten.
c) Alle honden hebben vijf poten
C>A>B.
Idem voor:
a) Alle organisaties met een winstoogmerk maken soms verlies.
b) Deze organisatie heeft verlies gemaakt.
c) Deze organisatie heeft een winstoogmerk.
A>B>C.
Vraag 6
Gegeven zijn de volgende twee D-N verklaringen:
a) Ongemotiveerde medewerkers zijn vaak ziek.
b) De meeste medewerkers van afdeling X zijn ongemotiveerd.
c) Ergo: de meeste medewerkers van afdeling X zijn vaak ziek.
a) Medewerkers die vaak ziek zijn, zijn ongemotiveerd.
b) De meeste medewerkers van afdeling X zijn vaak ziek.
c) Ergo: de meeste medewerkers van afdeling X zijn ongemotiveerd.
Welke van deze twee verklaringsmodellen geldt volgens jou als een echte
verklaring en waarom?
Naar mijn oordeel kan verklaring n als een echte verklaring worden
aangenomen. Dit komt omdat logischerwijs de conclusie (ergo) kan
worden afgeleid uit de twee voorgaande verklaringen (premissen). Er
11

Datum van inlevering: 02-03-2015


Studierichting & werkgroepnr: R&M
WG 02

wordt namelijk gesteld dat ongemotiveerde medewerkers vaak ziek zijn,


onderdeel B stelt dat de meeste werknemers van afdeling X
ongemotiveerd zijn. Volgens de onderdelen A & B zijn de meeste
werknemers van afdeling X ongemotiveerd (onderdeel B) en dus vaak
ziek (onderdeel A).
Bij bewering twee volgt de conclusie (ergo) ook logischerwijs uit de twee
voorgaande verklaringen, echter is toch deze conclusie niet juist. Er
kunnen meerdere oorzaken zijn voor het vaak ziek zijn. Hier hoef je niet
perse uit te concluderen dat wanneer de werknemers van afdeling X vaak
ziek zijn, dat deze tevens ongemotiveerd zijn.

Kritiekvragen
Hieronder staat een aantal redeneringen. Geef aan of de redeneringen juist of
onjuist zijn en waarom.
Redenering 1:
a) Alle topmanagers verdienen een bovenmodaal salaris.
b) Jan verdient een ondermodaal salaris.
c) Jan is geen topmanager.
Redenering 1 is juist. Er wordt in onderdeel A gesteld dat alle
topmanagers een bovenmodaal salaris verdienen. Mensen met een
ondermodaal salaris kunnen dus per definitie geen topmanagers zijn.
Wanneer in onderdeel B wordt gesteld dat Jan een ondermodaal salaris
verdient kan dus met succes worden geconcludeerd in onderdeel C dat Jan
dus geen topmanager kan zijn. Dit komt omdat je als topmanager geen
ondermodaal maar bovenmodaal salaris verdient.
Redenering 2:
a) Het lezen van wereldliteratuur verrijkt je leven
b) Dostojevskis Schuld en Boete verrijkt je leven
c) Dostojevskis Schuld en Boete is wereldliteratuur.
Redenering 2 is onjuist. De oorzaak-gevolg relatie klopt niet. Het
impliceert namelijk dat alleen wereldliteratuur het leven kan verrijken,
terwijl in het leven meerdere zaken zijn die het leven kunnen verrijken.
Wanneer b) en c) worden omgedraaid, dan zou de redenering wel kloppen.
Redenering 3:
a) Als de autosnelwegen veilig zijn gebeuren er geen ongelukken
b) De autosnelwegen zijn niet veilig
c) Er gebeuren ongelukken.
Redenering 3 is onjuist. Ook hier kan ongeveer dezelfde beredenering
gebruikt worden als bij redenering 2 omdat er niet logischerwijs kan
worden geconcludeerd dat wanneer (als de autowegen veilig zijn
gebeuren er geen ongelukken) de autosnelwegen niet veilig zijn er per
definitie ongelukken komen. De ongelukken kunnen ook komen van andere
dingen dan het niet veilig zijn van de autosnelwegen. Ook wanneer b) en
c) worden omgedraaid zou je wel tot een logische redenering komen.

12