You are on page 1of 123

Dynamische thermodynamische modellering van

koelmachines
Brecht Jacobs

Promotor: prof. dr. ir. Michel De Paepe


Begeleiders: Bernd Ameel, Kathleen De Kerpel
Masterproef ingediend tot het behalen van de academische graad van
Master in de ingenieurswetenschappen: werktuigkunde-elektrotechniek

Vakgroep Mechanica van Stroming, Warmte en Verbranding


Voorzitter: prof. dr. ir. Roger Sierens
Faculteit Ingenieurswetenschappen en Architectuur
Academiejaar 2010-2011

Dynamische thermodynamische modellering van


koelmachines
Brecht Jacobs

Promotor: prof. dr. ir. Michel De Paepe


Begeleiders: Bernd Ameel, Kathleen De Kerpel
Masterproef ingediend tot het behalen van de academische graad van
Master in de ingenieurswetenschappen: werktuigkunde-elektrotechniek

Vakgroep Mechanica van Stroming, Warmte en Verbranding


Voorzitter: prof. dr. ir. Roger Sierens
Faculteit Ingenieurswetenschappen en Architectuur
Academiejaar 2010-2011

Dankwoord
Graag had ik enkele mensen bedankt die hebben bijgedragen tot het tot stand brengen van
deze thesis.
Dank aan mijn promotor prof. dr. ir. Michel De Paepe en mijn begeleiders ir. Bernd Ameel
en ir. Kathleen De Kerpel, voor de tijd die ze voor mij hebben vrijgemaakt, de goede raad en
de deskundige begeleiding. Ik kon steeds bij hen terecht voor vragen en problemen.
Ook ben ik mijn familie erkentelijk voor hun steun en begrip gedurende het academiejaar
en gedurende de hele opleiding.
Ten slotte bedank ik mijn vrienden die van het universiteitsleven een mooie en onvergetelijke
tijd hebben gemaakt.

De auteur geeft de toelating deze masterproef voor consultatie beschikbaar te stellen en delen
van de masterproef te kopieren voor persoonlijk gebruik. Elk ander gebruik valt onder de
beperkingen van het auteursrecht, in het bijzonder met betrekking tot de verplichting de bron
uitdrukkelijk te vermelden bij het aanhalen van resultaten uit deze masterproef.

Gent, 6 juni 2010


Brecht Jacobs

The author gives permission to make this master dissertation available for consultation and
to copy parts of this master dissertation for personal use. In the case of any other use, the
limitations of the copyright have to be respected, in particular with regard to the obligation
to state expressly the source when quoting results from this master dissertation.

Gent, 6 June 2010


Brecht Jacobs

Dynamische Thermodynamische Modellering van Koelmachines


Brecht Jacobs

Promotor: prof. dr. ir. Michel De Paepe


Begeleiders: ir. Bernd Ameel, ir. Kathleen De Kerpel
Masterproef ingediend tot het behalen van de academische graad van
Master in de Ingenieurswetenschappen: werktuigkunde-elektrotechniek
Vakgroep Mechanica van Stroming, Warmte en Verbranding
Voorzitter: prof. dr. ir. Roger Sierens
Faculteit Ingenieurswetenschappen en Architectuur
Academiejaar 2010-2011

Samenvatting
Zowel in industriele als residentiele toepassingen worden koelmachines steeds vaker gebruikt.
Er moet bijgevolg grote aandacht besteed worden aan goed ontwerp. Goed ontwerp omvat
enerzijds de energie-efficientie en anderzijds het correct functioneren van de installatie. Door
wijzigende koellast, wijzigende buitencondities of ten gevolge van overdimensionering bij het
ontwerp, werkt een koelcyclus echter zeer zelden in vollast. Beide aspecten moeten aldus gegarandeerd worden zowel in vollast als in deellast. In de literatuur zijn al enkele cyclusmodellen
ontwikkeld. Deze gaan er echter vaak van uit dat er voldoende gegevens beschikbaar zijn wat
betreft de geometrie en de sturing van de componenten. Vaak is dit confidentiele informatie,
zodat deze modellen niet zomaar gebruikt kunnen worden. In dit huidig werk wordt een theoretisch model ontwikkeld dat in staat is zowel het statisch als het dynamisch gedrag van een
koelcyclus te voorspellen. Er zijn slechts weinig details gekend over de te simuleren koelcyclus, bijgevolg moeten er extra veronderstellingen en vereenvoudigingen gemaakt worden. Ook
wordt er in beperkte mate gebruik gemaakt van data-fitting. Toch is het model in staat zowel
het statisch als het dynamisch gedrag kwalitatief goed te voorspellen. De nauwkeurigheid van
de simulatie is echter niet altijd even hoog. Er wordt onderzocht wat de oorzaak is van deze
afwijkingen en er worden voorstellen gedaan om hieraan tegemoet te komen. Zo wordt er
aangetoond waar de kritische punten bij cyclusmodellering liggen.
Trefwoorden
Koelcyclus, simulatie, theoretisch model, dynamisch, steady-state.

Dynamic Thermodynamic Modeling of a


Refrigeration Cycle
Brecht Jacobs
Supervisors: Michel De Paepe, Bernd Ameel, Kathleen De Kerpel
Abstract A lumped-parameter theoretical model of a vaporcompression refrigeration cycle is developed. First, each individual component is modeled by simplifying the one-dimensional formulation of the
conservation laws of mass, momentum and energy. Subsequently, these
models are combined to form a simulation model of a full cycle. Given
the lack of detailed information of the compressor and the valve, the modeling involved data-fitting. The results of the simulation are compared to
the data obtained from a 90 ton (300 kW) centrifugal water chiller. Both
steady-state as dynamic behavior are generally well predicted. However,
the accuracy of the predicted COP is rather low. Also, the pressure in both
the condenser and the evaporator are not very well predicted. Lastly, the
transient behavior of the mass flow rate is not well captured during large
disturbances. The cause of these discrepancies is analyzed and explained,
resulting in suggestions for further research.
KeywordsRefrigeration cycle, simulation, theoretical model, dynamic,
steady-state.

I. I NTRODUCTION
Experimental studies to examine the behavior of a refrigeration cycle are usually very costly and take a lot of time to perform. Also, the obtained results are not readily extendable to
any other type of machine. Therefore, more and more computer models are being developed to predict the performance
of chillers. These models are valuable tools to optimize the
energy-performance of a system. Also, simulations serve well
to analyze the design of a cycle. Third, designers can use it to
implement and test control algorithms for the expansion valve
and the compressor. Finally, this model will aid researchers to
gain insight into the physical behavior of a refrigeration cycle
under various operating conditions. The behavior of individual
components is very well understood. However, combined as a
system, some phenomena are not yet explained.
II. T EST STAND DESCRIPTION
Comstock and Braun [1] collected experimental data of a 90
ton (300 kW) centrifugal water chiller over a wide range of operating conditions. Here, a short overview is given of the test
stand and its instrumentation. More information can be found in
the above mentioned report.
The chiller is a McQuay PEH048J, using R134a as refrigerant
and water as secondary fluid. The evaporator and the condenser
are both flooded shell-and-tube heat exchangers. Furthermore,
the system is equipped with a pilot-driven thermostatic expansion valve and a centrifugal compressor. In both the condenser
and the evaporator, water flows through the tubes, while the refrigerant is on the shell-side. At the outlet of the condenser,
some of the refrigerant is led through a cooling line, first expanding across an fixed-size orifice to evaporator pressure and
then used to cool the motor and its transmission. Afterwards,
the refrigerant is mixed at the evaporator inlet with the stream
that went through the thermostatic expansion valve. Capacity

control is achieved by varying the angle of the inlet guide vanes


at the inlet of the compressor.
Both transient as steady-state data were collected beginning
with start-up, followed by 27 different operating conditions ending with shut-down. The different conditions were obtained by
varying the evaporator water outlet set temperature and the condenser and evaporator water inlet temperature.
III. M ODEL DEVELOPMENT
A. Cooling line
The cooling line is not modeled. After all, the amount of
heat produced by losses in the transmission and the motor are
several orders of magnitude smaller than the heat exchanged in
evaporator and condenser.
B. Thermostatic expansion valve
Due to the lack of constructional details, the pilot-driven valve
was simplified to a standard thermostatic expansion valve. As
in [1], the flow through the valve is considered isenthalpic and
stationary. Furthermore, the mass flow rate is expressed by the
standard Bernoulli orifice equation. The flow area is derived
from a force balance on the spindle, while neglecting its inertia. The dynamic response of the bulb is modeled by a 1st order
differential equation, resulting from the conservation of energy,
while treating the bulb and its contents as a single region, perfectly isolated from its surroundings.
C. Centrifugal compressor
The dynamics of the compressor are neglected. The mass
flow rate through the compressor is computed as in [2]. Next,
the compression is modeled as a polytropic process. Finally, the
flow through the inlet guide vanes is modeled as an equivalent
throttling process. Therefore, the pressure drop can be related to
the mass flow rate by the Bernoulli orifice equation.
D. Evaporator and condenser
Both heat exchangers were modeled following the movingboundary approach as outlined in [3], [4] and [5]. The heat
exchanger is subdivided into maximum three zones of which
the boundaries coincide with the interfaces where the refrigerant transitions between single- and two-phase flow. Next, the
conservation laws of mass, momentum and energy are simplified and integrated in each zone, yielding a set of 1st order linear
differential equations.

E. System
E.1 Dynamic model
The dynamic model is obtained by combining the models of
each individual component. This results in a system differential
algebraic equations of index 1.
E.2 Steady-state model
The steady-state model is derived by setting all time derivatives in the dynamic model to zero, yielding a non-linear set
of algebraic equations. The model is completed by adding the
charge equation, which expresses the total amount of refrigerant
charge contained in the system.
IV. R ESULTS AND DISCUSSION

flow rate. As a consequence, the predicted mass flow rate is


smaller than the measured values in order order to increase the
pressure rise across the compressor. As the enthalpy at the inlet
(hevap,in ) and the outlet (hevap,out ) of the evaporator are well
predicted, this causes the underprediction of the cooling load at
higher mass flow rate.
The motor power is calculated by assuming a constant
electro-mechanical efficiency (em ). However, this seems to be
a bad approximation. From the measured data it was found that
when the system works in part-load, the efficiency is approximately 62 %. At full-load however, the efficiency increases up
to 72 %. As a higher COP corresponds to a higher part-load ratio, it is readily shown that this assumption also contributes to
the underprediction of the high-range COPs.

A. Steady-state results

B. Dynamic results

The steady-state results show reasonable agreement with the


measured data. However, as depicted in figure 1, the model
fails to predict the higher-range COP. The lower-range COP on
the other hand, is predicted within the 10 % bounds. This
discrepancy is shown to be due to the underprediction of the
cooling load (Qevap ) and the overprediction of the motor power
(Pmotor ). These are defined as:

As can be seen on figure 2, the dynamic behavior of the system is well predicted. There is no overshoot nor undershoot and
the duration of the simulated and the measured transient agree.

mass flow rate

predicted []

predicted [kg/s]

1.5
1
0.5
1

1.5
2
measured [kg/s]

2
120

8
7.5
7
6.5

3.1

3.2
time [s]

3.3

40

measured
predicted
3.4
4

x 10

0.5

80
60

predicted
measured

6
5.5
3

100
1.5
PLR [%]

mass flow rate [kg/s]

8.5

3.1

3.2
time [s]

3.3
4

x 10

20

3.1

3.2
time [s]

3.3
4

x 10

Fig. 2. Dynamic results compared to measured data

Figure 2 shows that the mass flow rate reacts too quick under
large disturbances. This results from neglecting the inertia of
the actuator of the inlet guide vanes and from assuming that the
time-constant of the bulb is very small.

5
4
3
2

2.5

3
4
measured []

motor power

400
predicted [kW]

100
80
60
40
40

60
80
measured [kW]
predicted

100
+ 10%

V. C ONCLUSION
A lumped parameter model for a vapor-compression refrigeration system has been developed. The predicted data is compared to the measured data. The cause of the discrepancies
is thoroughly analyzed and explained, highlighting the critical
points of a simulation model.

cooling load

120
predicted [kW]

x 10

20
20

(2)

COP = cooling load/motor power

2.5

0
0.5

(1)

pressure in the condenser [Pa]

Qevap = m
(hevap,out hevap,in )
1
m
(hcomp,out hcomp,in )
Pmotor =
em

300
200
100
0

R EFERENCES
0

100
200
300
measured [kW]
measured

400

10%

Fig. 1. Steady-state results compared to measured data

The measured data show that a higher COP corresponds to a


higher mass flow rate (m).
At higher mass flow rate, the boiling
process in the evaporator transitions from pool boiling to flow
boiling. For evaporation on the outside of horizontal plain tube
bundles under similar circumstances, Thome [6] has shown that,
on average, the convective boiling heat transfer accounts for 40
% of the total heat transfer. The simulation on the contrary is
carried out using a correlation which only predicts the nucleate boiling contribution, resulting in an underprediction of the
heat transfer and thus the evaporator pressure at higher mass

[1] M. C. Comstock and J. E. Braun (1999). Experimental data from fault


detection and diagnostic studies on a centrifugal chiller. Technical report,
Ray W. Herrick Laboratories, Purdue University.
[2] J. E. Bourdouxhe, M. Grodent en J. Lebrun (1996). HVAC1KIT - a toolkit
for primary HVAC system energy caclulation. Universit de Lige.
[3] N. B. O. L. Pettit, M. Willatzen en L. Ploug-Srensen (1998). A general
dynamic simulation model for evaporators and condensers in refrigeration.
part ii: simulation and control of an evaporator. International Journal of
Refrigeration, 21(5):404414.
[4] M. Willatzen, N. B. O. L. Pettit en L. Ploug-Srensen (1998). A general dynamic simulation model for evaporators and condensers in refrigeration. part i: moving-boundary formulation of two-phase flows with heat
exchange. International Journal of Refrigeration, 21(5):398403.
[5] W. J. Zhang en C. L. Zhang (2006). A generalized moving-boundary model
for transient simulation of dry-expansion evaporators under larger disturbances. International Journal of Refrigeration, 29(7):11191127.
[6] J. R. Thome (2010). Engineering Data Book III. Wolverine Tube, Inc.

Inhoudsopgave

Inhoudsopgave
1 Inleiding

2 De subkritische compressie-koelcyclus
2.1 Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . .
2.2 Algemene werking en begrippen . . . .
2.2.1 Werking . . . . . . . . . . . . .
2.2.2 Begrippen . . . . . . . . . . . .
2.3 De koelcyclus uit de proefstand . . . .
2.3.1 Opbouw . . . . . . . . . . . . .
2.3.2 Instrumentatie . . . . . . . . .
2.3.3 Testcondities . . . . . . . . . .
3 Literatuurstudie
3.1 Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . .
3.2 Thermostatische expansieklep . . . . .
3.2.1 Inleiding . . . . . . . . . . . . .
3.2.2 Klassieke methode . . . . . . .
3.2.3 Stromingsmechanische methode
3.3 Centrifugaalcompressor . . . . . . . .
3.3.1 Inleiding . . . . . . . . . . . . .
3.3.2 Steady-state modellen . . . . .
3.3.3 Dynamische modellen . . . . .
3.4 Verdamper en condensor . . . . . . . .
3.4.1 Inleiding . . . . . . . . . . . . .
3.4.2 Dynamische modellen . . . . .
3.5 Systeem . . . . . . . . . . . . . . . . .
4 Model koelmachine
4.1 Inleiding . . . . . . . . . . . .
4.2 Koellijn . . . . . . . . . . . .
4.3 Thermostatische expansieklep
4.3.1 Inleiding . . . . . . . .
4.3.2 Model . . . . . . . . .
4.4 Centrifugaalcompressor . . .
4.4.1 Inleiding . . . . . . . .
4.4.2 Model . . . . . . . . .
4.5 Verdamper en condensor . . .
4.5.1 Inleiding . . . . . . . .
4.5.2 Model . . . . . . . . .

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

3
3
3
3
4
4
4
7
7

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

9
9
9
9
10
11
13
13
14
15
16
16
16
21

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

23
23
23
23
23
23
26
26
26
28
28
29

Inhoudsopgave
5 Steady-state model
5.1 Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
5.2 Modelvergelijkingen . . . . . . . . . . . . .
5.3 Oplossingsmethodiek . . . . . . . . . . . . .
5.3.1 Systeemmodel . . . . . . . . . . . .
5.3.2 Componentmodellen . . . . . . . . .
5.4 Resultaten . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
5.4.1 Nauwkeurigheid simulatieresultaten
5.4.2 Deellastgedrag . . . . . . . . . . . .
5.4.3 Opmerkingen . . . . . . . . . . . . .
5.5 Conclusie . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

ii

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

48
48
49
49
49
51
53
56
58
60
63

.
.
.
.
.
.
.
.

65
65
65
66
66
69
69
71
74

7 Conclusie
7.1 Conclusie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
7.2 Aanbevelingen voor verder onderzoek . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

75
75
75

A Proefstand

77

6 Dynamisch model
6.1 Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
6.2 Modelvergelijkingen . . . . . . . . . . . . .
6.3 Oplossingsmethodiek . . . . . . . . . . . . .
6.4 Resultaten . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
6.4.1 Uitvoeringssnelheid . . . . . . . . . .
6.4.2 Nauwkeurigheid simulatieresultaten
6.4.3 Schakelen tussen modes . . . . . . .
6.5 Conclusie . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.

B Dynamische zone-specifieke behoudsvergelijkingen verdamper en condensor 82


B.1 Verdamper . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 83
B.2 Condensor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 86
C Statische zone-specifieke behoudsvergelijkingen verdamper en condensor
C.1 Verdamper . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
C.2 Condensor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

93
93
96

D Wiskundige technieken
100
D.1 De regel van Leibniz . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 100
D.2 Het algoritme van Newton-Raphson [27] . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 100
E Werking simulatieprogramma
101
E.1 Werking steady-state simulatieprogramma . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 101
E.2 Werking dynamisch simulatieprogramma . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 101
Bibliografie

106

Lijst van figuren

108

Lijst van tabellen

109

Nomenclatuur

iii

Nomenclatuur
Afkortingen
COP Coefficient Of Performance
PLR Part Load Ratio

Symbolen
A
sectie
Cp specifieke warmtecapaciteit bij constante druk
Cv klepcoefficient

rendement

diameter
F
zone-grootte

polytrope exponent of lokale void-fractie

zone-gemiddelde void-fractie
g
gravitationele versnelling
h
enthalpie
k
thermische conductiviteit
L
lengte

dynamische viscositeit
m

massadebiet
p
druk
P
vermogen
q
warmteflux
Q warmtevloed

densiteit

tijdsconstante
t
tijd
T
temperatuur
U
tipsnelheid
v
absolute snelheid
x
dampfractie
x
toestandsvector
y
klepheffing

Subscript
2
secundair fludum
bulb
reservoir
cond
condensor
cwi
inlaat koelwater
evap
verdamper
ewi
inlaat ijswater

m2
J/kg.K

m2 /s
J/kg
W/m.K
m
P a.s
kg/s
Pa
W
W/m2
W
kg/m3
s
s
K
m/s
m/s

Nomenclatuur
f
g
in
L
out
r
set
t
TP
TP L
TP V
V
V TP

iv
gesatureerde vloeistof
gesatureerde damp
inlaat
L-zone
uitlaat
koelmiddel
instelpunt
buis
TP-zone
interface tussen TP- en L-zone
interface tussen TP- en V-zone
V-zone
interface tussen V- en TP-zone

Superscript
e verdamper
c condensor
b reservoir

Hoofdstuk 1. Inleiding

Hoofdstuk 1

Inleiding
Door de toename van de warmtedissipatie van kantoorapparatuur en de grotere bewustwording van thermisch comfort van gebouwgebruikers, is het bijna onvoorstelbaar dat een nieuw
gebouw ontworpen wordt zonder koelmachines. Ook in veel industriele toepassingen is koeling
onontbeerlijk. Er moet bijgevolg aandacht besteed worden aan goed ontwerp. Goed ontwerp
omvat enerzijds de energie-efficientie en anderzijds het goed functioneren van de machine, dit
zowel bij vollast als bij deellast. Een koelmachine werkt immers zo goed als nooit in vollast. Er
is altijd een zekere afwijking van ontwerpomstandigheden. Dit kan te wijten zijn aan wijzigende
koellast, wijzigende buitencondities, maar ook aan een zekere graad van overdimensionering
bij het ontwerp.

Figuur 1.1: Koelmachine


Een koelmachine kan zowel experimenteel als numeriek bestudeerd worden. Experimentele studies zijn kostelijk en vergen veel tijd en mankracht. Gestimuleerd door de sterk toenemende
rekenkracht en de relatief lage kost van computers, wordt steeds vaker gebruik gemaakt van
numerieke modellen. De componenten en de sturing kunnen op deze manier snel, eenvoudig en
goedkoop geoptimaliseerd worden. Deze numerieke modellen zijn ook zeer algemeen en kunnen vrij gemakkelijk uitgebreid worden om ook het gedrag van andere types cycli te beschrijven.
Er bestaan zowel dynamische als statische modellen. Een statisch model is voldoende om
het gedrag van een koelmachine te bestuderen wanneer de koellast weinig varieert in de tijd.
Dit is bijvoorbeeld het geval bij koeling van server rooms. De machine kan dan als quasistationair beschouwd worden. Dit is echter niet altijd het geval. Er zijn ook toepassingen
waarbij de randvoorwaarden van de machine zeer snel wijzigen in de tijd, waardoor de inertie
van de koelcyclus een belangrijke invloed heeft op het gedrag. Ook om het opstarten en uitzetten van de installatie te beschrijven, is een dynamisch model vereist. In de literatuur zijn

Hoofdstuk 1. Inleiding

al enkele modellen ontwikkeld om het dynamisch en het statisch gedrag van een koelcyclus te
bepalen. Heel wat studies gaan er echter van uit dat er voldoende gegevens beschikbaar zijn
wat betreft de geometrie en de sturing van de componenten. Vaak is dit confidentiele informatie zodat deze modellen niet zomaar gebruikt kunnen worden. Er moeten immers extra
veronderstellingen en vereenvoudigingen gemaakt worden.
De doelstelling van deze thesis omvat het ontwikkelen van een theoretisch model dat in staat is
zowel het statisch als het dynamisch gedrag van de subkritische compressie-koelcyclus te voorspellen vetrekkend van een zeer beperkte hoeveelheid constructieve data. Vervolgens wordt dit
gemplementeerd in MATLAB. Ten slotte wordt nagegaan in welke mate het bekomen model
in staat is om de meetresultaten uit Comstock en Braun [11] te reproduceren. Er is tevens aandacht besteed aan de modulariteit en de gebruiksvriendelijkheid van het simulatieprogramma.
Dit biedt de mogelijkheid om het cyclusmodel in een latere fase uit te breiden of om bepaalde
componenten te vervangen of te verbeteren.
In hoofdstuk 2 wordt kort de subkritische compressie-koelcyclus besproken en worden de belangrijkste begrippen nog eens opgefrist. In hetzelfde hoofdstuk wordt ook de koelmachine
voorgesteld die gemodelleerd zal worden in de daarop volgende hoofdstukken. Vervolgens
wordt er in hoofdstuk 3 een overzicht gegeven van de modellen die al in de literatuur ontwikkeld zijn. In hoofdstuk 4 worden de componenten van de cyclus 1 voor 1 gemodelleerd. Tot
slot worden deze gecombineerd tot een steady-state en dynamisch cyclusmodel respectievelijk
in hoofdstuk 5 en 6. In deze hoofdstukken worden de resultaten van de simulatie weergegeven
en daarna vergeleken met de data opgemeten door Comstock en Braun [11]. Een conclusie en
verdere aanbevelingen volgen in hoofdstuk 7.

Hoofdstuk 2. De subkritische compressie-koelcyclus

Hoofdstuk 2

De subkritische
compressie-koelcyclus
2.1

Inleiding

Voor de volledigheid wordt in het eerste deel van dit hoofdstuk de algemene werking van een
koelcyclus beschreven. Er bestaan zeer veel methodes om koeling te realiseren. Hier wordt
enkel een subkritische compressie-koelmachine behandeld. Dit overzicht is gebaseerd op enkele
referentiewerken [12, 24]. In het tweede deel wordt de koelmachine uit [11] beschreven. In
deze sectie worden enkel de zaken besproken die van belang zijn voor dit huidig werk. Voor
meer details over instrumentatie, dataverwerking en dergelijke wordt de lezer doorverwezen
naar [11].

2.2
2.2.1

Algemene werking en begrippen


Werking

In figuur 2.1 is de opbouw van een subkritische compressie-koelcyclus weergegeven. Deze cyclus
bestaat uit 4 basiscomponenten:
1. de verdamper;
2. de compressor;
3. de condensor;
4. de klep.
Het gedealiseerd cyclusverloop is weergegeven door middel van een Ts- en ph-diagram in figuur 2.1. Het koelmiddel stroomt door de verdamper onder lage druk waar ze warmte onttrekt
uit het secundair fludum 1 en verdampt tot lichtjes oververhitte damp. Daarna wordt het
koelmiddel door de compressor op condensordruk gebracht. Daar geeft ze warmte af aan het
secundair fludum waardoor ze condenseert tot onderkoelde vloeistof. Om de cyclus te vervolledigen, expandeert het koelmiddel in de klep opnieuw tot verdamperdruk. Het is belangrijk
dat het koelmiddel bij intrede van de compressor gesatureerde damp is of oververhit is. Dit
is noodzakelijk om vroegtijdig falen van de compressor te voorkomen. Immers, als het intredende fludum een 2-fasig mengsel is, kunnen vloeistofdruppeltjes de compressor beschadigen.
De inlaat van de compressor mag daarentegen niet te sterk oververhit zijn om de temperatuur
in de compressor te beperken. Daarnaast moet ook de inlaat van de klep lichtjes onderkoeld
zijn om instabiliteiten op systeemniveau te vermijden.
1

In het geval van water, heet het secundair fludum in de verdamper het ijswater, in de condensor wordt
het het koelwater genoemd.

Hoofdstuk 2. De subkritische compressie-koelcyclus

Figuur 2.1: Basis compressie-koelcyclus [12]


Het werkelijk cyclusverloop ziet er anders uit. Ten gevolge van irreversibiliteiten gebeurt de
compressie niet isentroop. Verder kan de uitlaat van de verdamper oververhit zijn en de uitlaat
van de condensor onderkoeld. Ten slotte zijn er ladingsverliezen in de leidingen, maar ook in de
verdamper en de condensor. Dit betekent dat de stroming doorheen de beide warmtewisselaars
niet als isobaar kan beschouwd worden.

2.2.2

Begrippen

De ogenblikkelijke thermische prestatie van een koelmachine wordt typisch uitgedrukt door
middel van de COP (Coefficient Of Perfomance). Deze wordt als volgt gedefinieerd:
COP =

nuttig koeleffect
netto energietoevoer

(2.2.1)

Een koelmachine kan in deellast werken. Dit betekent dat de huidige koellast afwijkt van de
nominale. De mate van deellastwerking wordt aangegeven met de deellastverhouding of PLR
(Part Load Ratio):
nuttig koeleffect
P LR =
(2.2.2)
nominaal nuttig koeleffect

2.3
2.3.1

De koelcyclus uit de proefstand


Opbouw

In figuur 2.2 is de proefstand uit [11] schematisch weergegeven. De 4 basiscomponenten zijn


duidelijk zichtbaar. Het systeem is echter uitgebreid met een koellijn en met regellussen.
De koelcyclus is een McQuay koelmachine van het type PEH048J met een nominale koelcapaciteit van 300 kW .
De verdamper en condensor zijn beiden 2-passige trommel-en-pijp warmtewisselaars. Het koelmiddel R134a loopt door de trommel (shell ). In tegenstelling tot de verdamper, loopt in de
condensor het koelmiddel niet van onder naar boven, maar van boven naar onder. Door zijn
grotere densiteit bevindt de vloeibare fase van het koelmiddel zich onderaan de trommel (liquid

Hoofdstuk 2. De subkritische compressie-koelcyclus

water

condensor
r134a

koellijn

motor
expansie
klep

compressor
menger

verdamper

water

Figuur 2.2: Schematische weergave van de proefstand


pool ). In de Engelstalige literatuur worden dergelijke warmtewisselaars aangeduid met de term
flooded heat exchangers. Het secundair fludum is water en loopt door de pijpen (tubes). Het
stroomt binnen in de bovenste helft en verlaat de warmtewisselaar in de onderste helft. De
constructieve details, zoals de lengte (L) en de binnen- en buitendiameter (respectievelijk i en
o ) van de pijpen van beide warmtewisselaars zijn weergegeven in tabel 2.1. Dit zijn trouwens
de enige gegevens die beschikbaar zijn over beide warmtewisselaars. Belangrijke gegevens die
hier dus ontbreken zijn de eventuele aanwezigheid van tussenschotten, het al dan niet gevind
zijn van de pijpen en hun schikking in de bundel.

verdamper
condensor

i
cm
1.61
1.55

trommel
o
L
cm
cm
1.96 243.84
1.91 243.84

aantal

150
164

pijp
i
cm
39.29
37.76

Tabel 2.1: Eigenschappen verdamper en condensor


De compressor is een enkel-trappige centrifugaalcompressor. Het koelmiddel loopt eerst langs
inlaatschoepen waardoor het expandeert. Een regellus stelt de hoek van de schoepen in om zo
de ingestelde uitlaattemperatuur van het ijswater te bereiken (capacity control ). Op geregelde
tijdstippen meet een controller de uitlaattemperatuur van het ijswater. Als ze de insteltemperatuur overschrijdt, stuurt de controller een signaal naar een hydraulisch systeem dat de
inlaatschoepen opent. Bijgevolg neemt het koelmiddeldebiet toe en daalt de uitgangstemperatuur van het water. Er kan immers meer warmte overgedragen worden aan het koelmiddel
zonder dat de uitlaat van de verdamper sterk oververhit wordt. Als de uitlaattemperatuur
van het ijswater echter te laag is, moet de koelcapaciteit van de verdamper weer afnemen. Dit
gebeurt door de schoepen opnieuw wat te sluiten. Van de compressor is enkel de diameter
van de rotor en het toerental gekend, zie tabel 2.2. Van het stuuralgoritme is niets gekend,
aangezien dit confidentiele informatie is.
De expansieklep is een thermostatische expansieklep zoals in figuur 2.3. Deze bestaat uit een
hoofdklep en een pilootklep. Boven het membraan van de pilootklep werkt de druk van een

Hoofdstuk 2. De subkritische compressie-koelcyclus


diameter rotor
toerental motor
overbrengingsverhouding
toerental rotor
tipsnelheid rotor

6
0.122
3521
8.909
31368
200

m
rpm

rpm
m/s

Tabel 2.2: Eigenschappen compressor


reservoir (bulb) dat gevuld is met het koelmiddel R500 dat zich altijd in gesatureerde toestand
bevindt. Dit reservoir staat in thermisch contact met de uitgang van de verdamper. Dit betekent dat in steady-state de druk in dit reservoir gelijk is aan de saturatiedruk horend bij
de uitgangstemperatuur van de verdamper. De kracht die door deze druk wordt uitgeoefend
op het membraan wordt in de pilootklep in evenwicht gehouden door de veerkracht van de
sluitveer en door de verdamperdruk. Strikt genomen werken er nog 2 extra krachten op de
afsluiter: de traagheidskrachten werkend op de afsluiter en de kracht resulterend uit de drukval
over de afsluiter. Deze laatste is gelijk aan de drukval vermenigvuldigd met zijn oppervlakte.
In de meeste gevallen is de oppervlakte van het membraan groot genoeg ten opzichte van de
werkzame oppervlakte van de afsluiter, zodat deze kracht kan verwaarloosd worden. De reservoirdruk stijgt wanneer de oververhitting aan de uitlaat van de verdamper toeneemt. Hierdoor
zal de afsluiter in de pilootklep zakken zodat het massadebiet toeneemt. Een hoger massadebiet betekent dat de tussendruk toeneemt, zodat ook de afsluiter in de hoofdklep begint te
zakken. Hierdoor vergroot het massadebiet doorheen de volledige klep en neemt de oververhitting af. De gewenste oververhitting kan ingesteld worden door middel van het voorspannen
van de sluitveer. Buiten het koelmiddel in het reservoir is er van de klep geen enkel detail
beschikbaar.

reservoir

membraan
tussendruk

membraan

afsluiter

pilootklep

INGANG VERDAMPER

hoofdklep

UITGANG CONDENSOR

Figuur 2.3: De klep uit de proefstand (naar [11])


Slechts een deel van het koelmiddel dat uit de condensor komt, stroomt doorheen de expansieklep. Het andere deel wordt gebruikt om de motor en de transmissie te koelen. Dit koelmiddel
loopt eerst door een nauwe opening waardoor het expandeert. Daarna neemt het een deel van
de verlieswarmte op die in de motor en de transmissie wordt vrijgegeven. Aan de inlaat van
de verdamper worden beide stromen weer gemengd. Ook van deze koellijn (cooling line) zijn
er geen data gekend.

Hoofdstuk 2. De subkritische compressie-koelcyclus

2.3.2

Instrumentatie

Het systeem is uitgerust met instrumentatie om debiet en temperatuur te meten, daarnaast


wordt het ogenblikkelijk vermogen van de compressor geregistreerd. Deze sensoren sturen hun
meetwaarden door naar een desktop PC waarop het programma VisSim draait. Dit programma
is in staat is real-time datacollectie en -analyse te doen. Uit de meetdata berekent het waarden
zoals de koellast, de COP en de compressor-efficientie. Een overzicht van de gemeten en
berekende waarden en de bijhorende onzekerheden is gegeven in [11] en is terug te vinden in
bijlage A.

2.3.3

Testcondities

Door de randvoorwaarden van verdamper en condensor te wijzigen, werd het systeem onderworpen aan 27 verschillende testcondities. Elke testconditie wordt aangeduid met een nummer
zoals in tabel 2.3. De druk en het massadebiet van koel- en ijswater worden constant gehouden.
Het verloop van de inlaattemperatuur van het secundair fludum in zowel condensor (Tcwi ) als
verdamper (Tewi ) en het instelpunt van de ijswateruitlaattemperatuur (Tset ) zijn echter trapfuncties. Figuur 2.4 geeft hiervan het tijdsverloop. In deze figuur is ook het instelpunt van de
koellast (P LRset ) uitgezet. Deze is gelijk aan
P LRset =

m
2 Cp,2 (Tewi Tset )
Qnom

(2.3.1)

temperatuur [K]

In deze vergelijking is m
2 het massadebiet dat door de verdamper loopt. Cp,2 is de specifieke
warmtecapaciteit van het ijswater. Qnom is de nominale koelcapaciteit van de machine. Deze
is gelijk aan 300 kW .

Tset

310

Tcwi

Tewi

300
290
280
0

tijd [s]

5
4

x 10

PLRset [%]

200
150
100
50
0
0

3
tijd [s]

5
4

x 10

Figuur 2.4: Testsequentie

Om de 10 seconden werd data geregistreerd. Om de 30 minuten werden de randvoorwaarden


aangepast. Bij de gegeven testsequentie nam het overgangsverschijnsel van het systeem 10

Hoofdstuk 2. De subkritische compressie-koelcyclus


Test
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27

Tset [K]
282.6
283.2
283.2
282.6
283.2
283.2
282.6
283.2
283.2
279.8
280.4
280.4
279.8
279.8
280.4
279.8
279.8
280.4
277.0
277.6
277.6
277.0
277.0
277.6
277.0
277.6
277.6

Tewi [K]
289.1
287.1
285.2
289.4
286.8
284.7
287.9
286.5
285.1
286.6
283.9
282.7
286.5
283.3
282.2
286.2
283.9
282.3
283.2
281.2
279.9
284.2
280.7
279.6
282.4
280.9
279.3

8
Tcwi [K]
303.0
302.8
302.7
297.3
297.0
297.1
294.3
291.7
290.1
302.8
302.8
302.6
297.2
297.2
297.1
294.4
291.5
291.4
299.9
299.9
299.9
294.4
293.9
293.3
290.6
289.4
289.2

Tabel 2.3: Testsequentie


a` 15 minuten in beslag. Op deze manier worden dus zowel transient als steady-state data
opgenomen.

Hoofdstuk 3. Literatuurstudie

Hoofdstuk 3

Literatuurstudie
3.1

Inleiding

Koelmachines kunnen theoretisch, maar ook op empirische wijze gemodelleerd worden. Empirische modellen beschrijven het gedrag van een koelcyclus aan de hand van correlaties die
afgeleid zijn uit meetdata. Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen black-box en graybox modellen. Het verschil tussen beiden is dat in een black-box model, in tegenstelling tot een
gray-box model, de geschatte parameters geen fysische betekenis hebben. Een mooi overzicht
van enkele empirische methodes is gegeven in [17]. In het huidig werk is er geopteerd voor
een meer complex, maar ook veel krachtiger theoretisch model. Het voordeel van theoretische
modellen ten opzichte van empirische modellen, is dat de bekomen modelvoorstelling niet zo
sterk gebonden is aan het type koelmachine. Indien er bijvoorbeeld een theoretisch model
ontwikkeld wordt voor een watergekoelde cyclus, dan zijn de bekomen vergelijkingen volledig
analoog aan degene die men zou bekomen bij het modelleren van een luchtgekoelde machine.
In secties 3.2, 3.3 en 3.4 wordt per component een overzicht gegeven van de modellen die
in de literatuur terug te vinden zijn. Hierin worden voornamelijk de theoretische modellen
behandeld. Er is ook aandacht besteed aan semi-theoretische modellen gezien de beperkte
hoeveelheid beschikbare constructieve data. Uiteraard zijn er ook talloze empirische modellen
beschikbaar, hiervoor wordt de lezer doorverwezen naar de literatuur. Dit hoofdstuk sluit af
met sectie 3.5, waarin de systeemmodellering wordt besproken.

3.2

Thermostatische expansieklep

In de literatuur is niets terug te vinden over de modellering van een piloot-gestuurde expansieklep, vandaar dat dit overzicht zich beperkt tot standaard thermostatische expansiekleppen
zoals in figuur 3.1

3.2.1

Inleiding

Een thermostatische expansieklep wordt gemodelleerd als isenthalp. Daarnaast wordt er verondersteld dat er geen massa-ophoping is in de klep. Er moet dus enkel nog een uitdrukking
gevonden worden voor het massadebiet m
r . In de literatuur komen 2 methodes voor. De eerste is een klassieke aanpak. Er wordt vertrokken van de Bernoulli-klepvergelijking die daarna
gecorrigeerd wordt op basis van experimenten en theoretische resultaten. Daarnaast bestaat
er ook een meer complexe methode gebaseerd op het stromingspatroon doorheen de klep. In
de volgende 2 secties worden beide methodes meer in detail besproken.

Hoofdstuk 3. Literatuurstudie

10

membraan
reservoir
drukgelijkmaker
uitlaat
condensor

inlaat
verdamper

klepafsluiter

sluitveer

Figuur 3.1: Standaard thermostatische expansieklep

3.2.2

Klassieke methode

De klassieke modellen steunen op de Bernoulli-klepvergelijking:


p
m
r = Cv A 2in (pin pout )

(3.2.1)

Het probleem is een geschikte uitdrukking te vinden voor de doorstroomsectie A enerzijds en


de klepcoefficient Cv anderzijds.
Klepco
effici
ent Cv
Bendapudi et al. [4] en Zhao en Zaheeruddin [48] gaan ervan uit dat Cv constant is. Strikt
genomen is dit enkel geldig als de stroming 1-fasig en onsamendrukbaar is. In een koelcyclus is
dit zeker niet het geval. Het koelmiddel expandeert immers en gaat meestal over van vloeistof
naar 2-fasig (flashing). Verder treedt er choking op wanneer de uitgangsdruk voldoende laag
is. Het massadebiet kan met andere woorden niet onbeperkt toenemen bij steeds afnemende
uitgangsdruk, zoals zou blijken indien de klepcoefficient constant is.
Stearns et al. [34] proberen hieraan tegemoet te komen door Cv uit te drukken in functie
van het Reynoldsgetal. Er zijn enkele functievoorschriften vooropgesteld waarbij de onbekende parameters bepaald worden door experimenten uit te voeren op de klep. Deze methode
levert aanvaardbare resultaten op, maar heeft geen echte fysische achtergrond.
Soms stelt de fabrikant gegevens ter beschikking onder de vorm van performantiekaarten [47].
Hierbij wordt Cv uitgedrukt in functie van bijvoorbeeld de drukval over de klep en de voorspanning van de veer. Deze curves zijn experimenteel bepaald.
Doorstroomsectie A
De doorstroomsectie is een functie van de klepheffing (y) en de geometrie van de klepafsluiter.
In het geval van een conische afsluiter bijvoorbeeld [4, 40], geldt:
A = a1 y + a2 y 2

(3.2.2)

Hoofdstuk 3. Literatuurstudie

11

De coefficienten a1 en a2 zijn zuiver geometrisch te bepalen. De klepheffing op zijn beurt wordt


bepaald op basis van het krachtenevenwicht van de klepafsluiter [40, 23, 11]:
Fbulb = Fref + Fspring + Fdyn + Fevap

(3.2.3)

Gezien de geringe inertie van de afsluiter, worden de dynamische krachten (Fdyn ) verwaarloosd.
Deze vereenvoudiging heeft nauwelijks invloed op systeemniveau aangezien de dynamica van
de cyclus gedomineerd wordt door de verdamper en condensor [4]. Er heerst dus een balans
tussen de neerwaartse kracht ten gevolge van de druk in het reservoir (Fbulb ) en de opwaartse
kracht ten gevolge van de verdamperdruk (Fevap ) en de sluitveer (Fspring ). Door de drukval
over de afsluiter moet er nog een extra kracht in rekening gebracht worden (Fref ). De werkzame oppervlakte van de afsluiter is echter zeer klein ten opzichte van de oppervlakte van het
membraan, zodat deze term kan verwaarloosd worden.
De reservoirdruk is gelijk aan de saturatiedruk overeenkomend met de temperatuur van het reservoir (Tbulb ). Bij perfecte isolatie van het reservoir, is deze temperatuur in steady-state gelijk
aan de uitgangstemperatuur van de verdamper (Tout ). In dynamische simulaties moet er ook
rekening gehouden worden met de thermische capaciteit van het koelmiddel in het reservoir,
de wanden van het reservoir en de pijpwand. Tahat et al. [35] houden met al deze factoren
rekening. In [40] worden de dynamica en de thermische weerstand verwaarloosd. Bijgevolg
zijn beide temperaturen gelijk aan elkaar. Dit is een vrij grove vereenvoudiging. De tijdsconstante van het reservoir heeft immers dezelfde grootte-orde als de dynamica van het systeem
[4]. De meeste auteurs [4, 11, 23] bepalen de reservoirtemperatuur dan ook door middel van
een vereenvoudigde energievergelijking:
K

dTbulb
= Tout Tbulb
dt

(3.2.4)

K is hierbij een constante en wordt meestal experimenteel [4] of (benaderend) theoretisch


bepaald [23].

3.2.3

Stromingsmechanische methode

Figuur 3.2: Analogie stroming doorheen een klep en stroming doorheen een convergentdivergent gevolgd door dumpdiffusie [20]
Een meer complexe aanpak is gebaseerd op de bevindingen van Simoes-Moreira en Bullard [32].
Er wordt een analogie gemaakt met de stroming doorheen een convergent-divergent gevolgd

Hoofdstuk 3. Literatuurstudie

12

door dumpdiffusie. De grootte van de keelsectie (throat) is afhankelijk van de positie van de
klepafsluiter. Er wordt verondersteld dat het koelmiddel onderkoeld is aan de inlaat van de
klep. Na een zeer snelle drukdaling in het convergent wordt het koelmiddel oververhit. Zoals
aangetoond door Abuaf et al. [1] en Schrock et al. [29] begint onder deze omstandigheden
de fase-overgang (flashing inception) in de keelsectie. Er ontstaat een 2-fasig mengsel dat
initieel echter afwijkt van thermodynamisch evenwicht. Dit metastabiel mengsel wordt verder
stroomafwaarts stabiel door het optreden van een verdampingsgolf (evaporation wave). Als
de uitgangsdruk voldoende laag is, versnelt het fludum tot supersoon. Daarna treedt een
schokgolf op, waardoor de druk sterk toeneemt. Ten slotte wordt nog wat druk herwonnen
door dumpdiffusie. Het stromingspatroon en het drukverloop zijn weergegeven in figuur 3.3.

Figuur 3.3: Het stromingspatroon en het drukverloop in een klep [20]


De kritische druk voor choking wordt afgeleid in [20]. Wanneer choking optreedt in de klep,
kan het massadebiet bepaald worden met de formules van Abuaf et al. [1]. Wanneer de uitlaatdruk voldoende hoog is, treedt er geen choking op. Er is wel nog een metastabiele zone
die stroomafwaarts wordt beeindigd door een verdampingsgolf. In de literatuur is echter niet
volledig beschreven hoe de stroming dan kan worden uitgerekend. De toestand voor en na een
verdampingsgolf kan berekend worden met de formules afgeleid door Simoes-Moreira [31]. Hoe
een metastabiele stroming moet uitgerekend worden, is echter niet bekend. Hoewel Liu et al.
[20] een metastabiele stroming moeten uitrekenen om het chokingcriterium af te leiden, zijn
ze hier zeer onduidelijk over. Deze kennis is echter noodzakelijk om een uitdrukking te vinden
voor het massadebiet.
Chen et al. [10] stellen een alternatieve methode voor om het massadebiet doorheen een klep
te bepalen. Opnieuw wordt de Bernoulli-klepvergelijking uitgeschreven, niet tussen in- en uitlaat, maar tussen inlaat en de keelsectie. Aangezien de stroming doorheen het convergent in
de vloeistoffase blijft, is de klepcoefficient constant. Typisch is deze gelijk aan 0.94 0.04
[33]. De grootte van de keelsectie (Ath ) wordt bepaald uit de geometrie van de klep en de
klepheffing. Het komt er nu nog op neer de druk in de keelsectie (pth ) te bepalen. In [10] wordt
deze grootheid gefit in volgende correlatie:
2
pth = a0 + a1 pin + a2 Tsc + a3 Tsc
+ a4 Ath

Hierin is Tsc de mate van onderkoeling van het fludum aan de inlaat.

(3.2.5)

Hoofdstuk 3. Literatuurstudie

13

De stromingsmechanische modellen zijn fysisch sterk onderbouwd en leveren bijgevolg ook


meer betrouwbare en nauwkeurige resultaten op dan het klassiek model. Dit vereist echter wel
voldoende kennis van de constructieve details van de klep. Om confidentiele redenen zijn deze
in de meeste gevallen echter niet beschikbaar.

3.3
3.3.1

Centrifugaalcompressor
Inleiding

Sommige onderzoekers gaan er van uit dat alle dynamica verwaarloosbaar is. Zij houden dus
geen rekening met:
de dynamica van het fludum (massa, impuls en energie);
de dynamica van de compressor (inertie rotor en energie wanden);
de dynamica van het regelsysteem.
Zo wordt een volledig steady-state model bekomen [5]. Deze zijn echter weinig bruikbaar
om opstart- en uitzetverschijnselen te beschrijven of in het geval van een frequentiegestuurde
compressor. Om hieraan tegemoet te komen zijn er modellen ontwikkeld die wel dynamica in
rekening brengen. Gravdahl en Egeland [13] en Jiang et al. [16] veronderstellen dat enkel de
rotor (impeller ) dynamica vertoont. Morini et al. [25] daarentegen hebben een model opgesteld
dat de volledige dynamica van de compressor, zowel van de rotor als de stroming, beschrijft.

(a) Technische tekening

(b) Foto

Figuur 3.4: Centrifugaalcompressor met inlaatschoepen [2]


In wat volgt, wordt een overzicht gegeven van zowel de steady-state als de dynamische modellen.
De nadruk wordt gelegd op de theoretische modellen. Experimentele modellen zijn echter vrij
eenvoudig op te stellen indien voldoende experimentele data beschikbaar zijn [36, 38]. Deze
methodiek wordt vaak aangewend wanneer onvoldoende constructiedetails beschikbaar zijn,
zoals in [11, 4]. Het bekomen model heeft echter een beperkte toepasbaarheid. Het is enkel
geschikt voor 1 bepaald type compressor en werkingsfludum. Daarnaast zijn er meestal niet
genoeg meetgegevens beschikbaar om ook het off-design gedrag van de compressor nauwkeurig
te voorspellen.

Hoofdstuk 3. Literatuurstudie

3.3.2

14

Steady-state modellen

Bourdouxhe et al. [5] hebben een steady-state model ontwikkeld van een centrifugaalcompressor. In [44, 8] wordt hiervan gebruik gemaakt. Het model bestaat uit 2 vergelijkingen:




Ay
px py 1

2
m
= y
tan()
1 U
(3.3.1)
U
1 x px
py
px
=
(3.3.2)

x
y
Deze vergelijkingen volgen uit de Euler-vergelijking voor turbomachines en de energiebalans
over compressor en rotor. Er wordt tevens verondersteld dat de compressie isentroop verloopt.
Er wordt met andere woorden van uitgegaan dat alle verliezen geconcentreerd zijn in de motor
en transmissie. Verder wordt er aangenomen dat de ingaande kinetische energie geen significant effect heeft op de energiebalans. Met de index x en y worden respectievelijk de in- en
uitlaat van de impeller aangeduid. De meeste auteurs [8, 44, 5] verwaarlozen het effect van
de nageschakelde diffusor en collector, zodat de toestand y overeenkomt met de uitlaat van de
compressor (out). Indien er inlaatschoepen aanwezig zijn, komt de toestand aan de inlaat van
de rotor niet overeen met die aan de inlaat van de compressor (in). Deze inlaatschoepen zijn
aangebracht om de stoot aan de inlaat van de rotor te reduceren. In [5] wordt de stroming
doorheen deze schoepen gemodelleerd als een equivalent smoringproces. De smoring neemt
toe wanneer het instelpunt van de PLR verkleint. Bijgevolg daalt de densiteit aan de inlaat
van de rotor zodat het massadebiet koelmiddel dat door de cyclus loopt, afneemt en dus de
koelcapaciteit daalt. Hieruit volgt dat:
hx = hin

(3.3.3)

px = pin

(3.3.4)

Figuur 3.5: Compressie-koelcyclus van een koelmachine met inlaatschoepen [44]


De mate van smoring wordt uitgedrukt met de factor . In [5] wordt geen uitdrukking
 gegeven
min
voor . Browne en Bansal [8] veronderstellen echter dat = y + z Tset Tset . z en y
zijn 2 constanten die experimenteel bepaald worden. Deze vergelijking drukt uit dat de hoek
van inlaatschoepen zich instelt afhankelijk van het verschil tussen de huidige en de minimaal
mogelijke instelwaarde van de uitlaattemperatuur van het ijswater. Als beide temperaturen
gelijk zijn, werkt de machine in vollast en is = y. De schoepen zijn volledig open, maar
er kan toch nog een zeker mate van smoring optreden. De smoring neemt toe wanneer Tset
toeneemt. De machine werkt dan in deellast.
Yu en Chan [44] bepalen het massadebiet m
als m
max . Het maximale massadebiet m
max

Hoofdstuk 3. Literatuurstudie

15

wordt berekend op basis van formule (3.3.1), waarbij de inlaatschoepen volledig open staan.
De factor wordt bepaald aan de hand van een polynomisch verband met de deellastverhouding.
Het vermogen geleverd door de compressor aan het gecomprimeerd fludum wordt in [8, 44]
bepaald als:

comp = Win
W
(3.3.5)
pol
Hierbij is:
in
W

px
=
m

1 x

"

pout
px

 1

(3.3.6)

Dit is het vermogen dat wordt overgedragen aan het fludum indien de stroming isentroop
is. Door verliezen ten gevolge van onder andere wrijving is de stroming niet isentroop, dus
zijn beide vermogens verschillend. Het verlies wordt begroot aan de hand van een polytroop
rendement pol . Browne en Bansal [8] bepalen deze aan de hand van de methode van Braun
et al. [6]. Volgens Yu en Chan [44] daarentegen is dit rendement een kwadratische functie van
de deellastverhouding. Door rekening te houden met de elektromechanische verliezen in de
motor en tranmissie, kan het totale elektrische vermogen berekend worden als:
tot =
W

in
W
pol em

(3.3.7)

In [8, 44] wordt het elektromechanisch rendement begroot door een constante em .
Om tot vergelijking (3.3.1) te komen, werd door Bourdouxhe et al. [5] verondersteld dat
de compressie isentroop verloopt. Ten gevolge van irreversibiliteiten, verloopt de compressie in werkelijkheid echter nooit isentroop. Toch zijn de resultaten van bovenstaande studies
bruikbaar, aangezien het compressieproces met goede benadering als polytroop kan benaderd
worden. Dit levert immers dezelfde vergelijkingen op, alleen moet de isentrope exponent vervangen worden door een polytrope exponent , die kleiner is en zo de verliezen in de stroming
reflecteert.

3.3.3

Dynamische modellen

Jiang et al. [16] vertrekken van de karakteristieke vergelijkingen van een compressor:
1
[motor comp ]
J
comp = mh
comp = W



i h 1
pout = pin 1 +
Tin Cp
=

(3.3.8)
(3.3.9)
(3.3.10)

Vergelijking (3.3.8) is de bewegingsvergelijking voor starre lichamen en drukt de dynamica van


de rotor uit. Het verschil tussen het aandrijvende (motor ) en tegenwerkende koppel (comp )
doet de rotor met traagheidsmoment J accelereren ( > 0) of decelereren ( < 0). Door de
dynamica van de stroming te verwaarlozen, reduceert het energiebehoud zich tot vergelijking
(3.3.9). h is de enthalpietoename resulterend uit arbeidsoverdracht van de rotor naar het
koelmiddel. Ten slotte geeft vergelijking (3.3.10) het verband tussen druk aan in- en uitlaat,
met i het isentrope rendement van de compressor.
In een tweede stap begroten Jiang et al. [16] i . Dit gebeurt door de verliezen door wrijving,
backflow, verdringing en incidentie in de rotor te bepalen en de verliezen in het slakkenhuis

Hoofdstuk 3. Literatuurstudie

16

te modelleren. Door begroting van i en eliminatie van comp en h wordt een stelsel bekomen. Deze vergelijkingen laten toe het massadebiet, de uitgangsdruk, de rotorsnelheid en de
efficientie te berekenen in de tijd onder uiteenlopende werkingsomstandigheden.
Gravdahl en Egeland [13] gaan op een gelijkaardige manier tewerk. Hier wordt een compressormodel opgesteld om daarna een surge- en snelheidscontrolewet op te stellen.
Ook Morini et al. [25] vertrekken van de behoudswetten:
massa-, impuls- en energiebehoud van het koelmiddel;
bewegingsvergelijking van de rotor;
energiebehoud van het materiaal.
Deze dynamische vergelijkingen worden uitgeschreven in verschillende controlevolumes. Daarna
wordt het stelsel numeriek opgelost aan de hand van het 5de orde Runge-Kutta algoritme.

3.4
3.4.1

Verdamper en condensor
Inleiding

In de literatuur zijn er zowel statische als dynamische modellen van warmtewisselaars terug
te vinden. Stationair vollast-, maar ook deellastgedrag van een koelmachine kan perfect voorspeld worden met een statisch verdamper- en condensormodel. Opstart- of uitzetverschijnselen
zijn echter dynamische effecten. Om dit te simuleren, zijn statische modellen uiteraard niet
voldoende. Ook wanneer er nagegaan moet worden hoe een systeem reageert bij vrij snel veranderende randvoorwaarden, is op zijn minst een dynamisch warmtewisselaarmodel vereist.
Aangezien een dynamisch model eenvoudig kan gereduceerd worden tot een statisch model,
worden in wat volgt enkel de dynamische behandeld.

3.4.2

Dynamische modellen

In de literatuur zijn er 2 gangbare modelleringsmethodes: finite-volume en moving-boundary.


In beide gevallen start de modellering met het opdelen van de warmtewisselaar in controlevolumes. In deze controlevolumes worden de behoudswetten uitgeschreven en vereenvoudigd.
Onderstaande lijst geeft kort weer welke vereenvoudigingen het meest in de literatuur voorkomen en hoe deze verrechtvaardigd worden [40, 48, 19, 47, 22, 18, 4, 45, 42, 26].
1. De stroming van koelmiddel en secundair fludum is 1-dimensionaal. In werkelijkheid is
de stroming 3-dimensionaal, maar in de meeste warmtewisselaars is er een dominante
stromingsrichting tussen in- en uitlaat. Een meer-dimensionale behandeling van de stroming zou trouwens de rekentijd zeer sterk doen toenemen en niet zeer veel bijdragen op
systeemniveau.
2. De drukval in het koelmiddel en het secundair fludum is verwaarloosbaar. Op deze manier valt de impulsvergelijking weg uit het stelsel. In realiteit is de drukval bij goed
onderhouden warmtewisselaars ook vrij beperkt en is dit een aanvaardbare veronderstelling. Het secundair fludum is meestal water. Het is gekend dat de eigenschappen van
water weinig afhankelijk zijn van de druk, ook dit rechtvaardigt deze aanname. Er zijn
echter koelmiddelen waarbij de temperatuur merkbaar verandert ook al is de drukval
klein. Dit effect kan een vrij grote invloed hebben op de prestaties van de warmtewisselaar. Daarom zijn er modellen ontwikkeld die toch rekening houden met de drukval.

Hoofdstuk 3. Literatuurstudie

17

In sommige werken wordt de impulsvergelijking vervangen door een algebrasche vergelijking. Er wordt verondersteld dat de drukval voornamelijk te wijten is aan wrijving
en dat het effect van inertie en impulsverandering verwaarloosbaar is. Een dergelijke
aanpak is voorgesteld door [43]. Deze vereenvoudiging ontkoppelt de berekening van
de drukval van het oplossen van de energie- en massavergelijkingen. Zhang et al. [46]
daarentegen behouden de impulsvergelijking in zijn originele vorm als differentiaalvergelijking. Deze onderzoekers hebben de resultaten van een transiente, een steady-state
en een nul-drukval impulsvergelijking in een moving-boundary modellering met elkaar
vergeleken. Ze kwamen tot de conclusie dat de transient en steady-state modellering de
meest nauwkeurige resultaten opleverden. De nul-drukval methode is echter veel sneller. Ook in [15, 28] blijft de impulsvergelijking behouden. Er wordt echter gemodelleerd
volgens de finite-volume methode.
3. De axiale conductie in het materiaal, koelmiddel en secundair fludum is verwaarloosbaar.
Zowel de temperatuur van het koelmiddel als van het secundair fludum wijzigen tijdens
hun passage door de warmtewisselaar. Hierdoor ontstaan er temperatuursgradienten die
axiale warmtevloed induceren. Bendapudi et al. [4] merken op dat, door het relatief
hoge massadebiet, conductieve effecten in zowel het koelmiddel als het secundair fludum
verwaarloosd kunnen worden. Het relatieve belang van convectieve ten opzichte van
diffusieve warmte-overdracht in een fludum wordt uitgedrukt door het Peclet-getal:
P eD =

Dv

(3.4.1)

In deze vergelijking is D een karakteristieke lengte, v de snelheid en de thermische


diffusiviteit van het fludum in kwestie. Inderdaad, wanneer het massadebiet groot is,
domineert de convectieve warmte-overdracht. Hoewel de axiale conductie in het materiaal
veel groter is dan in de fluda, wordt ook dit verschijnsel verwaarloosd. Dit heeft fysische,
maar ook wiskundige redenen. Fysisch is de dwarssectie voor axiale conductie immers
klein ten opzichte van het manteloppervlak waarlangs de convectieve warmte-overdracht
plaatsvindt. In een moving-boundary model van een mee- of tegenstroom warmtewisselaar, vormt deze term wiskundig een probleem. Ze verhindert dat er een stelsel 1ste
orde differentiaalvergelijkingen wordt bekomen na integratie over de zones. Dit is omdat
de conductieterm een afgeleide van 2de orde is. Het relatief belang van deze term wordt
echter steeds groter naarmate de lengte van een zone naar nul gaat [26]. Vandaar dat
Pettit et al. [26] en Willatzen et al. [42] een algebrasche correctieterm invoeren in de
zone-specifieke vergelijkingen om met het conductie-effect rekening te houden. Wanneer
de warmtewisselaar in dwarsstroom werkt, komt dit probleem niet voor [47].
4. De thermische weerstand van het materiaal is verwaarloosbaar. De weerstand tegen
radiale warmtetransfer is klein ten gevolge van het grote warmtewisselende oppervlak en
de hoge conductiviteit.
In vele werken wordt ook de geometrie van de warmtewisselaar vereenvoudigd. Bendapudi et al.
[4] bijvoorbeeld modelleren een 2-passige trommel-en-pijp warmtewisselaar als een 1-passige.
Verder worden aannames gemaakt wat betreft het verloop van de toestandsgrootheden. Specifiek voor moving-boundary modellen, wordt er van uitgegaan dat de temperatuur van het
secundair fludum lineair verloopt [4, 48]. Ook het enthalpieprofiel wordt lineair verondersteld
in iedere zone [45, 47, 4, 18, 22]. In het geval van luchtgekoelde machines, wordt de dynamica
van het secundair fludum verwaarloosd [22, 18]. In watergekoelde cycli, wordt hier wel rekening mee gehouden. In dit geval worden er echter andere veronderstellingen gemaakt. Er wordt
meestal van uitgegaan dat de warmtewisselaar perfect gesoleerd is [4, 48]. Dit betekent dat de
warmtevloed naar de omgeving niet in rekening gebracht wordt. In werkelijkheid is de isolatie
echter nooit perfect, maar altijd voldoende om het warmteverlies te kunnen verwaarlozen ten

Hoofdstuk 3. Literatuurstudie

18

opzichte van de warmte-overdracht tussen het koelmiddel en secundair fludum. Daarnaast


wordt ook meestal de capaciteit van de trommelwand niet in rekening gebracht [4, 48]. Hoewel
deze in werkelijkheid vrij groot is, blijkt het dat er slechts een kleine hoeveelheid van de totale
warmte naar de trommel overgedragen wordt [4]. Dit is te wijten aan de relatief kleine warmtewisselende oppervlakte tussen het fludum in de trommel en de trommelwand ten opzichte
van het oppervlak van de pijpen.
De moving-boundary en finite-volume modellen onderscheiden zich op basis van de onderverdeling in controlevolumes en het daaruit resulterende stelsel vergelijkingen.
Finite-volume methode
In een finite-volume model wordt de warmtewisselaar opgedeeld in een vast aantal volumes
met vaste grootte (zie figuur 3.6). Vervolgens worden in elk volume de behoudswetten uitgeschreven, vereenvoudigd en gediscretiseerd. Dit resulteert in een algebrasch stelsel dat met
de gepaste numerieke technieken kan opgelost worden. Bendapudi et al. [4] hebben aangetoond dat een 15-tal controlevolumes voldoende zijn om het gedrag van een warmtewisselaar
nauwkeurig te beschrijven. Een goed uitgewerkt finite-volume model is terug te vinden in [40].

Figuur 3.6: Finite-volume methode [23]

Moving-boundary methode
Volgens de moving-boundary methode wordt de warmtewisselaar onderverdeeld in maximum 3
zones. De rand van deze zones valt samen met de fasegrenzen van het koelmiddel die optreden
in de warmtewisselaar. De inlaat van een condensor is typisch oververhitte damp, de uitlaat
is typisch onderkoelde vloeistof. Zo ontstaan er 3 zones in de condensor. In een verdamper
daarentegen zijn er meestal slechts 2 zones, aangezien het koelmiddel aan de inlaat 2-fasig is
en aan de uitlaat normaal gezien licht oververhitte damp.
In ieder controlevolume worden de behoudswetten uitgeschreven en vereenvoudigd. Op deze
manier wordt een stelsel partiele differentiaalvergelijkingen bekomen. In een volgende stap
worden de vergelijkingen gentegreerd over iedere zone. Dit resulteert in een stelsel 1ste orde
differentiaalvergelijkingen:

A(x)x = f(x; u; u)
(3.4.2)
Hierin is x de toestandsvector terwijl u de vector met randvoorwaarden voorstelt. De toestandsvector bevat de toestand aan inlaat en uitlaat, maar ook interne variabelen, zoals zonelengtes en wandtemperaturen. Door integratie komen er echter nieuwe onbekenden in het
stelsel: de interface-temperaturen van de wand. In de literatuur wordt soms gebruik gemaakt
van een discontinue stuksgewijze functie [22, 18]. De wandtemperatuur tussen de vloeistof- en

Hoofdstuk 3. Literatuurstudie

19

(a) Verdamper

(b) Condensor

Figuur 3.7: Optredende modes in verdamper en condensor volgens [18]


2-fasenzone (Tt,LT P ) wordt dan bijvoorbeeld bepaald als:
(
L
Tt,T P als dd
dt > 0
Tt,LT P =
L
Tt,L
als dd
dt < 0

(3.4.3)

Hierin is dL de lengte van de vloeistofzone. Andere auteurs veronderstellen dat de interfacewaarden gelijk zijn aan de zone-waarden van 1 van de aanliggende zones [42, 4, 19]. In [45]
wordt aangetoond dat de tweede aanpak fysisch onrealistische waarden kan opleveren voor de
zone-temperaturen van de pijp. Wanneer een zone verdwijnt, kan de zone-lengte sneller naar
nul gaan dan zijn tijdsafgeleide. Bijgevolg zal de tijdsafgeleide van de zone-temperatuur zeer
grote waarden aannemen. In hetzelfde artikel wordt ook de eerste methode bekritiseerd. Het
voorkomt abnormale waarden van de zone-temperatuur, maar het is een discontinue functie.
Bijgevolg is er geen vlotte overgang tussen dddtL > 0 en dddtL < 0. Zhang en Zhang [45] benaderen
de interface-waarden door een continue algebrasche functie:
Tt,LT P = Tt,L

dT P
dL
+ Tt,T P
dL + dT P
dL + dT P

(3.4.4)

Het bekomen stelsel (vergelijking (3.4.2)) is afhankelijk van welke zones zich voordoen in de
warmtewisselaar. Het kan zijn dat door verstoring in de randvoorwaarden 1 van de huidige
zones verdwijnt of 1 nieuwe zone tevoorschijn komt. De warmtewisselaar kan zich met andere
woorden in verschillende modes bevinden. Als gevolg hiervan verdwijnt 1 set vergelijkingen of
komt er 1 bij. Het probleem dat zich dus stelt is 3-voudig:
1. Hoe wordt een overgang tussen 2 modes gedetecteerd?
2. Hoe wordt bepaald welke overgang plaatsvindt?
3. Hoe wordt de overgang numeriek aangepakt?
De overgang tussen 2 modes wordt gedetecteerd aan de hand van een schakelcriterium (switching criterion). Dit criterium geeft ook aan naar welke mode moet worden geschakeld. In
figuur 3.8 is een schakelcriterium weergegeven op basis van enthalpie. Dit is fysisch het meest

Hoofdstuk 3. Literatuurstudie

20

Figuur 3.8: Schakelcriterium op basis van enthalpie [26]


voor de hand liggende criterium en wordt vaak gebruikt [19, 26, 42, 47, 45]. Daarnaast is enthalpie een continue grootheid, zodat er bij het schakelen tussen modes geen discontinuteiten
optreden. Een andere mogelijkheid is schakelen op void-fractie of op zone-lengte [22, 18]. Wanneer geschakeld wordt naar een andere mode, moeten de interface-waarden aangepast worden
aan de randvoorwaarden. Verder moet er ook voor gezorgd worden dat wanneer een zone
weer actief wordt, de parameters en stofeigenschappen in die zone bepaald worden op basis
van fysisch realistische zone-waarden. Deze zone-waarden moeten met andere woorden goed
genitialiseerd worden. Meestal blijft de algemene vorm (de toestandsvector en het aantal
vergelijkingen) van het stelsel behouden en worden de vergelijkingen van een inactieve zone
vervangen door pseudo-vergelijkingen (pseudo equations) [42, 26, 18, 22, 45, 47]. Deze zorgen
ervoor dat inactieve zone-waarden de corresponderende waarden van de naburige zone volgen.
Wanneer bijvoorbeeld de vloeistof-zone zou wegvallen, wordt de pseudo-vergelijking voor de
buiswand:
dTt,L
= k [Tt,T P Tt,L ]
(3.4.5)
dt
Op deze manier volgt Tt,L de temperatuur van de naburige zone Tt,T P . Een speciaal geval
is echter de zone-lengte. Wanneer een zone opnieuw intreedt, mag de zone-lengte niet nul
zijn, maar moet ze een kleine positieve waarde aannemen (), anders worden de vergelijkingen
singulier. Om dit te vermijden wordt de pseudo-vergelijking voor de zone-lengte:
ddL
= dL 
dt

(3.4.6)

Met deze pseudo-vergelijkingen moet echter omzichtig omgesprongen worden, aangezien deze
mogelijks instabiliteiten kunnen veroorzaken. Bendapudi et al. [4] maken hier bijvoorbeeld
geen gebruik van. Wanneer een zone wegvalt, wordt het stelsel eenvoudigweg gereduceerd.

Hoofdstuk 3. Literatuurstudie

21

De eerste moving-boundary modellen [48] waren niet in staat om te gaan met modeveranderingen. Willatzen et al. [42] en Pettit et al. [26] brachten daar verandering in. Als eerste hebben deze onderzoekers een schakelcriterium voorgesteld en op het idee gekomen om
pseudo-vergelijkingen te gebruiken. Zhang en Zhang [45] hebben dit model verbeterd door
een tijdsafhankelijke void-fractie in te voeren. Zoals eerder vermeld, hebben ze ook verbeteringen aangebracht aan de schatting van de interface-temperaturen van de buiswand. Deze
ingrepen hebben de robuustheid van het model verbeterd zodat het ook kan fungeren onder
grote verstoringen van de randvoorwaarden. Ook wordt hierdoor de continuteit van de toestandsgrootheden verzekerd bij overgang naar een andere mode. Zhang et al. [47] hebben
het moving-boundary model van Zhang en Zhang [45] aangepast voor flooded trommel-en-pijp
warmtewisselaars. Ten slotte hebben McKinley en Alleyne [22] een ander schakelcriterium
voorgesteld op basis van void-fractie en zone-lengtes, daarnaast is de void-fractie opgenomen
in de toestandsvector. Deze aanpassingen zijn aangebracht om de stabiliteit en robuustheid
van het model van Willatzen et al. [42] en Pettit et al. [26] te verbeteren. Het model van Li en
Alleyne [18] is een uitbreiding op het werk van McKinley en Alleyne [22]. Er wordt een warmtewisselaarmodel ontwikkeld dat ook in staat is opstart- en uitzetverschijnselen te beschrijven.
Hiervoor zijn er extra modes ingevoerd en is het schakelcriterium uitgebreid.
Vergelijking finite-volume en moving-boundary
Het grote voordeel van een moving-boundary ten opzichte van een finite-volume simulatie
is zijn snelheid. Dit is omdat er in een moving-boundary model maximaal 3 zones optreden in
een warmtewisselaar, terwijl bij modellering volgens de finite-volume methode, toch minstens
15 controlevolumes vereist zijn om een vergelijkbare nauwkeurigheid te bekomen [4]. Er moet
immers op gelet worden dat het mesh fijn genoeg is om de optredende zones te detecteren.
Bendapudi et al. [4] hebben aangetoond dat in dit geval een finite-volume simulatie 3 keer
langer duurt, hoewel er 5 keer meer vergelijkingen op te lossen zijn. Een nadeel van het lage
aantal controlevolumes is dat dit iets minder nauwkeurige resultaten oplevert, aangezien de
zone-karakteristieken vrij sterk gelumpt worden. Het moving-boundary model heeft ook moeilijkheden om sterk dynamische verschijnselen te beschrijven, zoals bij opstarten of uitzetten
van een koelmachine. Met het werk van Willatzen et al. [42], Pettit et al. [26], Zhang en Zhang
[45], Li en Alleyne [18] en McKinley en Alleyne [22] is hier evenwel verbetering in gekomen
door invoering van het schakelcriterium en de pseudo-vergelijkingen.

3.5

Systeem

Eenmaal elk onderdeel van de cyclus is gemodelleerd, kan een cyclusmodel opgesteld worden.
Dit gebeurt door ieder deelmodel te interconnecteren. Strikt genomen kan het dynamisch gedrag van een koelmachine enkel beschreven worden als ook alle componenten dynamisch zijn
gemodelleerd. In de meeste gevallen volstaat het echter enkel de verdamper- en condensordynamica in rekening te brengen. Uit experimenten blijkt immers dat de tijdsconstante van
het systeem van dezelfde orde is als de tijdsconstante van de verdamper en condensor, die op
zijn beurt een orde groter is dan de tijdsconstante van klep en compressor [4]. In de literatuur over cyclusmodellering ligt de klemtoon dan ook voornamelijk op de ontwikkeling van
robuuste en snelle, maar voldoende nauwkeurige dynamische warmtewisselaarmodellen. Er
wordt nauwelijks aandacht besteed aan een grondigere, eventueel zelfs dynamische modellering
van klep en compressor [4, 48, 40, 47, 19]. De klep wordt gewoonlijk gemodelleerd volgens
de klassieke methode, hoewel er betere methoden beschikbaar zijn, zoals toegelicht in sectie
3.2. De compressor wordt statisch gemodelleerd, zoals in sectie 3.3, hoewel voor opstart- en
uitzetverschijnselen dit onvoldoende is. Hieruit blijkt dat de huidige cyclusmodellen nog op
vele vlakken kunnen verbeterd worden. Echter, hoe nauwkeuriger een model wordt, hoe meer

Hoofdstuk 3. Literatuurstudie

22

constructieve data er nodig zijn. Dit is vaak een probleem aangezien de interne opbouw van
een klep of compressor confidentiele informatie is.

Hoofdstuk 4. Model koelmachine

23

Hoofdstuk 4

Model koelmachine
4.1

Inleiding

In hoofdstuk 3 zijn de verschillende modelleringstechnieken besproken. In dit hoofdstuk worden


de componenten 1 voor 1 gemodelleerd. Eerst wordt duidelijk gemaakt waarom er voor welk
model is gekozen. Daarna worden de modelvergelijkingen uitgewerkt.

4.2

Koellijn

Het koelmiddel dat door de koellijn loopt, neemt een deel van de verlieswarmte op die geproduceerd wordt in de motor en transmissie van de compressor. De hoeveelheid warmte die
hier wordt geproduceerd is echter enkele grootte-ordes kleiner dan de warmte overgedragen in
condensor en verdamper. Bijgevolg kan het effect van de koellijn op cyclusniveau verwaarloosd
worden.

4.3
4.3.1

Thermostatische expansieklep
Inleiding

In deze sectie wordt het model van de thermostatische expansieklep opgesteld. Er is gekozen
voor het klassiek model. De stromingsmechanische methode geeft echter meer nauwkeurige
resultaten en is fysisch ook meer gegrond. Dit eerste voordeel valt eigenlijk weg, aangezien
de piloot-gestuurde klep vereenvoudigd wordt tot een gewone thermostatische expansieklep.
De winst in nauwkeurigheid weegt dus niet op tegen de fout die door deze vereenvoudiging
gemaakt wordt. Daarnaast is het, in tegenstelling tot het klassiek model, een zeer complexe
methode. In het klassiek model daarentegen, wordt het gedrag van de klep gevat in slechts
2 algebrasche vergelijkingen, eventueel aangevuld met 1 eerste orde differentiaalvergelijking
voor de reservoirtemperatuur.
De modellering is overgenomen uit het werk van Comstock en Braun [11], Wang et al. [40]
en Mithraratne et al. [23].
Buiten het koelmiddel in het reservoir, zijn er geen details gekend over de klep.

4.3.2

Model

De klep die moet gemodelleerd worden is een thermostatische piloot-gestuurde expansieklep


(figuur 2.3). Gezien het gebrek aan constructieve data, wordt deze vereenvoudigd tot een gewone thermostatische klep (figuur 3.1).

Hoofdstuk 4. Model koelmachine

24

D
d
F2

stroming
koelmiddel

F1

Fs

Figuur 4.1: Krachtenevenwicht van de klepafsluiter

De stroming doorheen de klep wordt gemodelleerd als isenthalp, zodat:


hr,in = hr,out

(4.3.1)

Verder wordt er verondersteld dat er geen massa-ophoping is in de klep. Het massadebiet


wordt gegeven door de Bernoulli-klepvergelijking:
q
m
r = Cv A 2r,in (pin pout )
(4.3.2)
pin en pout staan respectievelijk voor de druk aan inlaat en uitlaat van de klep. Deze drukken
komen dus overeen met condensor- en verdamperdruk.
Doorstroomsectie A
Er wordt uitgegaan van een conische afsluiter en circulaire zitting. Bijgevolg is:


D2 d2
4

(4.3.3)

d = D 2y tan()

(4.3.4)

A=
Met:

Zodat vergelijking (4.3.3) kan herschreven worden als:


A = a1 y + a2 y 2

(4.3.5)

De klepheffing y wordt bepaald door het krachtenevenwicht van de klepafsluiter uit te


drukken:
Fs = F2 F1
= (p2 p1 )Am

(4.3.6)

In deze vergelijking zijn de dynamische krachten en de kracht ten gevolge van de drukval
over de klepafsluiter verwaarloosd. In werkelijkheid heeft de klepafsluiter een zekere inertie, waardoor er dynamische krachten op inwerken. Deze inertie is echter zo klein dat de
tijdsconstante van de klep minstens een orde kleiner is dan die van de warmtewisselaars.
Op systeemniveau kan de dynamica van de klep dus verwaarloosd worden [4]. Ook de

Hoofdstuk 4. Model koelmachine

25

kracht geassocieerd met de drukval over de klep wordt niet in rekening gebracht. Deze
drukval is groot, maar de werkzame oppervlakte van de klepafsluiter is veel kleiner dan
de oppervlakte van het membraan. Verder is F1 de kracht uitgeoefend door de verdamperdruk (p1 ) die op het membraan met oppervlakte Am inwerkt. Deze kracht wordt
tegengewerkt door F2 en Fs . F2 resulteert uit de druk (p2 ) die het koelmiddel in het
reservoir uitoefent op het membraan. Fs is de kracht uitgeoefend door de veer. In het
geval van een lineaire veer, kan deze bepaald worden als:
Fs = F0 + ks y

(4.3.7)

Waarin F0 de voorspanning is van de veer en ks de veerconstante. Met een schroefknop


kan de voorspanning aangepast worden. Op deze manier wordt de oververhitting aan de
uitlaat van de verdamper geregeld. Tijdens de metingen werd F0 niet gewijzigd.
Vergelijking (4.3.6) kan omgevormd worden tot:
y = k [p2 (p1 + p0 )]

(4.3.8)

In deze vergelijking is k = Akm


en p0 een equivalente druk zodat F0 = p0 Am .
s
Ten slotte wordt de druk in het reservoir bepaald als de saturatiedruk overeenkomend met
de temperatuur van het koelmiddel in het reservoir (T2 ). Dit reservoir staat in thermisch
contact met de uitlaat van de verdamper (Tevap ). Door het reservoir en zijn inhoud als
1 perfect gesoleerd geheel te beschouwen, kan deze temperatuur bepaald worden uit het
energiebehoud:
dT2
k2 A2
W2
=
(Tevap T2 )
(4.3.9)
dt
y2
In deze vergelijking is W2 de thermische capaciteit van het reservoir en zijn inhoud. k2
en y2 zijn respectievelijk de thermische conductiviteit en de dikte van de wand tussen
de verdamperuitlaat en het reservoir. A2 is het beschikbare warmtewisselend oppervlak.
Deze laatste 3 waarden worden constant verondersteld. Bijgevolg is:
b

dT2
= Tevap T2
dt

(4.3.10)

b is de tijdsconstante van het reservoir en zijn inhoud. In steady-state is de tijdsafgeleide


nul, zodat de reservoirtemperatuur gelijk is aan de uitlaattemperatuur van de verdamper.
Klepcoefficient Cv
Deze parameter wordt constant verondersteld.

a1
a2
ymax
Amax
Amin
k
p0
Cv

0.0204
-0.41618
0.025
250e-06
0.5e-06
42e-08
80e+03
0.4

m2 /m
m2 /m2
m
m2
m2
m/P a
Pa

Tabel 4.1: Model van de klep


De 5 vergelijkingen (4.3.1), (4.3.2), (4.3.5), (4.3.8) en (4.3.10) vormen samen het klepmodel.
De factoren in vergelijking (4.3.5) werden bepaald door te veronderstellen dat = 20 en
D = 17.8 mm [4]. Aangezien A een kwadratische functie is van y, moet y altijd kleiner

Hoofdstuk 4. Model koelmachine

26

zijn dan een maximale waarde ymax , zodat steeds dA


dy > 0. Fysisch betekent dit dat als
de klepheffing toeneemt, ook de beschikbare doorstroomsectie stijgt. ymax is eenvoudigweg
bepaald als de klepheffing waarbij de doorstroomsectie maximaal is (Amax ). Verder kan de
klepheffing niet negatief zijn. Dit betekent dat y naar beneden moet begrensd worden. Deze
minimum klepheffing resulteert in een minimum doorstroomsectie (Amin ). De waarden p0 , k
en Cv zijn gefit aan de meetdata. De keuze van Cv is eigenlijk volledig arbitrair, aangezien de
doorstroomsectie bepaald is aan de hand van een vooropgestelde geometrie. Alle berekende en
veronderstelde waarden zijn weergegeven in tabel 4.1.

4.4
4.4.1

Centrifugaalcompressor
Inleiding

In deze sectie wordt het model van de centrifugaalcompressor opgesteld. Er is gekozen voor
een steady-state model. Om in te spelen op een wijzigende koellast kan er ingegrepen worden
door het toerental van de rotor te wijzigen, ook kan de hoek van de inlaatschoepen aangepast
worden. Soms worden ook beide technieken toegepast. In dit huidig werk wordt een centrifugaalcompressor gemodelleerd met inlaatschoepen, zonder frequentiesturing. Uitgezonderd
bij opstarten en uitzetten, draait de compressor dus op constant toerental onafhankelijk van
de koellast. Aangezien hier het opstart- en uitzetverschijnsel niet bestudeerd wordt, moet de
dynamica van de rotor dus niet in rekening gebracht worden. De hoek van de inlaatschoepen
is echter wel afhankelijk van de PLR. Er wordt verondersteld dat hun stand quasi-onmiddellijk
aangepast wordt wanneer het instelpunt van de PLR wijzigt. Bijgevolg kan ook de dynamica van het regelsysteem verwaarloosd worden. Verder is de hoeveelheid massa die zich in
de compressor bevindt, beperkt. Dit betekent dat er nauwelijks massa-ophoping is, zodat
het massabehoud zich reduceert tot een statische vergelijking die uitdrukt dat het ingaande
massadebiet gelijk is aan het uitgaande massadebiet. Ook de impuls- en energievergelijking
reduceren zich tot hun statische vorm. Er wordt immers van uitgegaan dat de verandering in
de tijd van impuls en energie van het fludum, ten gevolge van wijzigende randvoorwaarden,
een orde sneller is in de compressor dan in de warmtewisselaars. Vervolgens wordt aangenomen
dat de compressor perfect is gesoleerd, zodat er geen warmte-overdracht is naar de omgeving.
In werkelijkheid is er altijd warmte-overdracht naar de omgeving. De warmte die op deze wijze
de cyclus verlaat, is echter enkele grootte-ordes kleiner dan de warmte die wordt uitgewisseld
in de verdamper en de condensor. Ten slotte wordt ook de thermische capaciteit van de compressorwand en de rotor verwaarloosd. Deze thermische massa is immers verwaarloosbaar ten
opzichte van die van de warmtewisselaars.
De modellering steunt op het werk van Bourdouxhe et al. [5]. De correlatie voor de polytrope exponent en de drukval over de inlaatschoepen zijn zelf opgesteld.
Van de compressor is enkel het toerental en de diameter van de rotor gekend (zie tabel 2.2).

4.4.2

Model

Een compressor kan opgedeeld worden in 4 delen:


de inlaatschoepen;
de rotor;
de diffusor;
het slakkenhuis.

Hoofdstuk 4. Model koelmachine

27

In een compressie-koelcyclus zijn de rotorschoepen typisch matig tot sterk achteruitgeheld,


zodat de druktoename groot is, terwijl de snelheidstoename beperkt blijft. Dit betekent dat
er in de diffusor slechts een kleine hoeveelheid druk herwonnen wordt. Bijgevolg verschilt de
toestand aan de uitlaat van de rotor slechts weinig van de toestand aan de uitlaat van de
diffusor. Verder wordt ook de invloed van het slakkenhuis verwaarloosd aangezien deze het
gecomprimeerde gas collecteert en zo efficient mogelijk naar de uitlaat van de compressor leidt.
Er treedt met andere woorden geen merkbare verandering op van de toestandsgrootheden. De
toestand aan de uitlaat van de rotor is bijgevolg benaderend gelijk aan de toestand aan de
uitlaat van de compressor. Deze toestand wordt aangeduid met het subscript out. De index
in verwijst naar de inlaat van de compressor. Dit komt dus overeen met de inlaat van de
inlaatschoepen. Ten slotte wordt de inlaat van de rotor aangeduid met het subscript x.
De compressie in de rotor wordt gemodelleerd als een polytroop proces, zodat:
pr,x
pr,out
=
r,x
r,out

(4.4.1)

De polytrope exponent is . Er wordt verondersteld dat deze grootheid enkel afhankelijk is


van het massadebiet (m
r ):
(4.4.2)
= a1 m
ar 2 + a3
is dimensieloos en m
r wordt uitgedrukt in [kg/s]. Deze betrekking, alsook de datapunten,
zijn voorgesteld in figuur 4.3. De coefficienten a1 , a2 en a3 volgen uit een curve-fitting analyse
en zijn opgelijst in tabel 4.2.
Uit het werk van Bourdouxhe et al. [5] volgt een uitdrukking voor het massadebiet doorheen
de compressor. Er is verondersteld dat de kinetische energie aan inlaat verwaarloosbaar is in
de energiebalans over de volledige compressor. Bourdouxhe et al. [5] veronderstellen eveneens
dat de compressie isentroop verloopt. Deze laatste vereenvoudiging is echter niet realistisch.
Ten gevolge van irreversibiliteiten in de rotor is het beter de compressie als polytroop de modelleren. De resulterende formule blijft dezelfde, alleen moet de isentrope exponent vervangen
worden door de polytrope exponent:




A
pr,x pr,out 1

2
m
r = r,out tan()
U
(4.4.3)
U
1 r,x
pr,x
In deze vergelijking is A de doorstroomoppervlakte aan de uitlaat van de rotor. Deze is gelijk
aan Dh. Daarnaast is U de tipsnelheid en is de schoephoek aan de uitlaat van de rotor,
zoals gellustreerd in figuur 4.2.

Figuur 4.2: Schematische weergave van de rotor [5]

Hoofdstuk 4. Model koelmachine

28
A

a1
a2
a3
b1
b2

0.00035
120
0.007768
-2.416
1.058
6.267e+07
-0.05462

m2

m3

Tabel 4.2: Model van de compressor


De toestand aan de inlaat van de rotor kan gevonden worden door de stroming doorheen
de inlaatschoepen te modelleren als een equivalent smoringproces [5]. Dit betekent dat de
stroming isenthalp kan beschouwd worden:
hr,in = hr,x

(4.4.4)

De drukval is een functie van het debiet en wordt uitgedrukt door de Bernoulli-klepvergelijking.
Na kwadratering en herschikking van beide leden, volgt:
pr,x pr,in = K

m
2r
r,in

(4.4.5)

Wanneer de hoek van de inlaatschoepen vastligt, is K ongeveer constant, omdat de stroming


1-fasig is en de densiteit weinig verandert. De hoek van de inlaatschoepen is echter niet
constant, deze worden aangestuurd door een onbekend regelsysteem. De taak van dit systeem
is daarentegen wel gekend. De hoek van de schoepen wordt aangepast met als doel de ingestelde
koellast (P LRset ) te realiseren. Het is dus aannemelijk te veronderstellen dat K een unieke
functie is van P LRset . Uit de meetdata blijkt dat dit inderdaad het geval is. Curve-fitting
levert volgend verband op:
K = b1 eb2 P LRset
(4.4.6)
De dimensie van K is [m3 ], terwijl P LRset in [%] is uitgedrukt.
Er is verondersteld dat = 120 (matige achteruithelling), A is begroot op 0.00035 m2 . In
de meetdata zijn echter enkel de in- en uitlaattoestand van de compressor en het massadebiet
gegeven. Dit betekent dat eerst de drukval over de inlaatschoepen moet bepaald woorden aan
de hand van vergelijking (4.4.3). Deze vergelijking wordt samen opgelost met (4.4.1). Daarna
wordt K bepaald uit betrekking (4.4.5). Vervolgens zijn a1 , a2 , a3 , b1 en b2 bepaald door
een datafit in de 27 verschillende steady-state meetpunten (zie figuur 4.3). De resultaten zijn
opgelijst in tabel 4.2.
In figuur 4.4 is de resulterende compressorkarakteristiek weergegeven. Deze is bepaald op
inlaatvoorwaarden hr,in = 400 kJ/kg en pr,in = 1.5 bar.
Het is duidelijk dat dit model niet in staat is om fenomenen zoals surge te voorspellen. Dit
vormt in normale omstandigheden geen probleem omdat het werkingspunt dan voldoende ver
ligt van surge. Tijdens opstarten en uitzetten of in abnormale omstandigheden kan het zijn
dat surge wel optreedt, in dit geval is bovenstaand compressormodel onvoldoende.

4.5
4.5.1

Verdamper en condensor
Inleiding

In deze sectie wordt het model van de verdamper en de condensor opgesteld. Er is gekozen
voor een dynamisch moving-boundary model. Een steady-state aanpak is onvoldoende om het

Hoofdstuk 4. Model koelmachine

29

1.1

datapunten
a*x^b + c

[]

1.09
1.08
1.07
1.06
0.6

0.8

1.2

1.4
mr [kg/s]

1.6

1.8

2.2

x 10

K [m3]

15

a*exp(b*x)
datapunten

10
5
0

30

40

50

60

70
80
PLRset [%]

90

100

110

120

Figuur 4.3: Datafit compressor


dynamische gedrag van een cyclus te beschrijven. De tijdsconstante van beide warmtewisselaars is immers van dezelfde grootte-orde als van het systeem. Daarnaast is geopteerd voor
het moving-boundary model omwille van de hogere uitvoeringssnelheid ten opzichte van een
finite-volume model dat ongeveer dezelfde nauwkeurigheid heeft.
De modellering is gebaseerd op het werk van Bendapudi et al. [4], Pettit et al. [26], Willatzen et al. [42], Zhang en Zhang [45] en Zhang et al. [47].
Zowel verdamper als condensor zijn 2-passige trommel-en-pijp warmtewisselaars. Het secundair fludum is water en stroomt door de pijpen, het koelmiddel is R134a en loopt door de
trommel. Het aantal buizen en hun afmetingen zijn gekend, ook de diameter van de trommel
is gegeven (zie tabel 2.1).

4.5.2
4.5.2.1

Model
Modelleringsmethodiek

Om het overzicht te behouden, wordt hier de modelleringsmethodiek kort toegelicht. Eerst


worden de algemene behoudsvergelijkingen van fluda en vaste stoffen herhaald. Daarna worden deze vereenvoudigd voor de buiswand, de trommelwand, het koelmiddel en het secundair
fludum. Dit resulteert in een stelsel partiele differentiaalvergelijkingen, die de vereenvoudigde
behoudsvergelijkingen genoemd worden. In de volgende stap wordt dit omgevormd tot een
stelsel 1ste orde differentiaalvergelijkingen door integratie over de verschillende zones die in de
warmtewisselaar optreden. Dit zijn de zone-specifieke behoudsvergelijkingen. Ten slotte wordt
een schakelcriterium opgesteld voor verdamper en condensor.
De vereenvoudigde behoudsvergelijkingen zijn identiek aan die in [4, 42, 26, 45], aangezien
dezelfde veronderstellingen gemaakt worden. Echter, omdat de warmtewisselaars in de te modelleren proefstand in dwarsstroom werken en niet in mee- of tegenstroom, zoals verondersteld
in bovengenoemde werken, zien de zone-specifieke vergelijkingen opgesteld in 4.5.2.4 er anders

Hoofdstuk 4. Model koelmachine

30

10

x 10

U = 200 m/s
U = 180 m/s
U = 220 m/s

pr,out [Pa]

3
0.4

0.5

0.6

0.7
mr [kg/s]

0.8

0.9

Figuur 4.4: Compressorkarakteristiek


uit. In de literatuur is er slechts 1 werk terug te vinden waarin een moving-boundary model
opgesteld wordt voor dwarsstroom-warmtewisselaars [47]. Zhang et al. [47] hebben bij het
opstellen van de behoudsvergelijkingen van de wand echter geen rekening gehouden met tijdsafhankelijke zone-grenzen. Dit zondigt evenwel aan het energiebehoud. Daarnaast hebben ze,
in tegenstelling tot dit huidig werk, verondersteld dat de fasen volledig gescheiden zijn, zodat
er slechts 2 zones zijn in de condensor.
4.5.2.2

Algemene behoudsvergelijkingen

Fluda
De behoudswetten voor fluda, uitgedrukt in een cartesiaans assenstelsel (x,y,z) zijn [39]:
X

+
(vi ) = 0
(4.5.1)
t
i
i=x,y,z

X
X

(vj ) +
(vi vj ) + p = gj +
ij
t
i
j
i
i=x,y,z

(j = x, y, z)

X
X
X

h +
qi
v i h p +
vi p = +
t
i
t
i
i

(4.5.2)

i=x,y,z

i=x,y,z

i=x,y,z

(4.5.3)

i=x,y,z

Deze vergelijkingen zijn in de literatuur beter bekend als de Navier-Stokes vergelijkingen. Het
massabehoud (4.5.1) is uitgedrukt in [ mkg3 s ], het impulsbehoud (4.5.2) in [ mN3 ] en het energiebeW
houd (4.5.3) in [ m
dum op de i-as, wordt
3 ]. De projectie van de absolute snelheid van het flu
aangeduid met vi . en h zijn respectievelijk densiteit en enthalpie. gi is de component van
de gravitationele versnelling volgens de i-as. qi is de warmteflux in de richting i. is de zogenaamde dissipatiefunctie en is gelijk aan de vervormingsarbeid van de wrijvingskrachten. Dit
is echter irreversibele arbeid en resulteert bijgevolg in entropiegeneratie. is de viscositeitsspanningstensor. In het geval van lineair-isotrope fluda is volgens de hypothese van Stokes
ij = 2ij met de dynamische viscositeitscoefficient en


1

1 X
ij =
vj + vi ij
vk
(4.5.4)
2 i
j
3
k
k=x,y,z

Hoofdstuk 4. Model koelmachine


(
1
waarin ij =
0

31

als i = j
.
als i =
6 j

Vaste stoffen
Het energiebehoud voor vaste stoffen, uitgedrukt in een cartesiaans assenstelsel (x,y,z) is [14]:
X
(CT )
+
qi = 0
(4.5.5)
t
i
i=x,y,z

Er is verondersteld dat er geen interne warmtegeneratie plaatsvindt in het materiaal. Deze verW
gelijking heeft dimensie [ m
3 ]. is de massadichtheid van de stof, terwijl C de warmtecapaciteit
voorstelt. Volgens de wet van Fourier, is:



k
(4.5.6)
qi =
i
i
i
Hierin is k de thermische conductiviteit van het materiaal.
4.5.2.3

Vereenvoudigde behoudsvergelijkingen

Trommel en pijp
Zowel in het materiaal van de trommel als van de pijp, worden volgende veronderstellingen
gemaakt [4, 42, 26, 45].
1. De materiaaleigenschappen zijn constant. De temperatuursafhankelijkheid van de eigenschappen van metalen is immers beperkt, zeker in het temperatuursgebied dat optreedt
in een warmtewisselaar.
2. De radiale conductieve thermische weerstand is nul. Gezien de hoge thermische conductiviteit van metalen is deze weerstand verwaarloosbaar ten opzichte van de weerstand
tussen wand en het koelmiddel of secundair fludum. Dit impliceert dat de temperatuur
van de wand constant is in de radiale richting.
3. De warmte-overdracht naar de trommel is nul. Bendapudi et al. [4] hebben aangetoond
dat dit een aanvaardbare veronderstelling is. Het warmtewisselend oppervlak van de
trommel is immers zeer klein ten opzichte van het totale oppervlak van de pijpen.

Figuur 4.5: Infinitesimaal volume dVt in een pijp


Door het verwaarlozen van de warmtewisseling met de trommel, valt de energievergelijking
van de trommel weg uit het stelsel. In een infinitesimaal volume dVt van een pijp (figuur 4.5),
geldt:
Tt
2 Tt
t Ct
dVt = dQt + kt 2 dVt
(4.5.7)
t
z

Hoofdstuk 4. Model koelmachine

32

Deze vergelijking is uitgedrukt in [W ]. dQt is de warmte-overdracht naar het infinitesimaal


volume. Deze term is bijgevolg de som van de warmte-overdracht door convectie naar de pijp
vanuit het koelmiddel en vanuit het secundair fludum.
Isolatie
Er wordt verondersteld dat de isolatie perfect is. Dit wilt zeggen dat er geen warmtewisseling
is met de omgeving. In werkelijkheid is de isolatie niet perfect, maar toch voldoende zodat het
warmteverlies naar de omgeving enkele grootte-ordes kleiner is dan de warmte-transfer tussen
het secundair fludum en het koelmiddel.
Koelmiddel
In het koelmiddel worden volgende veronderstellingen gemaakt [4, 42, 26, 45].
1. De stroming is 1-dimensionaal. Door de aanwezigheid van een pijpenbundel en tussenschotten is de stroming in de trommel sterk 3-dimensionaal. Daarnaast kan er een 2-fasige
zone optreden in de warmtewisselaar. Toch is er een dominante stromingsrichting tussen
in- en uitlaat.
2. De drukval is nul. De doorstroomsectie van het koelmiddel is vrij groot en de afgelegde weg van in- naar uitlaat is klein, zodat de drukval beperkt blijft. Verder zijn de
eigenschappen van het koelmiddel R134a weinig gevoelig voor de kleine drukval die in
werkelijkheid optreedt in de warmtewisselaar. De drukval heeft dus weinig effect op de
prestaties van de warmtewisselaar. Bijgevolg loont het niet de moeite om de drukval in
rekening te brengen. Ten slotte hebben Zhang et al. [46] aangetoond dat deze vereenvoudiging op systeemniveau nauwelijks verschil maakt. Deze veronderstelling impliceert
verder dat ook alle visceuze effecten kunnen verwaarloosd worden, aangezien deze altijd
drukval met zich meebrengen.
3. De diffusieve warmtetransfer is nul. Het massadebiet van het koelmiddel is immers
voldoende groot zodat de diffusieve warmtevloed in het koelmiddel verwaarloosbaar is
ten opzichte van de convectieve warmtetransfer tussen het koelmiddel en de buiswand.
Met andere woorden: het Peclet-getal is voldoende groot om het effect van diffusieve
warmte-overdracht te kunnen verwaarlozen ten op zichte van de convectieve warmteoverdracht.
4. Het koelmiddel is zuiver of een azeotroop mengsel. Dit is inderdaad voldaan in het geval van R134a. Dit impliceert dat het toestandsprincipe kan toegepast worden: elke
toestandsgrootheid is uit te drukken in functie van 2 andere onafhankelijke toestandsgrootheden. Deze eigenschap gaat niet op voor zeotrope mengsels. Bij verdamping of
condensatie, veranderen immers de volumefracties van de componenten. Dit betekent
dat, naast de 2 onafhankelijke toestandsgrootheden, ook nog de mengverhouding moet
opgegeven worden.
Door het verwaarlozen van de drukval is de impulsvergelijking weggevallen uit het stelsel. De
massa- en energievergelijking voor een infinitesimaal volume dVr in het koelmiddel (figuur 4.6),
reduceren zich respectievelijk tot:
r
r vr
dVr +
dVr = 0
t
z
r hr
r vr hr
pr
dVr +
dVr =
dVr + dQr
t
z
t

(4.5.8)
(4.5.9)

Hoofdstuk 4. Model koelmachine

33

Figuur 4.6: Infinitesimaal volume dVr in het koelmiddel


De massavergelijking is uitgedrukt in [kg/s], terwijl de dimensie van de energievergelijking
[W ] is. dQt is de warmte-overdracht naar het infinitesimaal volume. Deze term is bijgevolg de
warmte-overdracht door convectie naar het koelmiddel vanuit de pijp.
Secundair fludum
In het secundair fludum worden volgende veronderstellingen gemaakt [4, 42, 26, 45].
1. De stroming is 1-dimensionaal. Aangezien het secundair fludum in de pijpen loopt en
zijn fase behoudt, is dit een aannemelijke veronderstelling.
2. De drukval is nul. Ook hier loont het niet om de weinige drukval die in werkelijkheid
optreedt in rekening te brengen. De eigenschappen van water zijn immers zeer zwak
afhankelijk van de druk, waardoor het effect van de druk op de prestaties van de warmtewisselaar zeer klein is. Ook hier impliceert deze aanname dat de visceuze effecten kunnen
verwaarloosd worden.
3. De diffusieve warmtetransfer is nul. Het massadebiet van het secundair fludum is immers
voldoende groot om axiale diffusieve warmtevloed te kunnen verwaarlozen ten opzichte
van radiale convectieve warmtetransfer.
4. De stofeigenschappen zijn constant. Dit betekent dat de specifieke warmtecapaciteit constant is en het fludum als onsamendrukbaar kan beschouwd worden. De drukval die het
secundair fludum ondergaat is typisch zeer klein. Daarnaast is het temperatuursverschil
tussen in- en uitlaat maximaal enkele graden. Onder deze omstandigheden blijven de
stofeigenschappen van water ongeveer constant, wat deze veronderstelling verrechtvaardigt.

Figuur 4.7: Infinitesimaal volume dV2 in het secundair fludum

Hoofdstuk 4. Model koelmachine

34

Door het verwaarlozen van de drukval is de impulsvergelijking weggevallen uit het stelsel.
De massa- en energievergelijking voor een infinitesimaal volume dV2 in het secundair fludum
(figuur 4.7), reduceren zich respectievelijk tot:
v2
dV2 = 0
z
T2
v2 T2
p2
2 Cp,2
dV2 + 2 Cp,2
dV2 =
dV2 + dQ2
t
z
t
2

(4.5.10)
(4.5.11)

De massavergelijking is uitgedrukt in [kg/s], terwijl de dimensie van de energievergelijking


[W ] is. dQ2 is de warmte-overdracht naar het infinitesimaal volume. Deze term is bijgevolg de
warmte-overdracht door convectie naar het secundair fludum vanuit de pijp.
4.5.2.4

Zone-specifieke behoudsvergelijkingen

In een warmtewisselaars kunnen 3 zones onderscheiden worden:


1. vloeistofzone (L)
in deze zone bevindt het koelmiddel zich in vloeibare toestand;
het aantal pijpen dat zich in deze zone bevindt, is een fractie FL van het totaal
aantal pijpen in de warmtewisselaar.
2. 2-fasenzone (TP )
in deze zone bevindt het koelmiddel zich in 2-fasige toestand;
het aantal pijpen dat zich in deze zone bevindt, is een fractie FT P van het totaal
aantal pijpen in de warmtewisselaar.
3. dampzone (V )
in deze zone bevindt het koelmiddel zich in dampvormige toestand;
het aantal pijpen dat zich in deze zone bevindt, is een fractie FV van het totaal
aantal pijpen in de warmtewisselaar.
Deze 3 zones zijn disjunct, maar nemen samen de volledige warmtewisselaar in. Dit betekent
dat FL + FT P + FV = 1. Het gemeenschappelijk oppervlak tussen 2 controlevolumes wordt de
interface genoemd. Zo is er een TP-V en een L-TP interface in de verdamper. De interfaces
in de condensor worden aangeduid met V-TP en TP-L. Het massadebiet dat door de interface
stroomt, wordt genoteerd als m
int , waarbij int een interface is. Als gevolg van de zone-opdeling
is de toestand van het koelmiddel op een interface altijd een gesatureerde toestand. Op de
TP-V en de V-TP interfaces is het koelmiddel gesatureerde damp, terwijl de toestand op de
L-TP en de TP-L interfaces gesatureerde vloeistof is.
Iedere zone wordt op zijn beurt onderverdeeld in 3 disjuncte controlevolumes:
1. rond het secundair fludum (2 );
2. rond de buiswand (t);
3. rond het koelmiddel (r ).
De behoudswetten, zoals opgesteld in de vorige paragraaf, worden gentegreerd over elk controlevolume. Zo worden de zone-specifieke vergelijkingen bekomen. Dit is een stelsel 1ste orde
differentiaalvergelijkingen:

A(x)x = f(x; u; u)
(4.5.12)

Hoofdstuk 4. Model koelmachine

35

x is de toestandsvector en bevat de toestand van het koelmiddel en secundair fludum aan inen uitlaat van de warmtewisselaar, maar ook de interne variabelen. Met de interne variabelen
wordt bedoeld de grootte van iedere zone en de wandtemperatuur van de pijpen in iedere zone.
u en u bevatten de randvoorwaarden.
De integratiegrenzen komen overeen met de zone-grenzen. Deze zijn tijdsafhankelijk zodat
bij integratie de regel van Leibniz moet toegepast worden, zoals beschreven in bijlage D. De
integratie wordt sterk vereenvoudigd door de dubbele pas te modelleren als een enkele pas met
dubbel zoveel pijpen. Zonder deze vereenvoudiging is het trouwens noodzakelijk dat de schikking van de buizen in de bundel gekend is. Anders is het onmogelijk om de randvoorwaarden
van het secundair fludum van de ene zone in verband te brengen met die van een andere zone.
Immers, als er 2 zones zijn die een gemeenschappelijke pijp hebben, komt de inlaattemperatuur
van het secundair fludum in de ene zone overeen met de uitlaattemperatuur in de andere zone.
Echter, om na te gaan of er dergelijke zones zijn, moet de schikking van de pijpen in de bundel
gekend zijn.
Verdamper
In wat volgt, worden de behoudsvergelijkingen van de verdamper afgeleid. Er wordt verondersteld dat de warmtewisselaar zich in de TP-V-mode bevindt, zoals in figuur 4.8. Er
wordt met andere woorden van uitgegaan dat enkel de TP- en de V-zone optreden. Bijgevolg
is FL = 0 en FT P + FV = 1.
Deze afleiding is gebaseerd op het werk van [4, 42, 26, 45]. Enkel de behoudsvergelijkingen
voor secundair fludum en de buiswand verschillen.
R,out

R,out

V
2,in

2,out
TP

R,in

R,in

Figuur 4.8: De verdamper in de TP-V-mode

Buiswand
Integratie van het energiebehoud in de buiswand, respectievelijk in de TP- en de V-zone,

Hoofdstuk 4. Model koelmachine

36

geeft:



dTt,T P
dFT P
FT P +
FT P (Tt,T P Tt,V )
dt
dt


dTt,V
dFV
FV +
FV (Tt,V Tt,T P )
= t Ct Vt
dt
dt

Q2t,T P + Qrt,T P = t Ct Vt
Q2t,V + Qrt,V

(4.5.13)
(4.5.14)

De totale warmte-overdracht naar de buiswand is de som van de warmte-overdracht uit het


koelmiddel (Qrt ) en uit het secundair fludum (Q2t ). Vt is het totale volume buiswand in de
warmtewisselaar. Gezien de definitie van FT P en FV , ligt hiervan een fractie FT P in de TPzone en een fractie FV in de V-zone.
De temperatuur op de interface tussen 2 zones is bepaald als een gewogen gemiddelde tussen beide zone-gemiddelde temperaturen [45]:
Tt,T P V = FV Tt,T P + FT P Tt,V

(4.5.15)

Wanneer bijvoorbeeld FV vergroot, komt de interface-temperatuur dichter bij Tt,T P te liggen.


Dit kan ook fysisch verklaard worden omdat de interface nu ligt waar voordien de TP-zone lag.
Tt,T P en Tt,V zijn de zone-gemiddelde wandtemperaturen en zijn gedefinieerd als:
Z
1
Tt,T P =
Tt dV
VT P VT P
Z
1
Tt,V =
Tt dV
VV VV

(4.5.16)
(4.5.17)

Secundair fludum
Integratie van het energiebehoud in het secundair fludum, respectievelijk in de TP- en de
V-zone, geeft:


dT2,T P
dFT P
Q2t,T P = 2 Cp,2 V2
FT P +
FT P (T2,T P T2,V )
(4.5.18)
dt
dt
+m
2,T P Cp,2 [(T2,out )T P T2,in ]


dT2,V
dFV
Q2t,V = 2 Cp,2 V2
FV +
FV (T2,V T2,T P )
(4.5.19)
dt
dt
+m
2,V Cp,2 [(T2,out )V T2,in ]
De warmte-overdracht naar het secundair fludum vanuit de buiswand, is aangeduid met Q2t .
V2 is het totale volume secundair fludum in de warmtewisselaar. Gezien de definitie van FT P
en FV en het feit dat het secundair fludum door de pijpen loopt, ligt hiervan een fractie FT P
in de TP-zone en een fractie FV in de V-zone.
Naar analogie met de buiswand, wordt de temperatuur op de interface tussen 2 zones bepaald
als een gewogen gemiddelde tussen beide zone-gemiddelde temperaturen:
T2,T P V = FV T2,T P + FT P T2,V

(4.5.20)

Verder is er verondersteld dat het totale massadebiet (m


2 ) gelijk verdeeld wordt over alle
pijpen, bijgevolg is:
m
2,T P = FT P m
2

(4.5.21)

m
2,V = FV m
2

(4.5.22)

Hoofdstuk 4. Model koelmachine

37

T2,T P en T2,V zijn de zone-gemiddelde temperaturen van het secundair fludum en zijn gedefinieerd als:
Z
1
T2,T P =
T2 dV
(4.5.23)
VT P VT P
Z
1
T2,V =
T2 dV
(4.5.24)
VV VV
Het temperatuursverloop tussen in- en uitlaat wordt lineair beschouwd, zodat:
1
[T2,in + (T2,out )T P ]
2
1
= [T2,in + (T2,out )V ]
2

T2,T P =
T2,V

(4.5.25)
(4.5.26)

Dit resulteert in:




dT2,T P
1 dT2,in d(T2,out )T P
=
+
dt
2
dt
dt


dT2,V
1 dT2,in d(T2,out )V
=
+
dt
2
dt
dt

(4.5.27)
(4.5.28)

Ten slotte wordt de uitlaattemperatuur van het secundair fludum bepaald als:
T2,out = FV (T2,out )V + FT P (T2,out )T P

(4.5.29)

Dit volgt uit het energiebehoud bij menging en de aanname dat Cp,2 aan de uitlaat van iedere
zone gelijk is.
Koelmiddel
Integratie van het massabehoud in het koelmiddel, respectievelijk in de TP- en de V-zone,
geeft:
m
r,in m
r,T P V
dFT P
=
[(
1)(g,r f,r )]
Vr
dt


df,r
dg,r
dpr

+ (1 )
+
(g,r f,r ) FT P
dt
dpr
dpr
pr


dhr,in

+
(g,r f,r ) FT P
dt
hr,in
m
r,T P V m
r,out
dFV
=
[r,V g,r ]
Vr
dt


r,V dhg,r
r,V
dpr
1/2
+
FV
+
dt
hr,V dpr
pr


r,V
dhr,out
+
1/2
FV
dt
hr,V

(4.5.30)

(4.5.31)

Hoofdstuk 4. Model koelmachine

38

Optellen van beide vergelijkingen resulteert in:


m
r,in m
r,out
dFT P
dFV
=
[(
1)(g,r f,r )] +
[r,V g,r ]
Vr
dt
dt
 

r,V dhg,r
r,V
dpr
FV 1/2
+
+
dt
hr,V dpr
pr


df,r
dg,r

+ (1 )
+
(g,r f,r )
+FT P
dpr
dpr
pr


dhr,in

+
(g,r f,r ) FT P
dt
hr,in


r,V
dhr,out
+
1/2
FV
dt
hr,V
(4.5.32)
Integratie van het energiebehoud van het koelmiddel, respectievelijk in de TP- en de V-zone,
geeft:
m
r,in hr,in m
r,T P V hg,r
Qrt,T P
dFT P

=
[(
1) ((h)g,r (h)f,r )]
(4.5.33)
Vr
Vr
dt

d(h)f,r
d(h)g,r
dpr
+

+ (1 )
dt
dpr
dpr


((h)g,r (h)f,r ) 1 FT P
+
pr


dhr,in

((h)g,r (h)f,r ) FT P
+
dt
hr,in
m
r,T P V hg,r m
r,out hr,out Qrt,V
dFV

=
[(h)r,V (h)g,r ]
(4.5.34)
Vr
Vr
dt


(h)r,V dhg,r
(h)r,V
dpr
+
1/2
+
1 FV
dt
hr,V dpr
pr


(h)r,V
dhr,out
1/2
+
FV
dt
hr,V
De warmte-overdracht naar het koelmiddel vanuit de buiswand door convectie, is aangeduid
met Qrt . Vr is het totale volume koelmiddel in de warmtewisselaar. Hoewel Fzone gedefinieerd is als het aantal buizen dat zich in een zone bevindt, is verondersteld dat deze grootheid
een goede benadering is voor de fractie van Vr die het koelmiddel in deze zone inneemt. Strikt
genomen is dit enkel geldig als de buizen uniform verdeeld zijn over de dwarssectie van de
warmtewisselaar. Dit is in realiteit echter niet het geval. Deze vereenvoudiging is gemaakt
omdat het exacte bundelpatroon niet gekend is.
r,V , r,T P , (h)r,V en (h)r,T P zijn allen zone-gemiddelde waarden:
Z
1
r dV
r,T P =
VT P VT P
Z
1
r,V =
r dV
VV VV
Z
1
(h)r,T P =
(h)r dV
VT P VT P
Z
1
(h)r,V =
(h)r dV
VV VV

(4.5.35)
(4.5.36)
(4.5.37)
(4.5.38)

Hoofdstuk 4. Model koelmachine

39

r,V en (h)r,V worden berekend op de zone-gemiddelde enthalpie in de V-zone (hr,V ) en


verdamperdruk (pr ). r,T P en (h)r,T P daarentegen, worden bepaald in functie van de zonegemiddelde void-fractie :
1

r,T P =

Z


r dV

VT P
V
Z T P

1
f,r (1 ) + g,r dV
=
VT P
VT P
1
[f,r (1 ) + g,r ]
=
VT P
1

(h)r,T P =

Z

(h)r dV
VT P
VT P
Z

1
=
(h)f,r (1 ) + (h)g,r dV
VT P
VT P
1
[(h)f,r (1 ) + (h)g,r ]
=
VT P

Met:
=

(4.5.39)

1
VT P

(4.5.40)

Z
dV

(4.5.41)

VT P

Deze waarde is enkel afhankelijk van de inlaatenthalpie en de druk van de TP-zone, zodat:
d

dpr

dhr,in
=
+
dt
pr dt
hr,in dt

(4.5.42)

Er wordt verder verondersteld dat het enthalpieverloop in iedere zone lineair is (figuur 4.9):
1
[hr,in + hg,r ]
(4.5.43)
2
1
hr,V = [hg,r + hr,out ]
(4.5.44)
2
In steady-state omstandigheden is dit een goede benadering, zoals aangetoond door Wedekind
et al. [41]. Of dit ook het geval is onder dynamische voorwaarden, blijft een open vraag.
Deze veronderstelling komt echter zeer vaak terug in de literatuur en geeft goede resultaten
[4, 22, 18, 42, 26, 45].
hr,T P =

TP

hr,out
hg,r
hr,in

V
0

VTP VTP + VV

Figuur 4.9: Lineair verloop enthalpie in de verdamper


Een lineair enthalpieverloop in de TP-zone impliceert eveneens een lineair verloop van de
dampfractie. De zone-gemiddelde void-fractie kan dus berekend worden als:
1
=
xr,out xr,in

xZ
r,out

dx
xr,in

(4.5.45)

Hoofdstuk 4. Model koelmachine

40

Deze veronderstelling heeft ook als gevolg dat:




r,V dpr
r,V 1 dhr,out dhg,r dpr
dr,V
=
+
+
dt
pr dt
hr,V 2
dt
dpr dt


d(h)r,V
(h)r,V dpr
(h)r,V 1 dhr,out dhg,r dpr
=
+
+
dt
pr
dt
hr,V 2
dt
dpr dt

(4.5.46)
(4.5.47)

De modelvergelijkingen zijn afhankelijk van de mode die optreedt. Bovenstaande vergelijkingen


zijn afgeleid in de veronderstelling dat de verdamper zich steeds in de TP-V-mode bevindt. Dit
is typisch de meest voorkomende werkingsmode van een verdamper. Door grote verstoringen in
de randvoorwaarden, of gedurende een overgangsverschijnsel, kan de V-zone echter verdwijnen.
De verdamper werkt dan in de TP-mode. In dit geval verloopt de afleiding volledig analoog.
Het resultaat hiervan is terug te vinden in bijlage B. Om na te gaan wanneer een zone verdwijnt
of bijkomt, moet de uitlaatenthalpie van de verdamper (hr,out ) gecontroleerd worden. Indien
de verdamper in de TP-V-mode werkt, moet hr,out groter zijn dan de damp saturatie-enthalpie
(hg,r ) bepaald op verdamperdruk pr . Indien dit niet het geval is, moet geschakeld worden naar
de TP-mode. In deze mode is hr,out altijd kleiner dan hg,r . Dit schakelcriterium is schematisch
weergegeven in figuur 4.10.

TP

TP-V

Figuur 4.10: Het schakelcriterium in de verdamper


Wanneer de V-zone wegvalt, verdwijnen er 3 differentiaalvergelijkingen uit het stelsel. Om de
vorm van het stelsel te behouden, worden deze vervangen door een set pseudo-vergelijkingen:
kF

dFV
=  FV
dt

dTt,V
= Tt,T P Tt,V
dt
d(T2,out )V
k2
= (T2,out )T P (T2,out )V
dt
kt

(4.5.48)
(4.5.49)
(4.5.50)

De wandtemperatuur en de uitlaattemperatuur van het secundair fludum in de inactieve Vzone, volgen als het ware de overeenkomstige waarden van de naburige actieve TP-zone. Wanneer teruggeschakeld wordt naar TP-V, worden zo de stofeigenschappen in de V-zone bepaald
op fysisch realistische waarden. De volumefractie FV , mag echter niet op nul genitialiseerd
worden. Dit zou immers singulariteiten met zich meebrengen bij herintrede van de V-zone.
Vandaar dat ze asymptotisch naar een positieve waarde  nadert.  moet echter voldoende
klein zijn opdat haar invloed op de resultaten beperkt zou blijven.
Condensor
In wat volgt, worden de behoudsvergelijkingen van de condensor afgeleid. Er wordt verondersteld dat de warmtewisselaar zich in de V-TP-L-mode bevindt, zoals in figuur 4.11. Er
wordt met andere woorden van uitgegaan dat zowel de V-, de TP- als de L-zone optreden. De
bekomen vergelijkingen zijn analoog aan die in de verdamper.
Deze afleiding is gebaseerd op het werk van [4, 42, 26, 45]. Enkel de behoudsvergelijkingen
voor secundair fludum en de buiswand verschillen.

Hoofdstuk 4. Model koelmachine

41

R,in

R,in

V
2,in

2,out
TP

R,out

R,out

Figuur 4.11: De condensor in de V-TP-L-mode

Buiswand
Integratie van het energiebehoud in de buiswand, respectievelijk in de V-, TP- en de L-zone,
geeft:


dTt,V
dFV
FV
Q2t,V + Qrt,V = t Ct Vt
FV +
(Tt,V Tt,T P )
(4.5.51)
dt
dt FV + FT P

dTt,T P
dFV FV Tt,T P + FT P Tt,V
Q2t,T P + Qrt,T P = t Ct Vt
FT P +
(4.5.52)
dt
dt
FV + FT P

dFT P
dFL FL Tt,T P + FT P Tt,L
+
Tt,T P +
dt
dt
FL + FT P


dTt,L
dFL
FL
Q2t,L + Qrt,L = t Ct Vt
FL +
(Tt,L Tt,T P )
(4.5.53)
dt
dt FL + FT P
De totale warmte-overdracht naar de buiswand is de som van de warmte-overdracht uit het
koelmiddel (Qrt ) en uit het secundair fludum (Q2t ). Vt is het totale volume buiswand in de
warmtewisselaar. Gezien de definitie van FV , FT P en FL , ligt hiervan een fractie FV in de
V-zone, een fractie FT P in de TP-zone en een fractie FL in de L-zone.
De temperatuur op de interface tussen 2 zones is bepaald als een gewogen gemiddelde tussen beide zone-gemiddelde temperaturen:
FV Tt,T P + FT P Tt,V
FV + FT P
FT P Tt,L + FL Tt,T P
=
FT P + FL

Tt,V T P =

(4.5.54)

Tt,T P L

(4.5.55)

Tt,V , Tt,T P en Tt,L zijn de zone-gemiddelde wandtemperaturen.


Secundair fludum
Integratie van het energiebehoud in het secundair fludum, respectievelijk in de V-, TP- en

Hoofdstuk 4. Model koelmachine

42

de L-zone, geeft:



dT2,V
FV
dFV
(T2,V T2,T P )
(4.5.56)
Q2t,V = 2 Cp,2 V2
FV +
dt
dt FV + FT P
+ FV m
2 Cp,2 [(T2,out )V T2,in ]

dT2,T P
dFV FV T2,T P + FT P T2,V
Q2t,T P = 2 Cp,2 V2
(4.5.57)
FT P +
dt
dt
FV + FT P

dFT P
dFL FL T2,T P + FT P T2,L
+
T2,T P +
dt
dt
FL + FT P
+ FT P m
2 Cp,2 [(T2,out )T P T2,in ]


dT2,L
FL
dFL
(T2,L T2,T P )
(4.5.58)
FL +
Q2t,L = 2 Cp,2 V2
dt
dt FL + FT P
+ FL m
2 Cp,2 [(T2,out )L T2,in ]
De warmte-overdracht naar het secundair fludum vanuit de buiswand door convectie, is aangeduid met Q2t . V2 is het totale volume secundair fludum in de warmtewisselaar. Gezien de
definitie van FV , FT P en FL en het feit dat het secundair fludum door de pijpen loopt, ligt
hiervan een fractie FV in de V-zone, een fractie FT P in de TP-zone en een fractie FL in de
L-zone.
Naar analogie met de buiswand, wordt de temperatuur op de interface tussen 2 zones bepaald
als een gewogen gemiddelde tussen beide zone-gemiddelde temperaturen:
FV T2,T P + FT P T2,V
FV + FT P
FT P T2,L + FL T2,T P
=
FT P + FL

T2,V T P =

(4.5.59)

T2,T P L

(4.5.60)

Zoals in de verdamper, is er verondersteld dat het totale massadebiet (m


2 ) gelijk verdeeld
wordt over alle pijpen:
m
2,V = FV m
2

(4.5.61)

m
2,T P = FT P m
2

(4.5.62)

m
2,L = FL m
2

(4.5.63)

T2,V , T2,T P en T2,L zijn de zone-gemiddelde temperaturen van het secundair fludum. Het
temperatuursverloop tussen in- en uitlaat wordt opnieuw lineair beschouwd, zodat:
1
[T2,in + (T2,out )V ]
2
1
= [T2,in + (T2,out )T P ]
2
1
= [T2,in + (T2,out )L ]
2

T2,V =
T2,T P
T2,L

(4.5.64)
(4.5.65)
(4.5.66)

Dit resulteert in:




dT2,V
1 dT2,in d(T2,out )V
=
+
dt
2
dt
dt


dT2,T P
1 dT2,in d(T2,out )T P
=
+
dt
2
dt
dt


dT2,L
1 dT2,in d(T2,out )L
=
+
dt
2
dt
dt

(4.5.67)
(4.5.68)
(4.5.69)

Hoofdstuk 4. Model koelmachine

43

Ten slotte wordt de uitlaattemperatuur van het secundair fludum op dezelfde manier als
in de verdamper:
T2,out = FV (T2,out )V + FT P (T2,out )T P + FL (T2,out )L

(4.5.70)

Dit volgt uit het energiebehoud bij menging en de aanname dat Cp,2 aan de uitlaat van iedere
zone gelijk is.
Koelmiddel
Integratie van het massabehoud in het koelmiddel, respectievelijk in de V-, TP- en de L-zone,
geeft:
m
r,in m
r,V T P
dFV
=
[r,V g,r ]
Vr
dt


r,V dhg,r
r,V
dpr
1/2
+
FV
+
dt
hr,V dpr
pr


r,V
dhr,in
+
1/2
FV
dt
hr,V
m
r,V T P m
r,T P L
dFL
dFT P
[(
1)(g,r f,r )] +
[f,r g,r ]
=
Vr
dt
dt


df,r
dg,r
dpr
d

+ (1 )
+
(g,r f,r ) FT P
dt
dpr
dpr
dpr
m
r,T P L m
r,out
dFL
=
[r,L f,r ]
Vr
dt


r,L dhf,r
r,L
dpr
+
1/2
+
FL
dt
hr,L dpr
pr


r,L
dhr,out
1/2
FL
+
dt
hr,L

(4.5.71)

(4.5.72)

(4.5.73)

Optellen van deze 3 vergelijkingen resulteert in:


m
r,in m
r,out
dFV
dFT P
dFL
=
[r,V g,r ] +
[(
1)(g,r f,r )] +
[r,L g,r ]
Vr
dt
dt
dt
 

r,V dhg,r
r,V
dpr
+
FV 1/2
+
dt
hr,V dpr
pr


df,r
dg,r
d

+FT P
+ (1 )
+
(g,r f,r )
dpr
dpr
dpr


(4.5.74)
r,L dhf,r
r,L
+FL 1/2
+
hr,L dpr
pr


r,V
dhr,in
+
1/2
FV
dt
hr,V


r,L
dhr,out
+
1/2
FL
dt
hr,L

Integratie van het energiebehoud van het koelmiddel, respectievelijk in de V-, TP- en de
L-zone, geeft:

Hoofdstuk 4. Model koelmachine

44

Qrt,V
m
r,in hr,in m
r,V T P hg,r
dFV

=
[(h)r,V (h)g,r ]
(4.5.75)
Vr
Vr
dt


(h)r,V dhg,r
(h)r,V
dpr
1/2
+
1 FV
+
dt
hr,V dpr
pr


(h)r,V
dhr,in
+
1/2
FV
dt
hr,V
m
r,V T P hg,r m
r,T P L hf,r
Qrt,T P
dFT P

=
[(
1)((h)g,r (h)f,r )]
(4.5.76)
Vr
Vr
dt
dFL
+
[(h)f,r (h)g,r ]
dt 
d(h)f,r
d(h)g,r
dpr
+

+ (1 )
dt
dpr
dpr

d

((h)g,r (h)f,r ) 1 FT P
+
dpr
m
r,T P L hf,r m
r,out hr,out Qrt,L
dFL

=
[(h)r,L (h)f,r ]
(4.5.77)
Vr
Vr
dt


(h)r,L
(h)r,L dhf,r
dpr
+
1 FL
1/2
+
dt
hr,L dpr
pr


(h)r,L
dhr,out
1/2
FL
+
dt
hr,L
De warmte-overdracht naar het koelmiddel vanuit de buiswand door convectie is aangeduid
met Qrt . Vr is het toale volume koelmiddel in de warmtewisselaar. Zoals in de verdamper,
wordt verondersteld dat Fzone een goede benadering is voor de fractie van Vr die het koelmiddel
in deze zone inneemt.
r,V , r,T P , (h)r,V en (h)r,T P worden op dezelfde manier bepaald als in de verdamper. De
zone-gemiddelde void-fractie is hier echter niet afhankelijk van de inlaatenthalpie, zodat:
d

d
dpr
=
dt
dpr dt

h
hr,in
hg,r

TP

(4.5.78)

hf,r
hr,out
0

V
Vv

Vv+VTP Vv+VTP+VL

Figuur 4.12: Lineair verloop enthalpie in de condensor

Hoofdstuk 4. Model koelmachine

45

Opnieuw wordt het enthalpieverloop lineair verondersteld in iedere zone (figuur 4.12):
1
[hr,in + hg,r ]
(4.5.79)
2
1
hr,T P = [hg,r + hf,r ]
(4.5.80)
2
1
hr,L = [hf,r + hr,out ]
(4.5.81)
2
Dit impliceert een lineair verloop van de dampfractie, zodat de volume-gemiddelde void-fractie
op dezelfde manier wordt berekend als in de verdamper. Ook de tijdsafgeleiden van r,V , r,L ,
(h)r,V en (h)r,L nemen dezelfde vorm aan.
hr,V =

De modelvergelijkingen zijn afhankelijk van de mode die optreedt. Bovenstaande vergelijkingen zijn afgeleid in de veronderstelling dat de condensor zich steeds in de V-TP-L-mode
bevindt. Dit is typisch de meest voorkomende werkingsmode van een condensor. Door grote
verstoring in de randvoorwaarden, of gedurende een overgangsverschijnsel, kan de L-zone echter verdwijnen. De condensor werkt dan in de V-TP-mode. In dit geval verloopt de afleiding
volledig analoog. Het resultaat hiervan is terug te vinden in bijlage B. Verder moet er nagegaan
worden wanneer een zone verdwijnt of bijkomt. Dit gebeurt door de uitlaatenthalpie van de
condensor (hr,out ) te controleren. Indien de condensor in de V-TP-L-mode werkt, moet hr,out
kleiner zijn dan de vloeistof saturatie-enthalpie (hf,r ) bepaald op condensordruk pr . Indien
dit niet het geval is, moet geschakeld worden naar de V-TP-mode. In deze mode moet hr,out
altijd groter zijn dan hf,r . Dit schakelcriterium is schematisch weergegeven in figuur 4.13

V-TP

V-TP-L

Figuur 4.13: Het schakelcriterium in de condensor


Wanneer de L-zone wegvalt, verdwijnen er 3 differentiaalvergelijkingen uit het stelsel. Net
zoals in de verdamper, worden deze vervangen door een set pseudo-vergelijkingen om de vorm
van het stelsel te behouden:
dFL
kF
=  FL
(4.5.82)
dt
dTt,L
kt
= Tt,T P Tt,L
(4.5.83)
dt
d(T2,out )L
k2
= (T2,out )T P (T2,out )L
(4.5.84)
dt
4.5.2.5

Correlaties voor void-fractie en warmte-overdracht

De lokale void-fractie wordt bepaald met volgende experimentele vergelijking:


=
1 + 0.79

1

0.58

1x 0.78 g,r
x

(4.5.85)

f,r

Dit is de void-fractie correlatie van Smith [12].


De warmte-overdrachtstermen zijn:
Q2t,zone = Fzone i,t Nt L2t,zone [T2,zone Tt,zone ]

(4.5.86)

Qrt,zone = Fzone o,t Nt Lrt,zone [Tr,zone Tt,zone ]

(4.5.87)

Hoofdstuk 4. Model koelmachine

46

i,t en o,t zijn respectievelijk de binnen- en buitendiameter van de pijpen. De lengte van
de pijpen wordt aangegeven met L. Nt is het aantal pijpen in de pijpenbundel. Gezien een
meer-passige warmtewisselaar hier wordt vereenvoudigd tot een enkel-passige is deze waarde
dus gelijk aan het aantal passen vermenigvuldigd met het aantal pijpen per pas. Tr,zone is
de zone-gemiddelde temperatuur van het koelmiddel in de desbetreffende zone. Deze wordt
geevalueerd op de zone-gemiddelde druk en enthalpie.
De convectiecoefficienten worden berekend met behulp van experimentele correlaties:
1. tussen koelmiddel en buiswand (rt )
zone L en V

P rb 0.25
voor Reb = 1 102
P rt

0.25
0.5
0.36 P rb
N urt = 0.52cn Reb P rb
voor Reb = 102 103
P rt
0.25

0.63
0.36 P rb
voor Reb = 103 2 105
N urt = 0.27cn Reb P rb
P rt

0.25
0.8
0.4 P rb
N urt = 0.033cn Reb P rb
voor Reb = 2 105 2 106
P rt
0.36
N urt = 0.9cn Re0.4
b P rb

(4.5.88)

Deze correlatie is opgesteld door Zukauskas [12] en is geldig voor dwarsstroom over
gladde buizen in bundels met parallelle schikking. De coefficient cn is nodig bij
korte bundels. Voor het aantal rijen n > 16 is het effect van het aantal buizen
echter verwaarloosbaar. Het subscript b verwijst naar de hoofdstroming, terwijl
het subscript t de buiswand aanduidt. Het Reynoldsgetal wordt bepaald met de
uitwendige buisdiameter en de maximale snelheid die optreedt in de bundel.
zone TP (condensatie)
"
#0.25
kf3 (hg,r hf,r )f,r (f,r g,r )g
rt = C
fgeom
(4.5.89)
f,r (Tr,sat Tt )
Deze correlatie is opgesteld door Beatty en Katz [3] en is geldig voor condensatie op
enkele, horizontale, laag gevinde en gladde buizen. Voor gladde buizen is C = 0.725
en fgeom = 1. De correctiefactoren voor andere types buizen zijn terug te vinden in
de literatuur [37].
zone TP (koken)
#0.25
"
kg3 (hg,r hf,r )g,r (f,r g,r )g
rt = C
fgeom
(4.5.90)
g,r (Tt Tr,sat )
Deze correlatie is opgesteld door Bromley [7]. Ze is geldig voor pool-boiling op
gladde oppervlakken. fgeom en C zijn 2 constanten die afhankelijk zijn van de
precieze geometrie van het kookoppervlak. Deze waarden zijn terug te vinden in de
literatuur.
2. tussen secundair fludum en buiswand (2t )
zone L, TP en V
N u2t =

1+

f
2 (Red 1000)P r
12.7( f2 )1/2 (P r2/3

"

 2/3 #
d
1+
L
1)

f = (1.58 ln(Red ) 3.28)2

(4.5.91)
(4.5.92)

Hoofdstuk 4. Model koelmachine

47

Deze correlatie is opgesteld door Gnielinksi [12]. Ze is geldig voor turbulente, gedwongen convectie in buizen, waarbij Red > 2300 en 0.5 < P r < 2000. d is de
binnendiameter van de buis.

Hoofdstuk 5. Steady-state model

48

Hoofdstuk 5

Steady-state model
5.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt het steady-state gedrag van de koelcyclus uit [11] gesimuleerd en vergeleken met de meetdata. Het model is gemplementeerd in MATLAB R2010a. De stofeigenschappen worden geevalueerd met behulp van de XProps plug-in voor MATLAB.
Het hoofddoel van deze thesis is het opstellen van een dynamisch model. Toch wordt er in dit
hoofdstuk een statisch model ontwikkeld door alle tijdsafgeleiden in het dynamisch model gelijk
te stellen aan nul. Hiermee kan het stationair deellastgedrag van de cyclus bestudeerd worden.
Er zijn echter betere steady-state modellen beschikbaar in de literatuur [9]. Daarnaast kan het
stationair gedrag van de cyclus ook voorspeld worden met het dynamisch model, eenvoudigweg
door de randvoorwaarden constant te houden en de simulatie lang genoeg te laten duren. Er
zijn echter andere belangrijke voordelen verbonden aan een dergelijk statisch model. Het kan
immers ook gebruikt worden om:
1. de modellen van compressor en expansieklep te testen;
2. beginvoorwaarden te bepalen voor de dynamische simulatie.
Dit laatste puntje verdient wat extra uitleg. Naast beginvoorwaarden van de in- en uitlaattoestand van koelmiddel en secundair fludum moeten er ook beginvoorwaarden opgegeven
worden voor de interne variabelen van beide warmtewisselaars. Deze interne variabelen omvatten enerzijds de buiswandtemperaturen en anderzijds de zone-groottes. Meestal zijn de
initiele toestandsgrootheden gekend, maar de interne variabelen niet. De initiele temperatuur
van de buiswand heeft enkel invloed op het overgangsverschijnsel. De initiele zone-groottes
daarentegen bepalen de lading koelmiddel (charge) die in het systeem zit en benvloeden bijgevolg het statisch gedrag van de cyclus. Het is dus van belang dat de initiele waarden van
de zone-groottes consistent zijn met de charge. Indien het dynamisch model in staat is het
opstartverschijnsel te beschrijven, vormt dit in principe geen probleem. Bij stilstand staan
condensor en verdamper op gelijke druk. In de condensor bevindt zich oververhitte damp
op koelwatertemperatuur. Verder is het koelmiddel in de verdamper een 2-fasig mengsel in
thermisch evenwicht met het ijswater. Zo kunnen de initiele waarden van de zone-groottes
en buiswandtemperaturen eenvoudig bepaald worden. Het model opgesteld in vorig hoofdstuk is echter niet geschikt om het opstartverschijnsel te beschrijven. Er moet dus een manier
gevonden worden om consistente beginvoorwaarden te bepalen. Dit kan met behulp van een
steady-state model dat bekomen is door de tijdsafgeleiden in het dynamisch model gelijk te
stellen aan nul. In tegenstelling tot de dynamische simulatie, fungeert de charge hier als input. De resulterende zone-groottes zijn dus altijd consistent. De oplossing van de steady-state
simulatie wordt dan gebruikt als beginvoorwaarde voor de dynamische simulatie.

Hoofdstuk 5. Steady-state model

5.2

49

Modelvergelijkingen

Het model van verdamper en condensor is bekomen door de tijdsafgeleiden in de dynamische


vergelijkingen uit hoofdstuk 4 gelijk te stellen aan nul. Het resultaat hiervan bevindt zich in
bijlage C. Dit resulteert in 2 keer 10 algebrasche vergelijkingen en 2 keer 13 onbekenden. Deze
onbekenden zijn xe en xc , met:
e
e
e
e
e
e
e
e
xe = [her,in her,out per (T2,out )L (T2,out
)T P (T2,out
)V Tt,L
Tt,T
er ]
P Tt,V FL FT P FV m
c

x =

[hcr,in

hcr,out

pcr

c
(T2,out )L (T2,out
)T P

c
(T2,out
)V

c
Tt,L

c
Tt,T
P

c
Tt,V

FLc

FTc P

FVc

m
cr ]

(5.2.1)
(5.2.2)

Dit stelsel wordt aangevuld met het model van compressor en klep. Deze zijn zonder wijziging overgenomen uit hoofdstuk 4. Het klepmodel bestaat uit het isenthalp verband tussen
in- en uitlaat en de uitdrukking van Bernoulli voor het massadebiet. De vergelijkingen in het
compressormodel omvatten enerzijds de uitdrukking van Bourdouxhe et al. [5] voor het massadebiet en anderzijds het polytroop verband tussen in- en uitlaat. Dit resulteert in 2 keer 2
extra vergelijkingen. Er komen geen extra onbekenden in het stelsel voor, deze vergelijkingen
brengen immers de in- en uitlaattoestand van beide warmtewisselaars in verband. In steadystate vindt er geen massa-ophoping plaats in het systeem zodat het massadebiet doorheen de
verdamper (m
er ) en de condensor (m
cr ) gelijk zijn. Om het stelsel te sluiten wordt deze set
vergelijkingen aangevuld met de ladingsvergelijking. Deze drukt uit hoeveel lading koelmiddel
er in het systeem vervat zit.
Uiteindelijk wordt een niet-lineair algebrasch stelsel bekomen van de vorm:


Dit moet opgelost worden naar x = xe

5.3

F(x) = 0
0
xc .

(5.2.3)

Oplossingsmethodiek

Het stelsel (5.2.3) wordt opgelost aan de hand van een sequentieel oplossingsalgoritme. Dit is
schematisch weergegeven in figuur 5.1. In de volgende 2 secties wordt dit algoritme meer in
detail besproken. Gelet op de doelstellingen van het steady-state model, biedt deze aanpak het
voordeel dat de oorzaak van eventuele divergentie relatief eenvoudig kan opgespoord worden.

5.3.1

Systeemmodel

Het systeemmodel omvat alle componentmodellen en wordt iteratief opgelost. Deze iteratielus
wordt de outer loop genoemd en is weergegeven in figuur 5.1.
De inputgegevens van het systeemmodel zijn:
1. de randvoorwaarden van condensor en verdamper (het massadebiet, de inlaattemperatuur
en de druk van het secundair fludum);
2. de instelwaarde van de deellastverhouding (PLR);
3. de constructieve data van de componenten;
4. de totale lading koelmiddel in het systeem;
5. het controle-algoritme dat de inlaatschoepen aanstuurt.

Hoofdstuk 5. Steady-state model

50

START

Verdamper:
Bereken

Interne variabelen

Uitlaatenthalpie

Uitlaattemperatuur
ijswater

INITIALISEER
inlaat verdamper

druk

enthalpie

massadebiet

UPDATE
inlaat verdamper

druk

enthalpie

massadebiet

nee

EINDE

ja

Is oplossing
voldoende
nauwkeurig?

Compressor:
Bereken

uitlaatenthalpie

condensordruk

Condensor:
Bereken

Interne variabelen

Uitlaatenthalpie

Uitlaattemperatuur
koelwater

Randvoorwaarden
verdamper

Instelwaarde
koellast

Randvoorwaarden
condensor

Klep:
Bereken

Massadebiet

uitlaatenthalpie

Lading:
Bereken

verdamperdruk

Totale lading
koelmiddel

Figuur 5.1: Schematische weergave van het oplossingsalgoritme van het systeemmodel
Daarnaast moet een set initiele waarden opgegeven worden voor x. Deze zijn in principe volledig willekeurig, maar moeten toch voldoende dicht bij de oplossing liggen om het algoritme
te doen convergeren.
In de outer loop wordt elke component 1 voor 1 afgelopen. Eenmaal de uitlaattoestand van een
component gekend is, kan de uitlaattoestand van de volgende component berekend worden.
Zo wordt de volledige cyclus doorlopen. Dit is een iteratief algoritme, waarbij 1 iteratiestap
overeenkomt met het doorlopen van 1 volledige cyclus. Een iteratiestap start met een set
initiele waarden i die worden ge
updatet naar i+1 na het oplossen van iedere deelcomponent. In de eerste iteratiestap van het algoritme komen deze initiele waarden overeen met de
opgegeven initiele waarden. Eenmaal 1 iteratie voltooid is, zijn dit de waarden berekend in
de vorige stap. Telkens de volledige cyclus is doorlopen, wordt de massa-, energie en drukbalans gecontroleerd. Op basis hiervan wordt beslist of de oplossing voldoende nauwkeurig
is of niet. Het algoritme blijft zich herhalen tot het verschil tussen de update van de inlaattoestand van de verdamper en de waarden berekend in de vorige iteratiestap voldoende klein is.

Hoofdstuk 5. Steady-state model

51

De oplossing van iedere deelcomponent wordt echter niet volledig doorgegeven naar systeemniveau. Er wordt relaxatie toegepast. Dit betekent dat:
i+1 = (1 )i + new

(5.3.1)

new is de oplossing van een deelcomponent, bepaald op componentniveau. Verder is de


relaxatieparameter. Dit is een positieve waarde, kleiner dan 1. Relaxatie heeft als gevolg dat
de oscillaties in de oplossing afgezwakt worden. Dit is nodig zodat de toestandsgrootheden in
de outer loop binnen de werkingsgrenzen van XProps blijven.

5.3.2

Componentmodellen

Ook de componentmodellen worden iteratief opgelost. Deze iteratielus wordt een inner loop
genoemd en is weergegeven in figuur 5.2.

START

INITIALISEER
inlaatvoorwaarden

Component:
Bereken
uitlaatvoorwaarden

Is oplossing
voldoende
nauwkeurig?

UPDATE
inlaatvoorwaarden

ja

EINDE

nee

Figuur 5.2: Schematische weergave van het oplossingsalgoritme van een componentmodel
De inputgegevens van het verdamper- en condensormodel zijn:
1. het massadebiet, de inlaattemperatuur en de druk van het secundair fludum;
2. het massadebiet, de inlaatenthalpie en de druk van het koelmiddel;
3. de constructieve data.
Daarnaast moet een set initiele waarden opgegeven worden voor de uitlaattoestand, de
interne variabelen en het massadebiet doorheen de warmtewisselaar.
Er is verondersteld dat alle 6 mogelijke modes kunnen optreden in zowel verdamper
als condensor. In werkelijkheid is dit weliswaar niet het geval. Deze modes zijn echter
ingevoerd om oscillaties in de toestandsgrootheden van de outer loop op te vangen op
componentniveau. Het invoeren van extra modes vereist echter dat ook het schakelcriterium wordt uitgebreid. In de eerste iteratiestap van de outer loop wordt de mode
meegegeven met de initiele waarden. De voorgestelde mode in iedere volgende stap, is
de berekende mode uit de vorige stap. Eerst wordt de inlaatenthalpie gecontroleerd.
Op basis daarvan wordt beslist of de mode behouden wordt of de inlaatzone wegvalt.
Daarna wordt de component uitgerekend. Zoals in het dynamisch model wordt vervolgens de oplossing gecontroleerd en indien nodig wordt geschakeld naar een andere mode
op basis van de uitlaatenthalpie. Tijdens convergentie kunnen bepaalde zone-groottes

Hoofdstuk 5. Steady-state model

52

negatief worden. Wanneer dit voorvalt, wordt het algoritme afgebroken en wordt de
warmtewisselaar in een andere mode uitgerekend. Dit is noodzakelijk omdat anders de
warmte-overdracht omkeert en bijgevolg de wandtemperaturen onfysisch groot worden.
Het feit dat een zone-grootte negatief wordt, is dus eigenlijk al een vroege waarschuwing
dat de huidige mode incorrect is. De beslissingslogica is weergegeven in figuur 5.3.

L TP V

TP V

L TP
FTP of FL < 0

TP
V

Figuur 5.3: Schakelcriterium voor verdamper in steady-state model


De inputgegevens van het compressormodel zijn:
1. het massadebiet, de inlaatenthalpie en de inlaatdruk van het koelmiddel;
2. het controle-algoritme dat de inlaatschoepen aanstuurt;
3. de instelwaarde van de koellast.
Deze laatste 2 bepalen immers de stand van de inlaatschoepen. Ook hier moet een set
initiele waarden opgegeven worden voor de uitlaattoestand.
De inputgegevens van het klepmodel zijn:
1. het massadebiet, de inlaatenthalpie en de inlaatdruk van het koelmiddel;
2. de temperatuur van het koelmiddel aan de uitlaat van de verdamper.
De klepheffing wordt immers bepaald aan de hand van de reservoirdruk. In steady-state
is deze druk gelijk aan de saturatiedruk bepaald op de temperatuur van het koelmiddel
aan de uitlaat van de verdamper. Net als in de compressor, vereist het klepmodel een
set initiele waarden voor de uitlaattoestand.
De inputgegevens van het ladingmodel zijn:
1. de in- en uitlaattoestand van het koelmiddel in verdamper en condensor;
2. de zone-groottes in verdamper en condensor.
Beiden zijn nodig om de totale lading in het systeem te kunnen berekenen. Hier zijn
geen initiele waarden vereist aangezien de ladingsvergelijking op een andere manier wordt
opgelost dan de andere modellen.

Hoofdstuk 5. Steady-state model

53

Een componentmodel wordt iteratief opgelost met behulp van het Newton-Raphson algoritme,
zoals beschreven in bijlage D. In elke iteratiestap wordt de Jacobiaan berekend aan de hand van
een eindige-differenzen benadering. Hiermee wordt de oplossing uit de vorige stap i ge
updatet
naar i+1 . Indien het verschil tussen beide waarden voldoende klein is, wordt het algoritme
afgebroken en is de component opgelost.
Oorspronkelijk was er geopteerd om ook de ladingsvergelijking op te lossen naar de verdamperdruk aan de hand van het Newton-Raphson algoritme. Wanneer de charge slechts enkele
procenten afwijkt van de werkelijke charge, resulteert dit echter in een grote toename van de
verdamperdruk. Het grootste deel van de koelmiddelmassa bevindt zich immers in de condensor, aangezien er daar een onderkoelde vloeistofzone aanwezig is. Het koelmiddel in de
verdamper daarentegen bevindt zich voornamelijk in 2-fasige toestand. Dit betekent dus dat
de verdamperdruk zeer groot zou moeten worden om een klein verschil in lading weg te werken.
Een kleine verandering van verdamperdruk resulteert echter al in vrij grote veranderingen in
de rest van de cyclus. Bijgevolg induceert dit sterke oscillaties op systeemniveau. Vandaar is
er geopteerd om de verdamperdruk te wijzigen met een percentage dat afhankelijk is van het
teken en de grootte van het verschil tussen berekende charge en werkelijke charge.
Net zoals in de outer loop, wordt in de inner loops relaxatie toegepast. Dit betekent dat
i+1 een gewogen gemiddelde is van i en de update die in de huidige stap is berekend. Elke
component heeft zijn eigen relaxatieparameter. Relaxatie wordt toegepast omwille van 2 redenen. Opnieuw is het noodzakelijk dat de toestandsgrootheden tijdens het itereren in de
inner loop binnen de werkingsgrenzen van XProps blijven. Daarnaast mag het schakelcriterium niet valselijk in werking treden wanneer een zone-grootte negatief wordt door oscillaties
in de oplossing.

5.4

Resultaten

Er zijn 27 steady-state simulaties uitgevoerd, waarvan de randvoorwaarden elk corresponderen


met 1 van de testgevallen die opgelijst zijn in tabel 2.3.
De simulatieresultaten kunnen zowel kwantitatief als kwalitatief vergeleken worden met de
metingen. Beide aspecten komen in deze sectie aan bod. Eerst wordt de nauwkeurigheid van
de simulatie besproken, daarna het gesimuleerde deellastgedrag van de koelmachine. De sectie
sluit af met enkele opmerkingen over de relaxatieparameters, de lading in het systeem en de
gebruikte correlaties voor warmte-overdracht en void-fractie.

Hoofdstuk 5. Steady-state model

per

54

x 10

Te2,out
300

290

3.6
simulatie [K]

simulatie [Pa]

3.8

3.4
3.2

280

270

2.8
2.6

3.2

3.6

260
276

3.8

x 10

4.3

280
meting [K]

282

284

her,out

x 10

4.2
simulatie [J/kg]

2.5
simulatie [J/kg]

278

x 10

her,in

2.6

3.4
meting [Pa]

2.4
2.3
2.2

4.1
4
3.9

2.1
2.2

2.25

2.3
2.35
2.4
meting [J/kg]

2.45

3.8

2.5

4.01

x 10

simulatie

+ 5%

meting

4.02 4.03
4.04
meting [J/kg]

4.05

4.06
5

x 10

5%

Figuur 5.4: Simulatieresultaten in- en uitlaattoestand verdamper met 5 % foutgrenzen


pcr

x 10

Tc2,out
330

10

320

310

simulatie [K]

simulatie [Pa]

11

8
7
6
5

7
8
meting [Pa]

270
290

10
x 10

hcr,in

x 10

300
meting [K]

305

310

hcr,out

2.6

x 10

2.5
simulatie [J/kg]

4.4

4.2

4
4.25

295

4.6
simulatie [J/kg]

290
280

4.8

300

2.4
2.3
2.2

4.3

4.35
4.4
meting [J/kg]

4.45

2.1
2.2

4.5

2.25

x 10
simulatie

+ 5%

meting

2.3
2.35
2.4
meting [J/kg]

2.45

2.5
5

x 10

5%

Figuur 5.5: Simulatieresultaten in- en uitlaattoestand condensor met 5 % foutgrenzen

Hoofdstuk 5. Steady-state model

55

mr

COP

2.5

5.5
5
4.5
simulatie []

simulatie [kg/s]

2
1.5
1

4
3.5
3

0.5
2.5
0
0.5

1.5
meting [kg/s]

2.5

2.5

3.5
meting []

Pmotor

4.5

Qevap

120

400
350
simulatie [kW]

simulatie [kW]

100
80
60

300
250
200
150

40
100
20
30

40

50

60
70
meting [kW]

80

simulatie

50

90

100

+ 10%

meting

200
meting [kW]

300

400

10%

Figuur 5.6: Simulatieresultaten systeemparameters met 10 % foutgrenzen


mr

COP

2.5

5
4.5

COP []

mr [kg/s]

4
1.5
1

3.5
3

0.5
0
20

2.5

40

60

80
100
PLR [%]

120

2
20

140

40

60

Pmotor

80
100
PLR [%]

120

140

120

140

Qevap

120

400
350

100
Qevap [kW]

Pmotor [kW]

300
80
60

250
200
150

40
20
20

100
40

60

80
100
PLR [%]

120

140
meting

50
20

40

60

80
100
PLR [%]

simulatie

Figuur 5.7: Simulatieresultaten systeemparameters uitgezet ten opzichte van de PLR

Hoofdstuk 5. Steady-state model

5.4.1

56

Nauwkeurigheid simulatieresultaten

In- en uitlaattoestand verdamper


In figuur 5.4 worden de simulatieresultaten van de in- en uitlaattoestand van de verdamper met de metingen vergeleken. In 82 % van de simulaties wordt de verdamperdruk (per )
voorspeld binnen de grenzen 10 % van de opgemeten waarden. De uitlaattemperatuur van
e
het ijswater (T2,out
) en de in- en uitlaatenthalpie van het koelmiddel (her,in en her,out ) worden
in 98 % van de gevallen voorspeld met een nauwkeurigheid van 1 %.
In- en uitlaattoestand condensor
In figuur 5.5 worden de simulatieresultaten van de in- en uitlaattoestand van de condensor
met de metingen vergeleken. In 100 % van de simulaties wordt de condensordruk (pcr ) voorspeld binnen de grenzen 10 % van de opgemeten waarden. De uitlaattemperatuur van het
c
koelwater (T2,out
) en de in- en uitlaatenthalpie van het koelmiddel (hcr,in en hcr,out ) worden in
98 % van de gevallen voorspeld met een nauwkeurigheid van 1 %.
Systeemparameters
In figuur 5.6 worden de simulatieresultaten van de systeemparameters met de metingen vergeleken. In 82 % van de simulaties wordt het massadebiet koelmiddel (mr ) voorspeld binnen
de grenzen 15 %. Het motor- en koelvermogen (Pmotor en Qevap ) worden respectievelijk in
71 % en 82 % van de gevallen voorspeld met een nauwkeurigheid van 15 %. Ten slotte wordt
slechts in 66 % van de simulaties de COP voorspeld binnen 15 %.
Het valt op dat de COP sterk onderschat wordt bij hogere PLR. Dit gedrag kan verklaard
worden door het verloop van het compressorvermogen en het koelvermogen te bestuderen. De
COP is immers berekend als:
Qevap
COP =
(5.4.1)
Pmotor
met:

Qevap = m
r her,out her,in
(5.4.2)

1
Pmotor =
m
r hcr,in her,out
(5.4.3)
em
Pmotor is het totaal vermogen geleverd door de motor die de compressor aandrijft. De verliezen
die optreden in de motor en transmissie worden uitgedrukt aan de hand van het elektromechanisch rendement em . Dit rendement wordt constant verondersteld, gelijk aan 62 %.
Bij lage PLR wordt het motorvermogen goed voorspeld, bij hogere PLR wordt Pmotor echter overschat. Het verschil neemt toe naarmate de PLR stijgt. Deze discrepantie valt te
verklaren aan de hand van het elektromechanisch rendement. Tijdens de simulatie is deze
constant verondersteld, gelijk aan 62 %. Uit de meetwaarden uitgezet in 5.8 blijkt dat dit
enkel een goede waarde is bij lage PLR. Bij hogere PLR daarentegen neemt em toe tot 72 %.
Bijgevolg wordt het motorvermogen bij lage PLR goed voorspeld, terwijl er bij hogere PLR een
overschatting optreedt, die toeneemt naarmate de PLR stijgt. Het verband tussen PLR en em
kan ook fysisch verklaard worden. De aandrijving van de compressor is zo gedimensioneerd
dat ze zich in haar nominale werkingstoestand bevindt wanneer de cyclus in vollast draait. Dit
betekent dat, als het systeem in deellast werkt, dus bij lagere PLR, ook de aandrijving van de
compressor in deellast werkt. Het is gekend dat in een elektromotor de elektrische verliezen
kleiner zijn in vollast dan in deellast. Bijgevolg is em bij hoge PLR groter dan bij lage PLR.

Hoofdstuk 5. Steady-state model

57

72

70

68

em [%]

66

64

62

60

58
datapunten
a*x^2 + b*x + c
56
20

40

60

80
PLR [%]

100

120

140

Figuur 5.8: Het verloop van het elektromechanisch rendement in functie van de PLR
5

11

x 10

4
3.8

10

3.6
per [Pa]

pcr [Pa]

9
8
7

3.4
3.2
3

6
5
20

2.8
40

60

80
100
PLR [%]

120

140

2.6
20

meting
1

x 10

40

60

80
100
PLR [%]

120

140

simulatie
1

Figuur 5.9: Simulatieresultaten verdamper- en condensordruk in functie van de PLR


0.8

0.8

0.6

0.6

Ook het koelvermogen Qevap wordt goed voorspeld bij lage PLR. Bij hogere PLR is het gesimuleerde koelvermogen
echter kleiner dan het opgemeten
vermogen. Aangezien de enthalpie0.4
0.4
toename in de verdamper voor alle deellastverhoudingen goed wordt voorspeld, is deze trend
0.2
0.2
te verklaren aan
de hand van het verloop van het massadebiet
koelmiddel m
r . Qevap is immers
gelijk aan het product
van
beide
grootheden.
Er
wordt
geacht
dat
dit
gedrag
te wijten is aan
0
0
0
0.2
0.4
0.6
0.8
1
0
0.2
0.4
0.6
0.8
een onderschatting van de warmte-overdrachtscoefficient in de verdamper bij 1hogere PLR.
Immers, wanneer daalt, moet het temperatuursverschil tussen secundair fludum en het koelmiddel vergroten om dezelfde warmte-overdracht te realiseren. In de verdamper resulteert dit
in een drukdaling, terwijl de condensordruk stijgt. Uit de resultaten van de condensordruk,
uitgezet ten opzichte van de PLR in figuur 5.9, blijkt dat de warmte-overdrachtscoefficient in
de condensor altijd kleiner wordt voorspeld dan in werkelijkheid, onafhankelijk van de PLR. In
deze figuur is ook de verdamperdruk uitgezet. Bij toenemende PLR wordt de verdamperdruk
steeds sterker onderschat. Uit figuur 5.7 is af te leiden dat een hoge PLR overeenkomt met
een hoog massadebiet. Dit betekent dus dat bij toenemend massadebiet, de voorspelling van
de warmte-overdrachtscoefficient te laag uitvalt.
Naarmate het massadebiet toeneemt, worden convectieve effecten tijdens het koken steeds groter. Het kookverschijnsel gaat over van pool boiling naar flow boiling. Tijdens flow boiling
kunnen 2 modes van warmte-overdracht beschouwd worden: bellenkoken (nucleate boiling) en
convectief koken (convective boiling). Bellenkoken is onder deze omstandigheden gelijkaardig
aan pool boiling. Enkel het effect van de stroming op de groei en het loslaten van de bel-

Hoofdstuk 5. Steady-state model

58

len komt erbij. Convectief koken verwijst naar de convectieve warmte-overdracht die optreedt
tussen de verwarmde wand en de vloeistoffase [12]. De verschillende flow boiling modellen
combineren deze 2 mechanismen door middel van een machtsfunctie:
tp = [(nb )n + (cb )n ]1/n

(5.4.4)

nb is onafhankelijk van de massasnelheid, terwijl cb meestal onafhankelijk is van de warmteflux. Thome [37] heeft aangetoond dat bij flow boiling over bundels gladde buizen, het aandeel
van het convectief koken in de totale warmte-overdracht gemiddeld gelijk is aan 40 %. Deze
conclusie is ook geldig indien de buizen laag gevind zijn. De omstandigheden waaronder deze
studie is uitgevoerd komen overeen met de gesimuleerde omstandigheden, zoals weergegeven
in tabel 5.1.

massaflux G
warmteflux q
dampfractie x

[37]
5 tot 41
2 tot 35
10 tot 87

Simulatie
5 tot 22
4 tot 14
10 tot 100

kg/(m2 s)
kW/m2
%

Tabel 5.1: Overeenkomst met de testomstandigheden uit [37]


De correlatie die tijdens de simulatie gebruikt is om de warmte-overdrachtscoefficient in de
verdamper te voorspellen (vergelijking (4.5.90)), is enkel geldig voor pool-boiling. Bijgevolg
wordt bij hogere massadebieten, en dus bij hogere PLR, de warmte-overdrachtscoefficient in de
verdamper steeds sterker onderschat. Het drukverschil tussen verdamper en condensor is dus
hoger dan in realiteit en de overschatting neemt steeds toe. Om dit drukverschil te realiseren,
moet het massadebiet koelmiddel verlagen. Zo verkleint de drukval door de inlaatschoepen en
neemt de opvoerhoogte van de compressor toe, zodat de totale druktoename over de compressor
stijgt.

5.4.2
5.4.2.1

Deellastgedrag
Invloed PLR op toestandsgrootheden en massadebiet

In figuur 5.10 zijn 3 verschillende testgevallen weergegeven. Deze komen overeen met testcondities 1, 2 en 3 uit tabel 2.3. De inlaattemperatuur van het koelwater en de insteltemperatuur
van het ijswater zijn in alle 3 gevallen gelijk. De PLR daalt echter omdat de inlaattemperatuur
van het ijswater afneemt.
De inlaattemperatuur van het ijswater neemt af, terwijl het instelpunt constant blijft. Gezien het massadebiet ijswater en koelwater niet veranderen, betekent dit dat de warmte die in
condensor en verdamper moet gewisseld worden, verkleint. Bijgevolg daalt de druk in de condensor, terwijl de druk in de verdamper toeneemt. Zo daalt het temperatuursverschil en neemt
bijgevolg de warmte-overdracht tussen het secundair fludum en het koelmiddel af. Dit heeft
als gevolg dat het massadebiet verkleint om de oververhitting aan de uitlaat van de verdamper
te behouden. Immers, als de oververhitting te laag is, daalt de druk in het reservoir van de
expansieklep, waardoor de klepheffing kleiner wordt en het debiet afneemt. Ook beginnen de
inlaatschoepen van de compressor te sluiten als respons op de lagere PLR. Als gevolg van het
lager massadebiet, neemt de polytrope exponent toe. Dit betekent dat het compressieverloop
in het ph-diagram steiler verloopt. Een stijging van de polytrope exponent betekent ook dat
de verliezen tijdens compressie toenemen. Uit het Ts-diagram in figuur 5.11 blijkt immers dat
de entropietoename over de compressor groter is in deellast dan in vollast. Dit is ook zichtbaar
in het dalende verloop van de COP.

Hoofdstuk 5. Steady-state model

59

10

hg,r
hf,r

p [Pa]

testgeval 1
testgeval 2
testgeval 3

10

10
1.5

2.5

290

3.5

4.5
5

3.2

289

x 10

287

mr [kg/s]

COP []

288

2.8

1.5

2.6

286
285
1

2
testgeval

2
testgeval

0.5

2
testgeval

Figuur 5.10: Invloed PLR op toestandsgrootheden en massadebiet


380
sf,r
sg,r

360

testgeval 1
testgeval 2
testgeval 3

340

320
T [K]

Tewi [K]

3
h [J/kg]

300

280

260

240
1100

1200

1300

1400
1500
s [J/kg.K]

1600

1700

Figuur 5.11: Entropietoename tijdens compressie

1800

Hoofdstuk 5. Steady-state model


5.4.2.2

60

Invloed PLR op COP

De algemene trend, waarbij de COP stijgt bij toenemende PLR is weergegeven in figuur 5.7.
De componenten in het systeem worden ontworpen om in nominale omstandigheden te werken.
Bijgevolg is de COP het grootst wanneer de PLR ongeveer 100 % is. Naast PLR hebben ook
de condensor- en verdampertemperatuur een invloed op de COP van een koelmachine. De
COP van een ideale Carnot-cyclus wordt gegeven door [24]:
COP =

TC
TH TC

(5.4.5)

Hierin is TC de temperatuur van het koud reservoir waarvan de warmte wordt onttrokken.
Deze warmte wordt afgegeven aan een warm reservoir met temperatuur TH . Het warm en
koud reservoir komen dus overeen met het secundair fludum in respectievelijk de condensor
en de verdamper. Wanneer de koelwatertemperatuur stijgt, neemt de COP af. De COP
neemt echter toe bij toenemende ijswatertemperatuur. Dit gedrag is ook terug te vinden in de
simulatieresulaten, zoals weergegeven in figuuur 5.12. Hierin is Tcwi de inlaattemperatuur van
het koelwater, terwijl Tewi de inlaattemperatuur van de ijswater voorstelt.
PLR 60 %
Tewi 287 K

PLR 110 %
Tewi 286.5 K

3.5

3.5

3.5

278

280

282
284
Tewi [K]
testgeval 9
testgeval 18
testgeval 27

286

COP []

COP []

COP []

PLR 30 %
Tcwi 290 K

290

295
300
Tcwi [K]
testgeval 2
testgeval 5
testgeval 8

305

290

295
300
Tcwi [K]

305

testgeval 10
testgeval 13
testgeval 16

Figuur 5.12: Invloed temperatuur koelwater en ijswater op COP

5.4.3

Opmerkingen

Lading koelmiddel en correcties op de warmte-overdrachtsco


effici
enten
De totale lading in het systeem is 137 kg [11]. In de simulatie resulteert deze charge echter in een te hoge condensordruk en een sterke onderschatting van de COP. Bij lagere charge,
neemt de COP meer realistische waarden aan, maar wordt de condensordruk te klein. Dit is
weergegeven in figuur 5.13.
De te hoge condensordruk kan gecompenseerd worden door de voorspelde convectiecoefficienten
met een correctiefactor te vermenigvuldigen. Met een charge van 137 kg vallen de correcties
echter onrealistisch groot uit (grootte-orde 10 `a 20). Wanneer er geopteerd wordt voor lagere,
meer realistische correcties (grootte-orde 1 `a 2), blijkt uit figuur 5.14 dat de druk in de verdamper te laag uitvalt, terwijl de condensordruk te hoog is. Dit kan evenwel gecompenseerd
worden door de lading op een lagere waarde in te stellen. Dit zou echter resulteren in een
onrealistisch lage charge (grootte-orde 30 `a 40 kg). Daarom is tijdens de simulaties de charge
ingesteld op 85 kg. De correcties op de warmte-overdrachtscoefficienten zijn van grootte-orde
1 `a 5, zoals weergegeven in tabel 5.2.

Hoofdstuk 5. Steady-state model

61

10

hg,r
hf,r

p [Pa]

charge = 119 kg
charge = 85 kg
charge = 63.75 kg

10

2.5

3
h [J/kg]

3.5
2.1

2.05

2.9
2.8
2.7
2.6
60

4.5
5

3.1

mr [kg/s]

COP []

10
1.5

x 10

2
1.95
1.9

70

80

90
100
lading [kg]

110

120

1.85
60

70

80

90
100
lading [kg]

110

120

Figuur 5.13: Invloed lading koelmiddel op testgeval 1

verdamper
condensor

koelmiddel
secundair fludum
koelmiddel
secundair fludum

L
1
1
1.5
1.5

TP
1
5
1.5
5

V
1
1
1.5
1.5

Tabel 5.2: Correctiefactoren op de convectiecoefficient in iedere zone


Deze correctiefactoren zijn ook nodig om bij hogere massadebieten de invloed van flow boiling
in de verdamper in rekening te brengen, zoals eerder toegelicht. De factoren zijn bepaald aan de
hand van enkele simulaties bij middelgrote PLR. Dit zijn echter constante waarden, onafhankelijk van het massadebiet. Bijgevolg wordt de warmte-overdracht bij lage PLR overschat omdat
dan zuivere pool boiling optreedt. Bij hogere PLR daarentegen wordt de warmte-overdracht
onderschat omdat de invloed van het massadebiet op de warmte-overdracht hier onvoldoende
in rekening gebracht wordt. Deze trend is bijgevolg ook terug te vinden in de verdamperdruk
zoals te zien is in figuur 5.9. Bij lage PLR wordt de druk overschat, omdat de gecorrigeerde
convectiecoefficient te groot uitvalt. Bij hoge PLR daarentegen wordt de druk sterk onderschat
door een te kleine correctie.
Er moet echter voorzichtig omgesprongen worden met deze correcties. Het is van belang dat
de convectiecoefficient van de V-zone voldoende kleiner is dan die in de TP-zone. Neem bijvoorbeeld de condensor. Bij voldoende hoge druk werkt deze in de V-TP-L-mode. Stel dat
de inlaatvoorwaarden constant blijven, terwijl de druk daalt, zoals in figuur 5.15. De TP- en
V-zone vergroten, terwijl de L-zone verkleint. Op een bepaald moment is de druk voldoende

Hoofdstuk 5. Steady-state model

62

10

hg,r
hf,r

p [Pa]

testgeval 1 (correcties = 1 5)
testgeval 1 (correcties = 1 2)

10

10
1.5

2.5

3
h [J/kg]

3.5

4.5
5

x 10

Figuur 5.14: Invloed correctiefactoren op de convectiecoefficient in testgeval 1


laag zodat de condensor overgaat van V-TP-L naar V-TP. Vanaf dan begint de V-zone te
vergroten en de TP-zone te verkleinen. Als de convectiecoefficient in de V-zone te groot is,
groeit deze zone niet snel genoeg aangezien de damp dan veel te snel condenseert. De oplossing bij lagere druk wordt bijgevolg onfysisch. De uitlaatenthalpie is groter dan de damp
saturatie-enthalpie, terwijl de TP-zone nog vrij groot is. Fysisch gezien, moet de grootte van
de TP-zone naar nul gaan naarmate de uitlaatenthalpie de damp saturatie-enthalpie nadert.
Echter, het enthalpieverloop van het koelmiddel doorheen de warmtewisselaar is stuksgewijs
lineair verondersteld. Hieruit volgt ook een ongeveer lineair temperatuursverloop in de V-zone.
In werkelijkheid is het temperatuursverloop echter exponentieel onder steady-state voorwaarden [12]. Dit betekent dat in de simulatie het temperatuursverschil tussen secundair fludum
en het koelmiddel in de V-zone overschat wordt. Bijgevolg wordt ook de warmte-overdracht in
deze zone overschat en neemt de grootte van de V-zone niet snel genoeg toe. Het is dus van
belang dat de correctiefactoren voor de warmte-overdracht in de V-zone voldoende klein zijn
om te compenseren voor de overschatting van het temperatuursverschil.
Ten slotte wordt de totale lading in het systeem onderschat omwille van 3 redenen. Ten eerste is de 2-passige warmtewisselaar vereenvoudigd tot een 1-passige met dubbel zoveel pijpen.
Door deze vereenvoudiging verkleint het volume koelmiddel in de warmtewisselaar. Daarnaast
zit er nog een zekere hoeveelheid lading in de leidingen van het systeem. Ten slotte is de
void-fractie correlatie eigenlijk niet geschikt voor stroming over buizenbundels. Waarschijnlijk
wordt de void-fractie overschat zodat de voorspelling van lading in beide warmtewisselaars te
laag uitvalt.
Relaxatieparameters
Zoals uitgelegd in sectie 5.3, wordt er relaxatie toegepast op de outer loop. Dit is om te
voorkomen dat de toestandsgrootheden buiten de werkingsgrenzen van XProps komen te liggen. Om de convergentie te laten slagen, of op zijn minst sneller te laten lopen, is er geen
relaxatie toegepast op de zone-groottes. Stel bijvoorbeeld dat de L-zone in de condensor wegvalt ten gevolge van een te lage druk. Aangezien een groot deel van de lading in de L-zone van
de condensor zit, valt de berekende charge te laag uit, bijgevolg doet het algoritme de verdamperdruk toenemen. De klep zorgt er echter voor dat de oververhitting aan de uitlaat van de
verdamper constant blijft, zodat het massadebiet afneemt. Bijgevolg neemt de condensordruk
weer toe en wordt de L-zone opnieuw gentroduceerd. Door te sterke relaxatie van de zone-

Hoofdstuk 5. Steady-state model

druk

x 10

4.5
4

h [J/kg]

pr [Pa]

6.5

5.5

enthalpie

x 10

massadebiet
2

in

1.5

3.5

mr [kg/s]

63

out
3

0.5

2.5

10
test

15

10
test

15

10
test

15

1
0.8
0.6
0.4
0.2
0

10

12

14

16

18

test
FL

FTP

FV

Figuur 5.15: Verloop zone-groottes in condensor bij dalende druk en constante inlaatenthalpie
en massadebiet
groottes blijft deze reactie echter te lang uit. De ladingsvergelijking ziet niet dat de L-zone is
weggevallen en zal dus ook geen grote correcties aanbrengen aan de verdamperdruk. De druk
in de condensor blijft dalen, tot de grootte van de L-zone in de outer loop voldoende klein is.
Daarop wordt gereageerd door een sprong in de verdamperdruk. Deze geeft echter aanleiding
tot een te grote druk in de condensor, waardoor die weer moet afnemen. Het risico is bijgevolg
dat hetzelfde fenomeen opnieuw optreedt en de convergentie aldus slechts zeer traag vordert
of niet bereikt wordt door de grote oscillaties tijdens het itereren.

5.5

Conclusie

In dit hoofdstuk is een model ontwikkeld dat in staat is het steady-state gedrag van de koelmachine beschreven in [11] te reproduceren. Het gesimuleerde deellastgedrag komt kwalitatief
overeen met het opgemeten gedrag. Verder worden alle toestandsgrootheden, uitgezonderd
verdamper- en condensordruk goed voorspeld. De gesimuleerde COP vertoont dezelfde trend
als de opgemeten COP. Het valt echter op dat er een steeds sterkere onderschatting optreedt
naarmate de PLR stijgt. Er wordt aangetoond dat de afwijking op de COP en de verdamperen condensordruk te herleiden is naar de gekozen correlaties voor de warmte-overdracht. De
correlatie die de warmte-overdracht in de verdamper voorspelt is ongeschikt voor flow boiling,
zodat bij hogere PLR de warmte-overdracht onderschat wordt, wat resulteert in een lagere
verdamperdruk en aldus in een lagere COP. Verder wordt het effect van het elektromechanisch
rendement toegelicht. Het volstaat niet deze waarde als constant te beschouwen, aangezien
dit resulteert in een sterke overschatting van het motorvermogen bij hoge PLR. Ten slotte

Hoofdstuk 5. Steady-state model

64

wordt aan de hand van de void-fractie correlatie verklaard waarom de charge in de simulatie
kleiner is dan die in werkelijkheid. Hieraan is tegemoet gekomen door de warmte-overdracht
te corrigeren.

Hoofdstuk 6. Dynamisch model

65

Hoofdstuk 6

Dynamisch model
6.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt het dynamisch gedrag van de koelcylus uit [11] gesimuleerd en vergeleken
met de meetdata. Het model is gemplementeerd in MATLAB R2010a. De stofeigenschappen
worden geevalueerd met behulp van de XProps plug-in voor MATLAB.

6.2

Modelvergelijkingen

Het model van verdamper en condensor is opgesteld in hoofdstuk 4. Het gedrag van de verdamper wordt uitgedrukt aan de hand van 7 differentiaalvergelijkingen, aangevuld met 1 algebrasche vergelijking. Deze laatste drukt uit dat FT P + FV = 1. Wanneer de verdamper
zich in de TP-mode bevindt, zijn de behoudswetten opgesteld in de V-zone niet meer geldig en
worden vervangen door 3 pseudo-vergelijkingen. De onbekenden die in deze set vergelijkingen
voorkomen, zijn de interne variabelen van de verdamper en de toestandsgrootheden en het
massadebiet aan in- en uitlaat:
e
e
e
e
e
e
ye = [her,in her,out per (T2,out
)T P (T2,out
)V Tt,T
er,in m
er,out ]
P Tt,V FT P FV m

(6.2.1)

Het condensormodel bestaat uit 10 differentiaalvergelijkingen. Ook hier wordt de algebrasche


vergelijking FL + FT P + FV = 1 aan het stelsel toegevoegd. In de V-TP-mode, zijn de betrekkingen afgeleid in de L-zone niet meer geldig. Zoals in de verdamper, worden deze vervangen
door 3 pseudo-vergelijkingen. De onbekenden die in deze set vergelijkingen voorkomen, zijn de
interne variabelen van de condensor en de toestandsgrootheden en het massadebiet aan in- en
uitlaat:


c
c
c
c
c
c
c
c
yc = hcr,in hcr,out pcr (T2,out )L (T2,out
)T P (T2,out
)V Tt,L
Tt,T
cr,in m
cr,out (6.2.2)
P Tt,V FL FT P FV m

Het stelsel wordt verder aangevuld met het model van compressor en expansieklep. Beide
modellen zijn statisch, de modelvergelijkingen zijn bijgevolg algebrasch. Het compressormodel omvat 2 vergelijkingen: het massadebiet volgens Bourdouxhe et al. [5] en de polytrope
betrekking tussen in- en uitlaat. Het klepmodel bestaat ook uit 2 vergelijkingen: de Bernoulliklepvergelijking en het isenthalp verband tussen in- en uitlaat. Er worden geen extra onbekenden in het stelsel gentroduceerd. Deze vergelijkingen brengen immers in- en uitlaattoestand
van verdamper en condensor in verband. Het reservoir van de klep wordt echter dynamisch
gemodelleerd. Zo wordt een extra onbekende aan het stelsel toegevoegd:


yb = Tbulb

(6.2.3)

Hoofdstuk 6. Dynamisch model

66

Uiteindelijk wordt een niet-lineair stelsel differentiaal-algebrasche vergelijkingen bekomen van


de vorm:
dy
M(t, y) (t) = F(t, y)
(6.2.4)
dt

0
Dit moet opgelost worden naar het tijdsverloop van y = ye yc yb . M is de massamatrix,
deze is singulier.
In steady-state reduceert dit stelsel zich tot:
F(t, y) = 0

(6.2.5)

Dit is de steady-state vorm van het stelsel, gebruikt in hoofdstuk 5.

6.3

Oplossingsmethodiek

Het stelsel (6.2.4) wordt opgelost aan de hand van de ingebouwde MATLAB-solver ode15s.
Deze solver wordt aangeraden voor het oplossen van differentiaal-algebrasche problemen met
index 1 en hoge stijfheid. Voor meer informatie over dit specifiek algoritme, wordt de lezer
doorverwezen naar [30] en [21].
Er is gekozen voor een voorgeprogrammeerde solver aangezien deze al is geoptimaliseerd om
dergelijke problemen op te lossen. Dit heeft echter als nadeel dat de oorzaak van eventuele divergentie veel moeilijker op te sporen is. De individuele modellen zijn echter al vooraf grondig
getest. Zowel het compressor- als klepmodel zijn gemplementeerd in de steady-state simulatie. Daarnaast zijn ook het dynamische condensor- en verdampermodel als aparate entiteiten
gecontroleerd.

6.4

Resultaten

Er is 1 dynamische simulatie uitgevoerd. De randvoorwaarden komen overeen met het tijdsverloop zoals afgebeeld op figuur 2.4. Het model is echter niet in staat het opstartverschijnsel
te beschrijven. Daarom is er voor gekozen het starttijdstip van de simulatie te verleggen naar
t = 2700 s. Dit tijdstip wordt verder aangeduid met t = 0 s. Op dit moment bevindt het systeem zich in stationaire toestand, zodat de beginvoorwaarden van de simulatie overeenkomen
met de steady-state simulatieresultaten van testgeval 1. Hoewel de volledige testcyclus nog
verder doorloopt, eindigt de simulatie na 47000 s. Het model is immers ook niet geschikt om
het uitzetverschijnsel van de installatie te voorspellen.
In wat volgt, wordt nagegaan of het transient gedrag goed gecapteerd wordt. Het steadystate gedrag is immers al behandeld in hoofdstuk 5. Ook wordt de uitvoeringssnelheid van
de simulatie besproken. Dit is een belangrijk aspect aangezien er gekozen is voor een movingboundary model omwille van zijn hoge uitvoeringssnelheid. Kiezen voor de moving-boundary
aanpak brengt wel extra moeilijkheden met zich mee. De modelvergelijkingen zijn immers afhankelijk van de mode die optreedt in de warmtewisselaar. Wanneer een zone verdwijnt, blijft
de vorm van het stelsel behouden door de behoudsvergelijkingen van die zone te vervangen
door pseudo-vergelijkingen. Dit garandeert dat het schakelen tussen modes continu verloopt.
In het laatste deel van deze sectie wordt dit gedemonstreerd.

Hoofdstuk 6. Dynamisch model

67

x 10

verdamperdruk [Pa]

3.8
3.6
3.4
3.2
3
2.8
2.6

0.5

1.5

2.5
tijd [s]

simulatie

3.5

4.5
4

x 10
meting

x 10

11

condensordruk [Pa]

10
9
8
7
6
5
4

0.5

1.5

2.5
tijd [s]

3.5

4.5

5
4

x 10

Figuur 6.1: Simulatieresultaten verdamper- en condensordruk


Condensor

x 10

hr,out [J/kg]

2.5
2.4
2.3
2.2

0
5
x 10

0.5

1.5

hr,in [J/kg]

4.6

2.5
tijd [s]

2.5
tijd [s]

4.5
4

x 10

4.4

4.2

0.5

1.5

meting
4.1

3.5

4.5
4

x 10
simulatie

Verdamper

hr,out [J/kg]

3.5

x 10

4.05
4
3.95

hr,in [J/kg]

2.5

0
5
x 10

0.5

0.5

1.5

2.5
tijd [s]

2.5
tijd [s]

3.5

4.5
4

x 10

2.4
2.3
2.2

1.5

3.5

4.5
4

x 10

Figuur 6.2: Simulatieresultaten in- en uitlaatenthalpie van verdamper en condensor

Hoofdstuk 6. Dynamisch model

68

uitlaattemperatuur ijswater [K]

286
284
282
280
278
276
0

0.5

1.5

2.5
tijd [s]

simulatie

3.5

4.5
4

x 10
meting

uitlaattemperatuur koelwater [K]

310

305

300

295

290
0

0.5

1.5

2.5
tijd [s]

3.5

4.5
4

x 10

Figuur 6.3: Simulatieresultaten uitlaattemperatuur koel- en ijswater


2.2
2

massadebiet [kg/s]

1.8
1.6
1.4
1.2
1
0.8
0.6
0.4
0

0.5

1.5
meting

2.5
tijd [s]

3.5

4.5
4

x 10

simulatie (comp)

simulatie (tev)

140

PLRset [%]

120
100
80
60
40
20

0.5

1.5

2.5
tijd [s]

3.5

4.5
4

x 10

Figuur 6.4: Simulatieresultaten massadebiet compressor en expansieklep en tijdsverloop PLR

Hoofdstuk 6. Dynamisch model

6.4.1

69

Uitvoeringssnelheid

De simulatie werd uitgevoerd op een PC met 4 GB RAM-geheugen en een dual-core processor


van 2.4 GHz. De volledige run nam ongeveer 19500 s in beslag. Dit betekent dus dat de
simulatie ongeveer 2.4 keer sneller verliep dan real-time.

6.4.2

Nauwkeurigheid simulatieresultaten

Toestandsgrootheden
In figuren 6.1, 6.2 en 6.3 worden de simulatieresulaten van de toestandsgrootheden vergeleken met de metingen. Het tijdsverloop van de in- en uitlaatenthalpie in zowel verdamper als
condensor komt goed overeen met de meetresultaten. Zoals aangekaart in hoofdstuk 5, wordt
de verdamperdruk niet goed voorspeld. Ook de nauwkeurigheid van de voorspelde verdamperdruk is laag. Toch wordt het transient gedrag van beide grootheden goed voorspeld. Figuur 6.5
geeft de respons van de condensordruk weer op een grote verstoring van de randvoorwaarden.
Zelfs hier komen de opgemeten en gesimuleerde transient kwalitatief goed overeen. Beide overgangsverschijnselen hebben immers dezelfde vorm. Er treedt met andere woorden geen overof undershoot op en de voorspelde tijdsconstante komt overeen met de opgemeten waarde.
5

10

x 10

x 10

9
8.5
condensordruk [Pa]

8
7
6
5
1.4

simulatie
meting
1.45

1.5

1.55
tijd [s]

1.6

1.65

8
7.5
7
6.5
simulatie
meting

6
5.5

1.7

310

200

3.3

3.4
4

x 10

200
Tewi
Tcwi

100
290

PLR [%]

150

PLR

temperatuur [K]

Tcwi
temperatuur [K]

3.2
tijd [s]

310

Tewi

300

3.1

x 10

300

150

PLR
100

PLR [%]

condensordruk [Pa]

290
50

50
280
1.4

1.45

1.5

1.55
tijd [s]

1.6

1.65

1.7
4

x 10

280
3

3.1

3.2
tijd [s]

3.3

0
3.4
4

x 10

Figuur 6.5: Overeenkomst tussen opgemeten en gesimuleerd transient gedrag condensordruk


Ten slotte wordt ook het verloop van de uitlaattemperatuur van het koelwater goed voorspeld.
Het gedrag van de ijswatertemperatuur komt echter minder goed overeen met de werkelijkheid.
Massadebiet
Het transient verloop van het massadebiet vertoont een goede gelijkenis met de meetresultaten
(zie figuur 6.4). Echter, bij sterke verandering van de randvoorwaarden komt het gesimuleerde
gedrag niet meer overeen met het opgemeten gedrag. In figuur 6.6 is links de overgang tussen

Hoofdstuk 6. Dynamisch model

70

testgeval 9 en 10 weergegeven en rechts de overgang tussen 18 en 19. Beide komen overeen


met een daling van de insteltemperatuur van het uitgaand ijswater. Daarnaast stijgt in beide
gevallen de inlaattemperatuur van zowel het ijswater als het koelwater. Dit komt dus overeen
met een sterke stijging in de PLR.
2

massadebiet [kg/s]

massadebiet [kg/s]

1.5

0.5
1.4

1.45

1.5
tijd [s]

1.55

0.5

1.6

3.1

x 10

simulatie (comp)
120

100

100
PLRset [%]

120

80
60
40
20
1.4

3.05

meting

PLRset [%]

1.5

3.15
tijd [s]

3.2

3.25

3.3
4

x 10

simulatie (tev)

80
60
40

1.45

1.5
tijd [s]

1.55

1.6
4

x 10

20

3.05

3.1

3.15
tijd [s]

3.2

3.25

3.3
4

x 10

Figuur 6.6: Afwijking tussen opgemeten en gesimuleerd transient gedrag massadebiet


Er is verondersteld dat de tijdsconstante van het reservoir van de thermostatische expansieklep
gelijk is aan 5 s. Deze waarde is van dezelfde grootte-orde als de kleppen gemodelleerd door
Mithraratne et al. [23].
Zoals weergegeven in figuur 6.7 resulteert een te kleine tijdsconstante in sterke oscillaties in
het massadebiet doorheen de klep. De druk in het reservoir reageert dan immers zeer hevig op
kleine veranderingen in de oververhitting aan de uitlaat van de verdamper.
De tijdsconstante mag echter niet te groot zijn. Figuur 6.8 toont de simulatieresultaten bij de
overgang van testgeval 3 naar 4 met 2 verschillende tijdsconstanten. Tijdens de overgang daalt
de inlaattemperatuur van het koelwater, maar neemt die van het ijswater toe. De insteltemperatuur van het uitgaande ijswater blijft echter constant (zie tabel 2.3). Omdat de koellast
groter wordt, terwijl de insteltemperatuur gelijk blijft, daalt de druk in de verdamper. Deze
drukdaling heeft als gevolg dat het massadebiet doorheen de klep stijgt. Ook het massadebiet door de compressor neemt toe als gevolg van het openen van de inlaatschoepen door de
toename in PLR. Door de stijging van het massadebiet, neemt de oververhitting van het koelmiddel echter af. Wanneer de uitlaatenthalpie sneller daalt dan de damp saturatie-enthalpie,
zal deze op een bepaald moment lager uitvallen. Dit betekent dat de dampzone aan de uitlaat
van de verdamper zal verdwijnen. De klep reageert evenwel op de dalende oververhitting door
de klepheffing te verkleinen. Door deze corrigerende actie, zakt op een bepaald moment het
inlaatdebiet onder het uitlaatdebiet. Dit betekent dus dat de verdamperdruk vanaf dan sneller
begint te dalen. Als deze reactie optreedt nog voor de uitlaatenthalpie kleiner wordt dan damp
saturatie-enthalpie, verdwijnt de dampzone niet. Immers, de damp saturatie-enthalpie begint

Hoofdstuk 6. Dynamisch model

71

samen met de druk sneller te dalen, zodat het teken van het verschil met de uitlaatenthalpie
behouden blijft. Wanneer de tijdsconstante te groot is, blijft deze reactie te lang uit, zodat de
dampzone wegvalt. Uit de metingen blijkt dat dit nooit voorvalt. Daarom is er gekozen voor
een lagere tijdsconstante. Zoals te zien in figuur 6.8, daalt de druk hier sneller, zodat de damp
saturatie-enthalpie altijd onder de uitlaatenthalpie blijft liggen en de dampzone dus behouden
blijft.
Eigenlijk hangt de bovengrens af van de veronderstelde tijdsconstante van de sturing van de
inlaatschoepen. Er is verondersteld dat de dynamica van de aansturing verwaarloosbaar is, zodat deze tijdsconstante gelijk is aan nul. Echter, hoe groter deze waarde verondersteld wordt,
hoe groter de tijdsconstante van het reservoir kan gekozen worden. Immers, hoe trager de
inlaatschoepen reageren op een stijging in de PLR, hoe trager de uitlaatenthalpie daalt, want
het massadebiet aan de uitlaat neemt niet zo snel toe. Dit compenseert dus de late reactie van
de klep.
= 10 s

=5s

=0s

1.32

1.32

1.32

1.3

1.3

1.3

1.28

1.28

1.28
[kg/s]

1.34

[kg/s]

1.34

[kg/s]

1.34

1.26

1.26

1.26

1.24

1.24

1.24

1.22

1.22

1.22

1.2
500

1000
1500
t [s]

2000

1.2
500

1000
1500
t [s]
mtev

2000

1.2
500

1000
1500
t [s]

2000

mcomp

Figuur 6.7: Invloed te kleine tijdsconstante van het reservoir


Uit figuur 6.6 blijkt dat het massadebiet in de simulatie veel sneller reageert op een stijging in
PLR dan in realiteit. Het verschil met de meetresultaten suggereert dus dat beide tijdsconstanten te klein zijn gemodelleerd. Dit volgt ook uit een vergelijking met het werk van Comstock
en Braun [11] die dezelfde cyclus gemodelleerd hebben. Deze onderzoekers veronderstellen dat
de tijdsconstante van het reservoir gelijk is aan 100 s. Comstock en Braun [11] nemen ook
de traagheid van de inlaatschoepen in rekening. Deze traagheid is volgens hen te wijten aan
het hydraulisch systeem dat de schoepen aanstuurt. Echter, nergens in het werk wordt de
grootte-orde van deze traagheid vermeld.

6.4.3

Schakelen tussen modes

Het schakelen wordt getest door de inlaatvoorwaarden uit tabel 6.1 constant te houden terwijl
een sprong aangelegd wordt in het instelpunt van de uitlaattemperatuur van het ijswater. Dit
komt dus neer op een sprong in de PLR, zoals weergegeven in figuur 6.9. Het resulterend
tijdsverloop van de toestandsgrootheden, het massadebiet en de interne variabelen van de
verdamper is weergegeven in figuren 6.10 en 6.11.

Hoofdstuk 6. Dynamisch model

72
= 25 s

3.96

x 10

4.038
mr,in

3.94

0.85

3.88

4.036
her,out [J/kg]

mer [kg/s]

per [Pa]

3.9

0.8
0.75

3.86

4.034
hg,r

4.032

responsietijd

3.82
3740

3760

3780
tijd [s]

0.65
3740

3800

3760

x 10

4.031
3740

3800

4.038
mr,in

0.85

3.88

0.8
0.75
responsietijd

3.86

3760

3780
tijd [s]

3800

0.65
3740

her,out

x 10

4.035
4.034
4.033

0.7

3.84

3800

4.036
her,out [J/kg]

mer [kg/s]

3.9

3780
tijd [s]

4.037

mr,out

3.92

3760

0.9

3.94

3.82
3740

3780
tijd [s]

=5s

per [Pa]

4.035

4.033
0.7

3.84

3.96

x 10

4.037

mr,out

3.92

her,out

0.9

hg,r

4.032
3760

3780
tijd [s]

4.031
3740

3800

3760

3780
tijd [s]

3800

Figuur 6.8: Invloed te grote tijdsconstante van het reservoir


100
90
80
70

PLR [%]

60
50
40
30
20
10
0
600

800

1000

1200

1400

1600

tijd [s]

Figuur 6.9: Tijdsverloop PLR om schakelen te testen

verdamper
condensor

T2,in [K]
284.65
297.14

m
2 [kg/s]
13.57
16.8

p2 [P a]
101356.5
101356.6

Tabel 6.1: Inlaatvoorwaarden om schakelen te testen


De tijdsconstante van het reservoir is moedwillig ingesteld op 75 s. Zoals eerder aangetoond,
verdwijnt hierdoor de dampzone aan de uitlaat van de verdamper. Deze zone verdwijnt ongeveer op t = 1035 s en treedt opnieuw in op t = 1385 s. In figuur 6.10 is het effect van de
pseudo-vergelijkingen weergegeven. Zowel de uitlaattemperatuur van het secundair fludum
als de buiswandtemperatuur van de inactieve V-zone naderen asymptotisch naar de corres-

Hoofdstuk 6. Dynamisch model

73

Fezone

[]

0.5

0
600

700

800

900

1000

1100
tijd [s]

1200

1300

1400

1500

1600

1200

1300

1400

1500

1600

1200

1300

1400

1500

1600

(Te2,out)zone
290

[K]

285
280
275
600

700

800

900

1000

1100
tijd [s]
Tet

290

[K]

285
280
275
600

700

800

900

1000

1100
tijd [s]
zone TP

zone V

Figuur 6.10: Tijdsverloop zone-groottes en temperaturen in de verdamper tijdens schakelen


per

x 10

[J/kg]

[Pa]

x 10

3.8

3.6

3.4

3.2
600

her

4.5

3.5

in
out

3
2.5

800

1000
1200
tijd [s]

1400

2
600

1600

800

mer

1000
1200
tijd [s]

1400

1600

1400

1600

Te2,out

1.4

283.5
283

1.2

[K]

[kg/s]

282.5
1
282

0.8
281.5
0.6
0.4
600

in
out
800

1000
1200
tijd [s]

1400

1600

281
280.5
600

800

1000
1200
tijd [s]

Figuur 6.11: Tijdsverloop toestandsgrootheden en massadebiet verdamper tijdens schakelen

Hoofdstuk 6. Dynamisch model

74

ponderende waarden van de actieve TP-zone. Ook de zone-grootte nadert naar een kleine,
maar positieve waarde . Bij herintrede, verdwijnen de pseudo-vergelijkingen uit het stelsel en
worden vervangen door de behoudswetten opgesteld in de V-zone. Uit figuur 6.11 blijkt dat er
zowel bij het heen- als terugschakelen geen discontinuteiten optreden in de toestandsgrootheden. Dit versterkt aldus het vertrouwen in een moving-boundary modellering.

6.5

Conclusie

In dit hoofdstuk is een model ontwikkeld dat in staat is het dynamisch gedrag van de koelmachine beschreven in [11] te reproduceren. Het gesimuleerde transient gedrag komt kwalitatief
goed overeen met het opgemeten gedrag. Er wordt geduid dat de traagheid van zowel het reservoir van de expansieklep als de sturing van de inlaatschoepen van de compressor een invloed
hebben op het verloop van het massadebiet in de cyclus. De tijdsconstante van het reservoir
mag niet te klein zijn omdat dit oscillaties in het klepdebiet induceert. Deze waarde mag echter
ook niet te groot zijn omdat anders zones verdwijnen. Uit de meetdata blijkt echter dat de uitlaat van de verdamper altijd oververhit is, terwijl de uitlaat van de condensor altijd onderkoeld
is. Verder is aangetoond dat de traagheid van de inlaatschoepen de limietwaarden van de reservoirtijdsconstante benvloedt. Ten slotte is gedemonstreerd dat het verdwijnen van een zone
op zich geen probleem stelt. Bij het schakelen blijft de continuteit van de toestandsgrootheden
behouden dankzij het invoeren van de pseudo-vergelijkingen.

Hoofdstuk 7. Conclusie

75

Hoofdstuk 7

Conclusie
7.1

Conclusie

In dit huidig werk is een theoretisch model ontwikkeld dat in staat is zowel het statisch als het
dynamisch gedrag van een subkritische compressie-koelcyclus te voorspellen. De beschikbare
hoeveelheid constructieve data is echter zeer beperkt, daarom is er bij de modellering van klep
en compressor in beperkte mate gebruik gemaakt van data-fitting. De warmtewisselaars zijn
gemodelleerd volgens de moving-boundary methode. Vervolgens zijn de simulatieresultaten
vergeleken met de meetdata. Het gesimuleerde steady-state deellastgedrag komt kwalitatief
overeen met het opgemeten gedrag. Verder worden ook de toestandsgrootheden, uitgezonderd
de verdamper- en condensordruk, goed voorspeld. Hoewel de gesimuleerde en opgemeten trends
overeenkomen, zit er ook een vrij grote afwijking op de voorspelling van de COP. Er wordt
aangetoond dat beide problemen te herleiden zijn tot de gekozen correlaties voor de warmteoverdracht. Verder wordt geduid dat ook het elektromechanisch rendement van de compressor
een rol speelt in de voorspelling van de COP. Ook wordt de invloed van de void-fractie correlatie
aangekaart en het effect van de polytrope exponent op het deellastgedrag toegelicht. Daarnaast
wordt ook het dynamisch gedrag van de koelcyclus kwalitatief goed beschreven. Zowel de duur
als het verloop van de overgangsverschijnselen worden accuraat gereproduceerd. Hieruit blijkt
dat een steady-state datafit voldoende is om het dynamisch gedrag te capteren. Ook wordt
het effect gellustreerd van de tijdsconstante van zowel het reservoir van de expansieklep als
van de sturing van de inlaatschoepen van de compressor. Ten slotte wordt aangetoond hoe het
warmtewisselaarmodel zich gedraagt in abnormale omstandigheden, waarin de uitlaat van de
verdamper niet meer oververhit is of waarin de uitlaat van de condensor 2-fasig wordt.
Er is ook grote aandacht besteed aan de modulariteit en de gebruiksvriendelijkheid van het
simulatiemodel. Dit behoorde niet zozeer tot de hoofdopdracht van de thesis. Toch is dit een
belangrijk aspect van een simulatiemodel. Het biedt immers de mogelijkheid om het model in
een latere fase op een snelle en eenvoudige wijze uit te breiden en te gebruiken om ook andere
koelcycli te simuleren en te bestuderen. Modulariteit is immers 1 van de grote voordelen van
numerieke modellen.

7.2

Aanbevelingen voor verder onderzoek

Er moet nog verder onderzoek gebeuren naar de invloed van de veronderstellingen die gedaan
zijn bij het modelleren. Ten eerste is er verondersteld dat de drukval in beide warmtewisselaars
nul is. Er moet echter nagegaan worden welke invloed dit heeft, zowel statisch als dynamisch.
Verder is de dynamica van klep en compressor verwaarloosd. Ook het gevolg van choking in
de klep wordt niet in rekening gebracht. Er zijn evenwel modellen ontwikkeld die hier wel
rekening mee houden. Gezien de modulariteit van het simulatiemodel kunnen deze eenvoudig

Hoofdstuk 7. Conclusie

76

gemplementeerd worden om het effect op cyclusniveau te bestuderen. Ten slotte is geponeerd


dat het enthalpieverloop in de verdamper stuksgewijze lineair is. Het wordt aanbevolen om
ook de weerslag van deze veronderstelling te analyseren.
Een ander onderwerp van verder onderzoek omvat het uitbreiden van het model, zodat zijn
toepasbaarheid vergroot. Het compressor- en klepmodel kunnen bijvoorbeeld uitgebreid worden zodat het cyclusmodel ook in staat is het start-stop gedrag te voorspellen. Daarnaast kan
het verdamper- en condensormodel aangepast worden, zodat ze ook bruikbaar zijn voor andere
types warmtewisselaars.

Bijlage A. Proefstand

77

Bijlage A

Proefstand
Tabel A.3 geeft een overzicht van alle gemeten en berekende waarden. Ook wordt de absolute
fout van iedere meting weergegeven, zowel in deellast- als in vollastomstandigheden. De relatieve fout wordt bepaald door de absolute fout te delen door de meetwaarde. De gebruikte
nomenclatuur wordt verklaard in tabel A.1. Deze tabellen komen rechtstreeks uit [11]. Voor
meer informatie wat betreft instrumentatie en de opbouw van de proefstand wordt de lezer
doorverwezen naar [11].

37

Bijlage A. Proefstand

78

Table 3.2: Exported data from experimental test runs.


Designation

Source

Description

Units

Time
TWE_set
TEI

VisSim
MicroTech
JCI AHU
(RTD)
MicroTech
(Thermistor)
JCI AHU
(RTD)
MicroTech
(Thermistor)
JCI AHU
(RTD)
MicroTech
(Thermistor)
JCI AHU
(RTD)
MicroTech
(Thermistor)
JCI AHU
(RTD)
JCI AHU
(RTD)
JCI AHU
(RTD)
JCI AHU
(RTD)
VisSim
VisSim
VisSim

Real time counter


Chilled water setpointcontrol variable
Temperature of Evaporator Water In

Seconds
F
F

Temperature of Evaporator Water In

Temperature of Evaporator Water Out

Temperature of Evaporator Water Out

Temperature of Condenser Water In

Temperature of Condenser Water In

Temperature of Condenser Water Out

Temperature of Condenser Water Out

Temperature of Shared HX Water In


(in Condenser Water Loop)
Temperature of Shared HX Water Out
(in Condenser Water Loop)
Temperature of Building Water In
(in Evaporator Water Loop)
Temperature of Building Water Out
(in Evaporator Water Loop)
Calculated Condenser Heat Rejection Rate
Calculated City Water Cooling Rate
Calculated Shared HX Heat Transfer
(only valid with no water bypass)
Calculated 1st Law Energy Balance for Condenser Water
Loop (only valid with no water bypass)
Calculated Evaporator Cooling Rate
Calculated Shared HX Heat Transfer (should equal Shared
Cond Tons with no water bypass)
Calculated Steam Heating Load
Calculated 1st Law Energy Balance for Evaporator Water
Loop
Watt Transducer Measuring Instantaneous Compressor
Power
Calculated Coefficient of Performance
Calculated Compressor Efficiency
Flow Rate of Condenser Water
Flow Rate of Evaporator Water
Evaporator Approach Temperature (TWEO-TRE)
Condenser Approach Temperature (TRC-TWCO)
Saturated Refrigerant Temperature in Evaporator

TWEI
TEO
TWEO
TCI
TWCI
TCO
TWCO
TSI
TSO
TBI
TBO
Cond Tons
Cooling Tons
Shared Cond
Tons
Cond Energy
Balance
Evap Tons
Shared Evap
Tons
Building Tons
Evap Energy
Balance
kW
COP
kW/ton
FWC
FWE
TEA
TCA
TRE

VisSim
VisSim
VisSim
VisSim
VisSim
JCI AHU
VisSim
VisSim
JCI AHU
JCI AHU
MicroTech
MicroTech
MicroTech

Tabel A.1: Nomenclatuur

F
F
F
Tons
Tons
Tons
Tons
Tons
Tons
Tons
Tons
kW
-kW/ton
GPM
GPM
F
F
F

38
Bijlage A. Proefstand

79

Table 3.2: Continued.


Designation

Source

Description

Units

PRE
TRC
PRC
TRC_sub
T_suc
Tsh_suc
TR_dis
Tsh_dis
P_lift
Amps
RLA%
Heat Balance
(kW)
Heat Balance%
Tolerance%

MicroTech
MicroTech
MicroTech
MicroTech
MicroTech
MicroTech
MicroTech
MicroTech
MicroTech
MicroTech
MicroTech
VisSim

Pressure of Refrigerant in Evaporator


Saturated Refrigerant Temperature in Condenser
Pressure of Refrigerant in Condenser
Liquid-line Refrigerant Subcooling from Condenser
Refrigerant Suction Temperature
Refrigerant Suction Superheat Temperature
Refrigerant Discharge Temperature
Refrigerant Discharge Superheat Temperature
Pressure Lift Across Compressor
Current Draw Across One Leg of Motor Input
Percent of Maximum Rated Load Amps
Calculated 1st Law Energy Balance for Chiller

PSIG
F
PSIG
F
F
F
F
F
PSI
Amps
%
kW

VisSim
VisSim

%
%

Unit Status
Active Fault
TO_sump
TO_feed
PO_feed
PO_net
TWCD
TWED
VSS
VSL
VH
VM
VC
VE
VW
TWI

MicroTech
MicroTech
MicroTech
MicroTech
MicroTech
MicroTech
MicroTech
MicroTech
JCI AHU
JCI AHU
JCI AHU
JCI AHU
JCI AHU
JCI AHU
JCI AHU
JCI AHU
(RTD)
JCI AHU
(RTD)
JCI AHU
(RTD)
JCI AHU
(RTD)
VisSim
VisSim
VisSim

Calculated 1st Law Energy Balance for Chiller


Calculated Heat Balance Tolerance (ARI 550 defined as
allowable test tolerance on heat balance)
Consult Table B.4 in Appendix
Consult Table B.3 in Appendix
Temperature of Oil in Sump
Temperature of Oil Feed
Pressure of Oil Feed
Oil Feed minus Oil Vent Pressure
Condenser Water Temperature Difference (TWCO-TWCI)
Evaporator Water Temperature Difference (TWEI-TWEO)
Small Steam Valve Position
Large Steam Valve Position
Hot Water Valve Position
3-way Mixing Valve Position
Condenser Valve Position
Evaporator Valve Position
City Water Valve Position
Temperature of City Water In

0 27
0 44
F
F
PSIG
PSI
F
F
% Open
% Open
% Open
% Mix
% Open
% Open
% Open
F

Temperature of City Water Out

Temperature of Hot Water In

Temperature of Hot Water Out

Calculated City Water Flow Rate


Calculated Hot Water Flow Rate
Calculated Condenser Water Bypass Flow Rate

GPM
GPM
GPM

TWO
THI
THO
FWW
FWH
FWB

Tabel A.2: Vervolg tabel A.1

46
Bijlage A. Proefstand

Table 3.4: Complete listing of measured and calculated variables with corresponding80
absolute uncertainties.
Designation

Source

Full Load
Uncertainty

Low Load
Uncertainty

Units

TEI
TWEI

JCI AHU (RTD)


MicroTech
(Thermistor)
JCI AHU (RTD)
MicroTech
(Thermistor)
JCI AHU (RTD)
MicroTech
(Thermistor)
JCI AHU (RTD)
MicroTech
(Thermistor)
JCI AHU (RTD)
JCI AHU (RTD)
JCI AHU (RTD)
JCI AHU (RTD)
VisSim
VisSim
VisSim
VisSim
VisSim
VisSim
VisSim
VisSim
JCI AHU
VisSim
VisSim
JCI AHU
JCI AHU
MicroTech
MicroTech
MicroTech
MicroTech
MicroTech
MicroTech
MicroTech
MicroTech
MicroTech
MicroTech
MicroTech
MicroTech
MicroTech
MicroTech
VisSim
VisSim

0.05
0.2

0.05
0.2

F
F

0.05
0.2

0.05
0.2

F
F

0.05
0.2

0.05
0.2

F
F

0.05
0.2

0.05
0.2

F
F

0.05
0.05
0.05
0.05
1.32
0.9
1.32*
2.07*
1.08
1.08
0.63
1.65
1.8
0.117
0.026
2.8
2.2
0.3
0.5
0.3
0.3
0.3
0.5
0.54
0.2
0.36
0.2
0.54
0.6
5
4
12.4
3.1

0.05
0.05
0.05
0.05
0.7
0.85
0.7*
1.3*
0.75
0.75
1.05
1.49
1.8
0.153
0.071
2.8
2.2
0.3
0.5
0.3
0.3
0.3
0.5
0.54
0.2
0.36
0.2
0.54
0.6
5
4
6.72
5.6

F
F
F
F
Tons
Tons
Tons
Tons
Tons
Tons
Tons
Tons
kW
--GPM
GPM
F
F
F
PSIG
F
PSIG
F
F
F
F
F
PSI
Amps
%
kW
%

TEO
TWEO
TCI
TWCI
TCO
TWCO
TSI
TSO
TBI
TBO
Cond Tons
Cooling Tons
Shared Cond Tons
Cond Energy Balance
Evap Tons
Shared Evap Tons
Building Tons
Evap Energy Balance
kW
COP
kW/ton
FWC
FWE
TEA
TCA
TRE
PRE
TRC
PRC
TRC_sub
T_suc
Tsh_suc
TR_dis
Tsh_dis
P_lift
Amps
RLA%
Heat Balance (kW)
Heat Balance%

Tabel A.3: Absolute fouten

47
Bijlage A. Proefstand

81

Table 3.4: Continued.


Designation

Source

Full Load
Uncertainty

Low Load
Uncertainty

Units

Tolerance%
TO_sump
TO_feed
PO_feed
PO_net
TWCD
TWED
TWI
TWO
THI
THO
FWW
FWH
FWB

VisSim
MicroTech
MicroTech
MicroTech
MicroTech
MicroTech
MicroTech
JCI AHU (RTD)
JCI AHU (RTD)
JCI AHU (RTD)
JCI AHU (RTD)
VisSim
VisSim
VisSim

5.7
0.2
0.2
0.5
0.5
0.6
0.4
0.05
0.05
0.05
0.05
4.5
3.5
4.9

5.7
0.2
0.2
0.5
0.5
0.6
0.4
0.05
0.05
0.05
0.05
7.0
25
7.3

%
F
F
PSIG
PSI
F
F
F
F
F
F
GPM
GPM
GPM

denotes a calculation whose results are unreliable if any condenser water is bypassed around shared heat exchanger

Tabel A.4: Vervolg tabel A.3

The values given in Table 3.4 are the absolute uncertainties for each
measurement, to find the uncertainty it is necessary to divide by the measurement.
Important measurements with the highest uncertainties are:

Suction superheat with an uncertainty of 5 to 25%

Liquid subcooling with an uncertainty of 5 to 15%

Evaporator approach temperature with an uncertainty of 4 to 10%

Condenser approach temperature with an uncertainty of 8 to 25%

kW/ton with an uncertainty of 4 to 5%

Differences in uncertainties occur because of significant changes in the measurements at


various operating conditions.

3.7

Test Matrix

Soon after commissioning the chiller test stand, tests were run at various
temperature and loading extremes to determine the operating envelope of the chiller.
ARI Standard 550 recommends testing at a chilled water temperature of 44F (TEO) and
a condenser water entering temperature of 85F (TCI) for standard rating conditions.

Bijlage B. Dynamische zone-specifieke behoudsvergelijkingen verdamper en condensor

82

Bijlage B

Dynamische zone-specifieke
behoudsvergelijkingen verdamper en
condensor

Verdamper

Deze sectie geeft een overzicht van de dynamische zone-specifieke behoudsvergelijkingen van de verdamper. Het TP-V-model is afgeleid in hoofdstuk
4. De vergelijkingen die het gedrag in de TP-mode beschrijven, zijn ook weergegeven. Deze zijn op dezelfde manier afgeleid.
In beide modes geldt dat:
FT P + FV = 1

B.1.1

(B.1.1)

TP-V-mode

Buiswand

dTt,T P
dFT P
= t Ct Vt
FT P +
FT P (Tt,T P Tt,V )
dt
dt


dTt,V
dFV
= t Ct Vt
FV +
FV (Tt,V Tt,T P )
dt
dt


Q2t,T P + Qrt,T P
Q2t,V + Qrt,V

(B.1.2)
(B.1.3)

Secundair fludum


d(T2,out )T P
dT2,in
dFT P
2 Cp,2 V2 FT P = 2 Cp,2 V2 1/2
FT P +
FT P (T2,T P T2,V )
Q2t,T P FT P m
2 Cp,2 [(T2,out )T P T2,in ] 1/2
dt
dt
dt


dT2,in
d(T2,out )V
dFV
Q2t,V FV m
2 Cp,2 [(T2,out )V T2,in ] 1/2
2 Cp,2 V2 FV = 2 Cp,2 V2 1/2
FV +
FV (T2,V T2,T P )
dt
dt
dt

(B.1.4)
(B.1.5)

Koelmiddel
massabehoud:

(B.1.6)

83

dFT P
[(
1)(g,r f,r )] Vr
dt

df,r
dg,r
dpr

+ (1 )
+
(g,r f,r ) FT P Vr
dt
dpr
dpr
pr


dhr,in

+
(g,r f,r ) FT P Vr
dt
hr,in

m
r,in m
r,T P V =

Bijlage B. Dynamische zone-specifieke behoudsvergelijkingen verdamper en condensor

B.1

(B.1.7)

Optellen van beide vergelijkingen resulteert in:


dFT P
dFV
[(
1)(g,r f,r )] Vr +
[r,V g,r ] Vr
dt 
dt



df,r
r,V dhg,r
r,V
dg,r
dpr

+
FV 1/2
+
+ FT P
+ (1 )
+
(g,r f,r ) Vr
dt
hr,V dpr
pr
dpr
dpr
pr


dhr,in

(g,r f,r ) FT P Vr
+
dt
hr,in


r,V
dhr,out
1/2
FV Vr
+
dt
hr,V

m
r,in m
r,out =

(B.1.8)

energiebehoud:

dFT P
[(
1) ((h)g,r (h)f,r )] Vr
dt

d(h)f,r
d(h)g,r
dpr

+ (1 )
+
((h)g,r (h)f,r ) 1 FT P Vr
dt
dpr
dpr
pr


dhr,in

+
((h)g,r (h)f,r ) FT P Vr
dt
hr,in

m
r,in [hr,in hg,r ] Qrt,T P =

hg,r [m
r,in m
r,T P V ]

(B.1.9)

Bijlage B. Dynamische zone-specifieke behoudsvergelijkingen verdamper en condensor

dFV
[r,V g,r ] Vr
dt 

r,V dhg,r
r,V
dpr
+
1/2
+
FV Vr
dt
hr,V dpr
pr


r,V
dhr,out
1/2
+
FV Vr
dt
hr,V

m
r,T P V m
r,out =

84

(B.1.10)

hg,r [m
r,T P V m
rout ]

B.1.2

TP-mode

Buiswand
Q2t,T P + Qrt,T P = t Ct Vt

dTt,T P
FT P
dt

(B.1.11)

Secundair fludum
Q2t,T P FT P m
2 Cp,2 [(T2,out )T P



d(T2,out )T P
dT2,in
2 Cp,2 V2 FT P = 2 Cp,2 V2 1/2
FT P
T2,in ] 1/2
dt
dt

(B.1.12)
(B.1.13)

Koelmiddel
massabehoud:

(B.1.14)

85



df,r
dg,r
dpr

m
r,in m
r,out =

+ (1 )
+
(g,r f,r ) FT P Vr
dt
dpr
dpr
pr


dhr,in

+
(g,r f,r ) FT P Vr
dt
hr,in


dhr,out

+
(g,r f,r ) FT P Vr
dt
hr,out

Bijlage B. Dynamische zone-specifieke behoudsvergelijkingen verdamper en condensor

dFV
[(h)r,V (h)g,r ] Vr
dt 

(h)r,V dhg,r
(h)r,V
dpr
+
1/2
+
1 FV Vr
dt
hr,V dpr
pr


(h)r,V
dhr,out
+
1/2
FV Vr
dt
hr,V

m
r,out [hg,r hr,out ] Qrt,V =

m
r,in hr in m
r,out hr,out Qrt,T P



d(h)f,r
d(h)g,r
dpr

+ (1 )
+
((h)g,r (h)f,r ) 1 FT P Vr
dt
dpr
dpr
pr


dhr,in

((h)g,r (h)f,r ) FT P Vr
+
dt
hr,in


dhr,out

+
((h)g,r (h)f,r ) FT P Vr
dt
hr,out

(B.1.15)

Pseudo-vergelijkingen

kF

dFV
=  FV
dt

dTt,V
= Tt,T P Tt,V
dt
d(T2,out )V
k2
= (T2,out )T P (T2,out )V
dt
kt

(B.1.16)
(B.1.17)
(B.1.18)

 werd tijdens de simulaties gelijk gesteld aan 0.001. Voor kF , kt en k2 zijn respectievelijk de waarden 1000, 15 en 15 s gekozen.

B.2

Condensor

Deze sectie geeft een overzicht van de dynamische zone-specifieke behoudsvergelijkingen van de condensor. Het V-TP-L-model is afgeleid in hoofdstuk 4. De vergelijkingen die het gedrag in de V-TP-mode beschrijven, zijn ook weergegeven. Deze zijn op dezelfde manier afgeleid.
In beide modes geldt dat:
FL + FT P + FV = 1

(B.2.1)

Bijlage B. Dynamische zone-specifieke behoudsvergelijkingen verdamper en condensor

energiebehoud:

86

V-TP-L-mode

Buiswand

dTt,V
dFV
FV
FV +
(Tt,V Tt,T P )
dt
dt FV + FT P


dTt,T P
dFV FV Tt,T P + FT P Tt,V
dFT P
dFL FL Tt,T P + FT P Tt,L
= t Ct Vt
FT P +
+
Tt,T P +
dt
dt
FV + FT P
dt
dt
FL + FT P


dTt,L
dFL
FL
FL +
(Tt,L Tt,T P )
= t Ct Vt
dt
dt FL + FT P


Q2t,V + Qrt,V = t Ct Vt
Q2t,T P + Qrt,T P
Q2t,L + Qrt,L

(B.2.2)
(B.2.3)
(B.2.4)

Secundair fludum


d(T2,out )V
dT2,in
dFV
FV
2 Cp,2 V2 FV = 2 Cp,2 V2 1/2
FV +
(T2,V T2,T P )
Q2t,V FV m
2 Cp,2 [(T2,out )V T2,in ] 1/2
dt
dt
dt FV + FT P

d(T2,out )T P
dT2,in
dFV FV T2,T P + FT P T2,V
2 Cp,2 V2 FT P = 2 Cp,2 V2 1/2
FT P +
Q2t,T P FT P m
2 Cp,2 [(T2,out )T P T2,in ] 1/2
dt
dt
dt
FV + FT P

dFT P
dFL FL T2,T P + FT P T2,L
+
T2,T P +
dt
dt
FL + FT P


dT2,in
d(T2,out )L
dFL
FL
2 Cp,2 V2 FL = 2 Cp,2 V2 1/2
FL +
(T2,L T2,T P )
Q2t,L FL m
2 Cp,2 [(T2,out )L T2,in ] 1/2
dt
dt
dt FL + FT P

(B.2.5)
(B.2.6)
(B.2.7)
(B.2.8)

Koelmiddel
massabehoud:

(B.2.9)

87

dFV
[r,V g,r ] Vr
dt 

r,V
r,V dhg,r
dpr
+
1/2
+
FV Vr
dt
hr,V dpr
pr


r,V
dhr,in
+
1/2
FV Vr
dt
hr,V

m
r,in m
r,V T P =

Bijlage B. Dynamische zone-specifieke behoudsvergelijkingen verdamper en condensor

B.2.1

dFL
[r,L f,r ] Vr
dt 

r,L dhf,r
r,L
dpr
+
1/2
+
FL Vr
dt
hr,L dpr
pr


r,L
dhr,out
1/2
+
FL Vr
dt
hr,L

(B.2.10)

m
r,T P L m
r,out =

(B.2.11)

Optellen van deze 3 vergelijkingen resulteert in:


dFV
dFT P
dFL
[r,V g,r ] Vr +
[(
1)(g,r f,r )] Vr +
[r,L g,r ] Vr
dt  
dt
dt





df,r
r,V dhg,r
r,V
r,L dhf,r
r,L
dg,r
d

dpr
+
+ (1 )
+
(g,r f,r ) + FL 1/2
+
FV 1/2
+ FT P
Vr
+
dt
hr,V dpr
pr
dpr
dpr
dpr
hr,L dpr
pr


r,V
dhr,in
1/2
FV V r
+
dt
hr,V


r,L
dhr,out
+
1/2
FL Vr
dt
hr,L
(B.2.12)

m
r,in m
r,out =

energiebehoud:

Bijlage B. Dynamische zone-specifieke behoudsvergelijkingen verdamper en condensor

dFT P
dFL
[(
1)(g,r f,r )] Vr +
[f,r g,r ] Vr
dt
dt

df,r
dg,r
dpr
d

+ (1 )
+
(g,r f,r ) FT P Vr
dt
dpr
dpr
dpr

m
r,V T P m
r,T P L =

88

(B.2.13)

hg,r [m
r,in m
r,V T P ]

dFT P
[(
1)((h)g,r (h)f,r )] Vr
dt
dFL
+
[(h)f,r (h)g,r ] Vr
dt 

d(h)f,r
d(h)g,r
dpr
d

+
+ (1 )
+
((h)g,r (h)f,r ) 1 FT P Vr
dt
dpr
dpr
dpr
+ hg,r [m
r,in m
r,V T P ] + hf,r [m
r,T P L m
r,out ]

m
r,in hg,r m
r,out hf,r Qrt,T P =

dFL
[(h)r,L (h)f,r ] Vr
dt 

(h)r,L dhf,r
(h)r,L
dpr
+
1/2
+
1 FL Vr
dt
hr,L dpr
pr


(h)r,L
dhr,out
+
1/2
FL Vr
dt
hr,L

(B.2.14)

m
r,out [hf,r hr,out ] Qrt,L =

hf,r [m
r,T P L m
r,out ]

(B.2.15)

Bijlage B. Dynamische zone-specifieke behoudsvergelijkingen verdamper en condensor

dFV
[(h)r,V (h)g,r ] Vr
dt 

(h)r,V dhg,r
(h)r,V
dpr
+
1/2
+
1 FV V r
dt
hr,V dpr
pr


(h)r,V
dhr,in
+
1/2
FV Vr
dt
hr,V

m
r,in [hr,in hg,r ] Qrt,V =

89

V-TP-mode

Buiswand

dTt,V
dFV
FV
FV +
(Tt,V Tt,T P )
= t Ct Vt
dt
dt FV + FT P


dTt,T P
dFT P
FT P
= t Ct Vt
FT P +
(Tt,T P Tt,V )
dt
dt FT P + FV


Q2t,V + Qrt,V
Q2t,T P + Qrt,T P

(B.2.16)
(B.2.17)

Secundair fludum


dT2,in
d(T2,out )V
dFV
FV
Q2t,V FV m
2 Cp,2 [(T2,out )V T2,in ] 1/2
2 Cp,2 V2 FV = 2 Cp,2 V2 1/2
FV +
(T2,V T2,T P )
(B.2.18)
dt
dt
dt FV + FT P


dT2,in
d(T2,out )T P
dFT P
FT P
(T2,T P T2,V ) (B.2.19)
Q2t,T P FT P m
2 Cp,2 [(T2,out )T P T2,in ] 1/2
2 Cp,2 V2 FT P = 2 Cp,2 V2 1/2
FT P +
dt
dt
dt FV + FT P
Koelmiddel
massabehoud:

(B.2.20)

dFT P
[(
1)(g,r f,r )] Vr
dt

df,r
dg,r
dpr

+ (1 )
+
(g,r f,r ) FT P Vr
dt
dpr
dpr
pr


dhr,out

+
(g,r f,r ) FT P Vr
dt
hr,out

(B.2.21)

m
r,V T P m
r,out =

90

dFV
[r,V g,r ] Vr
dt 

r,V dhg,r
r,V
dpr
+
1/2
+
FV Vr
dt
hr,V dpr
pr


r,V
dhr,in
+
1/2
FV Vr
dt
hr,V

m
r,in m
r,V T P =

Bijlage B. Dynamische zone-specifieke behoudsvergelijkingen verdamper en condensor

B.2.2

dFV
dFT P
[r,V g,r ] Vr +
[(
1)(g,r f,r )] Vr
dt  
dt



df,r
r,V dhg,r
r,V
dg,r
dpr

+
FV 1/2
+
+ FT P
+ (1 )
+
(g,r f,r ) Vr
dt
hr,V dpr
pr
dpr
dpr
pr


r,V
dhr,in
1/2
FV Vr
+
dt
hr,V


dhr,out

+
(g,r f,r ) FT P Vr
dt
hr,out

m
r,in m
r,out =

(B.2.22)

energiebehoud:

dFV
[(h)r,V (h)g,r ] Vr
dt 

(h)r,V dhg,r
(h)r,V
dpr
+
1/2
+
1 FV V r
dt
hr,V dpr
pr


(h)r,V
dhr,in
1/2
FV Vr
+
dt
hr,V

m
r,in [hr,in hg,r ] Qrt,V =

(B.2.23)

hg,r [m
r,in m
r,V T P ]

dFT P
[(
1)((h)g,r (h)f,r )] Vr
dt

(h)f,r
d(h)g,r
dpr
d

+ (1 )
+
((h)g,r (h)f,r ) 1 FT P Vr
dt
dpr
pr
dpr


dhr,out

+
((h)g,r (h)f,r ) FT P Vr
dt
hr,out

m
r,out [hg,r hr,out ] Qrt,T P =

(B.2.24)

Bijlage B. Dynamische zone-specifieke behoudsvergelijkingen verdamper en condensor

Optellen van deze 2 vergelijkingen resulteert in:

hg,r [m
r,V T P m
r,out ]
91

kF

dFL
=  FL
dt

dTt,L
= Tt,T P Tt,L
dt
d(T2,out )L
= (T2,out )T P (T2,out )L
k2
dt
kt

 werd tijdens de simulaties gelijk gesteld aan 0.001. Voor kF , kt en k2 zijn respectievelijk de waarden 1000, 15 en 15 s gekozen.

(B.2.25)
(B.2.26)
(B.2.27)

Bijlage B. Dynamische zone-specifieke behoudsvergelijkingen verdamper en condensor

Pseudo-vergelijkingen

92

Bijlage C. Statische zone-specifieke behoudsvergelijkingen verdamper en condensor

93

Bijlage C

Statische zone-specifieke
behoudsvergelijkingen verdamper en
condensor
C.1

Verdamper

Deze sectie geeft een overzicht van de statische zone-specifieke behoudsvergelijkingen van de
verdamper. Deze betrekkingen kunnen eenvoudig afgeleid worden uit de 1ste hoofdwet van
de thermodynamica of door de tijdsafgeleiden in het dynamisch model uit bijlage B gelijk te
stellen aan nul.
In elke mode geldt dat:

C.1.1

FL + FT P + FV = 1

(C.1.1)

Q2t,L + Qrt,L = 0

(C.1.2)

Q2t,T P + Qrt,T P = 0

(C.1.3)

Q2t,V + Qrt,V = 0

(C.1.4)

Q2t,L FL m
2 Cp,2 [(T2,out )L T2,in ] = 0

(C.1.5)

Q2t,T P FT P m
2 Cp,2 [(T2,out )T P T2,in ] = 0

(C.1.6)

Q2t,V FV m
2 Cp,2 [(T2,out )V T2,in ] = 0

(C.1.7)

L-TP-V-mode

Buiswand

Secundair fludum

Koelmiddel
massabehoud:
m
r=m
r,out
=m
r,in

(C.1.8)

Bijlage C. Statische zone-specifieke behoudsvergelijkingen verdamper en condensor

94

energiebehoud:

C.1.2

m
r (hr,in hf,r ) Qrt,L = 0

(C.1.9)

m
r (hf,r hg,r ) Qrt,T P = 0

(C.1.10)

m
r (hg,r hr,out ) Qrt,V = 0

(C.1.11)

TP-V-mode

Buiswand
Q2t,T P + Qrt,T P = 0

(C.1.12)

Q2t,V + Qrt,V = 0

(C.1.13)

Q2t,T P FT P m
2 Cp,2 [(T2,out )T P T2,in ] = 0

(C.1.14)

Q2t,V FV m
2 Cp,2 [(T2,out )V T2,in ] = 0

(C.1.15)

Secundair fludum

Koelmiddel
massabehoud:
m
r=m
r,out
=m
r,in

(C.1.16)

energiebehoud:

C.1.3

m
r (hr,in hg,r ) Qrt,T P = 0

(C.1.17)

m
r (hg,r hr,out ) Qrt,V = 0

(C.1.18)

L-TP-mode

Buiswand
Q2t,L + Qrt,L = 0

(C.1.19)

Q2t,T P + Qrt,T P = 0

(C.1.20)

Q2t,L FL m
2 Cp,2 [(T2,out )L T2,in ] = 0

(C.1.21)

Q2t,T P FT P m
2 Cp,2 [(T2,out )T P T2,in ] = 0

(C.1.22)

Secundair fludum

Koelmiddel
massabehoud:
m
r=m
r,out
=m
r,in

(C.1.23)

energiebehoud:
m
r (hr,in hf,r ) Qrt,L = 0

(C.1.24)

m
r (hf,r hr,out ) Qrt,T P = 0

(C.1.25)

Bijlage C. Statische zone-specifieke behoudsvergelijkingen verdamper en condensor

C.1.4

95

TP-mode

Buiswand
Q2t,T P + Qrt,T P = 0

(C.1.26)

Q2t,T P FT P m
2 Cp,2 [(T2,out )T P T2,in ] = 0

(C.1.27)

Secundair fludum

Koelmiddel
massabehoud:
m
r=m
r,out
=m
r,in

(C.1.28)

energiebehoud:
m
r (hr,in hr,out ) Qrt,T P = 0

C.1.5

(C.1.29)

L-mode

Buiswand
Q2t,L + Qrt,L = 0

(C.1.30)

Q2t,L FL m
2 Cp,2 [(T2,out )L T2,in ] = 0

(C.1.31)

Secundair fludum

Koelmiddel
massabehoud:
m
r=m
r,out
=m
r,in

(C.1.32)

energiebehoud:
m
r (hr,in hr,out ) Qrt,L = 0

C.1.6

(C.1.33)

V-mode

Buiswand
Q2t,V + Qrt,V = 0

(C.1.34)

Q2t,V FV m
2 Cp,2 [(T2,out )V T2,in ] = 0

(C.1.35)

Secundair fludum

Bijlage C. Statische zone-specifieke behoudsvergelijkingen verdamper en condensor

96

Koelmiddel
massabehoud:
m
r=m
r,out
=m
r,in

(C.1.36)

energiebehoud:
m
r (hr,in hr,out ) Qrt,V = 0

C.1.7

(C.1.37)

Pseudo-vergelijkingen

Bij het ontbreken van de V-zone


0 =  FV

(C.1.38)

0 = Tt,T P Tt,V

(C.1.39)

0 = (T2,out )T P (T2,out )V

(C.1.40)

 werd tijdens de simulaties gelijk gesteld aan 0.001.


Bij het ontbreken van de TP-zone
0 =  FT P

(C.1.41)

0 = Tt,x Tt,T P

(C.1.42)

0 = (T2,out )x (T2,out )T P

(C.1.43)

x staat voor een andere zone die wel actief is. Dit is de L-zone of de V-zone.  werd tijdens de
simulaties gelijk gesteld aan 0.001.
Bij het ontbreken van de L-zone
0 =  FL

(C.1.44)

0 = Tt,T P Tt,L

(C.1.45)

0 = (T2,out )T P (T2,out )L

(C.1.46)

 werd tijdens de simulaties gelijk gesteld aan 0.001.

C.2

Condensor

Deze sectie geeft een overzicht van de statische zone-specifieke behoudsvergelijkingen van de
condensor. Deze betrekkingen kunnen eenvoudig afgeleid worden uit de 1ste hoofdwet van de
thermodynamica of door de tijdsafgeleiden in het dynamisch model uit bijlage B gelijk te stellen aan nul.
In elke mode geldt dat:

C.2.1

FV + FT P + FL = 1

(C.2.1)

Q2t,V + Qrt,V = 0

(C.2.2)

Q2t,T P + Qrt,T P = 0

(C.2.3)

Q2t,L + Qrt,L = 0

(C.2.4)

V-TP-L-mode

Buiswand

Bijlage C. Statische zone-specifieke behoudsvergelijkingen verdamper en condensor

97

Secundair fludum
Q2t,V FV m
2 Cp,2 [(T2,out )V T2,in ] = 0

(C.2.5)

Q2t,T P FT P m
2 Cp,2 [(T2,out )T P T2,in ] = 0

(C.2.6)

Q2t,L FL m
2 Cp,2 [(T2,out )L T2,in ] = 0

(C.2.7)

Koelmiddel
massabehoud:
m
r=m
r,out
=m
r,in

(C.2.8)

energiebehoud:

C.2.2

m
r (hr,in hg,r ) Qrt,V = 0

(C.2.9)

m
r (hg,r hf,r ) Qrt,T P = 0

(C.2.10)

m
r (hf,r hr,out ) Qrt,L = 0

(C.2.11)

V-TP-mode

Buiswand
Q2t,V + Qrt,V = 0

(C.2.12)

Q2t,T P + Qrt,T P = 0

(C.2.13)

Q2t,V FV m
2 Cp,2 [(T2,out )V T2,in ] = 0

(C.2.14)

Q2t,T P FT P m
2 Cp,2 [(T2,out )T P T2,in ] = 0

(C.2.15)

Secundair fludum

Koelmiddel
massabehoud:
m
r=m
r,out
=m
r,in

(C.2.16)

energiebehoud:

C.2.3

m
r (hr,in hg,r ) Qrt,V = 0

(C.2.17)

m
r (hg,r hr,out ) Qrt,T P = 0

(C.2.18)

TP-L-mode

Buiswand
Q2t,T P + Qrt,T P = 0

(C.2.19)

Q2t,L + Qrt,L = 0

(C.2.20)

Bijlage C. Statische zone-specifieke behoudsvergelijkingen verdamper en condensor

98

Secundair fludum
Q2t,T P FT P m
2 Cp,2 [(T2,out )T P T2,in ] = 0

(C.2.21)

Q2t,L FL m
2 Cp,2 [(T2,out )L T2,in ] = 0

(C.2.22)

Koelmiddel
massabehoud:
m
r=m
r,out
=m
r,in

(C.2.23)

energiebehoud:

C.2.4

m
r (hr,in hf,r ) Qrt,T P = 0

(C.2.24)

m
r (hf,r hr,out ) Qrt,L = 0

(C.2.25)

TP-mode

Buiswand
Q2t,T P + Qrt,T P = 0

(C.2.26)

Q2t,L + Qrt,L = 0

(C.2.27)

Q2t,T P FT P m
2 Cp,2 [(T2,out )T P T2,in ] = 0

(C.2.28)

Q2t,L FL m
2 Cp,2 [(T2,out )L T2,in ] = 0

(C.2.29)

Secundair fludum

Koelmiddel
massabehoud:
m
r=m
r,out
=m
r,in

(C.2.30)

energiebehoud:

C.2.5

m
r (hr,in hf,r ) Qrt,T P = 0

(C.2.31)

m
r (hf,r hr,out ) Qrt,L = 0

(C.2.32)

L-mode

Buiswand
Q2t,L + Qrt,L = 0

(C.2.33)

Q2t,L FL m
2 Cp,2 [(T2,out )L T2,in ] = 0

(C.2.34)

Secundair fludum

Bijlage C. Statische zone-specifieke behoudsvergelijkingen verdamper en condensor

99

Koelmiddel
massabehoud:
m
r=m
r,out
=m
r,in

(C.2.35)

energiebehoud:
m
r (hr,in hr,out ) Qrt,L = 0

C.2.6

(C.2.36)

V-mode

Buiswand
Q2t,V + Qrt,V = 0

(C.2.37)

Q2t,V FV m
2 Cp,2 [(T2,out )V T2,in ] = 0

(C.2.38)

Secundair fludum

Koelmiddel
massabehoud:
m
r=m
r,out
=m
r,in

(C.2.39)

energiebehoud:
m
r (hr,in hr,out ) Qrt,V = 0

C.2.7

(C.2.40)

Pseudo-vergelijkingen

Bij het ontbreken van de V-zone


0 =  FV

(C.2.41)

0 = Tt,T P Tt,V

(C.2.42)

0 = (T2,out )T P (T2,out )V

(C.2.43)

 werd tijdens de simulaties gelijk gesteld aan 0.001.


Bij het ontbreken van de TP-zone
0 =  FT P

(C.2.44)

0 = Tt,x Tt,T P

(C.2.45)

0 = (T2,out )x (T2,out )T P

(C.2.46)

x staat voor een andere zone die wel actief is. Dit is de L-zone of de V-zone.  werd tijdens de
simulaties gelijk gesteld aan 0.001.
Bij het ontbreken van de L-zone
0 =  FL

(C.2.47)

0 = Tt,T P Tt,L

(C.2.48)

0 = (T2,out )T P (T2,out )L

(C.2.49)

 werd tijdens de simulaties gelijk gesteld aan 0.001.

Bijlage D. Wiskundige technieken

100

Bijlage D

Wiskundige technieken
In deze bijlage wordt een overzicht gegeven van de wiskundige technieken die in dit huidig werk
gebruikt zijn.

D.1

De regel van Leibniz

Om tijdsafgeleiden te integreren, waarbij de integratiegrenzen tijdsfuncties zijn, wordt de regel


van Leibniz gebruikt:
Z2 (t)

1 (t)

D.2

d
f (t, z) d z =
t
dt

Z2 (t)

f (t, z) d z + f (t, 1 )

1 f (t, 2 ) 2
t
t

1 (t)

Het algoritme van Newton-Raphson [27]

Gegeven is een algebrasch stelsel bestaande uit N vergelijkingen Fi , waaruit de N onbekenden


xi moeten opgelost worden:
F(x) = 0 i = 1, 2, ..., N
(D.2.1)
met:

0
F = F1 ... F2

0
x = x1 ... x2

(D.2.2)
(D.2.3)

Dit stelsel wordt iteratief opgelost, zodat:


xnew = xold + x

(D.2.4)

x = J1 F

(D.2.5)

met:
J de Jacobiaanse matrix, die gedefinieerd wordt als:
Jij =

Fi
xj

i, j = 1, 2, ..., N

(D.2.6)

Bijlage E. Werking simulatieprogramma

101

Bijlage E

Werking simulatieprogramma
E.1

Werking steady-state simulatieprogramma

Het steady-state simulatieprogramma wordt opgeroepen via het script main.m. Dit script leest
eerst de nodig data in, daarna wordt het sequentieel algoritme uit hoofdstuk 5 afgelopen. De
programma-structuur is weergegeven in figuur E.1.
De ingelezen data omvat:
de relaxatieparameters (SOR.dat);
de randvoorwaarden (input.dat);
de initiele waarden (init.dat);
de correcties voor de warmte-overdracht (heat cor.dat);
de grootte van de inactieve zone-lengtes (len cor.dat);
de constructieve details van elke component en de regeling van compressor en klep
(read data.m).
Deze data kan door de gebruiker aangepast worden.
Eenmaal alle nodige gegevens ingelezen zijn, lost het programma 1 voor 1 elke component
op. Dit gebeurt door achtereenvolgens de componentfuncties evap.m, comp.m, cond.m en
tev.m op te roepen. Hierin wordt het Newton-Raphson algoritme doorlopen. De matrix J en
de vector F (zie bijlage D)voor een gegeven iteratiestap worden berekend in de componentspecifieke functie g.m. Deze spreekt daarvoor een andere component-specifieke functie f.m
aan. f.m bevat het model van de component. De iteraties worden ook visueel weergegeven.
Als een component is opgelost wordt dit gesignaleerd in het command window. Eenmaal elke
component is opgelost, wordt de totale lading in het systeem berekend met charge.m. Hieruit
volgt de correctie voor de verdamperdruk. Ten slotte worden de nieuwe waarden geplot en
vergeleken met de waarden uit de vorige iteratiestap. Indien het verschil voldoende klein is
stopt het algoritme, anders begint het een nieuwe berekening.

E.2

Werking dynamisch simulatieprogramma

Het dynamisch simulatieprogramma wordt opgeroepen via de functie main.m met als argumenten het begin- en eindtijdstip van de simulatie. Deze functie leest eerst de nodige data
in, daarna wordt het tijdsverloop berekend met de ingebouwde MATLAB-solver ode15s. De
programma-structuur is weergegeven in figuur E.2.

Bijlage E. Werking simulatieprogramma

Figuur E.1: Programma-structuur steady-state simulatieprogramma

Figuur E.2: Programma-structuur dynamisch simulatieprogramma

102

Bijlage E. Werking simulatieprogramma

103

De ingelezen data omvat:


het tijdsverloop van de randvoorwaarden (evap BC.dat en cond BC.dat);
het tijdsverloop van de instelwaarde van de PLR (PLR.dat);
de initiele waarden (init.dat);
de correcties voor de warmte-overdracht (heat cor.dat);
de grootte van de inactieve zone-lengtes (zone.dat);
de constructieve details van elke component en de regeling van compressor en klep
(read data.m);
de volgconstanten voor de pseudo-vergelijkingen (tracking.dat).
Deze data kan door de gebruiker aangepast worden. Het tijdsverloop wordt gegeven aan de
hand van een lijst waarden. Het eerste getal van de lijst waarden duidt de tijdstap aan tussen
de waarden.
Eenmaal alle nodige gegevens ingelezen zijn, wordt ode15s opgeroepen. Deze berekent M
en F aan de hand van de functies give F en give M, met als argumenten het tijdstip t en de
toestandsvector y (zie vergelijking (6.2.4)). Om de rekentijd te verkleinen zijn ook de opties
MvPattern en JPattern gespecifieerd, respectievelijk in de functies JPattern en MvPattern.
Na elke geslaagde iteratie wordt de functie handle output opgeroepen. Deze slaat de bekomen
data op en geeft ze ook weer op een grafiek.
De output van het programma omvat:
prog t: de tijd;
prog x E : het tijdsverloop van de toestand en het massadebiet aan in- en uitlaat en de
interne grootheden van de verdamper;
prog x C : het tijdsverloop van de toestand en het massadebiet aan in- en uitlaat en de
interne grootheden van de condensor;
prog x B : het tijdsverloop van de temperatuur in het reservoir;
prog mode E : het tijdsverloop van de optredende mode in de verdamper;
prog mode C : het tijdsverloop van de optredende mode in de condensor;
prog sys: het tijdsverloop van de PLR;

Bibliografie

104

Bibliografie
[1] N. Abuaf, O. C. Jones en B. J. C. Wu (1983). Critical flashing flows in nozzles
with subcooled inlet conditions. Journal of Heat Transfer-Transactions of the Asme,
105(2):379383.
[2] ASHRAE (2011).
Centrifugal compressor
PresentationNo2(Centri)version2.pdf.

technology.

www.ashrae.gr/

[3] K. Beatty en D. Katz (1948). Condensation of vapors on outside of finned tubes. Chemical
engineering progress, 44(5):5557.
[4] S. Bendapudi, J. E. Braun en E. A. Groll (2008). A comparison of moving-boundary and
finite-volume formulations for transients in centrifugal chillers. International Journal of
Refrigeration, 31(8):14371452.
[5] J. E. Bourdouxhe, M. Grodent en J. Lebrun (1996). HVAC1KIT - a toolkit for primary
HVAC system energy caclulation. Universite de Li`ege.
[6] J. E. Braun, J. W. Mitchell, S. A. Klein en W. A. Beckman (1987). Analysis of the Energy
Use and Control Characteristics of a Large Variable Speed Drive Chiller System (RP-409).
ASHRAE.
[7] L. Bromley (1950). Heat transfer in stable film boiling. Chemical engineering progress,
46(5):231.
[8] M. W. Browne en P. K. Bansal (1998). Steady-state model of centrifugal liquid chillers.
International Journal of Refrigeration, 21(5):343358.
[9] M. W. Browne en P. K. Bansal (2001). An elemental ntu-epsilon model for vapourcompression liquid chillers. International Journal of Refrigeration-Revue Internationale
Du Froid, 24(7):612627.
[10] L. Chen, J. P. Chen, J. H. Liu en Z. J. Chen (2009). Experimental investigation on
mass flow characteristics of electronic expansion valves with r22, r410a and r407c. Energy
Conversion and Management, 50(4):10331039.
[11] M. C. Comstock en J. E. Braun (1999). Experimental Data From Fault Detection And
Diagnostic Studies On A Centrifugal Chiller (RP-1043). ASHRAE.
[12] M. De Paepe (2009). Thermische Installaties. Universiteit Gent.
[13] J. T. Gravdahl en O. Egeland (1999). Centrifugal compressor surge and speed control.
Control Systems Technology, IEEE Transactions on, 7(5):567579.
[14] F. P. Incropera, D. DeWitt, T. L. Bergman en A. Lavine (2006). Fundamentals of Heat
and Mass Transfer. John Wiley & Sons, Inc.

Bibliografie

105

[15] X. Jia, C. P. Tso, P. Jolly en Y. W. Wong (1999). Distributed steady and dynamic
modelling of dry-expansion evaporators. International Journal of Refrigeration, 22(2):126
136.
[16] W. Jiang, J. Khan en R. A. Dougal (2006). Dynamic centrifugal compressor model for
system simulation. Journal of Power Sources, 158(2):13331343.
[17] T. S. Lee en W. C. Lu (2010). An evaluation of empirically-based models for predicting
energy performance of vapor-compression water chillers. Applied Energy, 87(11):3486
3493.
[18] B. Li en A. G. Alleyne (2010). A dynamic model of a vapor compression cycle with shutdown and start-up operations. International Journal of Refrigeration, 33(3):538552.
[19] N. Liang, S. Q. Shao, C. Q. Tian en Y. Y. Yan (2010). Dynamic simulation of variable
capacity refrigeration systems under abnormal conditions. Applied Thermal Engineering,
30(10):12051214.
[20] J. Liu, J. Chen en Z. Chen (2008). Investigation on the choking flow characteristics in
electronic expansion valves. International Journal of Thermal Sciences, 47(5):648658.
[21] MathWorks (2011). Differential equations in matlab - how can differential algebraic equations systems be solved in matlab? http://www.mathworks.com/support/tech-notes/
1500/1510.html.
[22] T. L. McKinley en A. G. Alleyne (2008). An advanced nonlinear switched heat exchanger
model for vapor compression cycles using the moving-boundary method. International
Journal of Refrigeration, 31(7):12531264.
[23] P. Mithraratne, N. E. Wijeysundera en T. Y. Bong (2000). Dynamic simulation of a thermostatically controlled counter-flow evaporator. International Journal of Refrigeration,
23(3):174189.
[24] M. J. Moran en H. N. Shapiro (2006). Fundamentals of Engineering Thermodynamics.
John Wiley & Sons, Inc.
[25] M. Morini, M. Pinelli en M. Venturini (2007). Development of a one-dimensional modular dynamic model for the simulation of surge in compression systems. Journal of
Turbomachinery, 129(3):437447.
[26] N. B. O. L. Pettit, M. Willatzen en L. Ploug-Srensen (1998). A general dynamic simulation model for evaporators and condensers in refrigeration. part ii: simulation and control
of an evaporator. International Journal of Refrigeration, 21(5):404414.
[27] W. H. Press, S. A. Teukolsky, W. T. Vetterling en B. P. Flannery (2007). Numerical
recipes. Cambridge University Press.
[28] S. M. Sami en A. Dahmani (1996). Numerical prediction of dynamic performance of
vapour-compression heat pump using new hfc alternatives to hcfc-22. Applied Thermal
Engineering, 16(8-9):691705.
[29] V. E. Schrock, E. S. Starkman en R. A. Brown (1977). Flashing flow of initially subcooled
water in convergent-divergent nozzles. Journal of Heat Transfer-Transactions of the Asme,
99(2):263268.
[30] L. F. Shampine en M. W. Reichelt (1997). The matlab ode suite. SIAM Journal on
Scientific Computing, 18(1):122.

Bibliografie

106

[31] J. R. Simoes-Moreira (2000). Oblique evaporation waves. Shock Waves, 10(4):229234.


[32] J. R. Simoes-Moreira en C. W. Bullard (2003). Pressure drop and flashing mechanisms
in refrigerant expansion devices. International Journal of Refrigeration, 26(7):840848.
[33] J. R. Simoneau en R. C. Hendricks (1979). Two-phase choked flow of cryogenic fluids in
converging-diverging nozzles. Technical report.
[34] R. F. Stearns, R. R. Johnson, R. M. Jackson en C. A. Larson (1951). Flow measurement
with orifice meters. D. Van Nostrand Company, Toronto.
[35] M. A. Tahat, G. A. Ibrahim en S. D. Probert (2001). Performance instability of a refrigerator with its evaporator controlled by a thermostatic expansion-valve. Applied Energy,
70(3):233249.
[36] D. Thirumalai en R. E. White (2000). Steady-state operation of a compressor for a proton
exchange membrane fuel cell system. Journal of Applied Electrochemistry, 30(5):551559.
[37] J. R. Thome (2010). Engineering Data Book III. Wolverine Tube, Inc.
[38] R. Tirnovan, S. Giurgea, A. Miraoui en M. Cirrincione (2008). Surrogate modelling of
compressor characteristics for fuel-cell applications. Applied Energy, 85(5):394403.
[39] J. Vierendeels (2009). Stromingsmechanica. Universiteit Gent.
[40] F. Q. Wang, G. G. Maidment, J. F. Missenden en R. M. Tozer (2007). A novel special
distributed method for dynamic refrigeration system simulation. International Journal of
Refrigeration, 30(5):887903.
[41] G. L. Wedekind, B. L. Bhatt en B. T. Beck (1978). System mean void fraction model for predicting various transient phenomena associated with 2-phase evaporating and
condensing flows. International Journal of Multiphase Flow, 4(1):97114.
[42] M. Willatzen, N. B. O. L. Pettit en L. Ploug-Srensen (1998). A general dynamic simulation model for evaporators and condensers in refrigeration. part i: moving-boundary
formulation of two-phase flows with heat exchange. International Journal of Refrigeration,
21(5):398403.
[43] H. Yasuda, S. Touber en C. Machielsen (1983). Simulation-model of a vapor compression
refrigeration system. Ashrae Journal-American Society of Heating Refrigerating and AirConditioning Engineers, 25(5):6161.
[44] F. W. Yu en K. T. Chan (2007). Modelling of a condenser-fan control for an air-cooled
centrifugal chiller. Applied Energy, 84(11):11171135.
[45] W. J. Zhang en C. L. Zhang (2006). A generalized moving-boundary model for transient
simulation of dry-expansion evaporators under larger disturbances. International Journal
of Refrigeration, 29(7):11191127.
[46] W. J. Zhang, C. L. Zhang en G. L. Ding (2009). On three forms of momentum equation in transient modeling of residential refrigeration systems. International Journal of
Refrigeration, 32(5):938944.
[47] W. J. Zhang, C. L. Zhang en G. L. Ding (2009). Transient modeling of an air-cooled
chiller with economized compressor. part i: Model development and validation. Applied
Thermal Engineering, 29(11-12):23962402.
[48] L. Zhao en M. Zaheeruddin (2005). Dynamic simulation and analysis of a water chiller
refrigeration system. Applied Thermal Engineering, 25(14-15):22582271.

Lijst van figuren

107

Lijst van figuren


1.1

Koelmachine . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

2.1
2.2
2.3
2.4

Basis compressie-koelcyclus [12] . . . . . .


Schematische weergave van de proefstand
De klep uit de proefstand (naar [11]) . . .
Testsequentie . . . . . . . . . . . . . . . .

.
.
.
.

4
5
6
7

3.1
3.2

10

3.3
3.4
3.5
3.6
3.7
3.8

Standaard thermostatische expansieklep . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .


Analogie stroming doorheen een klep en stroming doorheen een convergentdivergent gevolgd door dumpdiffusie [20] . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Het stromingspatroon en het drukverloop in een klep [20] . . . . . . . . . . . .
Centrifugaalcompressor met inlaatschoepen [2] . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Compressie-koelcyclus van een koelmachine met inlaatschoepen [44] . . . . . . .
Finite-volume methode [23] . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Optredende modes in verdamper en condensor volgens [18] . . . . . . . . . . . .
Schakelcriterium op basis van enthalpie [26] . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

4.1
4.2
4.3
4.4
4.5
4.6
4.7
4.8
4.9
4.10
4.11
4.12
4.13

Krachtenevenwicht van de klepafsluiter . . . . . . .


Schematische weergave van de rotor [5] . . . . . . .
Datafit compressor . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Compressorkarakteristiek . . . . . . . . . . . . . .
Infinitesimaal volume dVt in een pijp . . . . . . . .
Infinitesimaal volume dVr in het koelmiddel . . . .
Infinitesimaal volume dV2 in het secundair fludum
De verdamper in de TP-V-mode . . . . . . . . . .
Lineair verloop enthalpie in de verdamper . . . . .
Het schakelcriterium in de verdamper . . . . . . .
De condensor in de V-TP-L-mode . . . . . . . . . .
Lineair verloop enthalpie in de condensor . . . . .
Het schakelcriterium in de condensor . . . . . . . .

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

24
27
29
30
31
33
33
35
39
40
41
44
45

5.1
5.2
5.3
5.4
5.5
5.6
5.7
5.8
5.9
5.10
5.11

Schematische weergave van het oplossingsalgoritme van het systeemmodel . .


Schematische weergave van het oplossingsalgoritme van een componentmodel
Schakelcriterium voor verdamper in steady-state model . . . . . . . . . . . .
Simulatieresultaten in- en uitlaattoestand verdamper met 5 % foutgrenzen
Simulatieresultaten in- en uitlaattoestand condensor met 5 % foutgrenzen .
Simulatieresultaten systeemparameters met 10 % foutgrenzen . . . . . . . .
Simulatieresultaten systeemparameters uitgezet ten opzichte van de PLR . .
Het verloop van het elektromechanisch rendement in functie van de PLR . . .
Simulatieresultaten verdamper- en condensordruk in functie van de PLR . . .
Invloed PLR op toestandsgrootheden en massadebiet . . . . . . . . . . . . . .
Entropietoename tijdens compressie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

50
51
52
54
54
55
55
57
57
59
59

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.

11
12
13
14
18
19
20

Lijst van figuren


5.12
5.13
5.14
5.15

6.1
6.2
6.3
6.4
6.5
6.6
6.7
6.8
6.9
6.10
6.11

108

Invloed temperatuur koelwater en ijswater op COP . . . . . . . . . . . . . . . .


Invloed lading koelmiddel op testgeval 1 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Invloed correctiefactoren op de convectiecoefficient in testgeval 1 . . . . . . . .
Verloop zone-groottes in condensor bij dalende druk en constante inlaatenthalpie
en massadebiet . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

60
61
62

Simulatieresultaten verdamper- en condensordruk . . . . . . . . . . . . . . . . .


Simulatieresultaten in- en uitlaatenthalpie van verdamper en condensor . . . .
Simulatieresultaten uitlaattemperatuur koel- en ijswater . . . . . . . . . . . . .
Simulatieresultaten massadebiet compressor en expansieklep en tijdsverloop PLR
Overeenkomst tussen opgemeten en gesimuleerd transient gedrag condensordruk
Afwijking tussen opgemeten en gesimuleerd transient gedrag massadebiet . . .
Invloed te kleine tijdsconstante van het reservoir . . . . . . . . . . . . . . . . .
Invloed te grote tijdsconstante van het reservoir . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Tijdsverloop PLR om schakelen te testen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Tijdsverloop zone-groottes en temperaturen in de verdamper tijdens schakelen
Tijdsverloop toestandsgrootheden en massadebiet verdamper tijdens schakelen

67
67
68
68
69
70
71
72
72
73
73

63

E.1 Programma-structuur steady-state simulatieprogramma . . . . . . . . . . . . . 102


E.2 Programma-structuur dynamisch simulatieprogramma . . . . . . . . . . . . . . 102

Lijst van tabellen

109

Lijst van tabellen


2.1
2.2
2.3

Eigenschappen verdamper en condensor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .


Eigenschappen compressor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Testsequentie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

5
6
8

4.1
4.2

Model van de klep . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .


Model van de compressor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

25
28

5.1
5.2

Overeenkomst met de testomstandigheden uit [37] . . . . . . . . . . . . . . . .


Correctiefactoren op de convectiecoefficient in iedere zone . . . . . . . . . . . .

58
61

6.1

Inlaatvoorwaarden om schakelen te testen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

72

A.1
A.2
A.3
A.4

Nomenclatuur . .
Vervolg tabel A.1
Absolute fouten .
Vervolg tabel A.3

78
79
80
81

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.