You are on page 1of 2

OGP3

Format voor sterkte-zwakte-analyse bij lesontwerp


Domein: Taal Rekenen/ wiskunde OJW - levensbeschouwing BVO*
*omcirkel wat van toepassing is

Voor een meer uitgebreide beschrijving van de standaarden en criteria, zie


bladzijde 2 van de OGP3-opdracht. Of via
https://www.fontys.nl/pabo/denbosch/competentieprofiel/Propedeusefase/index.html

Sta bewust stil bij jouw doelen voor de groep, zoals geformuleerd in de
overdenking van de groep
Denk in je antwoorden aan de terugkoppeling naar zowel (vakspecifieke) theorie
als praktijk
Wat ging goed?

Wat mag beter?

B1. Leerdoelen stellen


De student kiest in zijn lesontwerp
voor passende leerdoelen (proces- en
product) die aansluiten bij leerlijnen en
het bestaande onderwijsprogramma
van de stagegroep.

Bij mijn lesdoelen heb ik goed


gekeken naar de leerlijnen op
tule. Ik heb gekeken naar
kerndoel 34 - rekening houden
met elkaar. Ik heb hier
verschillende punten van gepakt
wat aansloot bij mijn les idee en
bij het verhaal wat ik wilde
voorlezen.

Ik heb niet gekeken naar


het
onderwijsprogramma.
Dit was een opdracht
voor school en hij paste
niet echt in het
programma van de
leerlingen. Ook heb ik
geen procesdoelen
benoemd. Dit kan ik
beter wel doen, want
dan weet je op welk
proces je wilt letten deze
les. Aan het einde van
de les kun je daar dan
gemakkelijker op
terugpakken.

B3. Leeractiviteiten begeleiden


De student toont aan dat hij in staat is
om in de lesuitvoering coperatieve
werkvormen te hanteren. De student
toont aan dat hij leerlingen hulp biedt
bij het leerproces, rekening houdend
met de kenmerken van de groep. Hij
bevordert de samenwerking tussen
leerlingen en de redzaamheid van
individuele leerlingen

Ik heb de placemat als


coperatieve vorm gebruikt. Zo
konden de leerlingen elkaar
helpen met de informatie uit de
tekst te halen. Als ze het dan
allemaal niet wisten hielp ik. Dit
ging ook goed. Het ene groepje
kon heel goed samenwerken en
een ander groepje niet zo goed.
Hier heb ik bij geholpen en ik
heb naderhand met de
leerlingen besproken waarom

Het samenwerken kon


nog beter. Er waren
twee leerlingen in een
groepje die niet goed
wilden werken. Ik wist
niet zo goed wat ik hier
mee moest doen. Ik zou
de volgende keer
eerder hulp kunnen
inschakelen of van
tevoren al op kunnen
zoeken hoe ik dit moet

A3. Leiding geven aan het


groepsproces
De student toont dat hij samenwerking
leren tijdens de onderwijsactiviteiten
bevordert en laat expliciet zien dat hij
kinderen aanspreekt op gedrag, hen
positief stimuleert en zicht houdt op
alle groepjesleerlingen.

A4. Interactie aangaan met de groep


De student toont aan dat hij vanuit een
onderzoekende houding gesprekken
voert met de leerlingen door actief te
luisteren. De student evalueert de
onderwijsactiviteiten met kinderen en
hij geeft feedback aan leerlingen op
het samenwerkingsproces en/of op de
gestelde doelen.

B2 Leeractiviteiten ontwerpen
De student toont in het ontwerp aan
dat hij coperatieve werkvormen
hanteert.
De student maakt zichtbaar dat hij
voor aanvang van de lesactiviteiten
benodigde materialen en leermiddelen
klaar zet.

de samenwerking bij de een niet


goed ging en bij de ander wel.
Zo konden ze elkaar allemaal
helpen en dingen van elkaar
leren.
Het ene groepje kon dus goed
samenwerken. Hier heb ik ze
complimenten over gegeven. Bij
het andere groepje ging dat niet
goed. Ik heb dit groepje
begeleid en de leerlingen die
niet wilden werken
aangesproken op hun gedrag. Ik
had een goed overzicht op alle
leerlingen.

Ik heb goed geluisterd naar de


leerlingen. Er kwam niet zoveel
uit hun, maar ik heb er wel naar
geluisterd en er een reactie op
gegeven. Ik heb nadat mijn les
was afgelopen met de leerlingen
gevalueerd hoe we vonden dat
de samenwerking ging. Het ene
groepje vond dit dus niet zo
goed. We zijn hier met zijn allen
over gaan praten. Waarom ging
het niet goed, wat kan er beter,
hoe moet je dat dan doen? Wat
ging er wel goed bij het ene
groepje?
Ik heb de coperatieve vorm de
placemat gebruikt. Dit ging
goed, de leerlingen snapten het
en konden overleggen. Ik heb
alles wat er klaar moest zijn
voorbereid. Ik had het boek
meegenomen, ik had de vragen
die ik erbij wilde stellen
opgeschreven en ik had de
placemats waar de leerlingen op
moesten schrijven ook al klaar
gemaakt. Ik kon gelijk beginnen.

aanpakken.

Ik had de samenwerking
bij de leerlingen nog
beter kunnen
bevorderen bij het
groepje waar het niet zo
goed bij ging. Ik wist op
een gegeven moment
zelf ook niet meer zo
goed wat ik moest doen.
De volgende keer ga ik
eerder hulp inschakelen
(vragen wat ik moet
doen) en van tevoren
opzoeken wat ik zou
kunnen doen.
Ik heb de lesdoelen niet
gevalueerd. Dit had ik
wel moeten doen, want
ik weet nu niet of iedere
leerling mijn lesdoel
heeft behaald.