Sie sind auf Seite 1von 7

Lesvoorbereidingsformulier Fontys Hogeschool Kind en Educatie, Pabo Eindhoven

Bron: Didactisch model van Gelder

Student(e) Lisa Bos Mentor K. van L.


Klas PEH16VD Datum 28-03-2017
Stageschool De S. Groep 1/2
Plaats Eindhoven Aantal lln 27
Vak- vormingsgebied: Taal
Speelwerkthema / onderwerp: spelling/ taalbeschouwing

Persoonlijk leerdoel: Ik wil een taalkring geven die is aangepast aan de belevingswereld van de kinderen. Dit wil ik doen door een powerpoint te maken met
afbeeldingen en door de leerlingen ook zelf dingen te laten doen.

Lesdoel(en): Productdoel: Evaluatie van lesdoelen:


Aan het einde van de les kunnen de kinderen Productdoel
- vertellen wat een zin is en de zinnen opdelen in woorden en Door de kinderen nogmaals een aantal zinnen te laten ontleden, kan ik zien of de
herkennen hoeveel woorden er in een zin staan. kinderen weten wat woorden zijn. Hierna laat ik de kinderen benoemen waar een zin uit
- De kinderen kunnen een korte zin langer maken door er meer bestaat, zo kan ik zien of de kinderen weten wat een zin is. Ik vraag hen wat ze nodig
woorden aan vast te plakken. hebben om een zin te maken, maar ook hoe ze een zin moeten lezen. Ik laat de
- De kinderen leren zelf een kloppende zin maken. leerlingen de woorden aanwijzen en hoe zij een zin moeten lezen. Als laatste oefening
- De kinderen leren tweelettergrepige woorden herkennen. Ze horen laat de ik leerlingen zelf een lange zin bedenken. Hierna tellen de kinderen hoeveel
en zien dat dit n woord is, ondanks de meerdere klanken. woorden ze hebben gehoord. Ik laat een leerling naar het bord komen om de woorden
aan te wijzen terwijl de klas nogmaals meetelt (ik heb de zin dan op het bord ingetypt).
Kerndoel 11:
Het ontwikkelen van het fonologisch bewustzijn. Procesdoel
- Zinnen opdelen in woorden. Door de kinderen aan het eind van de les een zin te laten maken kan ik zien of zij samen
- Opdelen van samengestelde woorden in afzonderlijke een kloppende zin kunnen maken. Dit doe ik door de zin meerdere keren langer te
componenten maken. Kind A maakt van Jan gaat.: Jan gaat naar school. Kind B maakt van Jan gaat
- Opdelen van woorden in klankgroepen naar school. : Jan gaat naar school met de fiets.

(Tule.SLO, 2017)

Procesdoelen
De kinderen leren om samen een goede zin te maken die klopt.
Beginsituatie: Vakspecifiek
De kinderen van groep 1 zijn bezig met het herkennen van woorden. Het herkennen van het eerste woord van de zin. De kinderen kunnen aangeven wat een letter is.
De groep 2 kinderen zijn bezig met letters herkennen. Ze herkennen de opbouw van een zin en weten wat een woord is. Zij kunnen de kinderen van groep 1 hiermee
helpen. Zij weten enigszins nog niet wat het begrip zin inhoudt. Ze herkennen een zin echter wel als zij deze zien staan.

pedagogisch
Uit de typering blijkt dat de kinderen goed met elkaar kunnen omgaan, maar dat kiezen op basis van eigen voordeel. Er vallen een aantal kinderen buiten de groep. Zij
veroorzaken vaak ruzies en of problemen in de klas. Een aantal kinderen zijn sneller dan anderen en geven vaker antwoord op de vraag. Zij komen dan ook vaak aan
de beurt. De kinderen werken tijdens werklessen vaak samen in twee of viertallen. Een aantal kinderen zijn erg individueel. Ik maak de groepjes op basis van de kring.
Mijn mentor heeft voordat ze de kring opstelling heeft gemaakt nagedacht over welke kinderen bij elkaar zitten. Als zij groepjes maakt hoeft ze geen kinderen te
wisselen. Om deze reden doe ik dit ook en pas ik me hier op aan.

Lesverloop
Inleiding: dagopening, uiterlijk van een zin bespreken, hoe je een zin moet lezen en het auditief horen van een zin met duidelijke pauzes tussen woorden.
Kern: zin langer maken door woorden toe te voegen, de kinderen de woorden laten tellen en tweelettergrepig woord introduceren.
Slot: terugkoppelen waar een zin uit bestaat, hoe je een zin moet lezen en het terugkoppelen van de les vanuit de leerlingen.
Tijd Leerinhoud Didactische handelingen Leeractiviteit Materialen / Organisatie
Leraar leergedrag leerling(en)
5 min Inleiding - Begin de dagopening - De kinderen luisteren naar wat ik zeg. - Digibord
- Ik kijk met de kinderen welke dag het is. - De kinderen vertellen welke dag het was en welke
- Ik kijk welke datum het is. dag het morgen is ect.
- Ik vraag de kinderen welke dag het - De kinderen kijken naar de dagindeling.
gister en eergister was. Hierna volg ik - De kinderen luisteren naar wat ik zeg.
met morgen en overmorgen. - De kinderen vertellen hoe de kring goed verloopt en
- Ik bespreek de dag en ik kijk wat er welke afspraken we hiervoor nodig hebben.
vandaag allemaal op de planning staat. - De kinderen kijken naar de zin en luisteren naar wat
- Ik vertel dat we beginnen met een ik zeg.
taalkring. - Een leerling komt aanwijzen waar de zin begint.
- Ik vertel de kinderen dat we gaan kijken - Een andere leerling komt aanwijzen waar de zin
naar zinnen. eindigt.
- Ik vraag de kinderen wat handige - De leerlingen tellen hoeveel woorden ze in de zin
afspraken zijn om een goede taal kring zien staan.
te doen. - De leerlingen zeggen de zin na.
- Ik doe het digibord aan. - De leerlingen doen dit met meerdere zinnen.
- Ik laat een zin zien op het bord.
- Ik vertel de leerlingen dat een zin
bestaat uit meerdere woorden die bij
elkaar passen.
- Ik kijk met de leerlingen naar de zin en
vraag aan hen waar de zin begint. Ik
wijs aan waar de zin kan beginnen
(links of rechts)
- Ik kijk samen met de leerlingen naar de
zin en vraag hen hoeveel woorden ze
zien.
- Ik lees de zin hardop voor en doe dit
met duidelijke pauzes.
- Ik vraag de leerlingen de zin na te
zeggen.
- Ik laat meerdere zinnen zien.
5 min Kern - Ik vraag de leerlingen of een zin langer - De leerlingen vertellen hoe ze de zin langer kunnen - Digibord
gemaakt kan worden. maken.
- Ik vraag de leerlingen hoe we een zin - De leerlingen geven suggesties om de zin langer te
langer kunnen maken. maken.
- Ik pak een voorbeeld zin. - De leerlingen tellen de woorden uit de zin.
- Ik lees de zin voor. - De leerlingen luisteren naar het tweelettergrepig
- Ik vraag de leerlingen hoe we de zin woord.
langer kunnen maken. - De kinderen zeggen de zin na.
- Ik vraag de leerlingen door over de zin. - De kinderen benoemen hoeveel woorden ze horen.
- Ik tel de woorden van de gemaakte zin - De kinderen kijken naar de zin op het bord.
met de leerlingen . - De kinderen tellen opnieuw hoeveel woorden ze
- Ik noem een zin met een zien.
tweelettergrepig woord. - De kinderen luisteren naar mijn uitleg.
- Ik vraag de leerlingen de zin na te - De kinderen luisteren naar de tweelettergrepige
zeggen. woorden in de zinnen.
- Ik vraag de leerlingen hoeveel woorden - De kinderen maken de zin langer door woorden toe
ze horen. te voegen.
- Ik schrijf de zin op het bord met veel - De kinderen reageren positief.
ruimte voor de spaties.
- Ik vraag de leerlingen hoeveel woorden
ze tellen.
- Ik leg uit dat sommige woorden klinken
als twee woorden.
- Ik geef meerdere voorbeelden van
tweelettergrepige woorden.
- Ik maak een zin met een
tweelettergrepig woord.
- Ik vraag de leerlingen hoe we deze zin
langer kunnen maken.
- Ik geef de leerlingen complimenten .
5 min Slot - Ik vraag de leerlingen wat we nodig - De kinderen vertellen wat nodig is om een zin te - digibord
hebben om een zin te maken. maken.
- Ik vraag de leerlingen hoe ik de zin - De leerlingen laten zien hoe je een zin schrijft. (links
moet opschrijven op het bord, van links naar rechts)
naar rechts (dit laat ik zien) of van - De leerlingen bedenken een zin.
rechts naar links. - De leerlingen tellen hoeveel woorden er in de zin
- Ik vraag de leerlingen een zin te staan.
bedenken. - De kinderen vertellen waar we naar gekeken
- Ik schrijf de zin op. hebben in de zin.
- Ik vraag hoeveel woorden de zin heeft. - De leerlingen benoemen hoe de les is gegaan.
- Ik geef de leerlingen complimenten. - De leerlingen benoemen wat beter kon en hoe dit
- Ik vraag de leerlingen waar we deze beter kon.
kring naar hebben gekeken. - De kinderen luisteren naar mijn laatste mededeling.
- Ik vraag de leerlingen nogmaals wat we
nodig hebben om een zin te maken.
- Ik benoem hoe de les is gegaan
- Ik vraag de leerlingen hoe dit kwam.
- Ik vraag de leerlingen hoe ik het beter
had kunnen doen als dit nodig is.
- Aan het eind van de kring benoem ik
dat de kinderen tijdens het spelen
werken langs komen om een potje te
versieren.
Persoonlijke reflectie
Mijn persoonlijke leerdoel was: Ik wil een taalkring geven die is aangepast aan de belevingswereld van de kinderen. Dit wil ik doen door een powerpoint
te maken met afbeeldingen en door de leerlingen ook zelf dingen te laten doen. Toen ik de les wilde beginnen had ik er moeite mee om de kinderen stil
te krijgen. Kirsten gaf vooraf al aan dat de kinderen drukker waren dan normaal. Ik kreeg zelf de kinderen niet stil waardoor Kirsten mij hielp. Ik had door
strenger te wezen de klas misschien stil kunnen krijgen, maar ik merk dat ik het moeilijk vind om in te schatten hoe streng ik kan zijn en hoe ik dit ook
kan aanpakken. Ik sta momenteel ook niet sterk voor de klas, waardoor het ook ongeloofwaardig overkomt. Ik begon mijn les toen de klas rustig was en
zette het digibord aan. Ik probeerde de kinderen zoveel mogelijk zelf te laten aanwijzen, zodat de kinderen niet constant stil hoefde te zitten.
Halverwege mijn les merkte ik dat ik tussendoor een spelwerkvorm had moeten gebruiken. De kinderen dwaalde namelijk af en op deze manier hadden
de kinderen hun energie kwijt gekund .Zij konden zich hierna weer beter concentreren, waardoor ik verder kon gaan met de les. Ik benoemde positief
gedrag, wanneer ik merkte dat de kinderen die toch praatten hier niet op reageerde, sprak ik hen aan om hun gedrag te corrigeren.
Om mijn les aan de passen aan de belevingswereld van de kinderen, liet ik de kinderen zelf zinnen bedenken en complimenteerde ik hen voor de
goede zinnen. Tussendoor telde ik de woorden en letters om een kleine rekenoefening te combineren. De kinderen deden goed mee met het tellen en
velen wilde antwoord geven. Aan het einde van mijn les merkte ik dat het bijna tijd was. De kinderen dwaalde op dat moment ook af. Ik sloot de les af
door een aantal vragen te stellen om terug te koppelen. Ik controleerde de antwoorden door te vragen: vertel hoe ziet dat je de zin op deze manier moet
lezen, of laat eens zien met je vinger hoe je een zin leest. De kinderen weten nog niet wat links en rechts is, dus vraag ik ter bevestiging of ze met hun
vinger kunnen laten zien hoe de zin loopt. Als laatst benoemde ik dat de kinderen ,ondanks dat ze druk waren vooraf, goed en stil hadden meegewerkt.
Als leerpunt wil ik kijken hoe ik een duidelijk stilte signaal kan geven en hoe ik streng maar rechtvaardig overkom. Op het moment ben ik onzeker,
waardoor ik niet geloofwaardig overkom als ik streng probeer te zijn. De kinderen lopen over mij heen, gelukkig zit Kirsten ook in de klas, waardoor de
kinderen stil zijn. Ik wil nu leren hoe ik zelf de klas stil kan krijgen en ook hoe ik de klas stil houd voor een langdurige tijd. Ik houd op deze manier meer
orde waardoor ik minder tijd verlies. Als laatste wil ik elke les een energizer achter de hand hebben liggen, voor wanneer ik merk dat de kinderen
afdwalen.