Sie sind auf Seite 1von 326
Über dieses Buch Dies ist ein digitales Exemplar eines Buches, das seit Generationen in den

Über dieses Buch

Dies ist ein digitales Exemplar eines Buches, das seit Generationen in den Regalen der Bibliotheken aufbewahrt wurde, bevor es von Google im Rahmen eines Projekts, mit dem die Bücher dieser Welt online verfügbar gemacht werden sollen, sorgfältig gescannt wurde.

Das Buch hat das Urheberrecht überdauert und kann nun öffentlich zugänglich gemacht werden. Ein öffentlich zugängliches Buch ist ein Buch, das niemals Urheberrechten unterlag oder bei dem die Schutzfrist des Urheberrechts abgelaufen ist. Ob ein Buch öffentlich zugänglich ist, kann von Land zu Land unterschiedlich sein. Öffentlich zugängliche Bücher sind unser Tor zur Vergangenheit und stellen ein geschichtliches, kulturelles und wissenschaftliches Vermögen dar, das häufig nur schwierig zu entdecken ist.

Gebrauchsspuren, Anmerkungen und andere Randbemerkungen, die im Originalband enthalten sind, finden sich auch in dieser Datei – eine Erin- nerung an die lange Reise, die das Buch vom Verleger zu einer Bibliothek und weiter zu Ihnen hinter sich gebracht hat.

Nutzungsrichtlinien

Google ist stolz, mit Bibliotheken in partnerschaftlicher Zusammenarbeit öffentlich zugängliches Material zu digitalisieren und einer breiten Masse zugänglich zu machen. Öffentlich zugängliche Bücher gehören der Öffentlichkeit, und wir sind nur ihre Hüter. Nichtsdestotrotz ist diese Arbeit kostspielig. Um diese Ressource weiterhin zur Verfügung stellen zu können, haben wir Schritte unternommen, um den Missbrauch durch kommerzielle Parteien zu verhindern. Dazu gehören technische Einschränkungen für automatisierte Abfragen.

Wir bitten Sie um Einhaltung folgender Richtlinien:

+ Nutzung der Dateien zu nichtkommerziellen Zwecken Wir haben Google Buchsuche für Endanwender konzipiert und möchten, dass Sie diese Dateien nur für persönliche, nichtkommerzielle Zwecke verwenden.

+ Keine automatisierten Abfragen Senden Sie keine automatisierten Abfragen irgendwelcher Art an das Google-System. Wenn Sie Recherchen über maschinelle Übersetzung, optische Zeichenerkennung oder andere Bereiche durchführen, in denen der Zugang zu Text in großen Mengen nützlich ist, wenden Sie sich bitte an uns. Wir fördern die Nutzung des öffentlich zugänglichen Materials für diese Zwecke und können Ihnen unter Umständen helfen.

+ Beibehaltung von Google-Markenelementen Das "Wasserzeichen" von Google, das Sie in jeder Datei finden, ist wichtig zur Information über dieses Projekt und hilft den Anwendern weiteres Material über Google Buchsuche zu finden. Bitte entfernen Sie das Wasserzeichen nicht.

+ Bewegen Sie sich innerhalb der Legalität Unabhängig von Ihrem Verwendungszweck müssen Sie sich Ihrer Verantwortung bewusst sein, sicherzustellen, dass Ihre Nutzung legal ist. Gehen Sie nicht davon aus, dass ein Buch, das nach unserem Dafürhalten für Nutzer in den USA öffentlich zugänglich ist, auch für Nutzer in anderen Ländern öffentlich zugänglich ist. Ob ein Buch noch dem Urheberrecht unterliegt, ist von Land zu Land verschieden. Wir können keine Beratung leisten, ob eine bestimmte Nutzung eines bestimmten Buches gesetzlich zulässig ist. Gehen Sie nicht davon aus, dass das Erscheinen eines Buchs in Google Buchsuche bedeutet, dass es in jeder Form und überall auf der Welt verwendet werden kann. Eine Urheberrechtsverletzung kann schwerwiegende Folgen haben.

Über Google Buchsuche

Das Ziel von Google besteht darin, die weltweiten Informationen zu organisieren und allgemein nutzbar und zugänglich zu machen. Google Buchsuche hilft Lesern dabei, die Bücher dieser Welt zu entdecken, und unterstützt Autoren und Verleger dabei, neue Zielgruppen zu erreichen. Den gesamten Buchtext können Sie im Internet unter http://books.google.com durchsuchen.

Over dit boek Dit is een digitale kopie van een boek dat al generaties lang

Over dit boek

Dit is een digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheekplanken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken.

Dit boek is zo oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrechttermijn is verlopen. Het kan per land verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn.

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u.

Richtlijnen voor gebruik

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op automatisch zoeken.

Verder vragen we u het volgende:

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commerciële doeleinden.

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien hiermee van dienst zijn.

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het “watermerk” van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet.

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is voor gebruikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek rust, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng.

Informatie over Zoeken naar boeken met Google

Het doel van Google is om alle informatie wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en uitgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken op het web via http://books.google.com

r

|-|| |
-

--

-

r |- || | - -- -

* Berlin nee

Class

f

*

w 2x)

Book

University of Chicago Library

BERLIN COLLECTION

GIVEN BY

MARTIN A. RYERSON

H. H. KOHLSAAT BYRON L. SMITH C. R. CRANE l CHAS. L. HUTCHINSON l H.
H.
H. KOHLSAAT
BYRON L. SMITH
C. R. CRANE
l
CHAS. L. HUTCHINSON
l
H. A. RUST
CYRUS H. MCCORMICK
|
A. A. SPRAGUE
C. J. SINGER
|
-
L. SMITH C. R. CRANE l CHAS. L. HUTCHINSON l H. A. RUST CYRUS H. MCCORMICK

-

--

-

-

-

- -- - - -

A KA DE MISC HE

W

0

0

R

L

E

ZI

N

GE

N.

A KA DE MISC HE W 0 0 R L E ZI N GE N.

A KA DE MISCHE

V 0 0 R L E z 1N GEN, OW E R
V
0
0
R
L
E
z
1N GEN,
OW
E
R

HET NUT EN DE BELANGRIJKHEID DER GRAMMA TISCHE VERGELIJKING VAN HET GRIEKSCH, HET LATIJN EN DE GERMAANSCHE TONG

VALLEN MET HET SANSKRIT,

D00R

H. A. HAMAKER. -

TE

LEY DE W, DER HOEK.

BIJ C.

C. VAN

1835,

LATIJN EN DE GERMAANSCHE TONG VALLEN MET HET SANSKRIT, D00R H. A. HAMAKER. - TE LEY

GEDRUKT BIJ J. G. LA LAU, TE LEYDEN.

GEDRUKT BIJ J. G. LA LAU, TE LEYDEN.

V.

AAN

5:2946

MIJN EN

W

R

I EN

D,

-

-

-

-

-

-

-

-

DEN H00GLEERAAR

J.

G

E

E

L.

Dezer dagen trof mij, bij het doorblade

ren van een der Engelsche tijdschriften, de

aanmerking, dat het bij ons uit was met de standvastige vriendschap der oude tijden, en

dat men thans te vergeefs omzag naar voor beelden eener broederlijke vereeniging, die voor

het leven gesloten werd, en in lief en leed on

gestoord bleef. Gij raadt reeds, dat ik bij het

lezen dier woorden aan onze vriendschap dacht,

en in hare hartelijkheid en duurzaamheid mij nen troost en toevlugt zocht, tegen de on aangename gewaarwordingen, die de gezegden

van den Engelschman bij mij hadden opgewekt.

Hoe ! zeide ik bij mij zelven, zou het thans levend geslacht minder vatbaar zijn voor de

-

fk

j zelven, zou het thans l e v e n d g e s l a

II

edelste aandoeningen der menschheid, dan zijne voorgangers?

Over hen, die wij hebben zien

opgroeijen, en die thans tot den eersten bloei

van den mannelijken leeftijd genaderd zijn,

spreek ik niet.

Zij hebben de proefjaren der

Ware

De

vriendschap nog niet doorgestaan.

ondervinding alleen kan beslissen, wat daarvan worden zal, en het zou even voorbarig als on regtvaardig zijn, hare lessen vooruit te loopen. Maar wij, die de grootere helft van onze levens

baan zeker reeds hebben afgewandeld, zijn al

thans bevoegd om hier over ons zelven en onze

tijdgenooten te oordeelen. Levenslange, nooit

verkoelde, vriendschap is ten allen tijde zeld

zaam geweest, en waarom zouden wij ons dan

verwonderen, dat wij onder hen, met wie wij lang eenige betrekking onderhielden, zoo weinig

Cicero's en Atticussen, of Scipio's en Laelius sen aantreffen? Dit bewijst dus, God dank, niets

voor de grootere ligtzinnigheid van het te

genwoordige geslacht. zoo het wil, wij althans hebben het bijna der

Die lengte van tijd heeft slechts gestrekt, om ons meer

en meer onontbeerlijk voor elkander te ma

ken, en het is dus wel geene ijdele gedachte,

geen droom der verbeelding, wanneer ik voor spel dat die zelfde innigheid en onafscheide

tig jaren met elkander uitgehouden.

Doch het zij hiermede

wanneer ik voor spel dat die zelfde innigheid en onafscheide tig jaren met elkander uitgehouden. Doch

III

lijkheid ons tot aan het graf verzellen zal,

Het is mij een waar genoegen, dit openlijk te verklaren, dit te zeggen ten aanhooren van

elk, die u en mij een goed hart toedraagt,

Lang heb ik gewenscht en gezocht naar eene geschikte gelegenheid, om het te kunnen zeg

gen: ik vind ze thans bij de uitgave van een werk, waarin gij een levendig belang stelt, en Hoe dik

dat ik u daarom zoo gaarne opdraag.

wijls hebben wij niet met elkander de strek king beschouwd van het onderzoek, welks re sultaten ik thans voor een gedeelte aan het

oordeel des publieksonderwerp! Hoe menig werf heb ik niet uwe bedenkingen aangehoord,

uwe tegenwerpingen opgelost, uwe aanmerkin gen onze gesprekken ernstig, zoo als het gewigt

mij ten nutte gemaakt! . Meestal waren

der zaak het vorderde, maar nu en dan echter bragten de dwaasheden van enkele mijner voor

gangers uwen luim en lachspieren in bewé ging.

Of heugt het u niet, hoe wij ons ver

maakt hebben met de brommende lofrede van

Drechsler over de letter m en hare geheime

krachten, die hem de stof van een geheel is

boekdeel geleverd hebben?

En

met dat al

Men bejammert het inderdaad, dat zoo veel bekwaamheid den schrijver niet behoed v heeft tegen de belag

dat boek een geleerd boek!

*

*

het inderdaad, dat zoo veel bekwaamheid den schrijver niet behoed v heeft tegen de belag dat

1V.

g

chelijkste dwalingen, maar men bejammert het nog meer, dat men uit hoofde der goede en nuttige opmerkingen, die hier en daar verspreid liggen, verpligt is zulk een geschrift met de En was maar het eenige, dat men

grootste verveling door te worstelen.

dat

bij

zen liet, en toch lezen moet, ik zou de zaak nog daar laten, maar helaas ! hoevele Drechs

lers zijn er niet, of die het nog erger ma

ken dan hij! alleen aan het systeem, en niet aan de voor bereidende studien. hoofd niet op hol gebragt, hij zou wat goeds

boek

nog

de vergelijkende taalstudie liefst ongele

Hem haperde het ten minste

hebben kunnen leveren !

Had eene idée fixe zijn

Maar wat moet men

van etymologen, zoo als Vans Kennedy en von Hammer zeggen, die noch taalstudie, noch

systeem

hebben, maar

eenvoudig

op den

klank af, en dan nog wel dikwijls een klank, die voor zulke geoefende ooren als de hun verge

ne alleen te vatten is, de woorden

lijken? De eene toont ons in zijne Researches on

the origin and affinity of the principal lan

guages of Asia and Europe, de zoogenaamde

overeenkomst van negenhonderd Sanskritische woorden met het Grieksch, Latijn, Perzisch,

Duitsch en Engelsch; de andere levert in de

Wiener Jahrbücher der Litt. en elders, er meer

Grieksch, Latijn, Perzisch, Duitsch en Engelsch; de andere levert in de Wiener Jahrbücher der Litt. en

V

dan drieduizend andere, die, volgens zijn zeg

gen, het Perzisch met Duitsch gemeen heeft. ken, het Beide zouden ons wel willen wijsma
gen, het Perzisch met
Duitsch gemeen
heeft.
ken,
het
Beide zouden ons wel willen wijsma
dat
zij
den
geheelen voorraad uitge

put hebben, en beide hebben ondertusschen

duizenden overeenkomsten voorbijgezien, die, bij eene grondige grammatische studie en een

niemand ontsnappen kunnen.

gezond hoofd, Intusschen heeft Vans Kennedy oneindig veel boven von Hammer vooruit. gelijkingen houden het dan ook dat de schrijver ze niet weten schappelijk weet voor te dragen en vestigen. len daarentegen, bij nader overleg, voor ze Men vindt hier overal de

zaak bij

ven achtste gedeelte.

denzelfden wansmaak,

Vele zijner ver

ten minste streek, al is

te

be

Von Hammer's etymologien verval

en, om

haren waren naam te noemen, datzelfde ge

aan gezond

brek dat iederen lezer zijner geschiedkundige wer v. het

menschenverstand weder,

Zoo zal b.

ken in de oogen springt.

Perz. izgar, gierig in het Hoogd. es ist gar,

en berda, het geschreeuw der soldaten in het

gevecht het bekende wer da, zijn.

tuurlijk is

Even na

het dat zál, een oud man, met

sehr alt, of dat istizeh, tegenstand, twist, supust,

stank, en sitaïsch, lof, met it is teezing, es ist Pest, en es ist Täuschung overeenstemmen.

tegenstand, twist, supust, stank, en sitaïsch, lof, met it is teezing, es ist Pest, en es

VI

Dergelijke aanhalingen hebben geene uitleg

noodig.

Ieder

die het leest

bedroeft

ging er zich over, dat zulke onbevoegde papier

bekladders de wetenschap in minachting bren

gen.

ik

Houd het mij ten goede, vriend ! dat

warm

word?

Wanneer

men

ziet

dat

lieden van dien stempel het rijk inhebben,

overal uitgebazuind en uitgetrompet, en met omhangen wor den, wie zou dan zijn geduld niet verliezen? Wat wordt er van roem en Europische re de

die

het

ridderorden en eereteekens

putatie, wanneer

met

zulke Heeren

ware

deelen

moet?

geleerde

Ware

onverbiddelijk oordeel der na

niet dat het komelingschap het kaf van men zou king komen, om zich liever in duisterheid en vergetelheid te begraven, dan met zulke dwaze adem Doch ook nu zijn er

scheiden,

de

tarwe zal

waarlijk in de verzoe

veelweters en veelschrijvers in

genoemd te worden!

een en

reeds knappe lieden genoeg, die al den wind

des von Konstantinopel bis Philadelphia ge

feyerten Verfassers, zoo als hij zich heeft laten noemen, zeer goed kennen, gevoelen,

ergens

en

juist weten te waarderen, en die

welk

een

onderscheid er

is

tusschen hem

en de ware bevorderaars der wetenschap, een

Grimm, Bilderdijk, Bopp, Schmitthenner, K. F.

onderscheid er is tusschen hem en de ware bevorderaars der wetenschap, een Grimm, Bilderdijk, Bopp, Schmitthenner,

NII

Becker, Wüllner, Pott, de beide Schmidt's en anderen. Gij weet het, wat ik aan hunne ge

leerdheid en scherpzinnigheid verschuldigd ben.

Veel is er, waarin ik met hen overeenstem, al

heb ik ook overal niet naauwkeurig en angst vallig hunne namen daarbij aangehaald.

Maar

met uitzondering van Bopp, die mijn bekwa

me leidsman bij het beoefenen van het Sanskrit geweest is, heeft gewisselijk niemand grooter aanspraak op mijne dankbaarheid dan Becker.

Dat de geheele taal van het beginsel van bewe

ging uitgaat, was mij reeds duidelijk gewor

den, voor dat ik Beckers uitmuntend boek, das Wort in seiner organischen Verwandlung

ter hand nam, maar hoeveel heeft de vastheid en

mijn onderzoek niet gewon

helderheid van nen, toen ik de geleidelijke en gemakkelijke manier leerde kennen, waarop hij dat begin

sel van beweging in al deszelfs wijzigingen en

schakeringen ontwikkelt en vervolgt? Waarom

toch is de vormleer in dat boek niet met gelijke zorg behandeld, als die der beteekenissen? dan ware het in zijne soort volmaakt geweest. Doch het zou onbillijk zijn dat gebrek meer aan hem

dan aan anderen te laste te leggen : want nie

mand zijner medeonderzoekers is er vrij van. Overal mist men die eenvoudigheid, die alleen

het kenmerk der waarheid is. Ik voor mij heb

is er vrij van. Overal mist men die eenvoudigheid, die alleen het kenmerk der waarheid is.

VIII

naar eene dubbele eenvoudigheid gestreefd,

die van het onderwerp zelf, en die der voor

stelling.

zullen er buiten twijfel genoeg

Er

zijn, die mijn boek bestrijden, de één uit over tuiging, een tweede uit vooroordeel, een derde

uit gekwetste eigenliefde, maar allen zullen

toch moeten bekennen, dat mijne beginselen eenvoudig, en de daaruit afgeleide gevolgtrek Als dan hebben

zij dit eens bekennen

kingen ongedwongen en natuurlijk zijn.

moeten,

wij al veel gewonnen, lieve vriend! en dan

Ik vleije

rest wel van zelf volgen.

zal de misschien niet ten onregte dat ook de

mij

eenvoudigheid en duidelijkheid der voorstelling

Dat ik mijn aan zienlijk gehoor tot het einde toe bijeenhield, On

durf ik als een bewijs daarvan aannemen.

mij niet geheel mislukt is.

noodigen schijn van geleerdheid heb ik met

voordacht vermeden.

Ik heb

dien zelfs aan

het oog mijner lezers niet willen opdringen.

Waartoe toch zou hier eene vertooning van Indische en Perzische karakters enz. gediend

hebben? Nergens toe, dan om het boek zijne populariteit te ontnemen, en het grooter en duurder te maken, daar ik toch de uitspraak

der vreemde woorden in gewone letters er

Ook is het mij voor

had moeten bijvoegen.

gekomen, dat het, in dit geval, overtollig was,

woorden in gewone letters er Ook is het mij voor had moeten bijvoegen. gekomen, dat het,

IX

alle de

klanken

van het Sanskrit-alfabet door

afzonderlijke teekens uit te drukken, zoo als

de

het verschil tusschen de vierderlei n, en

linguale, of dentale, t, th, d en dh, omdat het

onderscheid tusschen die letters voor ons naau

welijks, of in het geheel niet, bemerkbaar is, en hoegenaamd geene etymologische waarde heeft. ten is duidelijker, en ik heb daarom de pa

latine s, die eene zachte aspiratie heeft, en de

linguale, die met de Eng. sh en de Duitsche sch overeenkomt, door de schrijfwijzen 's en Ook moest door het aannemen van een bijzonder van . den vokaal klank ri met de gewone syllabe ri belet wor

den, en ik heb de eerste daarom altijd door

woorden zoo

Het verschil tusschen de drie sibilan

sch van de gewone

s onderscheiden.

kenteeken de verwarring

Dit echter in

r'i uitgedrukt.

als Sanskrit en Prakr it in te voeren, die door

veelvuldig gebruik reeds in de Europische ta len zijn ingelijfd, scheen mij wat pedant toe.

De lange syllaben der Indische en Perzische Het was vooral noodzakelijk dit te doen, omdat, ook in de quantiteit der vokalen, dikwerf de ver bazendste overeenstemming tusschen het Oos ten en het Westen, in gelijkvormige woorden, zich voordoet.

woorden heb ik overal aangeduid.

De korte syllaben heb ik

Oos ten en het Westen, in gelijkvormige woorden, zich voordoet. woorden heb ik overal aangeduid. De

X

-

alleen dáár aangewezen,

waar het voor de

duidelijkheid der redenering noodig scheen.

Denzelfden regel heb ik gevolgd in het ge

bruik der zoogenaamde barre de liaison, tot

onderscheiding der suffixen, of casus-teekens,

van het grondwoord, waaraan ze worden toe gevoegd.

Een algemeen gebruik dier verbin

dingslijn, die zeker hier en daar wel tot een zuiver begrip der vormen kan bijdragen, is niet wel mogelijk, omdat de terminatien dik

werf zóó zeer met het wortelwoord tot één

geheel zijn zamengesmolten, dat na aftrek der zelve, een verminkte en onkenbare vorm zou overblijven. dier lijnen, waarvan ik er misschien te veel van maaksel gebruikt heb, het oog van den lezer te veel vermoeijen, zonder dien onaangenamen

mijn eigen

in langere zamenstellingen

Bovendien zou het groot getal

indruk door een evenredig nut te vergoeden

Maar bedrieg ik mij, of zie ik u hier onder

de lektuur eenige ongeduldige bewegingen ma

ken? een vriendschappelijken brief wat heel dor, en Het spijt mij:

droog, en grammatisch wordt.

Gij vindt misschien dat mijn toon, voor

maar wat zal ik er aan doen! Ik moet u nog

meer dingen van die soort vertellen. Tot nog toe

heb ik u hoofdzakelijk gezegd, wat ik gedaan, nu moet ik u nog iets mededeelen, dat ik ge

die soort vertellen. Tot nog toe heb ik u hoofdzakelijk gezegd, wat ik gedaan, nu moet

e

Xf

laten heb. Gij moet weten dat de Heeren van de

kunst tegenwoordig zeer veel ophebben met een

zekere uitvinding, waarvan de eer aan J. Grimm toekomt. hebben, dat de gutturale, linguale en labiale let

ters in de verschillende tongvallen aan een vaste

wet van klankverwisseling onderworpen zijn, in

dier voege, dat in het Grieksch, Latijn en Sans krit, de tenues k, t, p tegen over de adspi ratae, zoo als th en f, in het Gothisch, en de mediae g, d, b in het oude Hoogduitsch, staan. Omgekeerd staan de Gr., Lat. en Ind. me diae voor de Goth. tenues, en de Hoogduitsche adspiratae, en de adspiratae der eerstgenoemde

dialekten, voor de mediae en tenues der beide

laatste. Men noemt dit Lautverschiebungsgesetz,

Van die zaak nu, zult gij in mijne lessen geen woord gerept vinden. Welligt duidt een of

ander taalkenner mij dit ten kwade, en ik ben Aan de verwisseling der letters van hetzelfde orgaan, of dezelfde klasse, twijfel ik, zoo min als iemand; maar wel aan de regelmatige afwisseling. Een vijfentwintigtal voorbeelden van elke klasse, Men zou er misschien honderden andere tegenover kun

nen stellen. Om aan zoo iets kracht van wet

in de leer der woordafleiding te verschaffen,

Men meent namelijk opgemerkt te

dus verpligt er iets van te zeggen.

bewijzen hier zoo goed als niets.

te verschaffen, Men meent namelijk opgemerkt te dus verpligt er iets van te zeggen. bewijzen hier

XII

zou men eerst moeten bewezen hebben, dat alle de met elkander vergelijkbare vormen der on

derscheidene dialekten, zich, met geringe uit

zonderingen, naar dat beginsel regelen, met andere woorden, men zou dat beginsel eerst dan als uitgemaakt kunnen beschouwen, wanneer Ik voor mij

men het niet meer noodig had.

verwacht zulk eene uitkomst niet: want al ware

de zaak ook waarschijnlijk, dan nog zou de toe stand der alfabetten, die, met uitzondering van het Indische, van elders ontleend en ten eenen male ongeschikt zijn, tot juiste uitdrukking der klanken, het voldingend bewijs onmogelijk ma

ken.

Bovendien vindt men

nu en dan

in één

en hetzelfde dialekt, die afwisseling van adspira

tae, tenues en mediae, die, volgens Grimm en

Bopp, de tongvallen onderscheiden.

Wie b. v.,

die de leer der vokaal-versterking uit mijne les sen heeft leeren kennen, zal er aan twijfelen dat voet, met de adspirata en de gewone vokaal,

poot, met de tenuis en de guna, en bout,

met de media en de wriddhi, dezelfde woorden

zijn? Zoo is het b. v. met de linguale t, d, z,

anders s. Immers tucht en deugd verschillen al

leen in zoo verre, als het laatste de wriddhi van

het eerste is. Het zijn participia passiva van

tugen, dugen, anders tijgen, dijgen en zijgen, dat wriddhi's zijn van ziehen, d. i. trekken. Zie daar,

passiva van tugen, dugen, anders tijgen, dijgen en zijgen, dat wriddhi's zijn van ziehen, d. i.

XIII

waarom tucht, en dus ook deugd, eigenlijk Er ziehung is, en het part. Tugend met er-ziehend overeenstemt.

Ons tucht is het Hoogduitsche

Zucht, en dit is weder ons zucht en togt als trek,

of trekking. gen voor de onbepaalde afwisseling der letters

Kan men sterker bewijzen verlan

Gij ziet dat onze moeder

van dezelfde klasse. taal mij die geleverd heeft. U, die met het Hol landsch zoo hoog loopt, en het in alle zijnen rijk

dom en oorspronkelijkheid doorziet, behoef ik wel niet te zeggen van welk een onberekenbaar nut het mij is in mijne nasporingen. Maar de

Duitschers, die er zoo dikwerf den neus voor op

trekken, moesten het eens weten!

Zij moesten maar half kunnen gissen, hoe onmisbaar dat hulpmiddel is, tot ontdekking van de geheimen

dertaal! Geloof mij, alle de linguisten kwamen ag mine factoden Rijn afzakken, om het Hollandsch, dat ze, bij gebrek van goede elementaire boeken, in hun land nooit leeren zullen, hier op zijn ei

gen grond en bodem te beoefenen! Doch ma num de tabula! Ik zou nog veel over dit onder

werp kunnen redeneren, maar mijn brief, of

voorrede, of hoe gij het noemen wilt, moet niet

te lang worden.

Het publiek is altijd schrik

kelijk bang geweest voor vervelende praefaties,

en die vrees en afkeer

Scott niet op verminderd.

is er sedert

Walter

Men doet dus best

geweest voor vervelende praefaties, en die vrees en afkeer Scott niet op verminderd. is er sedert

XIV

zoo beknopt mogelijk te zijn, of men krijgt geen

lezers.

Hun getal is bij eene echt Lakonische

Be oordeel intusschen zelf, of ik dit geschrijf had kunnen

ik iets gezegd heb,

voorrede misschien reeds schraal genoeg.

inkorten, of

dat hier niet op zijne plaats was, en liever, of

in den tekst, of in de aanteekeningen, had

Maar à propos

moeten opgenomen worden!

van aanteekeningen.

Ik zie u, dunkt mij, bij

het lezen van dat woord een spotachtig ge

Het is als of ik er uit merken » Het » wat fraais om lange nooten op zijn eigen werk

kan, wat in uwe ziel omgaat.

is ook

zigt trekken.

Waarom dat alles niet liever in

» te maken.

» den tekst gebragt?

» van eene onvolledige redaktie, wanneer zoo

» veel, dat ter zake diende, ongebruikt is blij

Het is altijd een bewijs

Was het dan misschien beter

»ven liggen.

geweest, dat ik u op voorlezingen van twee uren lengte vergast had, met dat gelukkig gevolg dat niemand mij zou begrepen heb

ben, omdat groote uitweidingen zeer aan de

helderheid der redenering te kort doen : om

niet te spreken van het gevaar dat ik liep

van den eenen vóór, den anderen na, te zien verdwijnen, en eindelijk niemand over te hou

den dan u, dien vriendschap alleen belette om de rest te volgen? Of zoudt gij liever

en eindelijk niemand over te hou den dan u, dien vriendschap alleen belette om de rest

XV

gewenscht hebben dat ik mijne ophelderin gen en uitbreidingen voor eene andere en be Neen vriend!

tere gelegenheid bespaard had?

dat zou verkeerd zijn.

Ik

Post est occasio calva.

houd niet van dat temporiseren, Waaraan

men hier te lande, helaas! publice et privatim nog al hecht, zonder er iets mede te winnen, en

Ik zou

met gevaar van veel te verliezen.

ligt in het laatste geval kunnen verkeeren, want

wie is, bij de broosheid des menschelijken le vens, genoegzaam verzekerd, dat hij eene nadere

gelegenheid zal vinden om iets nuttigs te zeggen,

of te doen? Ook ben ik over het algemeen, om

de waarheid ronduit te zeggen, nog al een vriend van aanteekeningen, niet alleen op vreemd, maar ook op eigen werk. Zelfs een filozoof kan er in weerwil van de consequentie en den ge

strengen zamenhang zijner redeneringen moeije

er, die een ophelde rend nootje voor vele verkeerde en onaange name beoordeelingen zou hebben behoed. Maar

lijk buiten, en ik ken

hoeveel minder kan een letterkundige ze dan

ontberen, die de bewijzen voor zijne stellin gen meestal niet uit het afgetrokkene en denk beeldige, maar uit het stoffelijke en bestaande

ontleenen moet?

Zonder dus het voorbeeld te

willen volgen van een van

bij het schrijven

beroemd geleerde, die een

octavo boekdeel

moet? Zonder dus het voorbeeld te willen volgen van een van bij het schrijven beroemd geleerde,

XVI

over een onderwerp, dat eene zekere analo

gie had met het mijne, de noten honderd blad

zijden langer gemaakt heeft dan den tekst, ge

loof ik toch dat aanteekeningen, zoo als ik

ze gegeven heh, nuttig en noodzakelijk wa

Ik hoop ook u daarvan genoegzaam over

ren. tuigd te hebben, en geef nu, daar, ik niets meer van belang te zeggen heb, u het boek met alle zijne deugden en gebreken in han den. als tot een representant van het geëerd publiek, om dat gij een mijner beste en verstandigste beoordeelaars zijt. Maar ik heb ook tot u ge

Ik heb in dezen brief tot u gesproken

sproken als vriend, en mogt ik bij het gros

mijner lezers een deel dier welwillendheid Ont

moeten, die gij mij zoo onveranderlijk betoont,

dan heb ik althans geen reden om voor den

gelukkigen uitslag mijner pogingen

te wezen.

LEYDEN,

25 Mei 1835.

-

bezorgd

H. A. HAMAKER.

-

-

-

geen reden om voor den gelukkigen uitslag mijner pogingen te wezen. LEYDEN, 25 Mei 1835. -

EERSTE VOORLEZING.

De zaak, waarover ik u, M. H., in de lessen, die

wensch te onderhouden,

ik heb aangekondigd, boeit sedert een tiental jaren de aandacht van het Duitsche letterkundige publiek, en is daar te lande

het geliefkoosd onderwerp der bespiegelingen en

navorschingen van vele geleerden van aanzien. Ook in Engeland en Frankrijk zijn er enkele, die er zich mede bezig houden, maar de manier van behan deling is daar, zoo het schijnt, meer oppervlakkig en zonder genoegzame systematische gestrengheid. Van ons, in het midden tusschen de genoemde ge westen gelegen, en door beschaving en wetenschap pelijk verkeer aan derzelver bewoners verwant, zou

men met reden meer geestdrift en ijver mogen ver

wachten, reeds door den nabuur in het vak der linguistiek ge maakt, toe te eigenen, en die, waar het pas gaf,

om ons de gewigtige ontdekkingen,

toe te lichten,

te verbeteren en uit te

breiden.

Maar tot nog toe heeft zich geene stem verheven om onze landgenooten tot de beoefening van dezen tak

van wetenschap aan te sporen, en, naar het geen be

kend en openbaar is te oordeelen, is hij, die thans tot u spreekt, de eerste en eenigste, die zich met ernst

-

w,

1

be kend en openbaar is te oordeelen, is hij, die thans tot u spreekt, de eerste

*)

en belangrijk gevolg heeft toegelegd op de aloude

Sanskrita, zonder wier kennis het onmogelijk is

orde en regelmaat en wetenschappelijke naauw

keurigheid in de leer der woordvorming te brengen. dat het mijn pligt en

Ik heb daarom gemeend,

mijne roeping was, dit stilzwijgen af te breken, dat zoo nadeelig is voor onzen nationalen roem, Ik stel

als voor onze wetenschappelijke belangen.

mij voor, u in den loop van het tegenwoordig on derzoek opmerkzaam te maken op de gewigtige ge

volgen, die de zaak, waarover wij handelen, niet alleen op de ware en grondige kennis onzer moeder taal en der zusterlijke Germaansche dialekten, maar

ook op het regt verstand van den oorsprong, bouw

en vorm der Grieksche en Latijnsche taal hebben moet. de oorzaken trachten op te klimmen, en dat wij het heerschend vooroordeel vernietigen, als of juistheid

van bewijs en vastheid van wetenschappelijken gang

alleen in de wiskunde en hetgeen daarvan afhanke lijk is, bereikbaar zouden wezen ; als of de taal niets anders ware dan een werktuig om tot wetenschap te geraken : zoodat hare kennis niet onder de eigenlijke wetenschappen behoorde te worden gerangschikt; maar zich met den nederigen titel eener science de parlage, zoo als men het gelieft te noemen, moest vergenoegen! Voor hem die de taal alleen bezigt als een middel om zijne gedachten aan anderen mede te deelen, is zulk eene wijze van beschouwen zeer natuurlijk, maar voor elk die haar geheim door ziet, heeft zij een hooger' zin, en hem levert zij in de trapswijze ontwikkeling harer vormen en be

Het wordt tijd, M. H. dat wij ook hier tot

zin, en hem levert zij in de trapswijze ontwikkeling harer vormen en be Het wordt tijd,

3

teekenissen eene hoogst belangrijke bijdrage voor de Maar om haar op dit verheven standpunt te plaatsen, is het noodig dat men haar van lieverlede ontdoe van de kluisters der overlevering, en zich reden trachte te geven van elk grammatisch verschijnsel, van elke grondbeteekenis. paar voorbeelden op te helderen. Hoe verklaarde men nog voor weinige jaren de moeijelijke en zeldzame Hielp men zich niet vooral door middel der overlevering? Vergenoegde

woordvormen van Homerus?

gcschiedenis van den menschelijken geest.

Men vergunne mij dit door een

men zich niet met het beroep op eenen of anderen

grammaticus, zonder het minste bewijs voor zijn gezag aan te voeren? zijnen Lexilogus. Hij bewees dat een letterkundi

ge der Alexandrijnsche school geen beter hulpmid

delen bezat om Homerus te verstaan dan wij; daar de Homerische taal voor hem, zoowel als voor ons,

eene doode taal was. dat de Ouden in hunne uitleggingen dikwerf ge dwaald hadden, en nu bleek het dat ons gezag in dezen niet alleen gelijk stond met - maar hoo Maar hoe dikwerf heeft niet Buttmann in dienzelfden Lexilogus zijne toe vlugt moeten nemen tot gissingen en onwaarschijn lijkheden, waar het volle licht der waarheid hem zou hebben bestraald, zoo hij met de vergelijkende

ger was dan het hunne !

Hij ging verder, en toonde

Daar trad Buttmann op met

studie der Germaansche dialekten en haar vasten

grondslag, de aloude taal der Brahmanen, ware bekend geweest? Men kan ten naastenbij hetzelfde

van Doederlein zeggen, wiens inderdaad meesterlij

ke Lateinische Synonyme und Etymologieen nog

I

*

naastenbij hetzelfde van Doederlein zeggen, wiens inderdaad meesterlij ke Lateinische Synonyme und Etymologieen nog I *

4

veel meer waarde hebben zouden, indien hij zich niet binnen den engen kring van het Grieksch en Latijn besloot, en niet hardnekkig weigerde ge bruik te maken van de ontdekkingen der hedendaag

sche linguistiek.

Voor onze taal heeft Bilderdijk,

in weerwil zijner grilzieke dwalingen en zonder

lingheden, in dit opzigt onbegrijpelijk veel gedaan.

Zijne Verhandeling over de geslachten en zijne

Verklarende geslachtlijst, geven ons regt om te ge

looven, dat, zoo hij zich had kunnen bedienen van alle de hulpmiddelen, die het tegenwoordige oogen blik aanbiedt, hem weinig zou ontsnapt zijn van Ik durf er zelfs bijvoegen, dat hij verder zou gezien hebben dan de meeste Duitsche geleerden, die zich thans met dat vak van studie bezig houden, en dat, hoezeer zijne vindingrijkheid niet van onnatuurlijk heid was vrij te pleiten, hij echter de meeste klip

pen zou hebben vermeden, waarop deze anders

zoo verdienstelijke mannen vervallen zijn.

dat gene, dat thans door anderen gevonden is.

Want

de opregtheid gebiedt het te verklaren, in de lange

rij

der werken,

die in de laatste jaren over dit

onderwerp verschenen zijn, vindt men er geen,

dat over het groote vraagstuk, dat wij behandelen, het gewenschte licht verspreidt, geen enkel, dat niet zeer veel gedwongene, zonderlinge en onnatuurlijke

stellingen en gevolgtrekkingen vermengt met niet

minder talrijke zaken, wier waarheid en bruikbaar Over de vraag, of de zaak mij beter gelukt is, dan aan mijne voorgangers, komt mij geene beslissing toe. De tijd en het wel wikkend en langzaam oordeel mijner lezers zullen

heid ontegenzeggelijk zijn.

mij geene beslissing toe. De tijd en het wel wikkend en langzaam oordeel mijner lezers zullen

5

moeten leeren, wat door mijne grammatische aan

merkingen over den Indogermaanschen taalstam, en door mijne vergelijking van de wortelwoorden der Sanskrita-taal met die der overige dialekten, gewon nen is. mogelijk voor den druk gereed te maken. het tegenwoordige zal ik mij bepalen tot het geven van algemeene wenken en het voordragen en ont wikkelen van voorbeelden, die het belangrijke der

wetenschap in een helder daglicht plaatsen. Ik doe

zulks bij voorkeur in de landtaal: vooreerst, omdat de zaak belangrijk is voor elken Nederlander, en ik dus niemand, die of niet, of niet genoegzaam, met de taal der geleerden bekend is, van mijne lessen wil uitsluiten: ten anderen omdat het Latijn,

het artikel missende, mij voorkomt voor eenegram

matische ontwikkeling als deze, waar juistheid en duidelijkheid mondelijke voordragt, minder geschikt te wezen. - Ik ga thans in de eerste plaats over tot de meer naauwkeurige omschrijving en bepaling van het on derwerp, welks behandeling ik mij heb voorge steld. Met andere woorden, ik wil u zeggen, welke de taal is die men gewoonlijk Sanskrit noemt, en welke de dialekten zijn, die met haar, of in eene meer onmiddelijke, of in eene meer verwijderde, betrekking staan. Deze beschouwing zal ons van zelve leiden tot een geografisch en ethnografisch overzigt der verspreiding van den zoogenaamden Indoger

maanschen taalstam, en tot waarschijnlijke gissingen

een hoofdvereischte is, althans bij

Beide deze werken hoop ik zoo spoedig

Voor

over de volksverhuizingen, die met die versprei ding in verband stonden.

bij Beide deze werken hoop ik zoo spoedig Voor over de volksverhuizingen, die met die versprei

6

Sanskrita (want zoo behoort dit op velerlei wijze bedorven woord uitgesproken te worden) is eigen lijk een deelwoord, dat oorspronkelijk Sankrita, of in den Nom. Sankritas geschreven werd en in

afkomst, klank en beteekenis niet verschilde van het

Gr. ovyzouvog, te zamen gevoegd, vereenigd, ver bonden. Van daar wordt het gebezigd van een ge

heel, dat uit deszelfs verschillende deelen is zamen

gesteld, zonder dat er iets aan ontbreekt, dat dus Den naam der vol

afgewerkt, dat volmaakt is.

maakte en beschaafde verkreeg de heilige, of hoo

gere, taal van oud Indie buiten twijfel bij tegen overstelling, en dus eerst in betrekkelijk lateren tijd, toen zich uit haar, door verzachting en afkor ting der woordvormen, eene nieuwe taal ontwikkel

de, die in het dagelijksch leven de overhand ver

kreeg en Prd krita, dat is, de ontsierde, bedorve

Wanneer dit plaats

ne, gemeene genoemd werd.

had, weten wij evenmin, als hoe de vroegere be naming was der taal, die thans Sanskrita heet,

of van het volk, dat haar vormde en beschaafde.

Zooveel is zeker, dat zij niet oorspronkelijk is, en geenszins als de moeder der met haar verwante dia lekten moet beschouwd worden. Want in dat geval zou hare spraakleer en de beteekenis harer woorden

geen licht ontvangen uit het Grieksch, het Latijn

of het Germaansch.

Dan was zij de zon, die uit

één gemeenschappelijk middelpunt alles bestraalde, . en de weldadige verlichting, die zij over alle hare afkomelingen verspreidde, zou dan niet met gelijke Het is niet hare oorspronkelijkheid, maar haar ouder

kracht op haar zelve worden terug gekaatst.

zou dan niet met gelijke Het is niet hare oorspronkelijkheid, maar haar ouder kracht op haar

7

dom, hare mindere afwijking van den moederstam, die haar zoo belangrijk, die haar zoo onmisbaar maakt voor elk, die den sluijer verlangt op te hef fen, die de geheimen der hoogere taalkunde ver bergt.

De oorspronkelijke taal, wier oudste doch

ter het Sanskrit is, de vruchtbare moeder van zoo

Dat zij eens in volle levenskracht bloeide, blijkt uit haar talrijk Want hier, gelijk in de Semitische talen, was de moeder

stam reeds verdord, voor dat het eerste schemerlicht

der historische overlevering aanbrak. Geen wonder

vele dialekten, bestaat niet meer.

nakroost.

De geschiedenis zwijgt er van.

derhalve,

dat zelfs de naam dier aloude taal verlo

ren gegaan is, en men zich verpligt gevonden heeft daarvoor een woord in de plaats te stellen, dat tot algemeen merkteeken voor alle de onderling ver

wante dialekten dienen moest. Men noemt ze Indo

De benaming is hoogst gebrek

germaansche talen. kig, omdat men niet gewoon is Celten, Grieken,

Romeinen, of Slavoniers onder den naam van Ger manen ; of Perzianen, onder dien van Indiers te

begrijpen; terwijl intusschen alle deze volken, of geheel, of grootendeels, denzelfden oorsprong heb ben. te vinden, en ik zal mij daarom, zoo dikwerf het Wist men met zekerheid, waar de aloude woonplaats van den nog onverdeelden stam te zoeken is, dan kon men zijne algemeene benaming van deze om

noodig is, van deze uitdrukking bedienen.

Het zou echter moeijelijk zijn, iets beters uit

Maar ook in dit opzigt Het is echter hoogstwaarschijnlijk, dat de oorspronkelijke

standigheid ontleenen.

moet men zich met gissingen vergenoegen.

Het is echter hoogstwaarschijnlijk, dat de oorspronkelijke standigheid ontleenen. moet men zich met gissingen vergenoegen.

8

bevolking van Indie van dien stam verschilde, die

daar te lande de Sanskrita-taal, de natuurdienst

der Vedas en de Kastenverdeeling invoerde, en, zoo lijke Himålayas in de vruchtbare vlakten afgedaald, aanvankelijk de noordelijke gewesten veroverde, die tusschen den Indus, den Ganges en den Ner buddha besloten zijn. woonden dus vroeger ten noorden, of ten noord oosten, van Indie, en zoo het geoorloofd is hier eene gissing te wagen, zou ik hunnen oorsprong en

dien van den ganschen Indogermaanschen volk

Die vreemde volkplanters

het mij voorkomt, door de passen der weste

stam in het oude Sogdiana zoeken, dat door twee groote rivieren, den Oxus en den Jaxartes, begrensd

wordt en thans den naam van Groot-Bucharie voert.

Van daar hebben zij zich, bij toenemende bevol king, naar het zuiden en westen moeten uitbrei den : want de doortogt naar elders was voor hen

gesloten, daar de talrijke Turksche stam het noor

den en oosten bezet hield. Zoo vormden zich wel ligt gelijktijdig, althans zonder aanmerkelijk tijd

verschil, de beide hoofdkolonien van den moeder

in Azie, de

stam Daaruit ontwikkelden zich later de Europische volk plantingen, die wij in de Grieksch - Latijnsche,

de Celtische, de Germaansch-Scandinavische en

Slavisch-Luthauïsche onderscheiden. De gang on zer rede brengt ons thans van zelf tot de afzon derlijke beschouwing van elk dezer taaltakken. De Sanskrita-taal vestigde zich, zoo als wij gezien

hebben, aanvankelijk in het noorden van Indie. Van lieverlede drong zij echter voorwaarts, naar

Indische en Medoperzische.

hebben, aanvankelijk in het noorden van Indie. Van lieverlede drong zij echter voorwaarts, naar Indische en

9

mate de vreemdelingen de oorspronkelijke bewo ners van het Zuidland, of Dakschina, bij ons ge wonelijk Dekkan geheten, aan hunne heerschappij

onderwierpen. Zelfs Lanka, of Ceylon, bezweek voor

den aanval der veroveraars, en hoogstwaarschijnlijk is het beroemde en overoude dichstuk, dat wij on der naam van Ramdiyana, of Rama's togt kennen, eene dichterlijke beschrijving van de volkomene ze gepraal van het gers op de autochthonen van Indie, die op Lanka voor hunne godsdienst en staatkundig bestaan eene Het Sanskrit oefende natuurlijk een grooten invloed uit op de taal der

wijkplaats gezocht hadden.

Brahmanismus en zijne aanhan

overwonnenen; maar was echter niet in staat hare

zelfstandigheid te vernietigen, en nog heden ten dage bestaan die aloude dialekten in den mond des

volks; terwijl het Sanskrit, met wiens woorden schat zij zich verrijkten, sedert eeuwen is uitge

storven. Geheel verschillend van deze barbaarsche

en gemengde talen zijn de door Balbi in zijnen At las dert lang uitgestorvene, Prákrita-dialekten, aan wier Deze dialekten door een sterker gebruik der vokalen verweekt, maar echter door geene bastaardwoorden bedorven, Sanskrit,

zijn niets anders dan een verzacht en

hoofd men het Pali plaatsen moet.

ethnographique daarmede verwarde, en se

wel passende in den mond der vrouwen, die zich

dan ook van dien spreektrant alleen in het Indische drama bedienen. van het Sanskrit verwijderd dan het Pali, zoodat dit waarschijnlijk ouder is dan het Prákrit, of met

Dit Prákrit is eenigzins verder

andere woorden, ouder dan de eerste eeuw vóór

ouder is dan het Prákrit, of met Dit Prákrit is eenigzins verder andere woorden, ouder dan

10

onze tijdrekening, toen het Sanskrit-Prákrit drama, waarvan wij zoo even spraken, zijn hoogsten bloei bereikt had. ten hebben dit Pali als hunne heilige taal aange nomen, denkelijk om zich te onderscheiden van hunne vijanden en onderdrukkers, de Brahmanen, Zij hebben het Pali eerst naar Ceylon, en vervolgens, toen en

het geweld der

die daartoe de Sanskrita-taal bezigen.

Doch hoe dit ook zij, de Bouddhis

hen meer

Brahmanen-secte

meer tot wijken noodzaakte, omstreeks het einde

der vierde eeuw van onze jaartelling, met hunne heilige boeken naar het schiereiland aan gene zijde van den Ganges overgebragt, waar zij tot heden toe, als de taal der priester-kaste, voortleeft. Ik heb met voordacht, M. H. een oogenblik verwijld bij deze beide dochter-dialekten der Sanskrita , omdat derzelver invloed op de taalvergelijking hoogst gewig tig is. van het Palien Prákrit regelen, geven ons den maat staf en de oplossing van ettelijke verschilpunten, die tusschen het Latijn en het Italiaansch, of het Voor dat ik van dit onderwerp afstappe en deze beschou

Sanskrit en het Grieksch, gevonden worden.

De euphonische wetten, die de afwijkingen

wing van den Sanskrita-stam besluite, moet ik er nog bijvoegen, dat de landen aan gene zijde van den Ganges, de eenige niet zijn, die, hoezeer niet

bevolkt door Indogermaansche natien, den onmid

delijken invloed van dien taalstam ondervonden

hebben.

Eeuwen te voren, toen de Bouddhisten

zich nog niet zoo streng van de Brahmanen hadden

afgescheiden, was dezelfde heilige Sanskrita-taal

aan beiden gemeen. In het gevolg der nieuwe leer

van de Brahmanen hadden afgescheiden, was dezelfde heilige Sanskrita-taal aan beiden gemeen. In het gevolg der

11

verspreidde zij zich allengskens over Tibet, Mongo

lie, China en Japan, en schijnt in deze landen als

liturgisch dialekt nog weinig veranderd voort te

leven. in den Indischen Archipel. Niet alleen dat vele ei

gen namen en een aantal woorden in het Maleisch

en Javaansch van hare tegenwoordigheid in die stre ken getuigenis geven; ook het Kawi, of de dichter taal, dat voorheen op Java en de naburige eilanden Bali en Madura gebruikelijk was, het Kawi, waar over wrochte verhandeling van W. von Humboldt ver

wachten, is niets anders dan de Sanskrita, die,

Aan den anderen kant drong zij door tot

wij binnen kort eene uitgebreide en door

door den invloed van het Javaansch, de buigbaar heid harer vormen verloren heeft, maar voor het overige onveranderd gebleven is. Wenden wij ons nu tot de tweede afdeeling van den Indogermaanschen stam, de Medoperzische, of

Irdnische, van Iran, dat de oude benaming is van

alle de landen, die tusschen den Tiger en den Oxus

gelegen zijn. Aan het hoofd van dezen stam staat de

Zend-taal, die, zoo als sommige willen, oudtijds in

Medie gesproken werd. Dit in het midden latende,

bepaal ik mij tot de aanmerking, dat het woord Zend mij toeschijnt waar, of waarheid, te beteekenen, zoodat het geenszins de oorspronkelijke benaming der taal zijn kan, maar eerst in later tijd aan haar gegeven

is, toen de waarheid, d

i.

de leer van Zoroaster, in

dezen tongval beschreven was.

De naauwe en zus

terlijke verwantschap van het Zend met de Sans

krita is in het afgeloopen jaar door den Berlijnschen hoogleeraar Bopp uitvoerig en voldingend bewezen,

Zend met de Sans krita is in het afgeloopen jaar door den Berlijnschen hoogleeraar Bopp uitvoerig

12

en door taalvergelijking alleen is het mogelijk ge

worden een uitgestorven dialekt te leeren verstaan, waarvan noch spraakkunst, noch woordenboek van eenige waarde, aanwezig is, en dat door de Par

zen zelven slechts ten deele begrepen wordt.

On

der de overige oude tongvallen van Perzie, worden het Pahlawi, of Pehlvi, en het Parsi genoemd. Dat het eerste in de westelijke grensprovintien des rijks gesproken aanzienlijk aantal Syrochaldeeuwsche woorden, die het zich heeft toegeëigend, ten naastenbij zoo als de taal der Kurden, die, geographisch geno men, ten deele de plaats van het oude Pehlvi be slaat, een mengsel is van Perzisch en Semitisch. Het Parsi is de tongval van het eigenlijke Perzische land, dat zich langs den gelijknamigen zeeboezem

werd, is blijkbaar uit het vrij

Het heeft van lieverlede de beide ove

uitstrekt.

rige dialekten verdrongen,

en bloeit nog heden,

hoewel het sedert de Muzelmansche verovering ge stadig meer en meer met Arabische uitdrukkingen

vermengd werd. Voor het overige houde ik het voor waarschijnlijk dat Zend, elkander ontwikkeld zijn, maar gelijktijdig bestaan hebben, en de vertegenwoordigers zijn van drie verschillende Indogermaansche volkstammen, die

Pehlvi en Parsi niet uit

Perzie bevolkten.

Zoo is het onder veranderde na

men nog heden: geheel anders spreekt men bij de 'Afghanen in Khorasan en aan de oevers van den Indus; anders in Belochistan, of het oude Gedrozie,

aan den Indischen Oceaan; anders in Thabaristan,

Maar hoezeer

of Hyrcanie, aan de Kaspische zee.

deze dialekten, zoo veel men zulks beoordeelen kan,

anders in Thabaristan, Maar hoezeer of Hyrcanie, aan de Kaspische zee. deze dialekten, zoo veel men

13

onderling en van het Perzisch zeer aanmerkelijk verschillen, verloochenen zij echter hunnen gemeen schappelijken oorsprong niet, en dragen getuigenis

van de eenheid der volken, die er zich van bedie nen. Minder zeker is het, of ook het Armenisch tot

de Medoperzische afdeeling behoort, hetgeen door Klaproth aangenomen, door anderen geloochend wordt. wigtig punt te beslissen, en welligt is de tijd nog niet daar, om hieromtrent eene stellige uitspraak te doen.

Ik reken mij nog niet bevoegd om dit ge

De voorzigtigheid gebiedt ons te wachten,

tot de nevel, die tot nu toe de talen van het oude

Perzie verborgen hield, geheel is opgehelderd. Dat het zeer aannemelijk. ten op Medoperzische kolonien. aan Armenie grensden en een gedeelte daarvan be zaten, de Chaldeers, die oorspronkelijk de bergen van dat land bewoonden, de Paphlagoniers, Kap

De Assyriers, die

Armenisch

hiermede zamenhangt, is echter

Alles wijst ons in die gewes

padociers, en de volken van den Pontus waren, gelijk uit hunne persoonsnamen blijkbaar is, loten

van den Medoperzischen stam. Ja wat meer, wat ten uiterste gewigtig is, deze volken vormen, voor een gedeelte althans, de keten, die van deze zijde

het Oosten en het Westen, de Germanen van Azie

Zij toonen ons den

en Europa, aaneenschakelt.

weg, dien de Grieksch-Latijnsche stam, waarvan

wij nu spreken moeten, op zijnen togt gevolgd is. Wanneer men de zaak oppervlakkig beschouwt, zou men kunnen vragen, of het niet voor het minst even waarschijnlijk is, dat de Indogermaansche stammen door de passen van den Kaukasus gedron

of het niet voor het minst even waarschijnlijk is, dat de Indogermaansche stammen door de passen

14

gen zijn, zich van daar in allerlei rigtingen ver

spreid, en over den Donau getrokken zijnde, de

landen, zuidwaarts van die rivier gelegen, bevolkt

hebben. zeer vroege, vóórhistorische tijden, ook langs dien weg volksverhuizingen naar Europa hebben plaats

gehad: maar ieder, dunkt mij, die den zamenhang

der volken in het noorden en westen van Klein-Azie

aandachtig gadeslaat, en de stem der aloude over levering raadpleegt, zal het aannemelijker vinden, dat de Pelasgen, of, met andere woorden, de oudste Grieksch-Aziatische volkplanters, over den Bospo rus en den Hellespont in Thracie, en zoo vervolgens in Macedonie, Thessalie en Griekenland zijn over gegaan. Trojaanschen oorlog, dan vinden wij de kusten van Ionie, en der Egeesche zee door Pelasgen bezet, een weinig verder de Phrygiers en Troja nen, die door dezelfde Pelasgen, door de Paphla goniers, ciers en Peoniers, in den krijg tegen de Grieken ondersteund worden. in Azie, andere in Europa.

Het lijdt wel geen twijfel, dat reeds in

Verplaatsen wij ons in de tijden van den

Eolie, en waarschijnlijk ook die van

eenige eilanden

en onder anderen ook door de Thra

Eenige dezer volken wonen

Zij schijnen elkander,

zoowel als de Grieken, zonder moeite te verstaan:

de namen hunner legerhoofden hebben Grieksche,

ja zelfs hier en daar Germaansche vormen en betee

kenissen: eindelijk Priamus zelf, het hoofd van dit uitgestrekte volkenverbond, is niets anders dan een vasal van den Assyrischen Koning Teutamus, die hem uit het hart van Perzie een leger van hulptroe pen toezendt. Kan men in redelijkheid wel sterker

Koning Teutamus, die hem uit het hart van Perzie een leger van hulptroe pen toezendt. Kan

15

bewijzen verlangen, M. H., voor den zamenhang

van Europische en Aziatische volken aan deze zijde, en den loop, dien de volksverhuizing hier geno men heeft? Moeijelijker is het den weg te gissen, dien de Italiaansche natien van denzelfden stam ge volgd hebben. Naar het oudste Grieksch en La er alleen een zusterlijk verband tusschen deze twee tongvallen, en zou men verkeerd doen met te stel len, dat de eene uit de andere was afgeleid, en dat er eene betrekking van moederland en volk planting tusschen Griekenland en Italie bestond. Maar wij kennen de taal der Pelasgen niet, en het is mogelijk dat deze de grondtrekken van het La De

grootste moeijelijkheid der zaak is wel de geogra

tijn, dat ons bekend

is, te oordeelen, was

Grieksch beide in zich vereenigde.

tijn en

fische. weest te zijn.

Italie schijnt reeds

vroeg bewoond ge Dat er kolonisten ter zee derwaarts

zouden gekomen zijn, hetzij van de tegenoverge

legene kust van Epirus en de Peloponesus, hetzij

van de eilanden der Ionische zee, laat zich in de

eerste kindschheid der scheepvaart naauwelijks ver wachten, en dergelijke volkplantingen klimmen zeker niet hooger op dan de Trojaansche oorlog, toen de terugkeerende Grieken bij toeval en uit on Er blijft

kunde op die vreemde kusten vervielen.

dus niets

over

dan aan te nemen,

dat men de

Adriatische golf is omgetrokken, en van het noorden Maar voor de ver spreiding der Aziatische aankomelingen, van den

af in Italie is doorgedrongen.

Bosporus en den Hellespont tot aan de grenzen

van Duitschland en Italie, schijnt een zeer aanmer

Italie is doorgedrongen. Bosporus en den Hellespont tot aan de grenzen van Duitschland en Italie, schijnt

16

kelijk tijdverloop gevorderd te worden, en dus zou de aanneming van dit gevoelen de eerste kolonisatie van Griekenland welligt opvoeren tot eene oud

heid, die met

onze nog heerschende begrippen

over Chronologie onbestaanbaar is. De beste oplos sing dezer zwarigheid is in de onbeschaafdheid der volken te zoeken, waarover wij thans handelen. Het waren, bij hunne aankomst in Europa, jagers

en herdersstammen, en deze behoeven, zoo als de

aard der zaak, en de ondervinding leeren, eene zeer

groote uitgestrektheid gronds tot hun onderhoud,

of dat hunner kudden, en verplaatsen zich juist Deze ons de naar evenre

zelfde opmerking verklaart

daardoor met de grootste gemakkelijkheid.

digheid nog spoediger verspreiding der Celtische,

Germaansche en Slavonische volkstammen, tot aan

de uiterste einden van Europa, wier afkomst uit Azie en trapswijze voortgang naar het noorden en westen, in de laatste plaats nog door ons moet be

schouwd worden.

Voor dat gedeelte van den Indogermaanschen

volkstam, dat niet naar Indie verhuisd was, werd

bij overvloed van bevolking de togt naar het noor Want zij waren regts

den eene noodzakelijkheid.

door de Turken, links door de Semiten, of Ara en ten zuiden door de

bisch-Arameesche volken,

zee, ingesloten. Wij zagen zoo even hoe dit de ko lonisatie van een gevolge had. en langs de zuidkust der Zwarte zee, waren er nog

Behalve den weg door Klein-Azie,

deel van zuidelijk Europa ten

twee andere, een langs den oostkant der Kaspi

sche zee, de andere tusschen deze en de Zwarte

p

van zuidelijk Europa ten twee andere, een langs den oostkant der Kaspi sche zee, de andere

17

en door de passen van den Kaukasus. De eerste weg

is ongetwijfeld de gemakkelijkste, maar was den kelijk reeds vroeg door de Turken, of Massageten,

afgesloten.

Misschien heeft men echter eenig regt

om te vermoeden, dat enkele dier oude volkplanters ook langs deze zijde in Europa zijn doorgedrongen. De andere is moeijelijk en gevaarlijk : maar dat de hemelhooge wal, hier door de natuur opgeworpen, noch voor den gestadigen doortogt der volkplan ters, noch voor de gewesten van het zuiden, een hinderpaal was, bewijst eensdeels de geschiedenis, anderdeels het aantal ongelijksoortige fragmenten, waaruit de na tien van den Kaukasus zijn zamengesteld. Een merk waardig voorbeeld van de pogingen der bewoners van Perzie, om zich langs dezen kant uit te breiden,

hunnen vijandelijken terugkeer in

levert ons de natie der Asen, of Osseten, die zich weleer tot aan den Don, of Tanais, uitstrekten, en sedert het

midden der dertiende eeuw in den Kaukasus werden

teruggedrongen, en die niet alleen eene taal spre

ken, welke met het Perzisch verwant is, maar ook zich zelven Iron, en hun land Ironistan noemen.

De omstandigheid, dat zij door het overoud Geor

gisch volk, hetwelk zoo ver de geschiedenis reikt,

daar altijd gewoond heeft, en welks oorsprong

onbekend is, van het eigenlijk Irân zijn afgeschei den, maakt het waarschijnlijk, dat de verhuizing

En echter die ver

der Osseten vóórhistorisch is.

huizing moet jong zijn in vergelijking der Celtische.

Want toen de eerste plaats had, moet Irán, d i.a

het Perzische volk en de Perzische taal reeds bestaan, hebben : maar toen de Galls, of de Celten, en de

2

Irán, d i.a het Perzische volk en de Perzische taal reeds bestaan, hebben : maar toen

18

Kymriers, of Cimmeriers en Cimbren, als de voor hoede der Europische volkplanters, noordwaarts trokken, bestond er nog geen Perzisch als zooda nig; want anders zouden de Celtische talen, bij alle onloochenbare gelijkheid van oorsprong, niet zoo hemelsbreed daarvan verschillen. Doch wij be hoeven ons hier niet geheel bij gissingen te bepa len, maar kunnen althans eenige Chronologische De

waarschijnlijkheden in het midden brengen.

Cimmeriers, of Cimbren, wier naam door hen zel

ven, dat is in het Welsch, Kumr wordt uitgespro

ken, en dus volkomen met den Hebr. Gomer, dien

zij reeds in den Pentateuchus voeren, overeenstemt,

de Cimmeriers vindt men, na hunne verhuizing uit

het zuiden, aan de iPalus Meotis en in de Cherso

nesus Taurica, of de Krim, gevestigd. Van daar deden zij van tijd tot tijd strooptogten, zelfs tot in

Klein-Azie toe.

De oudste dier invallen, waarvan

ons de geheugenis bewaard gebleven is, valt in de De Skythen, onder welkens naam de oudste Grieksche schrij

elfde eeuw voor onze tijdrekening.

vers de Slavische, zoowel als de Germaansche,

stammen schijnen te begrijpen, hadden, volgens hun

eigen zeggen en Herodotus berigt, hun land dui

zend jaren bezeten, toen Darius hen kwam beoor

logen; zoodat hun

uittogt :derwaarts nagenoeg vijftien eeuwen vóór onze tijdrekening plaats had,

en misschien zoo oud was als die der Cimmeriers,

van wie zij overigens reeds toen even zoo streng ge scheiden zijn, als naderhand de Germaansche van

de Celtische stammen.

Indien men het verhaal,

, waaraan Herodotus het meeste geloof hechtte, ver

de Germaansche van de Celtische stammen. Indien men het verhaal, , waaraan Herodotus het meeste geloof

19

trouwen mag, dan besloegen de Cimmeriers vroe

ger geheel zuidelijk Rusland, de Skythen Azie aan gene zijde der Wolga, tot dat zij door de Massa

geten, of Turken, verdreven, de rivier overtrok

de Cimmeriers aanvielen en hun land inna

ken,

men. In dat geval zou men moeten aannemen, dat onze Skythische voorouders langs de oostzijde van de Kaspische zee naar het noorden verhuisd wa

ren.

Doch hoe dit zij, de Cimmeriers ontweken

hunne vijanden, drongen, althans gedeeltelijk, door de westelijke bergengten van den Kaukasus zuid

waarts en plunderden, zoo als vroeger, geheel

Lyg damis, dat is, gelijk het mij toeschijnt, Lluchd

dawn, die giften doet regenen, de milddadige,

dat nog heden de hoogste eertitel van een Kymrisch, of Welsch, opperhoofd is. De Skythen intusschen, die de Cimmeriers vervolgden, kwamen door de oos telijke bergpassen in Medie, liepen Opper-Azie af, dat zij acht en twintig jaar lang beheerschten, en

verspreidden zich zelfs in Palestina, en tot aan de grenzen van Egypte. derd jaren vóór onze jaartelling plaats, en daar het einde der Skythische overheersching ten naas tenbij gelijk staat met het begin van Ezechiëls

profetische bediening, twijfel ik er niet aan, of

hij doelt in zijn 38" en 39ste hoofdstuk, hij

Klein-Azie, onder het geleide van zekeren

Dit alles had ruim zeshon

waar

eenen nieuwen inval der noordsche volken

voorspelt, op het pas gebeurde. Zijne getuigenis

die volken ook de Russen noemt, en dus bewijst,

is voor

ons van gewigt, omdat hij onder

dat ook de Slavische stam

reeds toen naar het

2

*

de Russen noemt, en dus bewijst, is voor ons van gewigt, omdat hij onder dat ook

20

De botsing, die tus schen de Skythen en Cimmeriers plaats had, ver dat een deel der laatstge noemde naar het westelijke Europa trok, waar heen de Gallen, of Celten, hen waren voorafge gaan, die toen reeds geheel Gallie met uitzonde ring van Aquitanie, een deel van Spanje, en alle de Brittannische eilanden ingenomen hadden. Wel dra veroverden de Kymriers een gedeelte van Gallie, en het zuidelijk Brittannie, en drongen de Gallen naar Hoog-Schotland terug, hetwelk zij zoo wel

als Ierland, de Hebriden en het eiland Man

noorden was uitgeweken.

oorzaakte misschien,

nog

heden bezitten. De Kymriers, naderhand door de An gelsaksen uit hun vaderlijk erf verdreven, heb ben zich alleen in het prinsdom Wales, en in Ne

der-Bretagne op de kust van Frankrijk, staande ge

houden.

Intusschen zou niets ons beletten, den

tijd van de vestiging der Kymriers in Brittannie veel vroeger te stellen. hooger opvoeren, dan vond de Homerische fabel , dat

Ulysses naar het land der Cimmeriers, aan gene

zijde des Oceaans gelegen, overstak, om de schim

men te raadplegen, hare waarschijnlijke uitleg

ging.

Want het is van elders bekend, dat de be woners der Gallisch-Belgische kust Engeland voor het Elysium hielden, werwaarts de afgescheiden zielen

werden overgevoerd. Voor het overige is de taal

der Kymriers veel meer van den moederstam verwij derd, dan die der Gallen, en zij moeten dus, of

vroeger dan deze zich daarvan hebben afgezon

derd, hoezeer zij later naar het westen vertrokken zijn; of zich sterker met rassen, aan den Indoger

Kon men deze eenige eeuwen

zijn; of zich sterker met rassen, aan den Indoger K o n m e n d

21

maanschen volkstam vreemd, vereenigd hebben. Misschien heeft het eene, of het andere, ook plaats gehad met het meerendeel der Slavonische natien :

want hoezeer hare verwantschap met het Duitsche ras ontwijfelbaar is, zoo schijnt de overeenstem ming der Slavonische met de Indoperzische talen echter niet zoo sterk en sprekend te wezen, als die Evenwel gaan de Ger manen de Slavoniers vooraf, in de rij der Euro pische volkplanters. middeltogt. Eerst nadat Duitschland en Skandina vie eerst nadat de groote volksverhuizing der Germa nen begonnen en het westersche keizerrijk geval len is, stellen zich de Slavoniers in beweging naar

door de Germanen zijn ingenomen, ja zelfs

der eigenlijk Germaansche.

Zij vormen als het ware den

het westen, en rukken voort naar Polen, Boheme

en tot aan de Elbe, en zuidwaarts tot over den Donau, waar voorheen Germaansche natien ge

woond hadden. ook in Moravie, Zuid-Stiermark, Karniole en Ka

In de meeste dezer landen, als

rinthie

is

de

Slavonische

taal

tot

heden

toe

de heerschende, en vertoont zich, bij alle dialekt dadelijk herken

verschil, overal onder dezelfde,

bare, hoofdtrekken.

Deze in het oog vallende

gelijkheid van woorden en vormen doet den aan

merkelijken afstand tusschen haar en den Lithausch Lettischen spraakstam, die van wederzijde door

het Slavonisch is ingesloten, nog sterker uitkomen.

De Lyflanders, Esthioniers, Letten en Lithauers,

den Finschen zeeboezem omringd zijn, zoowel als de

die

door Rusland, Polen,

de Oostzee en

oude Pruissen, wier dialekt is uitgestorven, schijnen,

omringd zijn, zoowel als de die door Rusland, Polen, de Oostzee en oude Pruissen, wier dialekt

22

oppervlakkig beschouwd, van de naburige Slavo

niers door hunne taal streng gescheiden te wezen.

Bij naauwkeuriger onderzoek ontdekt men echter

spoedig eene zeer duidelijke overeenkomst, eene het verschil is met dat al buitengemeen. Terwijl men in

het Russisch eene verre aanverwante van het Indi

sche geslachtherkent, die haar eigen karakter aan

genomen en zich met groote onafhankelijkheid ont

wikkeld heeft, en veel verder van den moederstam

verwijderd is, dan het Germaansch; bedient zich

het aangrenzende Lithauen van eenen tongval, die noch de moeder, noch de dochter van het Slavo nisch zijn kan, aan het Indische aansluit, en er de meeste grondtrek ken van bewaard heeft, een tongval eindelijk, wier

die meer dan eenige andere zich

Maar

onmiskenbare eenheid van oorsprong.

grondige beoefening, met die van het Grieksch,

Latijn, Germaansch en Sanskrit verbonden, onge twijfeld tot de verrassendste uitkomsten voor de

linguistiek leiden zal.

Ook uit een ethnografisch

oogpunt beschouwd, is de zaak hoogstgewigtig. Wanneer men toch aan de eene zijde de punten

van verschil en overeenkomst, die ik zoo even aan

voerde, en aan de andere de geographische ligging

van den Lithausch - Pruissischen stam overweegt, dan voelt men zich gedrongen, om eene dubbele Slavonische volksverhuizing aan te nemen, en aan de eigenlijke Slavoniers de tweede, aan de Li

thauers en hunne stamgenooten de eerste plaats in

den optogt der natien toe te kennen. De zamenhang

van het oude Pruissisch met het Lettisch en Li

thausch, maakt het zeer waarschijnlijk, dat ook de

te kennen. De zamenhang van het oude Pruissisch met het Lettisch en Li thausch, maakt het

23

Obotriten en de overige volken, die, tot het laatste

der middeleeuwen, Pommeren en de zeekust tot aan

de Elbe toe bezet hielden, tot dezelfde afdeeling

Toen in de

van den Slavonischen stam behoorden.

vierde en vijfde eeuw geheel Germanie in beweging

geraakte, en de Teutonen hunne oude woonplaat

sen met nieuwe verwisselden, om zich eindelijk met toomeloos geweld op de Romeinsche provintien te storten, rukte, zoo het schijnt, de Pruissisch Lithausche stam langs de noordkust, en de overige Slavoniers meer naar het zuiden, in de ledig gela

tene ruimte, die de latere Germanen, toen Europa

in eene nieuwe gedaante uit den strijd en de bot

sing der volken herrees, voor een gedeelte nooit, Het aloude

gedeeltelijk met moeite, herwonnen.

Germanie, zoo als het door den Duitschen stam be woond werd, die zich even zeer door zeden en taal van de Slavoniers, als van de Celten onderscheidt,

strekte zich van de Alpen tot de Noordkaap uit, en van den mond des Rijns tot dien van den Donau en den Niemen. Wanneer deze onmetelijke gewes

ten door den Germaanschen stam bezet zijn, laat

Misschien stond de inval der Cimbren en Teutonen in Gallie, Spanje en Ita lie, die ten tijde van Marius plaats had, wel in verband met eene groote volksverhuizing, die onze voorouders tot aan den Rijn deed voortrukken.

zich moeijelijk bepalen.

De oorzaak dezer geweldige beweging wordt door eenigen in groote overstroomingen van den Oceaan gezocht, door anderen in de Skythische oorlogen Doch hoe dit ook zij, twee hoofdpunten worden door hunne

-van den Pontischen koning Mithridates.

in de Skythische oorlogen Doch hoe dit ook zij, twee hoofdpunten worden door hunne -van den

24

taal zelve genoegzaam bewezen, vooreerst: dat de Teutonische stam, bij zijne aankomst in de landen, die hij zich heeft toegeëigend, of geene bewoners aan trof, of de vroegere bezitters uit hun erf verdreef;

ten andere : dat Skandinavie en Duitschland, door twee verschillende, maar echter zeer na verwante,

Germaansche natien zijn ingenomen. De eerste stel ling wordt onwederlegbaar gestaafd door de ver bazende gelijkvormigheid van karakter, die zich, zoowel in de woordverbuiging, als in den woord

voorraad, overal handhaaft, indien de Germaansche

verklaarbaar zou wezen,

natien zich hier en daar met volken

en die volstrekt on

van

eenen

anderen oorsprong vermengd, en derzelver tongval met den haren vereenigd hadden. Zoo dit al ergens plaats had, talrijk ten minste kunnen die vreemde

lingen niet geweest zijn: want het Provençaalsch, het Fransch, het Italiaansch, Spaansch en Por tugeesch toonen ling mengelmoes wezen. dering maakt, en van vermenging met het Kymrisch pleit het groot getal der Saksische volkplanters, voor den haat tusschen hen en de Kymriers, en voor de ver huizing der laatstgenoemden naar de nog vrije west kust en verschillende hoofdafdeelingen, of, met andere woor den, voor twee niet volstrekt gelijktijdige verhui zingen van den Germaanschen stam naar het westen, waarvan ik de eene de Gothisch-Skandinavische,

de andere de Saksisch-Allemanische noemen zou,

ons genoeg, welk

er

in

een zonder

dat geval zou ontstaan

Dat het Angelsaksisch hierop eene uitzon

alleen voor

genoegzaam is vrij gebleven,

naar Frankrijk.

Het bewijs voor twee

Dat het Angelsaksisch hierop eene uitzon alleen voor genoegzaam is vrij gebleven, naar Frankrijk. Het bewijs

25

zoek ik in een grammatisch verschijnsel, waarin zich aan de eene zijde het Gothisch, IJslandsch, de

taal der Faroër eilanden, en het latere Deensch en Zweedsch; en aan de andere, het Allemannisch, Frankisch, de verschillende dialekten van het Sak

sisch, en het Hoog- en Nederduitsch, elkanderen streng gelijk blijven. palend, of demonstratief, artikel, hetgeen bij alle Noordgermaansche volken achter aan de zelfstan dige en bijvoegelijke naamwoorden wordt vastge hecht, terwijl het bij alle Zuidgermaansche voor Men zou mij kunnen tegenwerpen, dat men de Gothen niet in het hooge noorden aantreft, maar op den grooten weg der volken, die naar het westen oprukken, aan de

aan, en afgezonderd, staat.

Ik bedoel de plaatsing van het be

Zwarte zee, in de vlakten van de Ukraine, van Polen

en Hongarije.

Het antwoord is, dat overlevering

en linguistiek hier hand aan hand gaan. De getui

genis der laatste zou hier reeds genoegzaam be wijzen, maar de eerste komt haar te hulp, en weet ons van een alouden togt der Gothen te verha len, die onder hunnen koning Beric uit Skandina vie naar het zuiden togen, tot aan de oevers van den Pontus, alwaar zij een nieuw en magtig rijk der Amalen en

stichtten, onder de heerschappij

Balthen.

Balti

De laatste naam herinnert ons de

sche zee, terwijl Gothland in Zweden, en Jutland in Denemarken, aan de stem der overlevering hier De verplaatsing, van

een nieuw gezag bijzetten.

een deel der Gothen naar de kust der Zwarte zee,

hunne invallen in het Romeinsche rijk, en de ver overing van Italie, Zuidfrankrijk en Spanje heb

-

de kust der Zwarte zee, hunne invallen in het Romeinsche rijk, en de ver overing van

26

ben aan de Gothische taal geen minderen invloed verzekerd op de vorming der Romansche dialek ten, dan aan de eigenlijke Germaansche. Beide de hoofdafdeelingen van den grooten Duitschen stam, tot heden toe in haar vaderland gescheiden, maar se dert eeuwen in hare wingewesten vereend, en daar

met andere natien, die meestal van denzelfden oor

sprong zijn, vermengd, beslaan twee derde deelen Het is hunne taal, en zoo als zij eertijds was, en zoo als zij thans in allerlei tongvallen zich wijzigt, het zijn

van het hedendaagsche Europa.

ook

en de

de talen van Griekenland en Rome,

die vooral

den naam maansche verdienen, omdat zij nog veel meer,

dan de Celtische en de meeste Slavonische, van

hare afkomst getuigen, en zich, nog veel meer dan deze, tot één groot geheel, met het Sanskrit laten vereenigen. volgende lessen, vooral tot deze tongvallen be palen, zonder evenwel eene of andere ophelde

Ik zal mij daarom, in mijne

Perzische,

van Indoger

ring, uit het Celtisch of het Slavonisch ontleend,

De schets van de afkomst,

uit te sluiten.

en onzen stam, waaraan ik deze voorlezing heb toe

gewijd, heeft u, zoo als ik mij vleijen durf, eenig denkbeeld gegeven van het gewigt der zaak.

Mogt het uwe belangstelling opgewekt, en u aan

gespoord hebben, om den loop mijner taalkun dige bewijzen en redeneringen met oplettendheid te volgen, dan zou ik mijne moeite dubbeld beloond

achten.

zamenhang,

den

de

verhuizing

der volken van

met oplettendheid te volgen, dan zou ik mijne moeite dubbeld beloond achten. zamenhang, den de verhuizing

**.

TwEEDE vooRLEZING.

Wanneer ik mij voorstel, hoe onafmetelijk het

gebied is der Indogermaansche linguistiek, waar

van ik een klein gedeelte met u, M. H., wensch te doorloopen, dan is de eerste gedachte, de eerste

vraag, die bij mij oprijst, langs welken weg wij

Ik gevoel maar al te zeer, hoe moeijelijk het is, u den toegang tot die onbekende gewesten te openen, vooral, daar ik zelf op vele der kronkelpaden, die ze doorkrui

sen, nog een vreemdeling ben. Doorzie ik de zaak

wel, dan is de eerste zwarigheid, die ik moet over Mij dunkt, ik hoor u vragen: Hoe? zou men, om den oorsprong en de woordvorming van het Grieksch of Latijn, van het Hoog- of Nederduitsch regt te bevatten, zich met talen moeten bezig houden, die in het

winnen, uw twijfel, uw ongeloof!

hetzelve zullen binnen treden!

uiterste Azie te huis behooren?

Zou de zamenhang

tusschen dat werelddeel en Europa, in dit opzigt, zoo duidelijk en onmiskenbaar wezen? Ongeloof lijk! Het mag zijn, dat er hier of daar eene schijn bare overeenstemming is, maar misschien is die ge heel toevallig, of, zoo niet, ten minste van weinig

of daar eene schijn bare overeenstemming is, maar misschien is die ge heel toevallig, of, zoo

belang!

28

Na de zaak uit onderscheidene oogpunten

te heb ben, is het mij ten slotte voorgekomen, dat het beste middel om deze twijfelingen op te lossen, en u eenig vertrouwen op mijn geleide in te boeze men, juist datgene was, hetwelk zich het eerst aan mijnen geest had opgedaan: met andere woorden, dat ik den leiddraad volgen moest, die de aan elk bekende, en in de meeste talen aangenomene, verdee ling der grammatikale vormen mij aanbood. Dit mid del schijnt hoogst eenvoudig en natuurlijk, maar is het niet in mijn stelsel, volgens hetwelk men on mogelijk den geheelen omvang der vormen van één

bezien, en lang en bedaard overwogen

enkel deel der rede verklaren kan, zonder de ove

rige te kennen, zoodat men b. v., streng genomen, bij het pronomen, reeds de leer van het nomen en verbum noodig heeft, en dus, van welke zijde men ook aanvange, gevaar loopt, bij den toehoorder eene kennis van zaken te vooronderstellen, die hij

niet bezit. Om deze zwarigheid, die bij eene af

doende behandeling onvermijdelijk zou wezen, te ontgaan, heb ik uit de massa der voorwerpen al leen diegene gekozen, die men of dadelijk, of uit het vroeger gezegde, dering, bevatten kan.

of door een kleine ophel

Wij beginnen juist daarom

met het pronomen en de getallen, als de oudste en

eenvoudigste vormen.

Het is mijn oogmerk niet om, met Bopp en

Schmidt, alle de doolhoven van het pronomen te

doorwandelen.

De zaak zou ons ver leiden en uit

hoofde van haren onmetelijken invloed op het gan

sche gebouw der taal, alleen genoegzaam zijn om

zou ons ver leiden en uit hoofde van haren onmetelijken invloed op het gan sche gebouw

29

alle onze lessen te vullen.

Ik zal mij vergenoegen

met hier, gelijk overal, mijne eigene denkbeelden over eenige gewigtige punten voor te dragen, zon der in eene ontwikkeling, of wederlegging, te treden, van hetgeen anderen gezegd hebben, noch alles te willen verklaren, of systematisch te ordenen, waar toe het zeker nog geen tijd is. Tot beter verstand moet ik eenige algemeene stellingen op den voor grond plaatsen. Vooreerst. is het oudste en oorspronkelijkste. Ten tweede. gedaante niets dan geen enkele natuurkreet, een geaspireerde, of niet geaspireerde, vokaal. Ten derde. de demonstratie, ook op den eersten en tweeden persoon, en op het enkel- zoowel als het meer voud, ja op alle geslachten, door het gebruik toe gepast worden. Deze grondregels liggen der zaak opgesloten, dat derzelver bestaan in de Semitische talen even zoo goed bewijsbaar is, als in de zoo hemelsbreed daarvan verschillende Indoger maansche.

Wat het eerste punt betreft, zoo valt

het in het oog, dat de spreker, als zoodanig, reeds

genoegzaam is, aangewezen, en dat men des noods een pronomen van den eersten persoon zou kunnen missen. Ook de tweede persoon, waartegen men spreekt, is door zijne stelling duidelijk genoeg;

maar de derde, waarvan men spreekt, is het eigen

lijk voorwerp, dat door den eersten aan den twee den persoon moet aangetoond worden, en wel in

v

.

:

Het pronomen, des derden persoons

Dat pronomen was in zijn oudste

Die vokaal kon, als eene onbestem

"

.

-

11e

.

.

.

eze

zoozeer in den aard

persoons Dat pronomen was in zijn oudste Die vokaal kon, als eene onbestem " . -

30

deszelfs hoedanigheid van persoon, of zaak, van manlijk, vrouwelijk, of onzijdig. De natuurklank rigt zich hoofdzakelijk daarheen, en is, zoo als ik zeide, een geaspireerde, of niet geaspireerde, vo kaal, die zoo wel het aanwijzend- en het eenheidsar tikel, als het pronomen des derden persoons, dat oorspronkelijk hetzelfde is, uitdrukt, en nu en dan ook op andere persoonen wordt overgebragt.

Van

a, in het Grieksch en

daar dat d en

dé, of

j,

en

Engelsch de artikels, en d in het Perzisch, he, hi, of hy in verschillende andere dialekten, den derden

persoon beteekenen, en tevens als uitroep gebezigd worden, maar van daar ook dat I, in het Engelschay

uitgesproken, den eersten persoon aanduidt, en daar entegen in het Italiaansch datzelfde i het meervoud

mann. van het artikel is : terwijl het Engelsche aye

dat, zoo als wij nader zien zullen, niets dan eene vo kaalversterking van I is, hetzelfde is als het omgekeer

de ja, en dus alweder op de affirmatie, d. i. de de

monstratie, uitloopt. Dit i, anders?, was een overoud

Grieksch pronomen van denderden persoon, hetgeen met bijvoeging van de s, die, zoo als wij beneden

zien zullen, het teeken is van den nominativus, het Latijnsche pronomen z-s vormt, waarvan de dat.

en acc. in het Gr. iv, in het Hoogduitsch ihm en ihn heeft, hetgeen met den ouden Lat. accus. im (die ook in het Sanskrit der Veda's bewaard is) over

eenstemt, waarvoor men ook em zeide, dat van

den nom. e-s afstamt, welk laatste in het Hoog duitsch als neutrum nog overig is, en met eï in verband staat, gelijk i met iï. Aan de vijf voka len, als pronomina gebruikt, ontbreekt alleen nog

Aan de vijf voka len, als pronomina g e b r u i k t ,

31

u, dat thans bij ons als casus obliquus van den tweeden

persoon geldt, gelijk u-s met het nom: teeken, voor

dien van den eersten persoon meerv. bij de Engel schen. Oudtijds was dit u, -gelijk zoo aanstonds blij

ken zal, ook in denderden persoon gebruikelijk. Maar

er zijn misschien onder u, die vragen, wat deze ge heele redenering met het Sanskrit te doen heeft, waar van naauwlijks gesproken is. Ik antwoord, dat het, juist uit hoofde van het onderling verband der dia lekten en hunne wederkeerige terugwerking op elkan der, noodzakelijk is, de bewijsvoering niet altijd van de zijde van het Sanskrit te beginnen, gelijk uit

meer dan één voorbeeld in den loop mijner lessen

Hier moest het boven aangevoerde mij promominale vokaal, in stede der aspiratie, ook een daarmede verwante sibilantletter, of is, voor zich plaatst, zoo als zulks in het Lat. super, met het Greijweg verge leken, plaats heeft, terwijl deze zich weder zeer ligt in eene t verhardt, zoo als blijkt uit tu, voor ov.

Dus ontstond het Indisch pron. des derden persoons

blijken zal.

geleiden tot de opmerking, dat de

sa-s, vr. sa, onz. tat, terwijl ta, zoo als uit de de

clinatieoblijkt, in alle de geslachten, gebruikelijk

was. Onmiskenbaar is de gelijkheid tusschen deze vor men, en de Gothische en IJslandsche, waar zij sa, so (su), that luiden. Ook het Ang. Saks. heeft voor het artikel 8e, seo, thaet, en in den accus. fem. sing. en nom. en aee. pl. van alle geslachten tha. o Ein

delijk kent ook het Hoogduitsch sie, dat eertijds si

en se was. Uit vergelijking der pronominaalvormen sa en su, (wier bestaan aan de twee uiterste einden van de Indogermaansche volkenketen, in IJsland en

pronominaalvormen sa en su, (wier bestaan aan de twee uiterste einden van de Indogermaansche volkenketen, in

82

Indie, ik zoo even heb aangetoond) uit de vormen

sa en su, wordt het duidelijk, hoe Ennius heeft

kunnen zeggen: ,

- nec quisquam philosophiam In somnis vidit prius, quam sam discere coepit,

-,

voor eam, en waarom men bij hem ook sum voor

eum, en sos, sas voor eos, eas, vindt. Datzelfde sam, sos en sas werd ook voor suam, suos en suas

gebruikt, niet bij contractie, maar vermits het pron. reflexivum en possessivum oudtijds hetzelfde waren.

Bij de aangehaalde voorbeelden moet men eindelijk

nog se en sibi, en den dat. pl. sis voor suïs, als ook den accus. sing. sim voor eum, in de Veda's, voegen, om de gansche rij der vormen sa, se,

De laatste,

su namelijk, is in het Grieksch van den derden

si, so en su, vóór zich te hebben.

persoon op den tweeden overgebragt. met bijvoeging van de terminatie us, suus uit ge

worden, en in het Sanskrit swas, omdat die taal

geenen hiatus toelaat, en dus, vóór vokalen, u in w, en i in y, verandert. Het is opmerkelijk, dat

Ook is er,

niet alleen voor suus, maar ook voor

dit swas

meus, tuus, moster en vester gebezigd wordt, en dus alweder voor het onbepaald gebruik der pro nominaalvormen, en in het bijzonder der vorm su, bewijst, opij, opóv, welk woord zich in

deszelfs wijzigin

Dit swas, swá, swam is het Gr. ogóg,

gen opool en opoolv aan den tweeden, en in opeis aan alle persoonen aansluit, even als het Indische

Szt) deS,

3

:

g

.

-

-

-

-

-

-

2

Wij hebben een weinig vroeger gezien, dat de si bilantletter, in de plaats eener aspiratie, vóór het

: g . - - - - - - 2 Wij hebben een weinig vroeger gezien,

33

pronomen gezet was, maar die aspiratie kan ook versterkt worden, zoo dat de h in g, of k, over gaat. Zoo wordt hi, gi of gij, en he, ge, welke vormen in het Germaansch voor den tweeden persoon gebezigd worden, maar in het Grieksch weleer voor den derden, zoo wel als voor den tweeden, in gebruik waren, zoo als uit de glossen van Hesychius blijkt, die den dativus yiv van gi door oot, het woord je yio door avvó, en den dativus vó door éavvó, iötop en ooö verklaren.

Maar, gelijk ik zoo even

zeide,

de

h verhardt zich ook in k, en zoo ont

staat het Indisch mannelijk en vrouwelijk prono men interrogativum, of, hetgeen in de meeste ta len hetzelfde is, relativum kas, ka, dat dus paral lel en van gelijken oorsprong is met het pronomen

van den derden persoon, of het demonstr., sas, sd.

Niets is natuurlijker: want het pron. relat. kan be

schouwd worden als eene demonstratie van- of een te

rugslag op het voorwerp, dat voorafgaat. Het Griek

sche relativum óg is dan ook niets anders dan het

demonstr. d, met het teeken van den nominativus. Het

is van het Indische kas door de zachtere uitspraak onderscheiden, en niet door de vokaal: want, bij al den rijkdom des alfabets, heeft men in het In disch geen è, of ö, of met deze laatste in het Latijn

afwisselende doffe ú.

Alle deze klanken worden,

uitgedrukt:

althans, door de kam stemmen met de Latijnsche klanken cus, cum, waarvan de laatste anders quum geschreven wordt. Volgens de euphonische regels der Sanskrita-taal nom.

dikwijls in

in het schrift

zoodat b. v. kas,

verandert de s van den

naauwkeurig overeen

zeer

3

der Sanskrita-taal nom. dikwijls in in het schrift zoodat b. v. kas, verandert de s van

34

r, iets dat men in arbor en honor, voor arbos en

honos, terugvindt, zoodat hoogstwaarschijnlijk op

die wijze uit cus, d, i, quis, het vraagwoord cur, d. i. quid, ontstaan is. Het neutrum gum is in zijne ei

genlijke beteekenis dus niets anders dan quod, en

tempus, cum ambulabam, verschilt niet van tem pus, quod ambulabam. Het tum, dat zoo dikwerf tegenover cum staat, of er mede verwisseld wordt,

is een neutrum van tus, op welke partikel wij nader

zullen terugkomen. Voor het tegenwoordige merk

ik slechts aan, dat tus, ta, tum, in het Indisch

tas, td, tam luidt, dat de grondslag van dit alles tä, het Grieksche vó, is, hetwelk ik reeds vroeger als pron. demonstr. vermeld heb: verder, dat dit tas,

tá, tam, door verzachting, in het Westen das, da,

dam geworden is, van welke vormen de beide eer ste als Hoogduitsche partikels overbekend zijn, ter wijl de laatste in het Latijn dum wordt uitgesproken.'

De slotsom is dus, dat cum, tum en dum in oor

sprong en beteekenis gelijk zijn, en alleen in zoo ver verschillen, als het eene meer relatief, het an dere meer demonstratief, gebezigd wordt. Het zij

mij vergund hier nog bij te voegen, dat de verwis

en doffe e, o,

of

u,

die, zoo als ik

a reeds gezegd heb, een vaste regel is, in deze par tikel-vergelijking nog tot andere verrassende uitkom

seling van

sten leidt. Het blijkt toch nu ontegenzeggelijk, dat

tam en quam dezelfde woorden zijn als tum en cum, dat ons dus en het Engelsche thus, in den zin van zoo, so, demonstratien zijn, gelijkstaande

met das, anders dat, that, welke opmerking be

vestigd wordt door hetzelfde zoo, of so, dat niets

zijn, gelijkstaande met das, anders dat, that, welke opmerking be vestigd wordt door hetzelfde zoo, of

35

anders dan het reeds vroeger vermelde artikel,of pron. des derden pers., sa is. Voorts is dit dus het man nelijke van dum, welk dum volgens den regel we

der in dam , of dan, verandert, en met hetzelve vol

komen gelijk staat in de uitdrukkingen, agedum, toe dan en vele andere. Ind. idam, deze, dat in het Latijn idem en item werd, als ook in quzdam, waar het z en qui een voudig versterkt. onderwerp nog verder in allerlei rigtingen kunnen voortzetten, M. H., maar de kortheid des tijds

Ik zou de beschouwing van dit

Dam zelf is nog over in het

De voorbeelden, die ik heb aan

laat dit niet toe.

gevoerd, zullen u genoegzaam overtuigd hebben, welk eenen invloed het vergelijkend onderzoek der pronomina op derzelver regt verstand, en de ver klaring der partikelen, vooral der conjunctien, uit oefent. Men vergunne mij alleen hier nog een enkel woord bij te voegen, over de in het Sanskrit en Perzisch gebruikelijke vormen der pron. van den eersten en tweeden persoon. De vormen van den nom. aham, ik, en twam, gij, ofschoon buiten twijfel met

éyéov, ego en tu zamenhangende, zijn op het eerste

gezigt niet zoo treffend als de dativen en genitiven mé en té, en de locat. mayi (vergelijk mei), de acc. dual. nau (verg, vó0) en de acc. plur. nas en

was ,

d.

i.

nos en vos.

In het Perz. is de eerste

Het laatste behoeft Het woordje man schijnt niet te

pers. man en de tweede tu.

geene uitlegging.

verschillen van men en man, dat bij ons en de Duit

schers als onbestemd pronomen gebruikelijk is. Wij gaan thans over tot de ontleding der getalvor men, waarvan sommige zeer naauw met de prono

3

x

gebruikelijk is. Wij gaan thans over tot de ontleding der getalvor men, waarvan sommige zeer naauw

36

mina zamenhangen, en ons voor een oogenblik op

De tien eer ste getallen zijn in het Sanskrit éka, dwi, tri, tschatur, pantschan, schasch, saptan, aschtan,

nawan, das'an. De gelijkheid van de meeste dier

getallen met Grieksche, Latijnsche, of Germaansche valt dadelijk in het oog; alleen éka, tschatur en aschta schijnen hierop eene uitzondering te ma ken.

Van eka straks nader: tschatur is geheel het

Russische tschettre, en nadert zeer tot het oud Gr.

vévogsg; terwijl de andere grondvorm tschatwar,

die, uit hoofde der verwantschap der tscha met ka,

derzelver gebied zullen terugvoeren.

ook katwar kon uitgesproken worden, zich met quatuor laat vergelijken. Wat aschta betreft, of het Perz. hescht, daarvan is acht, eight en octo de

verharding. Thans keeren wij terug tot éka, in het

Perzisch jek, dat één beteekent.

Van dit woord

eka wordt, door middel van het suffix taras, éka

taras afgeleid, dat een van beiden beteekent. Het

is eigenlijk een comparativus, en verschilt niet van

het Gr. &xávsoog, hoezeer dit elk van

beiden is.

De positivus van dit laatste is éxág, thans een ad

verbium, oudtijds hetzelfde als éka, één, met de

De beteekenis van

terminatie van den nominativus.

ver, verwijderd, die dit woord thans heeft, is van die van één, alleen, afgezonderd, die ook de grond slag van het Grieksche ézáregog was, ontleend. De su perlativus van dit ézág, in deszelfs eigenlijke betee

kenis, is #xagog, ieder. Het beduidt, zoo als de Ind.

superl. ékatama, één uit velen, of uit allen, ge De aard des woords Want wel bezien, is de compar.

brengt dit mede.

lijk éxávsoog, één uit twee.

of uit allen, ge De aard des woords Want wel bezien, is de compar. brengt dit

37

niets anders dan de afscheiding van ééne zaak uit twee gelijksoortige, en de superl. die van ééne zaak uit vele, of uit alle. dere superlativus van dit éxág, of liever van éxá; na melijk éxocrog. slacht een bijnaam van Apollo, in het vrouwelijke de naam der Godin Hecate, in het onzijdige het

Doch er bestaat nog een an

Dit woord is in het mannelijk ge

Daar het zeker is, dat Apollo en

getal honderd.

de Zon, hoezeer naderhand gescheiden, oorspron lijk één waren, en dat Hecate of de maan was, of de aloude nacht, de moeder aller dingen, of de Godin, die gebood over hemel, aarde en zee, ge lijk Hesiodus haar in zijne Theogonie afschildert; zoo lijdt het ten minste geen twijfel, dat, hoe men de zaak ook beschouwe, Apollo en Hecate met regt den naam der eerste- of hoofdgoden droegen, welke eigenschap door éxavoç en éxávm werd uit gedrukt, terwijl honderd den naam ontving van éxo vóv, d. i. eerste- of hoofdgetal, toen men nog

niet verder telde. Wilde men éxorvóv liever van de

gewone beteekenis van ézág afleiden, dan ware éxo vóv het verst verwijderde getal, en de zaak zou, langs een anderen weg, op hetzelfde uitkomen. Hoe dit zij, men verwondere zich slechts niet dat ik aan

den superlativus #worvog van éxág, één, de beteeke

nis van een nomen schreven. voorste? Zijn het niet alle superlativen, en ligt het

niet in den aard der zaak, dat de ordinalen door

dien taalvorm worden uitgedrukt? Want de eerste staat aan het hoofd van (d. i. overtreft) allen, de twintigste, de honderdste staan aan het hoofd van ne

numeri ordinalis heb toege

Want wat is eerste, erste, first, dat is

twintigste, de honderdste staan aan het hoofd van ne numeri ordinalis heb toege Want wat is

38

gentien, of negen en negentig. Het Grieksche ôevvsoog Het is een comparativus van Devg, twee, Fransch deux, om

dezelfde reden, waarom énársoog er een van ézée

is. Het denkbeeld van twee zaken, die met elkan

deren vergeleken worden, ligt overal ten grondslag. Zoo is het ook met #vsoog, iterum, onzijdig van ite rus, d. i. ten andere. Vergelijk het Sanskr. itara, alius, ons ieder, Eng. euther; voorts antara in het Sanskrit, hetzelfde als ons ander, en het Eng. other. zijn

alleen maakt hier eene uitzondering.

. Het

comparativen der oude

pronominaalvor

men ë, z , an , o, welke alle de beteekenis van

het getal één aangenomen hebben. Deze opmerking,

M. H., brengt ons van zelve tot de ontwikkeling

van een hoogstmerkwaardig verschijnsel, den za Éka in het In

den met de drie eerste getallen.

menhang van de drie persoonlijke voornaamwoor

disch, en voorheen in het Gr., en jek in het Per zisch, als het eerste getal, staan tegen over ek in het IJslandsch, ich, ik en jeg in het Hoogduitsch, Hollandsch en Deensch,

als het eerste pronomen.

Aan de andere zijde is de getalkracht van ich en

jeg nog zigtbaar in iegelijk en jeglicher, d. i.

zeder, unusquisque. der in het oude pron. i , nog in het Engelsch en

het Allemannisch gebruikelijk, en ook je en y uit

gesproken. anders dan één man ? wanneer hij eens weet, dat mand in het Deensch

man is, en dat men in het oude Duitsch ieman,

iemen, schrijft ? Dat zelfde i is in het Grieksch

ook als getalwoord gebleven, want men zegt nog

Zij vertoont zich niet min

Wat is iemand, jmand en jemand

Wie zal hieraan twijfelen,

gebleven, want men zegt nog Zij vertoont zich niet min Wat is iemand, jmand en jemand

39

in het vrouwelijk in voor uia, ééne, en hij voor évi,

éénen.

Ja dat uia zelf is een nieuw bewijs voor

de verwisseling der beteekenis van pronomina en

getallen. De wortel is ut, dezelfde die men in mi, mihi, mir, mich en andere casus van het prono

men des eersten persoons wedervindt. Ik merk hier ter loops aan, dat de acc. van ditzelfde au, t. w. (tiv, bij Hofn. etc. in den derden persoon voor het

enkel- en meervoud van alle geslachten staat, en

dus een nieuw bewijs geeft van dit onbestemd ge

De gelijkheid tus

bruik der pronominaalwoorden.

schen sommige vormen van dat des tweeden per soons en het tweede getal, behoef ik naauwlijks aan te toonen. Tu en du komen overeen met duo; ook is tu in het Angelsaksisch twee, zoowel als twa, dat met twam, in het Sanskrit gij, zamen

hangt.

uitspreekt, vereenigt beide de vormen.

De Engelschman, die two schrijft en toe In het Per

zisch, waar tu het pronomen en du het getal is,

beduidt het eerste ook vouw, en ons voud, in meer

voud en andere woorden, dat aan het Latijnsche

plex van plicare beantwoordt.

Men bespeurt hier

uit dat tu, of tou, van ons touw, d. i. vlecht, niet verschilt, en dat dit tu zoo met twee overeenkomt,

als touw met twijnen, d. i. vlechten: terwijl de gij, en twins, twee

Engelsche woorden thou,

lingen, deze vergelijkingen nog duidelijker maken. dat in het Duitsch een artikel, maar zoo als uit

het Deensehe deres en dem, d. i. van en aan hen, blijkt, en de aard ook een pronomen is. Het Latijnsche ter, tertius,

der zaak genoegzaam leert,

Eindelijk stemt het getal drie met der overeen,

een pronomen is. Het Latijnsche ter, tertius, der zaak genoegzaam leert, Eindelijk stemt het getal drie

-

40

en ons derde zijn genoeg, om de éénheid dezer

woorden te bewijzen. klankverwisseling, waarop wij nader terug zullen

Ter en derde is door eene

Op ge

komen, uit tri, dride, dritte ontstaan.

lijke wijze is uit tusri, een der grondvormen van het derde getal in het Sanskrit, bij omzetting tiser Ik voldingend bewezen te hebben, dat de drie eerste pronomina weleer niet verschilden van de drie eer ste getallen. Daar echter, zoo als wij vroeger heb ben aangetoond, eene zeer groote onbestemdheid, in het gebruik der pronomina plaats greep, en de

geboren, dat het Duitsche dieser is.

geloof

zelfde vorm in het eene dialekt voor dezen, in het

andere voor genen persoon kon worden gebezigd, is

het niet te verwonderen, dat men b. v. van er,

het nog gebruikelijke Duitsche pronomen van den derden persoon, het nomen numeri ordinale erste,

of dat men van he en o, die anders meest hij be

teekenen, évegog en other heeft afgeleid, in welke

woorden buiten twijfel het eerste getal schuilt. Uit

dezelfde opmerking laat zich ook semel verklaren,

dat uit se, art. en pron. van den derden persoon, en

i.

een tijd, be

melzamengesteld is, en éénmaal, d

duidt. orjusgov, oijveg, anders oâusgov en oãveg, in het Dor. en vijuegov, vijveg, in het Att., waarin oa en va met íjusgov en èzeg, anders juéga, dag, en vog, jaar, veree

Vergelijk het IJsl. mel, keer, en het Gr.

nigd zijn. Het is mijn oogmerk niet, de overige ge

tallen met u te doorloopen. Ik bepaal mij tot 'sata honderd, en win'sati, twintig, en begin met 'sata, omdat dit woord ook in win'sati terugkeert, en De vergelij

tot deszelfs uitlegging onmisbaar is.

begin met 'sata, omdat dit woord ook in win'sati terugkeert, en De vergelij tot deszelfs uitlegging

41

king van 'sata honderd, met win'sati, twintig, vooral met trin'sat, dertig, tschatwarin'sat, veer tig, enz., doet al aantonds het vermoeden ontstaan,

dat 'sata, of 'sad, zoo als de Perzianen, of einde

lijk suta, zoo als de Daciers en Wallachen zeggen, evenmin als éxazóv, eigenlijk honderd beteekent.

Een nader onderzoek leert, dat 'sad of 'sat eigenlijk

niet verschilt van sat part. praes. van het verouderd werkwoord sa, zijn, hetgeen verscheidene casus

ontleent van den vorm sant, en tevens de wor

tel is van centum, Fr.

cent.

Dit sat beduidt dus

eigenlijk hetgeen is, en wordt van daar in het Sanskrit overgebragt op het ware, het beste, het voorname. Sat is derhalve het voorname getal. In zamengestelde woorden beduidt dit sat, in het vrou welijk sati, ook geschikt voor, overeenkomstig met, zoodat trim'sat, dertig, eigenlijk overeenkom stig met drie beteekent, en win'sati, twintig, overeenkomstig met twee, korter twee- of drie soortig.

In het laatste geval is het verbonden met

win, dat een neutrum is van wis, het Lat. bis,

of eigenlijk bi, zoo als in biceps, bifrons, en

zachter uitgesproken vi, zoo als in viginti. ,,Ik

zeg nog eens, eigenlijk bi, of vi en wi, zonder

bijvoeging der s, die tot den nominat. behoort.

Want bis is, even als ter, adverbium alleen door

gebruik, en beduidt oorspronkelijk twee, als in zijnen vorm wi, of vi, aan dwi verwant zijnde, dat in het Indisch de grondvorm van dwé, ons twee, is.

Maar, hetgeen hoogstopmerkenswaardig is,

De nom.

dit wi is ons pronomen wi, of wij.

wis, d

i.

bis,

is

in het

Duitsch wir gewor

Pun

hoogstopmerkenswaardig is, De nom. dit wi is ons pronomen wi, of wij. wis, d i. bis,

42

den, omdat de s van den nom. in r overgaat, zoo als wij reeds vroeger gezegd, en door arbor voor Dit geeft ons dus

arbos enz. opgehelderd hebben.

het eerste bewijs, dat dit pronomen aanvankelijk tweevoud was.

Die waarheid en de daaruit afge

leide gevolgtrekking, dat in de Indogermaansche

talen het tweevoud ouder is dan het meervoud, en

dat men van het eerste tot het laatste is overge gaan, zal naderhand van meer dan ééne zijde be Doch dit in het voorbijgaan: ik keer nog een oogenblik terug tot

de andere vormen van het honderdtal, het Indische

'sata, en het Wallaehische suta, die beide part. pass. zijn van sa en su, bestaan en voortbrengen. Het eerste satas, sata, satam is letterlijk hetzelf de als het Latijnsche satus, a, um. Beide deze woorden gaan, zoo als Bilderdijk het van vele pass. abstracta over, en kunnen dan teelt, geslacht, soort

andere part.

heeft aangetoond, in nomina

vestiging en toelichting ontvangen.

Vandaar dat

suta

in

het

beteekenen.

zoon is. de lange vokaal versterkt part. pass. sune, van su. Zoo is ook het part. pass. van sa, of za, dat bij ons

Dit zoon (sone) is zelf niets dan een door

Indisch

en de Perzianen zade, zaad en zadeh luidt, hier,

als nomen, semen en proles, daar filius, geworden. Doch ik hoor u, dunkt mij, met verwondering vra

gen, wat dit met het getal honderd te maken heeft.

Uwe twijfeling zal ophouden, wanneer wij dit ge tal honderd en de daarmede zamenhangende Griek sche, Latijnsche en Germaansche woorden en getal

uitgangen, wat naauwkeuriger zullen beschouwd hebben.

De oudste en eenvoudigste vorm, waar

Germaansche woorden en getal uitgangen, wat naauwkeuriger zullen beschouwd hebben. De oudste en eenvoudigste vorm, waar

43

onder zich dit getal vertoont, is in de Salische wet

ten. Daar heet het chunna en hundi, Dit chunna is het pers. gûneh , anders gün, geslacht, Sanskrit

guna, eigenschap, ons kunne, dat geslacht, maar

in het Middel-Hoogd, waar het chunne heet, ook kind beteekent, volgens de analogie van suta, zaad

en zadeh, of zade. Men vergelijke verder met kunne Ver volgens, dewijl de kleur een van de voornaamste teekenen van onderscheiding is, heet güneh in

Yvvii, gonne, Deensch kone, d. i. vrouw.

het Pers. kleur, van daar blos, (verg, het verwante khún, bloed) en wang, als de plaats waar de blos

zich vertoont, ons koon. ,,Het is wel niet twijfel achtig, dat de grondbeteekenis, waaruit alle de andere voortvloeijen, die van geslacht, weder met Want van het oude

het pronomen zamenhangt.

geaspireerde pronomen des derden persoons ha,

he, he, ho, hu hebben zich nieuwe gevormd,

die een n, of liever ne, aan het einde aannemen.

Dat ne schijnt uitgang van het part, pass. te zijn, behoorende tot de oorspronkelijke verba, die met de pronomina gelijkluidend waren, en waarover op Deze woordjes vindt men weder door elkander in de dia lekten gebezigd. Zoo is in het IJslandsch de mann. nom. van den derden persoon hann, de vrouwelij ke hun, de man. dat. honum, de vrouwelijke acc, hana, de dat. en gen. daartegen hen ni en hennar.

zijne plaats nader zal worden gehandeld.

Het demonstr. heeft hinn en hin, neutr. hitt. Ver der, om van ons hen en hun en andere vormen

niet te gewagen, het Deensche han en hun is hij en - zij,

en van daar zegt men in die taal, en han,

hun en andere vormen niet te gewagen, het Deensche han en hun is hij en -

44

en hun, voor een mannetje en een wijfje, zoo dat Bilderdijk met regt van die pronomina ons haan, hoen, hen, of henne afleidt. Men zou er bij kun nen voegen, dat hit, voor paardje, van den even aangehaalden onzijdigen vorm hitt afstamt, en dat

dit bewezen wordt door de vergelijking van vvoe

en yivvog, hinnus en ginnus, die het veulen van een hengst en ezelin , en van daar elk klein paard, beteekenen. Door het gemengd gebruik dier woord Jes, en de verharding der aspiratie, wordt het nu duidelijk, hoe aan de eene zijde vvvij in het Gr. van

hun, vrouw beduidt, en aan de andere, kani in het

Sanskr. van han, en hinny in het Schotsch van hinn,

meisje is.

Dat kani is niets anders dan het La

tijnsche canis, want dat woord is, even als haan en hoen, geene aanduiding van de diersoort, maar van het geslacht. de zelfde wijze genus, en ook gena, wang (wan neer men namelijk bedenkt, wat wij vroeger van ons koon, als uit kleur en soort ontstaan, gezegd heb ben) ook genus en gena dus, uit hen, gen, moeten worden afgeleid, gelijk gin en kin, dat in het IJsl. en Eng. geslacht beduidt, van hin, en xvvóg, gen. Met deze vormen, die op de n, of ne uitgaan, staan an dere, die aan die n nog een d, of t, of liever de, of te, toevoegen, in het naauwste verband. Zoo wor den de nieuwe afleidingen hand, hend, hind, hond, hund geboren, die alle het voorkomen van part. activa

hebben van de pronominale verba

Niet minder klaar is het, dat op

van xvlov, van hun , gelijk canis van han.

he,

ho, hu.

hi, part. pass. te houden der verha han, hen, hin,

ha,

Niets belet echter ze voor

t

, gelijk canis van han. he, ho, hu. hi, part. pass. te houden der verha han,

45

w

hon, hun, van wier afleiding in het vervolg zal gehandeld worden.

Doch hoe dit zij, van hend

stamt in het Deensch hende, haar, en hendes, van

haar, af; en hinde of hind, hond, hund betee

kenen weder, even min als canis en xvv, de dier

Door verharding komt van hend, gent, gent-s, gens, en van hand, kind, eigenlijk kinde, d. i. geslacht, zoo als het Eng. kind leert, dat volstrekt één met het Eng. kin is, gelijk het IJsl. gin, d. i. geslacht, parallel zou

soort, maar alleen het geslacht.

zijn met gunde, Allem. chint, in het Lett. ginta, ge

slacht, familie, hetgeen schuilt in het ginti en ginta der Latijnsche getalnamen, gelijk zovvo af stammende van hond, soort, geslacht, in de Griek sche; terwijl dat zelfde hond, of hund, in vele

Hoe weinig

Germaansche getallen aanwezig is.

ginti, ginta en zovvo met de getalsbeteekenis te maken hebben, blijkt genoegzaam uit de vergelij

king van volázovva met thrijahunda in het Go

tweede

thisch, waarvan het eerste dertig, het Totáxovro niets anders dan het geslacht, de soort, van drie,

om het even of zulks op dertig, driehonderd, of

drieduizend, toegepast worde. Het gebruik alleen, niet de vorm, bepaalt hier de beteekenis. Maar mis

schien twijfelt iemand nog, of zulks wel met hund het geval zij. De vergelijking van het Gothische en In het laatste plaatst men van zeventig tot honderdtwintig hund vooraan, op deze wijze: hund-seofontig, hund-eahtatig,hund-nigontig,hund-teontig, hund De laatste drie

endlufontig en hund-twelftig.

Ang. Sak. zal alle zwarigheden wegnemen.

en triginta, is

driehonderd, beduidt.

laatste drie endlufontig en hund-twelftig. Ang. Sak. zal alle zwarigheden wegnemen. en triginta, is driehonderd, beduidt.

46

getallen, die men tien, elfen twaalf geslacht ver

talen moet, bewijzen dat aanvankelijk veertig, vijftig, enz. geene pluralia, maar numeralia ordina lia, of adjectiva, waren van de oude vormen veert, vijft, enz. Dit blijkt nog duidelijker uit het Goth., waar men hund achteraan plaatst, en sibunte-hund attanta-hunden miunte-hund voor zeventig, tach tig en negentig zegt, zoodat in sibunte en miunte het hedendaagsche siebente en neunte nog duide lijk zigtbaar is. men sporen van hetzelfde hund: zoo is b. v. fimf

tiguns, vijftig, niets anders dan de genitivus,

Ook in andere numeralia vindt

fimftig-hunds, van het vijftig geslacht. Het ge tal honderd zelf, of, zoo als het oudtijds geschreven

werd, hund-rath, of hund-rad, is met rath za

mengesteld, dat, zoo als uit vergelijking van het Goth. rathjo, getal, rekening, en rathans, geteld,

blijkbaar is, oudtijds hetzelfde was als het Latijn

sche ratio. Dus beduidde hund-rath, opsomming der soorten, omdat alle de lagere getallen daarin zich oplossen, aanvangt. eenvoudig hundi, Goth. en Angelsaks. hund, om dat het zich, zoo verkort, nog genoegzaam onder scheidde van de mindere getallen, die met hund waren zamengesteld.

Daar nu hunds en chunna in

Maar men zeide in het oude Duitsch

telling

en vandáár eene nieuwe

de Salische wetten, 'sata in het Sanskrit, en suta in

het Wallachisch, alle in de beteekenis van geslacht, of soort, en van het getal honderd met het Goth. en A. S. hund overeenstemmen, zoo is het waarschijn -

lijk, dat bij alle deze woorden een gelijke wijze van

verkorting moet worden aangenomen, als die van

e n g e l i j k e w i j z e v a

47

dit hund, uit hund-rath, of hund-rad.

Het was

deze loop der bewijsvoering, M. H., dien ik bedoelde,

toen ik u vroeger verzocht uwe twijfelingen ter

zijde te stellen, en uw oordeel op te schorten over de zonderlinge toepassing van de woorden 'sata en suta, geslacht, soort, op het honderdtal. Ik ver zoek u verschooning voor den eenigzins Iangen om weg, dien ik u heb doen bewandelen, en die wel ligt voor u eenige moeijelijkheden gehad heeft. Gij zult u echter, hieraan twijfel ik niet, genoegzaam

overtuigd hebben, dat er tot het regt verstand mij

ner redeneringen niets anders noodig is, dan eene strenge oplettendheid, en dat daartoe geene andere voorbereidende kundigheden gevorderd worden, dan die men in een ieder, die hier verschijnt, mag vooronderstellen. ten onregte, ook bij de ontwikkeling der leer van

het naam- en werkwoord, waarover ik in de vol

Misschien vleije ik mij dus niet

gende lessen zal handelen, met een even gunstig gehoor, als mij op heden te beurt viel.

Misschien vleije ik mij dus niet gende lessen zal handelen, met een even gunstig gehoor, als

DERDE vooRLEZING.

Wij hebben ons in de vorige les bezig ge

houden met de eenvoudigste woordvormen, pro nomina en getallen. kon door mij in het breede ontwikkeld wor

den, zonder dat eene beschouwing der verbuigin gen dier eenvoudige grondwoorden voorafging. Het was slechts een voorspel, bijzonder geschikt om

u den strengen zamenhang der dialekten zelfs in

de oudste vormen en eerste beteekenissen te doen

zien, en u van hunne volstrekte éénheid te over

tuigen. lijke grammatica. gen, die het ondergaat, zullen het eerste onder Het

Het nomen en de veranderin

Thans betreden wij het gebied der eigen

Hun oorsprong en natuur

Indische

werp onzer overweging uitmaken.

naamwoord heeft een zeer grooten rijkdom van

verbuigingen. Het bezit eenen dualis, dien men ook

in het pronomen en het verbum wedervindt, ver

der acht casus, dat is, behalve de gewone Latijn sche, nog een instrumentalis en een locativus, dien noemen.

men ook een

temporalis zou kunnen

De ablativus en genitivus zijn echter alleen in de eerste

deklinatie onderscheiden.

Voorts heeft de dualis

slechts drie verbuigingen, ééne voor den nom. acs.

en voc., eene tweede voor den instrum. dat. en

Voorts heeft de dualis slechts drie verbuigingen, ééne voor den nom. acs. en voc., eene tweede

49

en nom. en voc., De casus der Indogermaansche talen zijn eigenlijk pronomi naal-suffixen, die aan den grondvorm des naam Het teeken van den nom. is in het Indisch, zoowel als in het Latijn

locat.

abl.

en een

derde voor

den

gen.

Eindelijk zijn, in den pluralis,

en abl. onderling gelijk.

als ook dat.

woords worden toegevoegd.

en Grieksch, s en r, zoo als in honos en honor. Het laatste is, zoo als het Sanskrit wil, uit het

eerste door eene euphonische verandering ontstaan. Misschien zijn het evenwel twee onderscheidene vor

men, waarvan de eene uit er, de andere uit es, of

sa, oorspronkelijk is. Daar dit casus-teeken in verre weg de meeste woorden, die op konsonanten, en vele, die op vokalen eindigen, ontbreekt, en ook de

m, of n, der onzijdige nominativi achter de voka

en u, zoo als in gummz en genu, niet ge

i vonden wordt, stemt de grondvorm in vele geval Ook is de eerste nog der composita, zoo als pilo en wvgo in pulóoopoç en uvgorró?ng, die met de nominatief-suffixen vereenigd, als pilog en

len

len met den nom. overeen.

dikwerf zigtbaar in het midden

uwloov in de taal voorkomen, of zoo als homi, ma tri en fratri, in de woorden homicida, matricida, fratricida. zijn oude nominativi, die ons ten levendigste de verwantschap van het Latijn met het Sanskrit herin

De woorden homi, matri en fratri,

neren. Want homi is eene afkorting van homin, die

ook in het Indisch in woorden, die op in uitgaan,

gevonden wordt. maar homins wezen. De vormen fratri en matri' zijn nog veel treffender, als nagenoeg letterlijk ge

De ware nom. zou niet homin,

4

wezen. De vormen fratri en matri' zijn nog veel treffender, als nagenoeg letterlijk ge De ware

50

lijk zijnde aan de Indische bhrátr'i en mátr'i,

waaruit, volgens een euphonischen regel, die, zoo

als wij naderhand zien zullen, in de Germaansche

dialekten niet minder, dan in de Aziatische aan

verwanten, heerschend is, noodzakelijk frater en mater geboren wordt. der grondvormen in het Latijn en Grieksch, en elders, zeer dikwijls nog kenbaar is, zoo zijn ze echter in deze talen niet altijd even streng van de gedeklineerde vormen gescheiden, als in het Sans krit, dat hier, gelijk meestal, veel regelmaat ver toont, en juist daardoor voor de verklaring der uitnemend ge De zoo even aangehaalde woorden fra en matri kunnen strekken.

tri

schikt is.

grammatische verschijnselen zoo

Doch hoezeer de natuur

daarvan ten bewijze ver

Wie is er, die alleen het Latijn raad

pleegt, en zich niet verbeelden zal, dat die vor

men met fratris en matris in een onmiddellijk

verband staan?

Het Sanskrit alleen kan ons lee

ren, dat fratri in frater verandert, gelijk drie in ter, terwijl fratris daarentegen uit frateris za mengetrokken is. gelijksoortig voorbeeld? Van den Latijnschen man lijken uitgang in tor is de vrouwelijke in trix afge leid, maar het verband van die woorden zou moeije lijk te gissen wezen, indien het Sanskrit niet tus schen beide trad. van het mannelijk tr't is; zoodat het Latijnsche dator en het Gr. ôorijg met het Indische datr'i

nom. datär was, en de acc. datáram, d. i. datdrem,

overeenstemmen, waarvan de verouderde

Verlangt gij nog een ander en

Dit leert ons, dat de grondvorm

heeft.

Het vrouwelijk zou in den regel datri zijn,

Verlangt gij nog een ander en Dit leert ons, dat de grondvorm heeft. Het vrouwelijk zou

5I

\",

of, met den uitgang van den nom., die hier echter

gewoonlijk ontbreekt, datris. Treffend is het bewijs

daarvoor in dschanitri, regelmatiger dschanitris,

d. i. genitrix, dat van het mannelijk dschanitri,

dschanitar, genitor, afstamt. Dit dschanitris stemt niet alleen met genitrix, maar ook met janitrix, overeen, dat in het oude Latijn broedersvrouw, maar oorspronkelijk vrouw, of moeder, beteekende, omtrent even zoo, als in het Sanskrit bhagini, en in het Latijn nurus, zoowel vrouw in het algemeen,

Ik moet

als zuster en schoondochter, beduiden.

er nog bijvoegen, dat de vergelijking van den uitgang tris met trix, gen. tricis, die op eenen grondvorm tric terugwijst, genoegzaam toont, dat hier een overoude misslag in de uitspraak moet hebben plaats gegrepen.

Dat van een mannelijk woord in tri,

een vrouwelijk in tric zou afstammen, is tegen

alle analogie, maar dat s, verkeerdelijk in x is verhard geworden, laat zich zeer goed begrijpen. Er bestaat buiten twijfel eene overeenkomst tus

schen die klanken, en een overgang van den eenen

in den anderen. Want hoe liet het zich anders ver

klaren, dat de Doriers voor de o, in het fut. en

den aor. dikwerf $ bezigden, zoo als in velá ag voor yslázoag, of dat de Perzische naam Schirschah, Leeuw- Koning, in het Gr. 5 ág;ng geschreven werd. Ook het Gr.schijnt dit gevoelen te ondersteunen, daar de uitgang volg, in die taal, met de Lat. trix overeenstemt, zoo als in aúMmvgig, fluitspeelster, van het mannelijke oevlnrijg, waarvoor men gewo

Dat de genitivus avMyrgióog

melijker avanvijg zegt.

De delta is daar

heeft, is geene tegenwerping.

4*

waarvoor men gewo Dat de genitivus avMyrgióog melijker avanvijg zegt. De delta is daar heeft, is

52

even zoo goed een euphonisch inschuifsel, als in prodesse, voor proësse, en een vrouwelijk avan zouv, of ovMmvgtö, van een mannelijk ovànvet, ovàn zijo, is even min aan te nemen, als een vrouwe lijk genitric van een mannelijk genitri, genitor. Deze voorbeelden zullen genoegzaam zijn, om u te overtuigen, dat de vergelijking der Sanskrita met het Latijn en Grieksch voor de juiste bepaling van den grondvorm onmisbaar is. De nadere ontwikke

ling dezer zaak bespaar ik voor eene latere gelegen

heid. Zij zal nog meer licht ontvangen uit de leer over de eindsyllaben, die de beteekenis der nomina wijzigen, in het bree De casus-terminatien, die met de nomina zamensmelten, heb ik vroeger pronominaal-suffixen genoemd. Dat zij, althans ge

de zal gehandeld worden.

der woordvorming, waar

deeltelijk, als zoodanig te beschouwen zijn, kan,

zelfs bij eene oppervlakkige vergelijking der vroe ger door ons behandelde pronomina, met eene of andere Sanskritsche, Latijnsche, of Grieksche, de Zoo heeft b. v. de derde Latijnsche de enkele vokalen,

klinatie, voor niemand twijfelachtig wezen.

è,

of

,

i, in den

in den nom. en acc. pl. neuter,

dat. en abl. sing.; vervolgens em en im in den acc. sing., en um in den gen. plur., welke drie laatste acc. zijn van de eenvoudige vormen e, i, u. De orum, voor den gen. plur. gebruikt worden, zijn in den grond niets anders dan accusativi sing van het

uitgangen arum,

erum,

hoezeer zij nu

pron. er, dat nog in het Duitsch als mannelijk, en bij ons als onbestemd pronomen gebruikelijk

is, en oudtijds ook ar en or werd uitgesproken;

het Duitsch als mannelijk, en bij ons als onbestemd pronomen gebruikelijk is, en oudtijds ook ar

53

omdat, zoo als vroeger gebleken is, de doffe a, e en o, aanvankelijk een en dezelfde vokaal waren. De overige vormen der Latijnsche deklinatie laten zich zeer gemakkelijk uit hetzelfde beginsel verkla ren, en ik zal er dus kortheidshalve niet bij stil staan. lang, dans eens kort, nu zonder, dan met de s, Alleen de eerste deklina tie, en de dativi en ablativi plurales in bus, vorde Wat mensa betreft, en alle vrouwelijke woorden van gelijken stempel, die, met zoo vele andere Grieksche en Latijnsche, de s van het pronomen demonstr. es, of se, in den nom. missen; de vergelijking van de Sanskrita-termina tien as, á, m, d. i. us, á, um, leert, dat zij eene Die vokaal keert terug in den ouden genitivus in áï,

b. v.

lange vokaal in den nom. hebben moesten.

ren nog eenige opheldering.

die de verbuiging vormt.

Het is vooral een der vijf vokalen, nu eens

in aquai, auld $, waar de lange pronomi

nale i het casus-karakter vormt, dat ongetwijfeld ook aan den dat. sing. en nom. pl. gemeen was; omdat de contractie ae in alle drie die casus gevon den wordt. Latijnsche

De uitgang bus, en niet, gelijk alle

grammatici leeren, abus, ebus, ibus,

ubus ,

is

niet

onderscheiden

van bis in nobis

en vobis, en de vokaal, die voorafgaat, is, of een verbindingsmiddel, zoo als in hominibus voor ho minbus, of zij behoort tot den wortel zelven, zoo

als in die bus.

Dit bis, anders bus, vindt men in

den Indischen instrum. van het meervoud terug, waar het bhis luidt. het eerste gehoor ook klinken moge, eigenlijk het Latijnsche adv. bis. Men gelieve zich uit mijne vo

Het is, hoe vreemd het op

eerste gehoor ook klinken moge, eigenlijk het Latijnsche adv. bis. Men gelieve zich uit mijne vo

54

rige les te herinneren, dat bis, van het nominatief

karakter ontdaan, bi, anders vi, of wi, wordt, en,

hoezeer het twee beteekent, echter op het meer voudig pronomen des eersten persoons is toegepast. Hier vinden wij dat zelfde tweevoudige bhis, of Door bij voeging der terminatien as en dim, waarvan de eene gewoonlijk den nom. plur., de andere den locat. sing. , of dengen. plur. , aanduidt, is uit bhi, bhyas en bhydim geworden, in plaats van bhias en Bhyas is intusschen de uitgang van den dat. en abl. plur., en bhyam Eindelijk moet men hier nog bijvoegen, dat de dat. sing. van het pronomen tu in het Sanskrit tubhyam is. staan zijn door aanvoeging van het suffix am, dat eigenlijk bij den nom. en acc. neut. behoort. Neemt men nu dit alles bij elkander, overweegt men dat

alle deze vormen

bis, weder als suffix van het meervoud.

bhzám, tot vermijding van den hiatus.

van den dat. instr. en ablat. dualis.

Dit bhyam moet op dezelfde wijze uit bhz ont

van bus, of bz, afstammen, en

dat ze, ofschoon oorspronkelijk tweevoud zijnde,

ook in het meer- en enkelvoud gebezigd worden,

waarschijnlijk omdat derzelver oorspronkelijke be teekenis was verloren gegaan, dan zal men ook éénheid en zamenhang zien in tibi, sibi, zbi, ubi, vobis, nobis, den Lat. uitgang in bus en den Gr. in pt, welke laatste nu in het meervoud, zoo als in öyeopt, en voöpt, dan in het enkelvoud, zoo als in en voor den dat. en gen. gebezigd wordt.

ôsÉtregijpt en het adverbiale aüvógt, voorkomt,

Deze

laatste omstandigheid zet nieuwe kracht bij aan eene opmerking, die, dunkt mij, aan niemanduwer

aüvógt, voorkomt, Deze laatste omstandigheid zet nieuwe kracht bij aan eene opmerking, die, dunkt mij, aan

55

Het onbestemd gebruik der

ontsnapt kan wezen. pronomina, waarvan wij in onze tweede les zoo vele bewijzen gegeven hebben, heeft zich ook tot de De kracht, die deze enklitische woordjes aan de nomina bijzetten, is alleen die der demonstratie; de eigenlijke casus-be teekenis is door het gebruik, en niet door de strek king der pronomina zelven gewijzigd. Het is mis schien juist aan die demonstratieve kracht der ca sus-uitgangen toe te schrijven, dat zeer oude dia lekten, zoo als Sanskrit en Latijn, geen artikel heb ben. Want het ontbreekt ook in het Syrisch, waarop gelijke wijze eene enklitische demonstratie aan het Hetgeen wij zoo even van het gemengd gebruik der casus-prono mina gezegd hebben, kan nog nader worden toe gelicht en bevestigd door de beschouwing van eenige uitgangen der casus in het Indisch en deszelfs aan verwanten. omstandigheid dat het karakter van den gen. as,

Wij willen hier niet verwijlen bij de

slot der naamwoorden gevoegd is.

vorming der casus uitgestrekt.

ee

is,

os,

us,

van dat van den nom., die door

eene s wordt uitgedrukt, zeer weinig verschilt, of dat in alle deze talen het onzijdig voor den mom.

en acc. slechts één vorm heeft, en dat die tevens

Gelijk bonum in

één is met den mannelijken acc.

het Latijn deze wijzigingen voorstelt, zoo siwam

Het voorbeeld, dat ik u thans

in het Sanskrit.

wilde voorstellen, is nog veel treffender. Het toont den wonderbaren zamenhang tusschen den locat.

sing. en den gen. plur., en omgekeerd tusschen

Het Indisch

den gen. sing. en den locat. pluralis.

karakter van de beide eerste casus is dim, waaruit

omgekeerd tusschen Het Indisch den gen. sing. en den locat. pluralis. karakter van de beide eerste

-

'56

in het Gr., dat geen m aan het einde der woorden

duldt, ov, of ook áv in het Dorisch der eerste de

klinatie, geworden is. In het Latijn zeide men dm, dat vervolgens üm geschreven werd, gelijk divdm, divüm, dat een oude oorspronkelijke vorm, en geenszins gecontraheerd is uit divorum, waarmede

het niets te maken heeft. Ditzelfde um, in het An

gelsaksisch en het IJslandsch, en in het Gothisch ook am, im, om, is het teeken van den dat. pluralis.

Het karakter van den Indischen gen. sing. is sya in de woorden, wier grondvorm op a uitgaat, zoo als szwasya, van siwa, en dat van den locativus plur.

is su, in alle deklinatien.

Dit su, dat niets anders

dan het vroeger behandelde pronomen su is, komt

overeen met de dat. en locat. terminatie ou der Grie

ken, welk si almede een pronomen van den derden persoon is. Vergelijk sie, en zij. Wij hebben vroeger gezien dat uit su swa, is.

als possessief, gederiveerd

Dit zelfde swa staat hier tegen over su, in het

Zend, als locat. pl. Op gelijke wijze