You are on page 1of 9

NEDERLANDSE GRAMMATICA:

ZINSONTLEDING
1. HET SUBJECT
NC
Genominaliseerde wwn als subject
deelzinnen
uitzonderlijk: andere woordcategorien (vooral in koppelww-zinnen/zinnen met
presentatief ww)

speciale gevallen:
- loos subject: onpersoonlijke het/dat, enkel structurele (=geen

semantische functie)
bij wwn als: regenen, sneeuwen, waaien, hagelen, stromen, koud zijn,
winderig zijn, (te) laat zijn, vroeg zijn,
bv. Het storm op zee

dubbel subject (= het ene refereert naar het ander, verwijst naar bijzin
die verderop komt)

o voorlopig subject+ eigenlijk subject

voorlopig subject heeft geen semantische betekenis, enkel


structureel, komt pas bij eig subject
bv. Het is jammer dat de koning niet aanwezig kon zijn.
Voorlopig subject: het
Eigenlijk subject: dat de koning niet aanwezig kon zijn

o herhalend/anticiperend subject (altijd met kommas)

verwijswoord als herh subject: aanloopsubject+ herhalend


subject
bv. Die regenboog, die ik maar lelijk
aanloopsubject: die regenboog
herhalend subject: die
verwijswoord als anticiperend subject: anticiperend subject+
uitloopsubject
bv. Hij werkt op mijn zenuwen, die papegaai
anticiperend subject: hij
uitloopsubject: die papegaai

BELANGRIJK:
Milena De
Backer

Er is nooit een subject!


subject nooit verwarren met aanspreking/aangesproken persoon

2. HET OBJECT
- agens object
o = passieve zin, handelend voorwerp, meestal ingeleid door door
o bv. De jonge zangeres werd aan het grote publiek voorgesteld door de
presentator
o pas op: niet alles met door is agens-object!

- bron-object

o = gereceptiveerde zin (met krijgen, vernemen, horen,..) ingeleid door


van
o bv. Hij kreeg een nieuw paar schoenen van zijn mama

- direct object (DO)

o = lijdend voorwerp
o bv. Zij gebruikt haar laptop slechts af en toe
o DO bij presentatieve wwn: DO heeft geen patiens-rol
Bv. Die muur vertoont barsten
o DO bij impressie wwn: gewaarwording die zich voordoet aan persoon
die door DO genoemd wordt (wwn als: spijten, berouwen, interesseren,
verheugen, bevreemden, verwonderen)
Het huplwerkwoord is hebben
o reflexieve objecten:
reflexief zvn bij wwn die ook niet-reflexief kunnen zijn: GEWOON DO
bv. Hij waste zich en trok zijn kleren aan
(je kan ook zeggen, hij wast de baby niet verplicht reflexief, maar
toevallig)

bij ww dat enkel reflexief vnw heeft: onderdeel zinsrelator!


Bv. Het meisje schaamde zich zo erg dat ze helemaal rood werd
(zich schamen= verplicht reflexief)
Milena De
Backer

o reciproke objecten: wederzijdsheid van Svz wordt uigedrukt door


elkaar/mekaar
bv. Jan en Jef beloerden elkaar
( alleen met elkaar, mekaar, elkander)

- indirect object
meewerkend voorwerp (omschreven vorm met aan) (KRIJGEN)
ook reflexief vnw kan fucntie van meewerkend voorwerpen hebben
tegenspeler subject, meestal persoon
bv. Ik heb (aan) mijn broer dat boek gegeven
o meemakend voorwerp: (MEEMAKEN)
Bij verbaal predikaat: subject= zaak, meestal iets abstracts, geen
tegenspeler-relatie tussen subject en IO persoon die het meemaakt
affecterende wwn als (iemand) overkomen, gebeuren, aanstaan,
ontgaan, ontvallen, ontsnappen, ontglippen
bv. Er is hem iets vreemds overkomen
!niet verwarren met DO bij impressiewwn: minder abstract en hebben
als hww (aff wwn: hulpwerkwoord= zijn)
o

Bij niet-verbaal predikant: vaak koppelwerkwoord=adjectief


(genegenheid/vertrouwen uitdrukken: gehoorzaam, genegen, trouw,
ontrouw, gunstig, ongunstig gezind, dankbaar, welgevallig, genadig,
eigen, aangeboren, bekend, onbekend, vertrouwd, vreemd)
vaak passieve medespelers als subject
bv. Zijn karakter is me totaal vreemd

o Belanghebbend voorwerp: voorwerpen in ruimere zin) wordt niet


opgeroepen ww-betekenis, ingeleid door voor
ww als bereiden, klaarmaken, halen, brengen
bv. Hij schonk een glaasje wijn in voor haar

o oordelend voorwerp: bij lijken, dunken, voorkomen, te+adj


/adj+genoeg/voldoende (VINDEN)
bv. Hij lijkt me heel onervaren
bv. ze was de rijkeluiszoon te min

Milena De
Backer

bv. Een eenvoudig excuus is mij voldoende

Posssesieve datief: bij combinatie van ww met een complement


waarin een lichaamsdeel/kledinstuk genoemd wordt
o omschreven vorm met bij
o bv. De broek hing hem ruim om het lijf
o ! vaste uitdrukking zoals iemand iets op de mouw spelden, iemand
het gras voor de voeten wegmaaien,..) niet verder specificiren,
gewoon meemakend voorwerp

oorzakelijk object (OO): bij koppelwerkwoord+ gezegde


o gezegde: moe, beu, zat, kwijt, bijster, rijk, indachtig, bewust, gewaar,
zeker, gewoon gewend, machtig, waard, schuldig, van plan, van zins,
op het spoor, meester, baas (gewoon rijtje vanbuiten leren)
o bv. Jolien was het geruzie beu
o bv. Hij werd de Engelse taal stilletjes aan meester

voorzetselobject (VzO): object bij zinsrelator met vast voorzetsel,


kan men NIET vervangen, uitbreiden, weglaten of beklemtonen
o bv. Herrineren aan, trek hebben in

3. HET GEZEGDE
-

subjectgezegde: kww+PN, zeg iets over subject, soorten kwws:


immutatief (type zijn)
mutatief (type worden)
continuatief (type blijven)
vervangend kww (zelfstandig ww met betekenisverbleking, bv.
Breken/vallen/zitten)
o schijnbaar kww: blijken, lijken, schijnen, heten (als reputatie hebben),
dunken, voorkomen
o bv. Die broek is heel erg lelijk
o
o
o
o

- niet - cupulatief- gezegde


o objectgezegde: zegt iets over object, resulaats- en oordeelsgezegde
OORDEELSGEZEGDE: wwn die oordeel/opinie uitdrukken
RESULTAATS:
wwn die elementair causatief (maken) of resultatief zijn (krijgen)
wwn die actie uitdrukken die leidt tot een toestandsverandering
Milena De
Backer

bv. Men beschouwt hem als een leugenaar (Oordeel)


bv. Hij brulde hem doof (Resultaats)
bv. Wij kregen de opdracht niet af (Resultaats)

!!Invulling:
substantiefsgroep/NC
adjectiefgroep/adjc
voegwoordgroep/VwC met als
voorzetselgroep/VzC
waarde van adjectief
verbinding resultaat-noemende NC met ww: tot, in
o Niet- copulatief subject-gezegde (enkel betrekking op subject v/d zin)
Sommige wwn v toestandsverandering: subject is passief bij
actie betrokken
Wwn als: breken, knakken, kraken, splijten, vallen, vliegen,
vriezen,..
Bv. Dat glas is in scherven gevallen
Bv. Het raam vriest stuk
Passivering van een zin met objectgezegde
Bv. de deur wordt groen geverfd
Bv. Hij werd door de ploeg beschouwd

4. HET SPECIFEREND COMPLIMENT


- Maatcomplement: specificatie ivm gewicht, duur, kostprijs, lengte,.. bij
subject, maar enkel ingeleid door werkwoord dat maat vraagt/uitdrukt
(anders dan gwn gezegde)
Bv. Het zakje drop woog wel 2 kilo

Naamcomplement: bij heten/noemen


bv. Zoiets wordt liefde genoemd

Hoedanigsheidscompliment: drukt smaak, reuk, klank, uitzicht uit,


STAAT BIJ SUBJECT
Bv. De soep smaakt naar vis

5. HET ADVERBIAAL COMPLEMENT


Staat bij werkwoord!!
Milena De
Backer

- Locatief complement= adverbiaal complement van


plaats/tijd: bij werkwoorden die om een aanduiding van plaats

vragen/ruimtelijk resultaat van genoemde actie ingeleid door voorzetsel,


kan over subject/object gaan (WAAR/WANNER)
bv. De astronaut bevond zich in het ruimteschip

Wijzecomplement: bij werkwoorden die een aanvulling vragen als


antwoord op de vraag hoe-vragen. (HOE)
(bv. Zich gedragen, behandelen, het stellen, hetmaken, besteden,
passen, zitten, staan, bekken, in de mond liggen, zitten, verlopen,
afgelopen)
soms: alternatief voor locatief complement
bv. Die tekst ligt goed in de mond

6. SATELLIETEN
!! perifere zinsdelen: niet per se nodig!!
1) ze zijn zonder meer weglaatbaar
2)ze zijn afsplitsbaar (en wel, en doet dat)
3) afstand- en achterveldplaatsing kent geen berperkingen
-

Bepaling van gesteldheid: adverbiaal, zegt iets meer over


subject/object, maar niet per se nodig!
Bv. Roos huppelde vrolijk de tuin rond

- Adverbiale sattelietbepaling

o Kwalificerend:
Hoedanigheid of wijze: (hoe? Op wat voor manier?)
Bv. Milena was ijverig aan het studeren

Middel: (waarmee? Hoe? Met behulp waarvan? Door welk


middel?)
bv. Met zon bot mes kun je niet snijden

o Kwalificerend:
Graad (welke mate? Hoe zeer?)
Bv. Hij heeft zich daarvoor erg geschaamd

Frequentie (Hoe vaak?)


Bv. Ze heeft hem meermaals gebeld
Milena De
Backer

o Situerend:
Plaats (waar?)
Bv. Hij heeft in de tuin zitten studeren

Tijdstip (wanneer?)
Bv. Op woensdagochtend kocht hij een groot boeket rode rozen

o Circonstantieel
Neutraal (Onder welke omstandigheden?)
Bv. Ze gingen wandelen bij heldere maan

Causaal: oorzaak (Waardoor?) en reden (Waarom?)


Bv. Wegens die overtreding kreeg hij een zeer grote boete

Finaal: doel of bestemming (Waartoe? Waarvoor?)


Bv. De wielrenner nam doping om beter te kunnen presteren

Conditioneel of voorwaardelijk (onder welk voorwaarde?)


Bv. Bij voldoende inschrijvingen zal de reis doorgaan

Gevolg-aanduidend (Met welk gevolg?)


Bv. Hij at zijn spaghetti veel te snel waardoor hij buikkrampen
kreeg

Consessief of toegevend (ondanks wat?)


Bv. Ondanks het slechte weer waren er heel veel toeschouwers

o Beperkend: noemt beperking


Bv. Wat zijn zangkwaliteit betreft was ik niet erg onder de indruk

7. VERBALE CONSTITUENT
volledige werkwoordgroep:
o 1 ww: ww=pv=zinwsww
o meerdere wwn: hulpww=pv + zinsww = VD/OD/infinitief (eventueel
elimineren)
HULPWERKWOORD
Milena De
Backer

tijd:
o voltooidheid: hebben/zijn
o toekomst: zullen/gaan
aspect:
o ingressief (begin-fase)
o progressief (aan de gang en eindig)
o continuatief (niet eindigen)
o egressief (eindfase)
!!! dit is bij gebeurtenissen/handelingen, bij toestanden:
mutatief/immutatief/continuatief!!
perspectief
o actief: geen hww
o passief: wel hww (worden/zijn
o datief: geven, geen hww
o receptief: krijgen, eventueel als hww
modaliteit
= oordeel van de spreker zelf
o met modale partikels als misschien, zeker,
o met modale hwwn: noodzaak/mogelijkheid: moeten, hoeven, en
mogen/kunnen en mogen
causativiteit: hwwn:
o veroorzaken: laten/doen
o opdracht geven: laten
niet- ww deel:
o niet ww-deel van een scheidbaar samengesteld ww
o niet-ww deel van ww-uitdrukking: verstarde verbinding van
werkwoorden+objecten
- enkel nog in hun geheel te interpreteren, nauwelijks paradigmatische en
syntagmatische vrijheid
o vast reflexief pronomen (zich haasten)
HOORT ALLEMAAL BIJ DE ZINSRELATOR

Milena De
Backer

Milena De
Backer