Sie sind auf Seite 1von 10

Klassiek Chinees samenvatting

Door DongRong Chen


Alle karakters die hierin voorkomen zijn in het vereenvoudigd Chinees, ik
weet niet hoe je in traditioneel Chinees kan typen, wil het ook niet weten.
Maar als het goed is kunnen jullie bij de meeste karakters wel raden wat
het equivalent van is in het traditioneel Chinees.
Kleurengebruik
Bepaling kern
Onderwerp gezegde
Nevenschikking: (H1)
Wanneer de woorden in een naamwoordelijke woordgroep dezelfde status
hebben.
= ossen en paarden
Onderschikking: (H1)
Wanneer de woorden in een naamwoordelijke woordgroep niet hetzelfde
status hebben.
= ossenwagen
= koningszoon
*De bepaling komt altijd voor de kern*

B K

B K

Functies van
1) Onderschikken. (H1)
= de zoons en dochters van een koning
B
K
= de dochters van een koningszoon
B
K
nominaliseren (H7)
kan ook een zin nominaliseren zodat het een naamwoordelijk groep
wordt.
= de koning eet vis.
= koning die vis eet. De visetende koning.
= het vis eten door de koning. Dat de koning vis eet.
= de koning die vis eet lacht de hertog uit.
= de hertog lacht de visetende koning uit.
= de hertog ziet dat de koning vis eet.
-----> het gaat hier
om het actie vis eten en niet om de koning
2) Voornaamwoord (H3)
kan ook fungeren als een voornaamwoord. Het vervangt een
naamwoord om herhalingen te voorkomen.

= de koning lacht de hertog uit


= de koning lacht hem uit
3) werkwoord (H8)
Als werkwoord betekend gaan naar
= De koning ging naar Chu.
Telwoorden: (H2)
Telwoorden kwantificeren naamwoorden. Ze worden direct voor het
naamwoord geplaatst.
n mens
tien leraren
: (H2)
Voornaamwoord:
Kan fungeren als een bezittelijk voornaamwoord
= paarden van de koning
----->
= zijn paarden
Het woord kan de bepaling bij een naamwoordelijk groep vervangen,
hierdoor wordt herhalingen voorkomen.
Zinstructuur: (H3)
Gezegde = alles wat niet het onderwerp is (volgens dit handboek)
Werkwoordelijk gezegde: (H3)
Het moet een werkwoord bevatten dat de handeling uitdrukt
= De koning eet vis.
o ww lv
= onderwerp
= gezegde
* onderwerp werkwoord lijdend voorwerp*
Naamwoordelijk gezegde: (H5)
Bij een naamwoordelijk gezegdes woorden naamwoorden of
naamwoordelijk groepen gelijkgesteld. In het klassiek Chinees geeft het
wordt vaak aan dat het een naamwoordelijk gezegde is, maar zelf is
geen teken van een naamwoordelijk gezegde. Je kunt beter vertalen
met Het is zo dat. is een hulpmiddel en had net zo goed weggelaten
kunnen worden. Je ontkent een naamwoordelijk gezegde met in
tegenstelling tot duidt altijd een naamwoordelijk gezegde aan, tenzij
het in een gesocialiseerde deel voorkomt.
= De koning is een mens.
= Chu is een groot land.
= Moeders dood komt door de hemel.
= Is de koning een mens (bij vragen vervangt )
* = Chu is klein. (ww gezegde, want is een eww)
*= Chu is een klein land (nw gezegde, want is een
naamwoordelijk groep)

1vraagpartikel (H3)
Een stellende of een ontkennende zin vragend maken in het klassiek
chinees kan door middel van het vraagwoord . Het komt dan aan het
einde van een zin.
= De koning eet vis.
= Eet de koning vis?
= De koning eet geen vis.
= Eet de koning geen vis?
Bijwoorden:
Bijwoorden zeggen iets over de werkwoorden en komt direct voor het
gezegde.
(H3)(H6)
maakt zinnen in het klassiek chinees ontkennend. Het wordt voor het
werkwoord geplaatst.
= De koning eet vis.
= De koning eet geen vis.
Behalve zijn er nog veel meer bijwoorden.
= De koning eet ook vis.
= De koning eet alweer vis.
= De koning eet zelf vis.
= De koning eet beslist vis.
= De koning eet noodzakelijkerwijs vis.
= De koning eet in alle gevallen vis. --> Alle koningen eten vis.
= De koning eet in geen geval vis. --> Geen koning eet vis.
= Niemand eet vis.
= Iedereen eet vis.
Sommige bijwoorden kunnen functioneren als wederkerend
voornaamwoord.
= De koning ziet zichzelf. (zonder lijdend voorwerp verwijst voor
een werkwoord terug naar het onderwerp)
= De koning ziet het zelf. (met lijdend voorwerp geeft aan dat
het onderwerp zelf de in de werkwoord genoemde uitvoering uitvoert ten
aanzien van het lijdend voorwerp)
= De koningen zien elkaar.
* = De koning houdt ervan dat de mensen zichzelf kennen. (hier
verwijst naar het onderwerp in de bijzin, namelijk .)
* = De koning houdt ervan dat mensen hem kennen. (hier kan
ook naar het onderwerp in de bijzin verwijzen, maar gewoonlijk verwijst
het naar het onderwerp in de hoofdzin.)
Hulpwerkwoorden: (H6)

Hulpwerkwoord is een werkwoordelijk bepaling bij het hoofdwerkwoord.


= Ik eet een slang.
= Ik verzoek een slang te eten.
= Ik weet een slang te eten.
= Ik wens een slang te eten.
= Ik durf een slang te eten.
= Ik kan een slang te eten.

en (H3)
Twee bijzondere werkwoorden.
= hebben of er zijn
= niet hebben of er niet zijn ----> wordt niet ontkent door ervoor te
zetten , maar door
= De koning van Chu bezit/heeft jade
= De koning van Chu bezit/heeft geen jade
= In de wereld zijn er koningen
= In de wereld zijn er geen koningen
Nominalisatie: (H7)
Nominalisatie kan op verschillende manieren in het klassiek Chinees. Door
nominalisatie kan een zin een naamwoordelijk groep worden dat in een
andere zin gebruikt kan worden.
1) en
Zie
kan vervangen voor nominalisatie.
= het goud van de koning
--> = zijn goud
= De minister ziet dat de koning vis eet.
= De minister ziet dat hij vis eet.
2)
Het partikel wordt veel gebruikt voor de nominalisatie. Dit partikel volgt
altijd op de woorden die erdoor worden genominaliseerd. Samen met
vormen deze woorden een naamwoordelijk groep.
(ww) = degene die eet
of
het eten
of
de eter
(ww) = degene die vis eet of
het vis eten
of
de vis
eter
(eww) = degene die mooi is
(telwoorden) = zeventiger of
zeventigjarige
(nw) = degene die koning is
of
degene die heerst als een ware
koning (ww)
(namen) = een zekere Tian Wen
(tijd) = in het verleden
of
vroeger
(tijd) = in het heden
of
tegenwoordig
3)

nominaliseert een werkwoord plus eventuele voorwerpen of


bijwoordelijke bepalingen en komt voor de woorden die erdoor
genominaliseert worden. verliest in combinatie met zijn functie en
wordt alleen gebruikt om de nominalisatie van af te bakenen.

(1) dat wat (2) de koning (3) eet


2
1 3
= dat wat men eet
= dat wat de koning eet
= de vissen die de koning eet
= Dat waar ik van hou is de Weg.
Eigenschapwerkwoorden: (H4)
Deze groep woorden duidt eigenschappen aan van naamwoorden. Ze
worden ontkend met en wordt in het klassiek Chinees gerekend tot de
groep werkwoorden.
1) attributief gebruik
In een naamwoordelijk groep kan een eww (eigenschapwerkwoord) dienen
als een bepaling bij een kern. De eww wordt gevolgd door een zelfstandig
naamwoord.
= een klein land
= hoge bergen
= de betrokken heer
Dit zijn allemaal naamwoordelijk groepen.
2) predicatief gebruik
De eww kan ook als het gezegde van een zin dienen. Ontkenning door
middel van .
= Het land is klein.--> = Het land is niet klein.
= De bergen zijn hoog. --> = De bergen zijn niet hoog.
= De heer is betrokken. --> = De heer is niet betrokken.
Dit zijn allemaal zinnen.
3) causatief gebruik
Een eww kan net als een werkwoord gevold worden door een lijdend
voorwerp. In zon geval wordt de eww causatief gebruikt.
= De koning maakt/vindt zijn land klein.
= De koning maakt/vindt zijn land niet klein.
Persoonlijke voornaamwoorden: (H5)
1e persoon
Er zijn in klassiek Chinees twee woorden die naar het eerste persoon
verwijzen. en kunnen beide zowel naar ik als wij betekenen. komt
zelden voor als lijdend voorwerp.
Bovendien kan een minister () zichzelf verwijzen met het woord .
= De minister weet het niet. *Maar ook: Ik weet het niet.
2e persoon
Voor de tweede persoon zijn er ook twee woorden in het klassiek Chinees.
en beteken allebei je of u. is alleen iets beleefder.

Ook kunnen titels gebruikt worden voor de verwijzing voor de tweede


persoon.
= De minister weet niet dat de koning het heeft.
*Maar ook: Ik weet niet dat u het heeft. (een minister dat tegen de koning
praat)
3e persoon
In het klassiek Chinees kent men geen derde persoon.
Wederkerende voornaamwoorden
Deze groep woorden geven aan dat de handeling op het onderwerp zelf
slaat.
kan voorkomen als onderwerp, als lijdend voorwerp of als bepaling bij
het kern.
= Hijzelf kent de koning. (onderwerp)
= De koning kent zichzelf. (lijdend voorwerp)
= dat hijzelf koning zichzelf kent. (bepaling bij een kern)
= De minister vond het niet vreemd dat hijzelf de koning
kent.
Aanwijzende voornaamwoorden
Het verwijst naar iets.
betekenen allemaal dit of deze
betekend dat of die
Vragende voornaamwoorden
= wie
= wat, hoe of waarom
= wiens land
= Wie huilt?
= wat voor een ding (bepaling bij een kern)
= Hoe weet ik dat. (bijwoord)
Directe rede: (H5)
Letterlijke weergave van iemands woorden. In het klassiek Chinees
gebeurt dit door middel van X Y Z --> X = onderwerp Y =
meewerkend voorwerp Z = lijdend voorwerp.
= De koning zei: Ik houd van ridders.
= De koning zei tegen de hertog: Ik houd van ridders.
= De koning vroeg aan de hertog: Houdt u van
ridders?
= Hij antwoordde: ik houd niet van ridders.
Samengestelde zinnen: (H8)
Voegwoorden en
Het voegwoord kan twee zinnen aaneenschakelen.

= De koning sprak en de hertog sprak niet.


= De koning sprak, maar de hertog sprak niet.
= De koning lachte en sprak niet.
= De koning lachte, maar sprak niet.
* kan niet gebruikt worden tussen twee naamwoorden. (**
is dus niet goed)
geeft aan dat de voorzin als een voorwaarde dient bij de nazin.
= Als de heilige sterft, dan gaat het land ten onder.
: (H8)
Werkwoord (wei2)
Als werkwoord betekend doen, maken, handelen, enz.
= Dit is niet doen en niet niet kunnen.
Koppelwerkwoord (wei2)
Als koppelwerkwoord betekend zijn, worden, dienen als, enz.
= De heerser is een heerser, de onderdaan (in de zin van
werken voor de heerser) is een onderdaan.
Bijwerkwoord (wei4)
Als bijwerkwoord betekend voor of ten behoeve van
Werkwoorden van beweging: (H8)
Sommige werkwoorden in het klassiek kunnen een beweging aanduiden
zonder aan te geven waar, waar vandaan of waar naartoe de handeling
plaatsvindt.
= De koning van Song wenst niet te komen.
= De soldaten vertrokken en keerden niet terug.
= De boot van de koning van Yue stopte.
= Vader kwam naar buiten en moeder ging naar binnen.
Bijwerkwoorden: (H8)
Bijwerkwoorden in het klassiek Chinees wordt in het Nederlands vaak
vertaald met een voorzetsel.
Bijwerkwoord
Als werkwoord betekent nemen, als bijwerkwoord kunt u het vertalen
met met of nemende als een middel, werktuig of wijze waarop
aanduidt. Als een reden of oorzaak aanduidt, is omdat, doordat,
vanwege of omwille van vaak een geschiktere vertaling.
= De koning doodde de minister met een mes.
= De koning doodde de minister met een mes.
= De koning viel omwille van mij de vijand aan.
De combinatie X Y betekend letterlijk nemende X te zijn Y --> X
beschouwen als Y
= Ik beschouw u als onbetrouwbaar.
= Het volk van Chu vond dat de koning betrokken was.

Soms wordt de X term weggelaten, dus Y wordt iets of iemand


beschouwen als Y.
= Het volk van Chu vond hem betrokken.
Bijwerkwoord
Als werkwoord betekent meestal geven of vergezellen. Als
bijwerkwoord betekent het vergezellende of (samen) met.
= Een heer spreekt niet met slechte mensen.
kan ook tussen twee naamwoorden of naamwoordelijk groepen komen
en dan betekent het en.
= ossen en paarden
Soms kan het allebei.
= De staat Song voerde oorlog met de staat Chu.
= De staat Song en Chu voeren oorlog.
Bijwerkwoord
Als bijwerkwoord betekend voor of ten behoeve van
= Het volk zoekt goud en jade voor d koning.
Bijwerkwoord
Als bijwerkwoord betekent van, vanaf of vanuit.
= Tian Wen ging van Qi naar Song.
Bijwerkwoord
Als bijwerkwoord betekent van, vanaf of vanuit.
= Zijn ouders kwamen van buiten.
Bijwerkwoord
Als bijwerkwoord betekent in, op, aan, onder, enz.
= De hond ging de kamer binnen.
= De generaal van Wei zat onder de tentdoek.
Het lijdend voorwerp kan bij deze gevallen worden vervangen door . is
de samentrekking van met .
= De hond ging er naar binnen.
= De generaal van Wei zat eronder.
kan ook worden gebruikt als eww en dan drukt het een vergelijking uit.
= Ossen en paarden zijn groter dan mensen.
Lijdend vorm: (H9)
Wanneer het onderwerp de handeling ondergaat, wordt het de lijdend
(passieve) vorm genoemd. Dit gebeurt door middel van . Als werkwoord
betekent kunnen, mogen of mogelijk zijn. Als hulpwerkwoord
maakt het erop volgende werkwoord passief.
? = Mogen mensen worden vermoord?
= De haas kon niet worden gevangen.
Aspect: (H9)
Aspect is de manier waarop een handeling of gebeurtenissen zich in de tijd
voltrekt.

en komen als bijwoordelijk bepaling voor het werkwoord.


= Het land was al in gevaar.
= Zijn moeder is al overleden.
Het partikel heeft hetzelfde functie als en , maar hij komt aan het
einde van een zin.
= Het land is al in gevaar.
In het klassiek chinees komen en vaak samen voor in een zin.
= Het land is al in gevaar.
komt net als en voor het werkwoord, maar geeft juist dat de
voltooiing nog niet is bereikt.
= Het land is nog niet in gevaar.
kan ook fungeren als partikel van aspect. Het komt voor het werkwoord
en geeft aan dat de handeling binnenkort plaatsvindt.
= Moeder staat op het punt om de deur uit te gaan.
= Moeder wil juist de deur uit te gaan.
Modaliteit: (H9)
Modaliteit duidt op de houding van de spreker of schrijver ten opzichte van
de handeling of de gebeurtenis.
Het eindpartikel
kan ook fungeren als een eindpartikel. Dan betekend het vaak het is zo
dat, maar vaak is het mooier om niet te vertalen.
= De tijger vluchtte.
= Het is zo dat de tijger vluchtte. --> De tijger vluchtte.
Het eindpartikel
Als eindpartikel kan een bepaalde emoties met zich meebrengen, dat
kan gepaard gaan met het aspect functie.
= De minister riep: Het land is in gevaar!
= De minister riep: De koning is dood!
Het eindpartikel
Als eindpartikel duidt op een veranderde toestand, een veranderd
inzicht over een bepaalde toestand.
= Dit is een betrokken heerser. (neutraal en feitelijk)
= Dit is inderdaad een betrokken heerser. (de spreker is bewust
geworden van het goed karakter van de vorst. --> in het modern
Chinees.)
= Dit is inderdaad ook een slechte vent.
= (samenvoeging tot )
De samentrekking van betekent en daarmee stopt het of en
daarmee uit.
= Ik volg de weg van Confucius en daarmee uit.
= Ik volg uitsluitend de weg van Confucius.
= Ik houd van oude muziek en daarmee uit.
= Ik houd alleen van oude muziek.
Het eindpartikel

Het partikel drukt een uitroep uit en komt in stellende en vragende


zinnen voor.
= Wat voor een man is dit nu eigenlijk?!
= Prachtig!
= Groots is Confucius! ( wordt naar voren gehaald voor meer
nadruk.)
Herschreven -->
= Hoe prachtig, de weg van de oude wijzen.
Herschreven -->