You are on page 1of 29

Over het goede en het juiste

WAARDE: algemene beoordeling van aspecten van het leven die we

belangrijk vinden
NORM: concrete gedragsbepaling, specifieke regel die ons voorschrijft wat
we moeten of mogen doen
MORAAL: stelsel van normen en waarden die heersen of gelden in een
bepaalde cultuur
(onderscheid publieke en persoonlijke moraal)
ETHIEK: studie van normen en waarden, die zich richt op de vraag welke
normen en waarden we kunnen rechtvaardigen
ethiek als wetenschappelijke discipline: de meeste wetenschappen geven
een verklaring of beschrijving van de fenomenen die ze behandelen;
ethiek concentreert zich op de vraag naar rechtvaardiging
kernvraag van de ethiek: Welke normen en waarden kunnen we met goede
redenen verdedigen? de ethiek is zelf normatief: ze vormt een oordeel
over de geldende normen en waarden en geeft dus aan welke normen en
waarden we zouden moeten naleven
Het funderingsprobleem
Een correcte redenering om normen te rechtvaardigen bevat naast
feitelijke ook normatieve argumenten. PROBLEEM: elke norm die we
aannemen, moet opnieuw gefundeerd worden; een ultieme fundering voor
ethische stellingnamen is dus onmogelijk.
OBJECTIVISME: De juistheid van algemene morele uitgangspunten kan

bewezen worden
RELATIVISME: Uiteindelijk zijn normen en waarden altijd relatief; het is
zinloos om ze te proberen te rechtvaardigen
TUSSENWEG: Het heeft zin om algemene morele uitgangspunten te
onderzoeken en na te gaan welke morele consequenties ze met zich
meebrengen
het goede leven
WAARDEN algemene uitdrukking van wat we in ons leven belangrijk
vinden
vandaar: bestanddelen van het goede leven
uitwerking: drie centrale waarden
RECHTVAARDIGING? redenen geven waarom we deze waarden zo
belangrijk vinden
vrijheid (= niet altijd even belangrijk)
'two concepts of liberty' (Isaiah Berlin)
1. negatieve vrijheid: afwezigheid van door anderen opgelegde
1

belemmeringen
2. positieve vrijheid: aanwezigheid van reele keuzemogelijkheden
vraag: Waarom is vrijheid zon centrale waarde?
+ instrumentele waarde (je kan er iets mee)
+ intrinsieke waarde (het is waardevol op zich): - symbolische waarde
(erkenning)
- expressieve waarde (zelfrealisering en
verantwoordelijkheid)
authenticiteit
iedereen moet zijn ware identiteit zo goed mogelijk tot uitdrukking
proberen te brengen
vragen:
1. Is dat altijd goed?
2. Wat bedoelen we met ons 'ware zelf'? -> wat je doet
identiteit interne bron (karakter)
externe bron (invloed van anderen)
geluk
geluk = geluksgevoel
vraag: is geluk (begrepen als geluksgevoel) het allerbelangrijkste in ons
leven?
-> gedachte-experiment van Robert Nozick
we verlangen niet alleen naar gevoelens of indrukken van geluk, maar
willen ook dat die op de juiste wijze verbonden zijn aan de realiteit
het juiste leven
NORMEN concrete gedragsbepalingen
vandaar: bestanddelen van het juiste leven
uitwerking: twee theorien
RECHTVAARDIGING?
redenen geven voor de wijze waarop we zouden
moeten (of mogen) handelen in een specifieke situatie
utilitarisme
Het gaat niet om de handeling zelf, maar om de gevolgen van de
handeling. Zijn die gevolgen
goed, dan is de handeling zelf ook goed.
'nut' (wat genot, welzijn, welvaart, geluk oplevert) is het enige criterium
om te oordelen of een morele handeling goed of slecht is
rechtvaardigingscriterium: Verricht altijd die handeling die tot zoveel
mogelijk netto-geluk leidt
bezwaren: 1. Kunnen we de
optelsom maken?
2. gevaar van uitbuiting en opoffering
3. alleen collectieve belang telt

de ethiek van Kant


Of een handeling in moreel opzicht goed is, hangt niet af van de gevolgen
van die handeling, maar van het principe op basis waarvan gehandeld
wordt
Ethiek gaat om een plicht het goede te doen, niet om een afweging van
wat goede gevolgen heeft plichtethiek of deontologische ethiek
categorische imperatief: handel alleen volgens die maxime waardoor je
tegelijkertijd kunt willen dat zij een algemene wet wordt

De rechtvaardige samenleving
HET POLITIEKE: betreft de organisatie van het menselijk samenleven

(wat het is)


betreft de uitoefening van macht over een
samenleving
(hoe het gebeurt)
POLITIEKE FILOSOFIE:
wat is politiek nu eigenlijk? wat zou politiek
moeten zijn?
(perfecte > goede/juiste > rechtvaardige
samenleving)
Het wenselijke en het mogelijke: HET WENSELIJKE WORDT BEPERKT
DOOR HET MOGELIJKE
3 fundamentele posities
Pessimistische visie: N I E T S T E W E N S E N
HOBBES: er is maar n duurzame en stabiele staatsvorm mogelijk, die
van de absolute staat
Optimistische visies: W E L I E T S T E W E N S E N
ARISTOTELES: een goede of rechtvaardige samenleving is mogelijk, als ze
wordt ingericht in overeenstemming met de natuurlijke orde der dingen
ROUSSEAU: een goede of rechtvaardige samenleving is mogelijk, als ze op
eerlijke en redelijke afspraken gebaseerd wordt
Hobbes: natuurtoestand: schaarste + mensbeeld: zelfbehoud +
rationaliteit van de mens
-> samenwerking door onderling regels en afspraken te maken, is geen
oplossing
-> oorlog van allen tegen allen (lange termijn: zelfvernietiging)
-> absolute staat
Absolute staat
volledige onderwerping van alle individuen aan n vorst
macht van de vorst moet zo groot en sterk zijn dat niemand zich ertegen
3

durft te verzetten
vorst moet alles doen wat nodig is om de gemeenschap bij elkaar te
houden
vorst handelt in absolute vrijheid want staat zelf boven elke wet
Aristoteles
georganiseerd samenleven ligt in de aard van de mens
'de' ideale samenleving bestaat niet: altijd afhankelijk van lokale
omstandigheden
in een goede samenleving wordt geregeerd in het algemeen belang, niet
in het belang van de machthebbers: zo wordt het machtsevenwicht
gerespecteerd
Gemengde constitutie
ideale en toch realistische staatsvorm is mengvorm van oligarchie en
democratie:
- middenklasse neemt deel aan de macht
- respect voor privbezit en privsfeer
- streven naar beheersing van machtsprocessen
-> belangrijk uitgangpunt voor modern begrip van democratie

Rousseau
politiek is een kwestie van afspraken
mensen beschikken over de vrijheid om hun samenleving vorm te geven
zoals zij dat willen (contracttheorie)
een goede samenleving is gebaseerd op eerlijke en redelijke afspraken
WIL VAN ALLEN optelsom van alle individuele belangen
ALGEMENE WIL uitdrukking van het algemeen belang
RECHTVAARDIGHEID

betreft de rechten en goederen die we elkaar toestaan te hebben (wat het


inhoudt)
betreft de manieren waarop we aan die rechten en goederen komen (hoe
het gebeurt)
SOCIALE RECHTVAARDIGHEID

de rechtvaardigheid die heerst in een rechtvaardige samenleving


betreft de rechtvaardige verdeling van rechten en goederen in een
samenleving
rechten: fundamentele rechten en vrijheden & burgerrechten
goederen : alles wat we van de gemeenschap krijgen of daarin trachten
te verwerven

2 types van rechtvaardigheid


VERDELENDE RECHTVAARDIGHEID: betreft de rechtvaardige toewijzing

van rechten en goederen door de overheid


VEREFFENENDE RECHTVAARDIGHEID: betreft de rechtvaardige
verwerving van goederen door individuen * RUILENDE
RECHTVAARDIGHEID (eerlijkheid in de transacties tussen individuen)
*
STRAFFENDE RECHTVAARDIGHEID (correcte straf bij oneerlijke transacties)
Verdelende rechtvaardigheid: DRIE PRINCIPES
1. GELIJKHEID * alles gelijk verdelen
* iedereen heeft gelijke
aanspraak op collectieve bezit
2. BEHOEFTE * ongelijke verdeling in voordeel van behoeftigen * toewijzen
aan wie het nodig heeft
3. VERDIENSTE * ongelijke verdeling in voordeel van wie zich inzet *
toewijzen op basis van prestatie ('loon naar werken')
Liberale democratie
DEMOCRATIE

alle leden van de gemeenschap nemen deel aan de macht (via


vertegenwoordiging)
zelfbestuur door de gemeenschap in functie van het algemeen belang
LIBERAAL > LIBERALISME

bescherming van het individu door liberale


grondrechten ('minimale
staat')
beheersing van machtsprocessen door machtenscheiding ('trias politica')
-> we herkennen Aristoteles' streven naar machtsevenwicht

2 ideologische strekkingen
SOCIAAL LIBERALISME: sociale rechtvaardigheid moet door de overheid
geregeld worden
overheidsingrijpen + verzorgingsstaat
LIBERTARISME: sociale rechtvaardigheid moet aan het individuele initiatief
worden overgelaten
vrije markt + nachtwakersstaat
John Rawls: VERDEDIGER VAN SOCIAAL LIBERALISME
1. belang van liberale grondrechten
2. sociale rechtvaardigheid = verdelende rechtvaardigheid
een rechtvaardige samenleving is het resultaat van actief
overheidsingrijpen (verzorgingsstaat)
herverdeling op basis van behoefte: onverdiende (natuurlijke)
ongelijkheid moet worden gecompenseerd
5

A theory of justice
OORSPRONKELIJKE POSITIE: mensen moeten overeenstemming bereiken

over de principes op basis waarvan de samenleving wordt ingericht


SLUIER VAN ONWETENDHEID: toestand van gelijkheid: geen kennis van
wat iemand individueel herkenbaar maakt omdat mensen niet weten op
welke positie in de maatschappij ze zullen terechtkomen, kiezen ze:
1. een zo groot mogelijke vrijheid (grondrechten)
2. die inrichting die het best uitwerkt voor degenen die het slechtst af
zouden zijn (maximin principe)
2 rechtvaardigingsprincipes
1. Maximale vrijheid voor iedereen, voor zover dat verenigbaar is met een
gelijke vrijheid van ieder ander;
2. Sociaal-economische ongelijkheid is slechts toegestaan indien
a. ongelijke verdeling in het voordeel van de minst bedeelden
uitwerkt en
b. alle maatschappelijke posities op een eerlijke wijze voor iedereen
openstaan.
Robert Nozick: VERDEDIGER VAN LIBERTARISME
1. liberale grondrechten zijn onschendbaar
2. sociale rechtvaardigheid = vereffenende rechtvaardigheid
een rechtvaardige samenleving is het resultaat van vrijemarktwerking en
een minimale staat die alleen de individuele rechten garandeert (gn
verzorgingsstaat)
sociaal-economische ongelijkheid behoort tot een rechtvaardige
samenleving
Anarchy, state and utopia
ONSCHENDBAARHEID GRONDRECHTEN: Onschendbaarheid geldt ook voor

recht op privbezit
een overheid mag burgers niet van hun goederen beroven om die naar
eigen inzicht te herverdelen
GERECHTVAARDIGDE ONGELIJKHEID: Sociaal-economische ongelijkheid is
gerechtvaardigd als ze het gevolg is van verdienste
gebruik willen maken van een talent is een vrije keuze
wie zijn talent gebruikt, verdient daarvoor beloond te worden (anders
ontmoedig je het individuele initiatief)

Identiteit en cultuur
Reactie tegen de verlichting
Verlichting
Rationaliteit
beheersing

Romantiek
Gevoel, intutie
betrokkenheid
6

exacte kennis
schoonheid
mechanische natuuropvatting (dode organische natuuropvatting
materie + wetmatigheden)
(levende natuur + ontwikkeling)
natuurwetenschap
geschiedenis
Mensheidsgeschiedenis
HERDER (1744-1803): Ideen zur Philosophie der Geschichte der
Menschheit (1791)
- de geschiedenis als een organisch ontwikkelingsproces van de mensheid
als geheel
- een keten van met elkaar verbonden culturen
- ieder volk heeft zijn eigen historisch hoogtepunt
- permanent streven naar evenwicht
- schoksgewijze vooruitgang in de richting van meer redelijkheid,
humaniteit en beschaving
Nationale cultuur
SPANNING IN HERDERS CULTUURBEGRIP

NATIONALISTISCH IDEAAL (eigen aard en historische bestemming


afzonderlijke volkeren)
KLASSIEK VERLICHTINGSIDEAAL (universeel menselijk
beschavingsproces geleid dr rede)
VERHARDING VAN HET CULTUURBEGRIP

CULTUUR = het unieke karakter van de eigen natie


bevordert de rivaliteit tussen verschillende naties
Geschiedenis als klassenstrijd
MARX (1818-1883) en ENGELS (1820-1895):
- de geschiedenis van de mensheid is n lange strijd tussen verschillende
maatschappelijke klassen
- inzet van deze strijd is een materile aangelegenheid, namelijk de
controle over de producten en vermogens van menselijke arbeid
- dialectische ontwikkeling in de richting van een klassenloze samenleving
Dialectische ontwikkeling (Hegel, Marx & Engels) staat tegenover lineaire
ontwikkeling (Comte, Weber): een ontwikkeling die zich doorheen heftige
conflicten en fundamentele tegenstellingen beweegt (en aan het conflict
haar dynamiek dankt)
Dominante culturele tegenstelling
Bourgeousie
Burgerlijk-industrile klasse
Bezittende klasse
Gecultiveerd

Proletariaat
Arbeidersklasse
Bezitsloze klasse:
geen eigendom
7

Controle over de productiemiddelen


Eigent zich de meerwaarde toe die
arbeidskracht schept

Ongeletterd
Geen beschikking over
productiemiddelen
Moet arbeidskracht verkopen om te
overleven

Burgerlijke cultuur = DOMINANTE CULTUUR 19e & 20e EEUW


- dagbladpers: kennis verspreiden onder een breed geletterd publiek
- actieve deelname aan het publieke debat
- burgerlijke instituten: universiteiten, musea, theaters,
- actieve deelname aan artistieke praktijken
POLITISERING VAN HET CULTUURBEGRIP

CULTUUR = uitdrukking, legitimering en verhulling van feitelijk bestaande


machtsverhoudingen cultuur wordt een strijdperk
De moderne stad
BAUDELAIRE (1821-1867)

Moderne stad als laboratorium: niet alleen moderne kunstenaars


beschouwen het moderne leven als een artistiek experiment, en richten zo
hun eigen bestaan in; neen => veel ruimer: het is de stedelijke conditie
zelf die voortdurend zichzelf herdenkt en op zoek gaat naar vernieuwing
en verandering. De moderne stad zlf is het laboratorium waarin wordt
uitgetest welke nieuwe ideen, praktijken en instellingen werken, en welke
niet.
Moderne cultuur = CULTUUR VAN DE MODERNE STAD
- industrialisatie en verstedelijking
- dynamiek, verandering en
vernieuwing
- anonimiteit en onvoorspelbaarheid
MAAKBAARHEID: CULTUUR = iets dat gemaakt wordt en voortdurend aan
verandering onderhevig is niets ligt vast: connotatie van iets dat breekt
met elke natuurlijke, vooraf
Kritiek op de moderne cultuur: NIETZSCHE (1844-1900)
- een geschiedenis van cultureel verval
- ondergang van een aristocratische cultuur, gebaseerd op wilskracht en
strijdbaarheid
- opkomst van een cultuur van verzwakking en vervlakking
(slavenmoraal van de christelijke en democratische cultuur)

Een fundamentele oppositie: FERDINAND TNNIES (1855-1936)


Gemeinschaft
Gesellschaft
traditie
moderniteit
wereld van het dorp
wereld van de stad
collectief
individu
geborgenheid
ontheemding
identiteit
anonimiteit
ambacht
industrie
Terugblik
Ontwikkeling van eind achttiende eeuw tot tweede helft negentiende
eeuw:
1. cultuur wordt begrepen als vitaal onderdeel van de
mensheidsgeschiedenis => cultuur = nationale cultuur
2. cultuur wordt begrepen vanuit de klassenstrijd => heersende cultuur =
burgerlijke cultuur,
3. cultuur wordt begrepen vanuit het leven in de moderne stad => cultuur
= moderniteit
Verklaren en interpreteren: Massacultuur
NATUURWETENSCHAPPEN: - studie van de natuur als een levenloos
terrein
- verklaren van processen door het zoeken van hun oorzaken
GEESTESWETENSCHAPPEN: - studie van vrije levende wezens
- interpreteren van menselijk gedrag en culturele
producten door hun
betekenis te duiden
Massacultuur: Een normatieve kwestie
DEBAT OVER MASSACULTUUR: twee cruciale vragen:
1. Wie maakt de cultuur? de elite, het volk of de massa?
2. Welke media achten we legitiem om cultuur te produceren? behoren
de nieuwe media van film en fotografie tot het domein van de cultuur?
Hoge en lage cultuur
DE ELITE MAAKT CULTUUR: - het beschavingsproces is het werk van een

kleine maatschappelijke bovenlaag


- beschavingsoffensief:
volksopvoeding
HET VOLK MAAKT CULTUUR: - erkenning van een volkscultuur door
nieuwe wetenschappen zoals sociologie en antropologie onderscheiden van, maar ook minder waardevol dan de officile cultuur
Massacultuur
DE MASSA: EEN MODERN FENOMEEN!

VOLK: een collectieve eenheid


MASSA: de ongeordende menigte van gesoleerde individuen
9

DE MASSA MAAKT CULTUUR?

beschavingsoffensief actievere participatie van de massa aan cultuur en


politiek teloorgang van de beschaving en terugval in de barbarij
cultuurindustrie cultuur voor de massa
Teloorgang van de beschaving
ORTEGA Y GASSET: - massa krijgt vruchten van de vooruitgang in de
schoot geworpen
geestelijke gemakzucht
verlies van historisch besef
- noodzaak van een geestelijke aristocratie
Terugval in de barbarij
HANNAH ARENDT: - vatbaarheid van de massamens voor een
allesomvattend ideaal
- totalitarisme: de politieke kracht van de nieuwe massabewegingen
- banaliteit van het kwaad ook van toepassing op moderne democratie!
Cultuurindustrie
THEODOR ADORNO: - moderne, kapitalistische cultuur wordt

gemonopoliseerd door een cultuurindustrie


- cultuur: een product op
de markt economisch nut amusement
- kritische functie van de kunstenaar (avant-gardisme): radicale afwijzing
van het bestaande
Een normatieve kwestie: DEBAT OVER MASSACULTUUR
twee cruciale vragen: 1. Wie maakt de cultuur? de elite, het volk of de
massa?
2. Welke media achten we legitiem om cultuur te produceren?
De waarde van nieuwe media: WALTER BENJAMIN
- het traditionele kunstwerk: veraf en uniek bijzonder aura
- het moderne kunstwerk: dichtbij en niet uniek (reproduceerbaarheid)
- massacultuur is niet te beoordelen in termen van de oude burgerlijke
cultuur
Cultuur en sociale identiteit
Twee concepties van kunst
BURGERLIJKE OPVATTING VAN KUNST: - taak van de kunst: zuivere

schoonheid uitdrukken
- los van de alledaagse cultuur (transcendent schoonheidsideaal)
AVANT-GARDISME: - taak van de kunst: vernieuwing teweegbrengen
- onzichtbare schoonheid van de alledaagse cultuur aan het licht brengen
(immanent schoonheidsideaal)
Democratisering van de kunst
CULTUURPARTICIPATIE: - in een democratische samenleving is iedereen
10

consument n producent van kunst en cultuur


- nieuw ideaal: zelfstandige culturele activiteit van het gewone volk
(culturalistisch emancipatiestreven)
SUBCULTUREN: - besloten gemeenschappen van kunstenaars en andere
individuen die kiezen voor een marginaal bestaan
- vrijplaatsen voor
alternatief gedrag en experiment
- dragers van culturele verandering en vernieuwing
SUBCULTUREN MAKEN CULTUUR

- ongeordende massa maakt plaats voor een veelheid van subculturen


- subculturen als bron en drager van culturele transformatie einde van
een hirarchisch model van culturele ontwikkeling
- cultuur als een verzameling van subculturen, die elk uitdrukking geven
aan hun specifieke groepsidentiteit en daar politieke erkenning voor
vragen (politics of identities)

De opvoedbare mens
EMPIRISCHE ANTROPOLOGIE: (de mens als dier) feiten: empirisch-

wetenschappelijk onderzoek
WIJSGERIGE ANTROPOLOGIE: (de mens als mens) mensbeelden:

typeringen van het wezen van de mens


N CENTRALE INTERESSE: vraag naar het wezen van de mens

-> vraag naar het antropologisch verschil (verschil tussen mensen en


dieren)
wat is het wezenlijke kenmerk waarmee de mens zich van het
dier onderscheidt?
Bewustzijn en vrije wil
Zonder bwz: gaat volkomen op in de eigen bestaanswijze/ervaring: het is
wat het is
Met bwz: kan van de eigen bestaanswijze/ervaring afstand nemen om
erover na te denken
Wat is bewustzijn?
PERSPECTIEF VAN HET SUBJECT

verhouding tot de werkelijkheid voorwaarde om betekenis te geven


-> BEWUSTZIJN: binnenwereld die buitenwereld representeert
PROBLEMATISCH! we kunnen alleen maar van buitenaf naar andere
organismen kijken en dan zie je deze binnenwereld niet
solipsisme: alleen het eigen bewustzijn met inhouden bestaat, alles wat
er buiten ons is, is niets anders dan voorstellingen in ons eigenbewustzijn
other minds-vraagstuk: sceptische positie over de anname dat
organismen buiten mijzelf ook een bewustzijn hebben en omvat twijfel
over de gronden van die theorie
11

Wat is vrije wil?


VRIJE WIL = VRIJE KEUZE: er moeten alternatieven bestaan waaruit men

kan kiezen
spontaniteit
controle
PROBLEMATISCH! intelligent gedrag hogere zoogdieren

Zelfbewustzijn en zelfbepaling
Wat is zelfbewustzijn?

Stap 1 => stap 2: mogelijkheid (ik Kan op mezelf reflecteren) wordt


noodzakelijkheid (ik Moet op mezelf reflecteren, ik kan niet anders, dit is
de wezenlijke en noodzakelijke structuur van het bewustzijn)
Immanuel Kant (Kritik der reinen Vernunft): Het Ik denk moet elke
inhoud van mijn bewustzijn begeleiden KERN: Bij alles waarvan ik me
bewust kan zijn (deze aula, het weer buiten, de oorlog in Syri) ben ik me
altijd bewust van mezelf
Wat is zelfbepaling?
VERANTWOORDELIJKHEID vrije wil draait niet om vermogen om iets

anders te kunnen willen dan we feitelijk willen, maar om vermogen om


achter je eigen gedrag te kunnen staan
DE REFLEXIEVE STRUCTUUR VAN DE WIL

wilstoestanden van de eerste orde (wereld)


wilstoestanden van de tweede orde (eigen wil)
zelfbepaling dankzij hirarchische structuur!
Problematiek van vrije wil draait NIET om de vraag of we in een gegeven
situatie iets anders kunnen willen dan we feitelijk willen; de problematiek
draait om de vraag of we achter ons eigen gedrag kunnen staan (=>
verantwoordelijkheid)
Opvoedbaarheid
Antropologisch verschil: Geen uniek vermogen dat de mens
12

aangeboren is en
in zijn persoonlijke binnenwereld schuilt, maar een relationele eigenschap:
mens-zijn is een sociaal project
Nurture is our nature
Wat ons tot mens maakt, is de morele gemeenschap waarin we
opgenomen zijn:
mensen kunnen elkaar aanspreken op hun gedrag
mensen gaan ervan uit dat zon oproep ook zin heeft
mensen schrijven elkaar opvoedbaarheid toe:
het vermogen om te leren van de responsen van anderen op ons eigen
gedrag
het vermogen om ons gedrag af te stemmen op de verwachtingen van
onze omgeving

Het lichaam-geest probleem


IS ER EEN VERSCHIL TUSSEN LICHAAM EN GEEST?

kunnen mentale toestanden en processen volledig gereduceerd


worden tot neurofysiologische toestanden en processen in de
hersenen?
(2010) Wij zijn ons brein => we hebben geen brein, we zijn ons brein
De mechanisering van het mensbeeld
MODERNE WETENSCHAP: fysische werkelijkheid = botsende
materiedeeltjes die gehoorzamen aan onveranderlijke natuurwetten
-> de hele wereld wordt opgevat als een mechanisme
Volgende vraag: hoe is dit probleem ONTSTAAN? => het probleem
ontstaat pas na de Wetenschappelijke Revolutie van de moderne tijd =>
een probleem van de moderne tijd! (de TERM bewustzijn is een manier om
de eigenheid van de menselijke geest/ziel uit te drukken in de nieuwe
context van het gemechaniseerde wereldbeeld)
Substantiedualisme: DESCARTES
res extensa uitgebreide substantie = materie wetmatige
beweging volgens natuurwetten
res cogitans
denkende substantie = geest, bewustzijn, ziel
immaterieel: neemt geen ruimte in en is vrij
(wordt niet bepaald
door natuurwetten)
probleem: hoe kunnen twee substanties elkaar benvloeden?
Fysicalisme: LA METTRIE
alles is materie: er bestaat slechts n substantie: alles bestaat uit de
13

elementaire deeltjes beschreven door de fysica


probleem: hoe kan een verzameling of een systeem van elementaire
deeltjes denken of voelen? wat zijn geestelijke toestanden en
processen dan precies, als alles herleidbaar is tot materie?
Identiteitstheorie

Eliminatief materialisme

Analogie: vroeger verklaarden we ook alle natuurverschijnselen in termen


van goden, geesten en magische krachten; die termen zijn inmiddels uit
de natuurwetenschap verdwenen; hetzelfde zal gebeuren met spreken
over verwachtingen, wensen, bedoelingen, voornemens, overtuigingen
etc.
Token-identiteit

een gelijkstelling van meerdere mogelijke neurofysiologische toestanden


aan n welbepaalde mentale toestand

14

Functionalisme

Niet-reductionistische vorm van fysicalisme: een gedachte is wat dezelfde


functie vervult in het causale proces tussen oorzaak (stimulus, lichamelijke
prikkel) en gevolg (respons, lichamelijke reactie); hoe deze gedachte nu
precies gerealiseerd wordt op neurofysiologisch niveau maakt niet zoveel
uit, want ze is meervoudig realiseerbaar: weliswaar zijn er bepaalde
neurofysiologische toestanden vereist, maar het staat niet vast welke
toestanden dat precies zijn
Supervenintie: Mentale toestanden superveniren op fysische
toestanden, maar zijn er niet toe te herleiden.

Geest, computer, hersenen


DE COMPUTER ALS EXISTENTIEBEWIJS: puur fysische systemen kunnen

van alles waar wij intelligentie voor nodig hebben


kritiek
de architectuur van computers lijkt helemaal niet
zoveel op de bouw van onze hersenen de werking van hersenen is
niet alleen elektrisch: ook chemische processen spelen een rol -> nieuwe
stroming: onderzoek met neurale netwerken
Hersenonderzoek
Neuronen hersencellen die uitbarstingen van elektriciteit kunnen
voortbrengen
deze uitbarsting kan worden doorgegeven via verbinding met andere
hersencellen
het neurale netwerk van onze hersenen maakt mentale functies
mogelijk
A-bewustzijn en P-bewustzijn
ACCESS CONSCIOUSNESS (A-bewustzijn)
mentale inhouden die een cognitieve functie hebben
we hebben er toegang toe: we kunnen navertellen wat het is, we
kunnen er adequaat naar handelen
PHENOMENAL CONSCIOUSNESS (P-bewustzijn)
bewustzijn als de onmiddellijke subjectieve ervaring hoe iets is, hoe iets
voelt, what it is like
niet te definiren in functionele termen
15

Twee problemen met P-bewustzijn


WAAROM BESTAAT P-BEWUSTZIJN?

in de werking van de hersenen lijkt geen enkele rol te zijn weggelegd


voor het P-bewustzijn het is niet functioneel te definiren en lijkt ook
niet ruimtelijk te zijn
EERSTE-PERSOONSPERSPECTIEF

wetenschap opereert vanuit een objectief, derde-persoonsperspectief


wetenschap lijkt precies toegesneden op het verklaren van
werkelijkheid-minus-bewustzijn
Conclusie: het bewustzijn verklaard?
belang van hersenonderzoek n artificile intelligentie kan niet
geloochend worden
er blijven vragen waarop de wetenschap geen
antwoord heeft

Over de aard en grenzen van onze kennis


Rationalisme: de rede is de bron van alle kennis
wiskunde als model:
axiomas
deductief redeneren
absoluut zekere kennis:
stellingen die onbetwijfelbaar en
noodzakelijk waar zijn
fundament van alle overige kennis
Cogito ergo sum: METHODISCHE TWIJFEL
droomargument: je kan nooit met absolute zekerheid een droom van
een waaktoestand zal kunnen onderscheiden -> als een mens niet met
zekerheid kan vaststellen of hij droomt of waakt, kan hij nooit zeker weten
of de objecten die hij waarneemt werkelijk bestaan of dat zij slechts
gedroomd zijn
kwade demon: het is logisch mogelijk dat er een kwade demon bestaat
die ons ten onrechte zou kunnen laten geloven dat de axioma's waar zijn
ik kan aan alles twijfelen, behalve aan het feit dat ik twijfel ik besta
als denkend subject

16

CIRCULAIR GODSBEWIJS

God bestaat want ik heb in mijn geest helder en onderscheiden idee van
God (de idee van perfectie) dat is aangeboren en dus ingepland door God
Empirisme: de zintuiglijke ervaring is de bron van alle kennis
gn aangeboren ideen
de geest is een wit papier dat door de ervaring met begrippen wordt
beschreven
Hume Consequent doordacht empirisme = scepticisme
causaliteit
bestaan van de buitenwereld
Kants kentheorie Synthetische a priori kennis
a priori kennis: voorafgaand aan alle ervaring
a posteriori kennis: gebaseerd op de ervaring
analytische uitspraak: loutere begripsontleding (geen uitbreiding van de
kennis)
synthetische uitspraak: geen begripsontleding (wl uitbreiding van de
kennis)
IS SYNTHETISCHE A PRIORI KENNIS MOGELIJK?
POINTE: uit de ervaring kunnen we nooit kennis halen die algemeen en
noodzakelijk is (Hume heeft op dat punt gelijk)

Verzoening rationalisme en empirisme


Empirisme heeft gelijk: ervaring brengt ons in contact met de
verschijnselen
rationalisme heeft gelijk: begrippen stellen ons in staat om na te denken
over de verschijnselen
Eerste stap: samenwerking van de twee bronnen van de kennis
De copernicaanse revolutie
al onze theoretische kennis van de werkelijkheid stamt uit de ervaring
door de spontane activiteit van het denken worden de
ervaringsgegevens altijd al verwerkt en gestructureerd tot mogelijke
objecten van onze kennis
onze kennis richt zich niet naar ervaarbare objecten, maar de
objecten richten zich
naar onze kennis
17

Tweede stap: omkering van de verhouding tussen kennend subject en


gekende werkelijkheid: vraag is niet hoe wij de gestructureerde
werkelijkheid kennen, vraag is hoe de werkelijkheid door ons
gestructureerd wordt
Nu kunnen we begrijpen waarom synthetische a priori kennis mogelijk is:
er zijn vaste structuren in ons kenvermogen die de werkelijkheid
structureren en daardoor is het mogelijk dat we ook algemene en
noodzakelijke kennis verwerven; de mogelijkheid van bepaalde
wetenschappen berust dus niet op objectieve structuren in de
werkelijkheid, maar op de subjectieve principes waarmee wij de
werkelijkheid structureren.
Grenzen aan kennis
menselijke kennis kan de grenzen van de zintuiglijke ervaring
niet overschrijden
we kunnen alleen kennis verwerven van de dingen zoals die zich aan
ons voordoen (de phenomena / Ding fr sich)
de dingen zoals zij in zichzelf zijn (de noumena / Ding an sich) kunnen
we niet kennen
KRITIEK: verdubbeling van het oorspronkelijke probleem
Epistemologie vandaag: Afbraak van de oude pretenties
MODERNE KENNISIDEAAL WORDT ONTMANTELD

kennis als fundament? er is een vast fundament van de kennis


kennis als afbeelding? een uitspraak heeft pas betekenis omdat en in
zoverre hij standen van zaken in de werkelijkheid afbeeldt
Popper en Quine: "kennis heeft geen fundament"
van realisme (er bestaat een werkelijkheid onafhankelijk van het
menselijk bewustzijn) naar instrumentalisme (theorien en begrippen zijn
louter instrumenten)
het gaat er niet om of kennis onfeilbaar is, maar wat we ermee kunnen
doen

Over wetenschap en evolutie


Wetenschapsfilosofie
DESCRIPTIEVE TAAK: hoe komen wetenschappelijke theorien tot stand?
NORMATIEVE TAAK: wat is het kenmerk van goede wetenschap?
hoe moet wetenschap bedreven worden?
Analogie: niet onderzoeken hoe de kunstenaar te werk moet gaan om
goede kunst voort te brengen (om op basis daarvan vast te leggen wat
18

goede kunst is), maar de kunstwerken zelf beoordelen op basis van


duidelijk omschreven criteria om op die manier te bepalen wat goede
kunst is.
Wiener Kreis: Voornaamste leden van de Weense Kring: Carnap, Schlick,
Neurath
Ambitie: een criterium vinden om te oordelen of wetenschappelijke
uitspraken zinvol zijn of niet
Oostenrijkse wetenschappers
verspreiding van het nieuwe gedachtegoed over de hele wereld
Wat
is dit nieuwe gedachtegoed? Zeer strenge logische analyse om de
zinvolheid van wetenschappelijke uitspraken vast te stellen => Vandaar
de naam:
Logisch positivisme
invloed: Tractatus Logico-Philosophicus (1918) van Ludwig Wittgenstein
wetenschappelijke wereldopvatting: alle betekenisvolle uitspraken over
de wereld kunnen herleid worden tot allerelementairste empirische
uitspraken
wetenschappelijk reductionisme: fysica is de meest fundamentele
wetenschap waartoe alle overige wetenschappen op termijn gereduceerd
zullen kunnen worden
En originele en erg invloedrijke gedachte: in plaats van BEGRIPPEN terug
te voeren tot elementaire zintuiglijke indrukken (Locke) => UITSPRAKEN
over de wereld terugvoeren tot elementaire standen van zaken in de
werkelijkheid (zinnen zijn een afbeelding van een mogelijke stand van
zaken in de werkelijkheid)
Analytische en synthetische uitspraken
ANALYTISCHE UITSPRAKEN de waarheidswaarde kent men a priori (louter
door begripsontleding, alleen door redenering) het domein van logica en
wiskunde
SYNTHETISCHE UITSPRAKEN de waarheidswaarde kent men a posteriori
(alleen door de zintuigen te raadplegen en in de wereld na te gaan of iets
het geval is of niet)
het domein van de empirische wetenschappen
Ambitie logisch positivisme: grote schoonmaak houden in de wetenschap,
orde op zaken stellen + onderscheid maken tussen zinvolle en zinloze
synthetische uitspraken
Het verificatieprincipe
Een synthetische uitspraak is alleen dan zinvol wanneer zij in
beginsel empirisch geverifieerd kan worden de meeste
filosofische problemen zijn louter schijnproblemen, voortkomend uit een
19

verkeerd gebruik van de taal


de eigenlijke taak van de filosofie is verheldering en logische analyse
alle uitspraken die zich niet empirisch laten verifiren, zijn
zinloos
invloed Wittgenstein: De oplossing voor de meeste traditionele problemen
van de filosofie (ethische, metafysische, existentile kwesties) moet in de
taal worden gezocht (lingustische wending in de filosofie)
Ondergang van het logisch positivisme
het verificatieprincipe is een te strenge eis
* inductieprobleem (Hume): op basis van een eindig aantal geobserveerde
gevallen kunnen we nooit met zekerheid iets zeggen voer toekomstige
niet-geobserveerde gevallen
* algemene en noodzakelijke oordelen dreigen zinloze uitspraken te
worden (natuurwetten!)
* afzwakking tot confirmatieprincipe werkt niet, want dat is een te milde
eis
* confirmatieprincipe: een wetenschappelijke theorie moet op zijn minst
empirisch bevestigd kunnen worden
observatie van feiten is theoriegeladen
* er bestaan geen neutrale, objectieve feiten waaruit de wetenschap kan
worden opgebouwd
* observeren is het actief structureren van
zintuiglijke indrukken met
behulp van een vooraf gegeven theoretisch kader
Theoriegeladenheid: bemerk hier de invloed van Kant! In plaats van
universele structuren van het subject => algemeen gedeelde theorien,
referentiekaders
Darwin en de vinken van Galapagos
Pointe: het gaat niet om verschillen tussen afzonderlijke vinken: wat
Darwin zag waren verschillen tussen afzonderlijke SOORTEN vinken. Het
onderscheiden van soorten vooronderstelt altijd al een theoretisch,
conceptueel raamwerk. Theoriegeladenheid: het belang van de vragen
waarmee je rondloopt: doen je anders/scherper kijken naar de wereld
Karl Popper: Een nieuwe kijk op wetenschap
wetenschap begint niet met het verzamelen van objectieve feiten, maar
met problemen
in wetenschap gaat het niet om waarheid, maar om vooruitgang
het centrale probleem van de wetenschapsfilosofie is niet het
onderscheid tussen zinvolle en zinloze uitspraken, maar dat tussen
wetenschap en pseudo-wetenschap
Problemen => voorlopige oplossingen = hypothesen => trial & error:
steeds betere hypothesen (gissingen en weerleggingen)
20

Vooruitgang => wetenschap is dynamisch proces dat steeds nauwkeuriger


theorien oplevert
De psychoanalyse van Freud
We kunnen de uitspraken van de psychoanalyse niet zomaar als zinloos of
betekenisloos aan de kant schuiven. Voor de wetenschappelijke theorie
die Freud uitwerkt in zijn Droomduiding, vinden we namelijk overtuigend
empirisch bewijsmateriaal om de theorie te onderbouwen. Voor Popper ligt
het probleem dan ook niet in de zinloosheid van de uitspraak, maar in het
feit dat ze zo geformuleerd is dat Freud er altijd, wat je ook aanbrengt, een
empirische onderbouwing aan kan geven.
Het falsificatieprincipe: Een theorie is wetenschappelijk wanneer zij
falsifieerbaar is
FALSIFIEERBAARHEID er moet een principile mogelijkheid bestaan om de
theorie te weerleggen, om er fouten in op te sporen
GEEN SIMPELE OMKERING VERIFICATIEPRINCIPE!
grote verdienste van Popper = oplossing voor het inductieprobleem: of een
theorie waar is, kunnen we nooit nagaan, wel dat ze onwaar is
(asymmetrie)
Vooruitgang door weerlegging
Wetenschap gaat vooruit door stap voor stap de fouten in onze
kennis te elimineren
GOEDE WETENSCHAP: gewaagde voorspellingen doen die een zo groot
mogelijk informatiegehalte bezitten
PROBLEMEN MET DEZE OPVATTING:
1. empirisch succes in de wetenschap wordt strikt genomen irrelevant:
maar dat staat haaks op hoe wetenschap werkelijk bedreven wordt!
2. hoe zwaar weegt n tegenvoorbeeld?
Thomas Kuhn: Hoe komt wetenschap tot stand?
tegen het naeve empirisme van Popper en het logisch positivisme
wetenschap begint niet met feiten of problemen: daarover kan pas
gesproken worden als wetenschappers over een gemeenschappelijk
denkkader (= paradigma) beschikken
de centrale kwestie is niet wat ware wetenschap zou moeten zijn, maar
hoe wetenschap feitelijk bedreven wordt
Het paradigma bepaalt de feiten Empirische verschijnselen spreken
niet voor zich, maar krijgen pas vorm binnen een vooraf gegeven
conceptueel denkkader (paradigma)
er bestaat geen objectieve, kenbare werkelijkheid, want het paradigma
bepaalt wat de relevante feiten en problemen zijn

21

de enige kenbare wereld is de wereld zoals die zich aan ons voordoet
binnen een gegeven paradigma
Kantiaanse opvatting! Vergelijk met de kennistheorie van Kant.
Paradigmawisseling Wetenschap kent geen continue groei en
vooruitgang, maar verandert schoksgewijs door een radicale
wisseling van paradigma
de illusie van wetenschappelijke vooruitgang wordt gecreerd doordat
de breuken en revoluties binnen een discipline onderbelicht blijven of
verzwegen worden
de werkelijk doorslaggevende veranderingen in een wetenschappelijke
discipline worden veroorzaakt door wetenschappelijke revoluties

Het klassieke secularisatieparadigma: Naarmate een samenleving


moderner wordt, neemt de betekenis van religie in die
samenleving af.
het opgeven van de klassieke secularisatiethese is een typisch
Kuhniaanse paradigmawisseling
Fasen van wetenschappelijk onderzoek
Wetenschappelijk onderzoek in een discipline doorloopt drie
verschillende fasen:
1. voorwetenschappelijke periode
* verwarring: zoektocht naar paradigma
2. periode van normale wetenschap
* onvoorwaardelijk vertrouwen in het paradigma
* conservatief (wetenschap is invulwerk) en dogmatisch
(tegenvoorbeelden zijn anomalien)
3. periode van abnormale wetenschap
* crisis: grondslagen van paradigma staan ter discussie
* ofwel een oplossing, ofwel een nieuw paradigma
Conservatief: merk verschil met Popper, die creativiteit van de
wetenschapper beklemtoont
Bij Kuhn: braaf kleuren binnen de lijntjes van het paradigma
Een wetenschappelijke revolutie
de overgang van het ene naar het andere paradigma gebeurt niet op
logische of rationele gronden: het zijn sociologische en psychologische
factoren die de doorslag geven
geen geleidelijke overgang, maar een plotse en radicale omwenteling
(Gestalt-switch)
verschillende paradigmas zijn incommensurabel: over waarheid en
22

wetenschappelijke vooruitgang kan men slechts spreken binnen een


bepaald paradigma
* Gestalt-switch: ambigue afbeeldingen zoals de 'duck-rabbit' -> waar de
wetenschappers voor de paradigmawisseling een eend zagen, zien zij na
de revolutie plots een konijn
Wetenschappelijke vooruitgang? Is de evolutietheorie van Darwin een
vooruitgang ten opzichte van het oudere paradigma van het
creationisme in de biologie?
Argument from Design => elk complex ontwerp (denk aan hoog
ontwikkelde organismen of complexe organen zoals het oog bijvoorbeeld)
vooronderstelt een intelligente maker
Darwin => verklaring zonder opperwezen (goddelijke ontwerper), zonder
bovennatuurlijke oorzaken
Kuhn: we kunnen niet beweren dat wij, die de werkelijkheid bekijken door
de bril van Darwins evolutietheorie, een betere of meer waarachtige
verklaring voor de werkelijkheid hebben dan mensen die in het verleden
door de bril van het creationistische paradigma keken

Taal en werkelijkheid
Betekenistheorie: Locke
BETEKENIS VAN WOORDEN: woorden staan voor ideen in het hoofd
van de spreker
Problemen met de theorie van Locke
1. als iedereen zijn eigen taal spreekt, wordt communicatie onmogelijk
een goede betekenistheorie moet verklaren hoe een
gemeenschappelijk begrip van de gebruikte termen mogelijk is
2. de betekenis van woorden heeft iets te maken met hoe we woorden
behoren te gebruiken
betekenis is normatief
De naeve betekenistheorie: Drie stellingen:
1. de betekenis van een naam is het object waar die naam voor staat
2. de betekenis van een eigenschapswoord is de eigenschap waar dat
woord voor staat
3. de betekenis van een zin is de stand van zaken die de zin beschrijft
Aantrekkelijkheid van de theorie
de theorie verklaart waarom we met elkaar kunnen communiceren: het
object in de werkelijkheid garandeert een gemeenschappelijk begrip
want het vereist dat we het over net hetzelfde hebben
de theorie doet recht aan de normativiteit van betekenis: betekenis is
23

geen vrijblijvende, subjectieve invulling want het object legt de betekenis


vast
Bovendien: eenvoud en herkenbaarheid. De theorie is eenvoudig en komt
tegemoet aan evidente intuties over betekenis.
De naeve betekenistheorie ondermijnd
DE BETEKENIS VAN NAMEN: Vier problemen waarvoor de naeve
betekenistheorie geen oplossing vindt
1) informativiteit van identiteitsuitspraken
vb: "De ochtendster is de avondster" -> de identiteitsuitspraak levert even
veel nieuwe informatie op als "De ochtendster is de ochtendster"
2) synoniemen in intensionele contexten
vb: "Trotski was de architect van het Rode Leger" = "Bronstein was de
architect van het Rode Leger" MAAR "Henk Sneevliet gelooft dat Trotski de
architect was van het Rode Leger" = "Henk Sneevliet gelooft dat Bronstein
de architect was van het Rode Leger" WANT het kan zijn dat H.S. niet weet
dat Trotski = Bronstein -> 2de zin is onwaar
3) fictieve uitspraken
vb: "Odysseus ging slapend in Ithaca aan wal" -> zin zou geen betekenis
hebben omdat Odysseus niet bestaat
4) negatieve existentile uitspraken
vb: "Odysseus bestaat niet" -> zouden we niet kunnen begrijpen want
zodra iemand sterft verliest zijn naam alle betekenis
Vereisten aan goede betekenistheorie
1) verklaren hoe een gemeenschappelijk begrip mogelijk is
2) recht doen aan de normativiteit van betekenis
3) aantonen dat betekenis van woorden meer inhoudt dan het staan voor
objecten (of eigenschappen)
betekenistheorie van Frege, die onderscheid maakt tussen twee soorten
betekenis: woorden hebben zowel een Bedeutung (verwijzing naar object)
als een Sinn (presentatiewijze)
Beroemd voorbeeld van Frege: de morgenster is een planeet en de
avondster is een planeet. De Bedeutung van beide namen morgenster
en avondster is dezelfde, namelijk de verwijzing naar de planeet Venus.
Maar de Sinn van beide namen, de presentatiewijze, verschilt: de
specifieke manier waarop het object gepresenteerd wordt, namelijk als een
ster die s ochtends respectievelijk s avonds aan de hemel verschijnt,
verschilt fundamenteel. De identiteitsuitspraak is bijgevolg informatief
want hij leert dat twee namen die een verschillende Sinn hebben, dezelfde
Bedeutung hebben (met andere woorden, naar hetzelfde object verwijzen).
Dat is iets anders dan een tautologie (vb. de ochtendster is de
24

ochtendster) waarin een naam met n specifieke Sinn en n


Bedeutung aan zichzelf gelijk gesteld wordt.
Wittgenstein: Dubbele bijdrage aan de taalfilosofie
TWEE INVLOEDRIJKE THEORIEN
1. Tractatus Logico-Philosophicus (1921/22) afbeeldingstheorie van de
taal
2. Filosofische Onderzoekingen (1953) theorie van de taalspelen
Wittgensteins tractatus

ORIGINELE INVALSHOEK : Niet de afzonderlijke woorden en de objecten,


maar zinnen en feiten leggen het verband tussen taal en werkelijkheid.

Afbeeldingstheorie van de propositie: Taal als afbeelding van de


werkelijkheid
Een zin begrijpen is weten wat het geval is, als hij waar is
de wereld is het geheel van feiten, niet van dingen
zinnen (proposities) ontlenen hun betekenisvolheid aan het feit dat ze
een mogelijke stand van zaken afbeelden
de logische structuur van zinnen over de werkelijkheid is isomorf met de
logische structuur van de standen van zaken die door deze zinnen
beschreven worden
Isomorfie (gelijkvormigheid) van de logische structuur: de taal is terug te
voeren tot elementaire zinnen, die corresponderen met elementaire
standen van zaken in de werkelijkheid
De grenzen van de wereld: Interne relatie tussen taal en
werkelijkheid
De grenzen van mijn taal zijn de grenzen van mijn wereld
25

we kunnen niet buiten de taal gaan staan om na te gaan wat de relatie is


tussen een zin en een stand van zaken
onze enige toegang tot een feit is de beschrijving ervan in een zin
Consequenties van deze opvatting: Zinvolle en zinloze uitspraken
Waar men niet over spreken kan, daarover moet men zwijgen
de taal kan alleen maar uitdrukken wat in de wereld is
verregaande consequenties voor logica, ethiek en filosofie: de meeste
uitspraken zijn hier, strikt genomen, betekenisloos
geldt ook voor de stellingen van de Tractatus zelf!
Filosofische onderzoekingen: Wittgensteins terugkeer naar de
filosofie
Alle verklaringen moeten weg, en daar moeten alleen beschrijvingen voor
in de plaats komen
het uitgangspunt is niet gewijzigd: filosofie moet
ons bevrijden van de problemen die ontstaan door het misbruik van de
taal
nieuwe benadering: kennis van betekenis kan niet voortkomen uit kennis
van verwijzing
Kennis van betekenis wordt niet ontleend aan kennis van de
verwijzingsrelatie tussen enerzijds woorden en anderzijds dingen in de
werkelijkheid, maar aan kennis van de regels voor de verschillende
taalspelen die gespeeld worden.
ORIGINELE INVALSHOEK: Een afbeeldingstheorie van de taal gaat voorbij
aan het feit dat mensen dingen doen met taal.

Taalspelen: Taal is geen abstract systeem


Je een taal voorstellen houdt in, dat je je een levensvorm voorstelt
taal hoort bij het leven: woorden hebben alleen betekenis in de context
waarin ze thuishoren
taal heeft vele functies: het specifieke
taalspel bepaalt de betekenis van de woorden die we gebruiken

filosofische problemen ontstaan wanneer woorden uit hun natuurlijke


taalspel worden gelicht
belang van de dagelijkse omgangstaal!
Meaning is use: Een nieuwe betekenistheorie?
Het spel van het twijfelen vooronderstelt al de zekerheid
betekenis wordt bepaald door de regels voor het gebruik van woorden
het begrijpen van een taal komt neer op het kennen van de regels van
26

de verschillende taalspelen
lingustisch idealisme: met andere taalregels zouden we anders over
de werkelijkheid praten

Redeneren en argumenteren
Meningsverschillen
Argumentatieleer werkt met proposities (geuite meningen)
GESCHIL = GEUIT MENINGSVERSCHIL
Zuivere twijfel
Het geschil berust op zuivere twijfel: er wordt slechts n standpunt
ingenomen, waarbij de andere gesprekspartner alleen laat merken dat
standpunt (nog) niet te delen
Tegengesteld standpunt
Het geschil berust op twijfel met een tegengesteld standpunt: de twee
proposities kunnen niet allebei waar zijn n kunnen niet allebei onwaar
zijn. Met andere woorden: een geschil waarbij noodzakelijk de ene
gesprekspartner gelijk heeft en de andere ongelijk
Contrair standpunt
Het geschil berust op twijfel met een contrair standpunt: de twee
proposities kunnen niet allebei waar zijn maar ze kunnen wel allebei
onwaar zijn. Met andere woorden: een geschil waarbij de twee
gesprekspartners allebei ongelijk kunnen hebben!
Niet-strijdig standpunt
Het geschil berust op twijfel met een niet-strijdig standpunt: de twee
proposities kunnen allebei waar zijn n kunnen allebei onwaar zijn. Met
andere woorden: een geschil waarbij de twee gesprekspartners allebei
gelijk kunnen hebben!
Kritische discussie
Kritische discussie: een discussie waarin iedere gesprekspartner de ander
probeert over te halen tot de eigen positie door uitsluitend gebruik te
maken van redelijke discussiezetten
OPLOSSING VAN HET GESCHIL = DOOR REDELIJKE DISCUSSIE TOT
OVEREENSTEMMING KOMEN

Discussiezetten
Een kritische discussie een discussie met de bedoeling een geschil op te
lossen bestaat uit redelijke discussiezetten. Dat zijn bijdragen aan
een discussie waarbij de elementaire discussieregels gerespecteerd
worden. Onredelijke discussiezetten of drogredenen zijn bijdragen
waarbij de elementaire discussieregels overtreden worden. Zij
belemmeren de voortgang van de kritische discussie.
27

Onredelijke discussiezetten
Drogreden ONTDUIKEN VAN DE BEWIJSLAST
Drogreden VERSCHUIVEN VAN DE BEWIJSLAST
Drogreden STANDPUNT VERKEERD VOORSTELLEN
Een bijzonder geval hiervan: een karikatuur maken van het standpunt,
zodat het gemakkelijker te weerleggen valt (stroman-drogreden)
Drogreden ANDER STANDPUNT AANVALLEN
Twee discussieregels
VERDEDIGINGSPLICHTREGEL: Als je een standpunt naar voren brengt,

ben je verplicht het te verdedigen.


bewijslast niet verschuiven

bewijslast niet ontduiken

STANDPUNTSREGEL

Als je een standpunt aanvalt, moet je ingaan op wat werkelijk


naar voren werd gebracht.
standpunt niet verkeerd voorstellen
geen ander standpunt
aanvallen
Geldige discussiezetten
een argument ARGUMENTEN GEVEN
een kritiek HOUDBAARHEIDKRITIEK (is het argument geldig?)
een kritiek BEWIJSKRACHTKRITIEK (ondersteunt het argument het
standpunt?)
een kritiek ACTIEVE KRITIEK (kritiek die tegenargument bevat)
Argumentatiestappen
Geldige argumentatiestappen
DEDUCTIEF GELDIGE ARGUMENTATIE
INDUCTIEVE ARGUMENTATIE
(waarschijnlijk?)
CAUSALE ARGUMENTATIE
AB
AUTORITEITSARGUMENT
(gezaghebbend?)
ANALOGIE-ARGUMENTATIE
AB

AB logische conclusie (correct?)


AB veralgemening
oorzaak en gevolg (betrouwbaar?)
AB bevestiging
vergelijking (vergelijkbaar?)

Ongeldige argumentatiestappen
CIRKELREDENERING
uitgangspunt vooronderstelt
hoofdstandpunt
CIRKELREDENERING VAN DESCARTES: helder en onderscheiden idee van
God => God bestaat; God bestaat => alle heldere en onderscheiden
ideen zijn betrouwbaar
We veronderstellen het bewijs reeds (uitgangspunt) in datgene wat we nog
moeten aantonen (hoofdstandpunt)

28

STROPREDENERING
vereenvoudigd uitgangspunt
redenering met stroman-drogreden
ARGUMENTUM AD HOMINEM
op de persoon, niet op de zaak
bijzonder geval: tu quoque argument
ARGUMENTUM AD POPULUM
gericht op de emoties van het
publiek
Praktische lessen
het is goed mogelijk dat beiden ongelijk hebben (contrair)
het is goed mogelijk dat beiden gelijk hebben (niet-strijdig)
ondersteun je standpunt met argumenten (verdedigingsplichtregel)
luister naar de ander en knoop aan bij wat gezegd is (standpuntsregel)
je kan een gegeven argument in vraag stellen (houdbaarheidskritiek)
onderzoek of de gegeven argumentatiestappen geldig zijn
onderzoek in welke mate de geldige argumentatiestappen het
hoofdstandpunt ondersteunen

29