You are on page 1of 2

Integendeel - daarentegen

Vraag
Wat is het verschil tussen integendeel en daarentegen?
Antwoord
Integendeel en daarentegen hebben veel gemeen. Het zijn allebei tegenstellende
voegwoordelijke bijwoorden. Integendeel kan in de aanloop en de uitloop van de zin
voorkomen. Het kan bovendien afzonderlijk gebruikt worden als antwoord op een
vraag. Daarentegen heeft die gebruiksmogelijkheden niet.
Integendeel en daarentegen hebben veel gemeen. Het zijn allebei
tegenstellende voegwoordelijke bijwoorden. Dat zijn bijwoorden die een
tegenstellend verband leggen tussen twee zinnen of delen van de zin.
Toch is er een verschil. Integendeel wordt gebruikt om een uiting over een
onderwerp te weerleggen ((1) en (2)). Daarentegen wordt gebruikt om te
wijzen op de tegengestelde kenmerken van twee vergelijkbare
onderwerpen (3) of van n onderwerp in verschillende omstandigheden
(4).
(1) A: Je goudvis is ziek -- B: Integendeel, hij is kerngezond.
(2) De drie grote politieke zuilen werden in de naoorlogse periode
geenszins afgebroken, maar pasten zich integendeel aan de zich
wijzigende omstandigheden aan.
(3) De ene hamster is doodziek, de andere daarentegen is heel gezond.
(4) Als een mens geconfronteerd wordt met gewone, gelukkige mensen
voelt hij zich bedreigd. Als hij daarentegen slecht nieuws hoort, groeit het
gevoel dat hij het toch nog zo slecht niet heeft.
Een tweede verschil tussen beide bijwoorden zijn hun
plaatsingsmogelijkheden.
In tegenstelling tot daarentegen kan integendeel in de aanloop van de zin
voorkomen. Intonatief is zo'n bijwoord door een pauze van de rest van de
zin gescheiden. In geschreven taal wordt dat meestal door een komma
weergegeven.

(5) U denkt dat het mij onverschillig laat? Integendeel, ik ben er kapot van.
Integendeel drukt hier een tegenstelling uit, waarbij in de tweede zin
geloochend wordt wat in de eerste is gezegd. Integendeel kan dan
vervangen worden door wendingen als juist omgekeerd, het
tegengestelde is waar.
Een ander verschil met daarentegen is dat integendeel afzonderlijk kan
voorkomen, als antwoord op een vraag en in de uitloop van de zin kan
staan. In het laatste geval is integendeel weer door een pauze van de rest
van de zin gescheiden.
(6) A: Is hij ziek? -- B: Integendeel.
(7) Hij is helemaal niet ziek, integendeel, hij is op vakantie.
In andere posities is daarentegen gebruikelijker.
(8) Ik daarentegen ben gisteren naar de bakker geweest.
(9) Ik ben daarentegen gisteren daarentegen naar de bakker geweest.
(10) Gisteren daarentegen ben ik naar de bakker geweest.
(11) Hij is zeer vooruitstrevend, zijn broer daarentegen is een verstokt
conservatief.