You are on page 1of 100

hah

De directheid van het online nieuws:


inhoudsanalyse van vier Vlaamse en
twee Spaanse digitale kranten

Masterproef aangeboden tot het


verkrijgen van het diploma
Master in de Journalistiek
Door: Kristof Vanderhoeven
Academiejaar: 2008 – 2009
Promotor: Michaël Opgenhaffen
Dankwoord

Graag wil ik mijn dank betuigen aan iedereen die mij met raad en daad heeft

bijgestaan bij het schrijven van deze thesis.

Het grootste woord van dank gaat uit naar mijn promotor, Michaël

Opgenhaffen. Wanneer ik met vragen zat kon ik steeds bij hem terecht, hetzij

via e-mail, hetzij voor een babbel. Het was een fijne samenwerking met een

gedreven en zeer goede promotor.

Daarnaast ben ik uiteraard mijn ouders dankbaar voor hun

onvoorwaardelijke vertrouwen en hun financiële steun zonder dewelke ik

deze studie nooit had kunnen afwerken.

Mijn vriendin Sarah bedank ik voor haar begrip en haar hulp bij de lay-out

van dit werkstuk.

Bedankt iedereen!

ii
Resumen

Las tres características básicas del periodismo online ya han sido descritos por

muchos especialistas. El rasgo más distintivo del internet – su ‘immediacy’ –

al contrario no ha sido estudiado detenidamente hasta ahora.

El conjunto de esta tesina consta de dos partes: por un lado un estudio de

literatura y por otro lado un estudio de caso concreto.

El estudio de literatura esboza primeramente el imagen del periodismo online

como medio de comunicación. Sigue una enumeración de las tres

características básicas del periodismo online con el fin de comprender lo

mejor posible el valor y la posición del término ‘immediacy’ como el cuarto

rasgo característico del periodismo online. Después miramos cada faceta del

asunto ‘immediacy’ y estudiamos más profundamente la rapidez del internet.

El caso concreto consiste en un análisis de un corpus de 1945 artículos

recopilados de los sitios web de seis periódicos, entre ellos cuatro diarios

flamencos y dos diarios españoles. El resultado más llamativo de nuestro

estudio es que los sitios web en cuestión no se dan enteramente cuenta del

potencial enorme de la rapidez de la Red.

La conclusión contiene algunas tendencias importantes y unas

recomendaciones muy utiles para el mundo profesional.

iii
Inhoudstafel

Inleiding 1

HOOFDSTUK 1: Online journalistiek 2

1.1 Definiëring: wat is online journalistiek? 2

1.2 Is online journalistiek wel journalistiek? 4

1.2.1 Shovelware 4

1.2.2 Online journalistiek vs User Generated Content 7

1.2.3 Vage grens tussen business en redactie 9

1.3 Medialogica van online journalistiek 10

1.3.1 Definiëring: wat is een medialogica? 10

1.3.2 Verschillen met medialogica traditionele media 11

1.3.2.1 Schema communicatieshift 12

1.3.2.2 Non-lineariteit 13

1.3.2.3 Individualisering 14

1.4 Verschillende soorten ‘online journalisms’ 16

1.4.1 Mainstream news sites 17

HOOFDSTUK 2: Basiskenmerken online journalism 19

2.1 Multimedia 19

2.1.1 Definiëring 19

2.1.2 Convergent vs divergent 21

2.2 Interactiviteit 23

2.2.1 Definiëring 23

2.2.2 Interactiviteit: verfijning 25

2.3 Hypertekstualiteit 26

iv
2.3.1 Definiëring 26

2.3.2 Interne vs externe hyperlinks 27

2.3.3 De archieffunctie 28

2.4 Immediacy 29

HOOFDSTUK 3: Immediacy 30

3.1 Inleiding 30

3.2 Terminologie 31

3.3 Definiëring 32

3.4 Twee soorten immediacy 33

3.5 Immediacy en de permanente deadline 34

3.6 Immediacy en ‘accuracy’: een onmogelijk huwelijk? 35

3.7 Immediacy en ethiek 37

3.8 Immediacy en objectiviteit 40

3.9 De link tussen immediacy en de drie andere basiskenmerken 41

3.9.1 Multimedia en immediacy 41

3.9.2 Interactiviteit en immediacy 41

3.9.3 Hypertekstualiteit en immediacy 42

3.10 Factoren die immediacy vergemakkelijken 43

3.11 Immediacy: samengevat in voor- en nadelen 44

3.11.1 Nadelen van immediacy 45

3.11.2 Voordelen van immediacy 48

3.12 Immediacy bevat een enorm potentieel 50

HOOFDSTUK 4: Methodologie 52

4.1 Inhoudsanalyse 52

4.2 Corpussamenstelling 53

v
4.2.1 Geconstrueerde week 53

4.2.2 Krantenkeuze 54

4.3 Crossculturele aanpak 55

4.4 Codeboek 58

4.4.1 Variabelen 58

4.4.2 Onderzoeksvragen 61

4.5 Meetinstrument 61

HOOFDSTUK 5: Resultaten onderzoek 63

HOOFDSTUK 6: Conclusie en discussie 72

HOOFDSTUK 7: Bibliografie 76

7.1 Artikels 76

7.2 Elektronische bronnen 77

HOOFDSTUK 8: Bijlagen 79

8.1 Clickcijfers 79

8.1.1 Spaanse clickcijfers 79

8.1.2 Vlaamse clickcijfers 80

8.2 Figuren 81

8.3 Tabellen 83

8.4 Codeboek 85

8.5 SPSS-tabellen 87

vi
Inleiding

Deze thesis behandelt de directheid van het online nieuws en dan

meerbepaald die van vier Vlaamse en twee Spaanse digitale kranten. Terwijl

de scoop vroeger het hoogste goed was in de journalistiek, helt de balans

anno 2009 steeds meer over naar de directheid van de verslaggeving. Daar

waar de waarde van de scoop vooral afhankelijk is van de inhoud, ligt de

nadruk bij een snelle verslaggeving eerder op hoe snel een artikel verschijnt.

Over die ommekeer valt heel wat te zeggen en deze thesis behandelt de

directheid van het online nieuws dan ook in al haar facetten.

Omdat een onderzoek naar de directheid van het online nieuws niet kan

uitgevoerd worden zonder voldoende kennis van het medium online

journalistiek, met de daarbij behorende medialogica, schetsen we in het eerste

hoofdstuk de krijtlijnen van de online journalistiek. In hoofdstuk 2 bekijken

we de hoofdkenmerken – multimedia, interactiviteit, hypertekstualiteit en

‘immediacy’ - van de online journalistiek van naderbij.

In hoofdstuk 3 gaan we dieper in op de term ‘immediacy’ – ondermeer in

combinatie met objectiviteit en accuraatheid – en belichten we de ethische

kant van de zaak. Ter afsluiting van het derde hoofdstuk bespreken we de

factoren die de directheid van het online nieuws vergemakkelijken en vatten

we het hoofdstuk samen in de voor- en nadelen van de directheid van het

online nieuws.

Hoofdstuk 4 behandelt de methodologie van ons crossculturele onderzoek en

in het vijfde hoofdstuk worden de resultaten van onze studie weergegeven.

Tot slot geven we in hoofdstuk 6 de conclusie van ons onderzoek – alsook

enkele nuttige aanbevelingen naar de professionele wereld toe.

1
Hoofdstuk 1: Online journalistiek

1.1 Definiëring: wat is online journalistiek?

Voor we zelfs nog maar aan een definitie kunnen denken is er al verwarring

rond de term ‘online journalistiek’ op zich. In de literatuur is er veelal sprake

van cyberjournalistiek, internetjournalistiek en webjournalistiek. Ook de

termen ‘e-journalistiek’ en ‘netwerkjournalistiek’ worden door sommige

auteurs gebruikt. Wij houden het in dit onderzoek, net als ondermeer Deuze

(1999; 2001; 2003; 2005) en Paulussen (2004), op online journalistiek.

Vooraleer we online journalistiek kunnen definiëren moeten we eerst de

herkomst van de term ‘online journalistiek’ achterhalen. Die herkomst situeert

zich in het jaar 1997, of met andere woorden, in het begin van het tijdperk van

de digitalisering. Het onderstaande schema van Bardoel (1997, zoals geciteerd

in Paulussen, 2004) geeft een duidelijk overzicht van de gevolgen van die

technologische ontwikkeling.

Figuur 1: Gevolgen van de technologische ontwikkeling

Belangrijk in dit schema is de tweedeling tussen enerzijds interne

automatisering – die leidt tot de Computer Assisted Journalism (CAJ) – en de

externe automatisering anderzijds.

2
Onder de interne automatisering verstaan we de digitalisering van de

nieuwsredacties die een grote invloed heeft op de wijze waarop de journalist

zijn of haar werk verricht, ongeacht of hij of zij werkt voor een printmedium,

een omroep of het internet (Paulussen, 2004: 174).

Bij de externe automatisering denken we aan de opkomst van de online

journalistiek. Net zoals de komst van de radio in het verleden leidde tot

radiojournalistiek, zo heeft ook de internettechnologie haar doorslag

gevonden in de online journalistiek.

Het is belangrijk om te benadrukken dat de informatisering en digitalisering

zowel invloed heeft op de manier waarop journalisten informatie ‘halen’ als

op de manier waarop ze hun informatie ‘brengen’ (Paulussen, 2004: 174).

Het schema van Bardoel (1997) biedt een overzicht en geeft aan van waaruit

de online journalistiek is ontstaan, maar het bevat geen definitie van online

journalistiek. Daarvoor richten we ons in eerste instantie naar Deuze en

Dimoudi (2002) die online journalistiek op de meest eenvoudige manier

beschouwen. Zij omschrijven online journalistiek eenvoudigweg als

‘journalistiek die online beoefend wordt’ (Deuze and Dimoudi, 2002: 87).

Een iets diepzinnigere definitie vinden we bij Pavlik (1999). Pavlik (1999) vat

online journalistiek op als bestaande uit de onderstaande drie fases.

Figuur 2: Drie fases van de online journalistiek volgens Pavlik (1999)

3
Fase 1 bestaat uit het omvormen van nieuws uit de printmedia om dat

vervolgens online te publiceren. In fase 2 wordt de content opgewaardeerd

met foto’s, hyperlinks en interactieve features. Fase 3 is de ‘convergentiefase’

die gekenmerkt wordt door het verwerken van multimedia-elementen (zoals

audio, video en animaties) in de tekst.

Een derde definitie van online journalistiek wordt geformuleerd door Deuze

(1999). Die ziet online journalistiek als “journalistiek die min of meer exclusief

voor presentatie en distributie op het world wide web wordt geproduceerd”.

Uit elk van de drie bovenstaande definities namen we één of meerdere

elementen die we in onze eigen werkdefinitie goten. In het kader van dit

onderzoek wordt online journalistiek beschouwd als: journalistiek zoals die

op het world wide web wordt beoefend. Dit wil zeggen: met een non-lineaire

structuur en met multimedia, interactiviteit, hypertext en immediacy als

voornaamste kenmerken. Op de specifieke kenmerken gaan we in hoofdstuk

2 dieper in.

1.2 Is online journalistiek wel journalistiek?

“There is an argument that news on the Internet are parasites of traditional news.”

(Merrit and McCombs 2004: 63)

1.2.1 Shovelware

Bovenstaande quote is meteen ook het meest voorname argument van sceptici

ten opzichte van online journalistiek. Sommige auteurs vinden nog steeds dat

de internetjournalisten niets meer doen dan het internet volstouwen met

4
herwerkte artikels uit de print media, de zogenaamde ‘shovelware’, en

weigeren internet daarom voor ‘journalistiek vol’ te aanzien.

Deuze (1999) omschrijft shovelware als “print media content die gerecycleerd

wordt op het web”. Originele content is dus volgens Deuze (1999) content die

exclusief voor het internet werd geproduceerd. Wanneer online journalisten

erin slagen om helemaal los te komen van de papieren versie van de krant,

pas dan leveren ze echt goed werk.

Paulussen (2004) merkt in dat verband het volgende op:

“Zeker uit de eerste studies naar de ‘media content’ van online kranten komt

vaak naar voren dat websites teveel inhoud overnemen van hun traditionele

tegenhanger en zelf te weinig originele inhoud produceren (Neuberger et al.,

1997: 661; singer, 1998 [www]; Heinonen, 1999: 43). (…) Journalisten die

werken voor een website houden zich voornamelijk bezig met het bewerken

en herschrijven van informatie afkomstig van nieuwsagentschappen of

andere media.” (Paulussen, 2004: 259)

De Nederlandse onderzoekers Pleijter en Deuze (2003, zoals geciteerd in

Paulussen, 2004) treden Paulussen (2004) bij en wijzen op het verschil tussen

primaire, secundaire en tertiaire journalistiek:

- primaire journalistiek: is mogelijk als journalisten ooggetuige zijn van

een nieuwswaardige gebeurtenis

- secundaire journalistiek: doen journalisten op basis van persberichten,

door derden opgetekende ooggetuigenverslagen, het bewerken of

herschrijven van een kopij

5
- tertiaire journalistiek: is datgene wat pas komt nadat een gebeurtenis is

waargenomen, verslagen en dat verslag is bewerkt en geredigeerd.

Dan komt het op de computer van de webredacteuren terecht. Zij

mogen er dan ‘iets van maken’.

Pleijter en Deuze (2003) opperen dat de online journalistiek nog te vaak met

de secundaire en de tertiaire vorm geassocieerd wordt. Als de online

journalistiek wil uitgroeien tot een volwaardige vorm van journalistiek dan

moeten webredacteurs de mogelijkheid krijgen om zich in meerdere mate met

de primaire vorm bezig te houden, aldus Pleijter en Deuze (2003).

Matheson (2004) plaatst daar evenwel de volgende bevinding tegenover:

“In het begin bestond online journalistiek voornamelijk uit ‘shovelware’ – een

digitale ruimte die opgevuld werd met onbewerkte stukken die

oorspronkelijk voor de kranten werden geproduceerd werd. Maar

gaandeweg is dat veranderd en nu wordt nieuws steeds vaker geproduceerd

‘op’ het web en ‘voor’ het web.”

Hoewel de shovelware nog niet helemaal verdwenen is uit de online content,

valt ook de bewering van James Fallows (1997 [www]) tot op zekere hoogte te

volgen. Fallows (1997) merkt op dat een deel van de journalistiek op het

internet goed is en een deel slecht – en dat is bij de traditionele media niet

anders.

Wat wel anders is bij de traditionele media is het onderscheid tussen

professionele bijdragen van journalisten en de ‘amateuristische’ bijdragen van

de gewone man, de zogenaamde User Generated Content (UGC). Dat wordt

6
besproken in paragraaf 1.2.2 omdat UGC zijn weerslag heeft op de directheid

waarmee er bericht kan worden via het internet.

1.2.2 Online journalistiek vs User Generated Content

“Journalism, parajournalism and pseudojournalism do not just coexist: they

invade each othter (on the web)” (Tucher 1997, zoals geciteerd in Paulussen,

2004: 258)

Op het internet bestaan er twee vormen van verslaggeving naast elkaar. Er is

enerzijds de professionele verslaggeving van de internetjournalisten, en

anderzijds is er de amateuristische verslaggeving van de ‘users’. Het world

wide web is een erg laagdrempelig medium in die zin dat iedereen een

website kan beginnen, of op z’n minst een eigen blog kan opstarten. Er is, in

tegenstelling tot bij de traditionele media, bijna geen opstartkost en dat leidt

tot een soort van chaos. Kwalitatieve bijdragen en amateuristische publicaties

leven naast elkaar in cyberspace.

Paulussen (2004) verwoordt het als volgt:

“Op het web is er niet alleen een veel groter aanbod aan amateuristische,

commerciële of andere niet- of pseudo-journalistieke sites; de grenzen tussen

journalistieke en niet journalistieke media zijn ook veel minder scherp dan off

line.” (Paulussen, 2004: 258)

Örnebring (2007) ziet evenwel toch nog een verschil tussen de professionele

bijdragen en de user generated content:

7
“Rechtstreekse inmenging van users in het verzamelen, selecteren en

produceren van nieuws is slechts in heel beperkte mate aanwezig (…) en als

die inmenging er toch is dan is er nog altijd een verschil in presentatie met de

artikels die door de journalisten van de printmedia geproduceerd worden.”

(Örnebring 2007, zoals geciteerd in Paulussen & Ugille: 26)

Wat Örnebring (2007) misschien wel onderschat is het verschil tussen mensen

met webervaring en mensen zonder internetervaring. Beide groepen kunnen

zoals Paulussen (2004) het zegt “binnen het bestek van enkele muisklikken

van de meest gerenommeerde online krant terechtkomen op een

leugenachtige pseudo-nieuwssite” (Paulussen, 2004: 259). Terwijl de eerste

groep zich bewust zal zijn van de overgang die ze maakte, zal de tweede

groep misschien helemaal niet gemerkt hebben dat er een subtiel verschil is

opgetreden in de content die op het scherm afgebeeld wordt. Het verschil

tussen mensen met en mensen zonder webervaring valt niet binnen het kader

van ons onderzoek en de verdere uitwerking van dit thema zou ons dan ook

te ver leiden.

Wat wel zeker nog aangestipt dient te worden in dit verband is de veranderde

status van de online journalist. Het bestaan van de user generated content

heeft ervoor gezorgd dat de online journalist zijn doelpubliek eigenlijk als een

soort van co-auteur, co-producent van nieuws moet gaan beschouwen (Bruns

2005). In plaats van controle te hebben over de toestroom van (betekenisvolle,

geselecteerde en gecheckte) informatie richting de publieke sfeer zijn online

journalisten vandaag de dag eerder één van de vele stemmen in de publieke

communicatie (Deuze 2008: 12).

8
1.2.3 Vage grens tussen business en redactie

Een derde reden waarom online journalistiek geen echte vorm van

journalistiek zou zijn, is de volgens sommige auteurs vage grens tussen

commercie en redactie. Bij gebrek aan een beter businessmodel zijn websites

voor hun inkomsten in bijzonder grote mate afhankelijk van adverteerders.

Zowel in de academische als in de journalistieke wereld blijven meerdere

auteurs wijzen op het gevaar dat men in de online journalistiek sneller dan in

de traditionele journalistiek bereid zou zijn om de grens tussen redactie en

commercie te overschrijden (Paulussen, 2004). Door de vooralsnog lage

economische rendabiliteit van de meeste nieuwswebsites is de kans reëel dat

online journalisten zich sneller genoodzaakt zien om commerciële

toegevingen te doen (Cohen, 2002; Horckmans, 2001; De Muizon, 2000).

Hoe aannemelijk bovenstaande verklaringen ook mogen klinken, er is tot op

heden nog geen onderzoek geweest dat onomstotelijk bewijs heeft geleverd

van die verhoogde kans op commerciële toegevingen.

Ook volgens Lasica (1999) – in de VS een autoriteit op het vlak van online

media – hoeft de nauwere grens tussen commercie en redactie geen probleem

te zijn zolang:

“(…) nieuwswebsites transparantie creëren omtrent hun commerciële en

redactionele beleid en online journalisten duidelijk aangeven wanneer er

sprake is van advertenties of gesponsorde content.”

(volgens Lasica (1999), zoals geciteerd in Paulussen 2004)

9
De discussie over of online journalistiek al dan niet een (vierde) vorm van

journalistiek is, duurt waarschijnlijk nog jaren voort. In het kader van ons

onderzoek beschouwen wij – in navolging van auteurs zoals Deuze (1999;

2001; 2003; 2005), Paulussen (2004) en Dahlgren (1996) – online journalistiek

wel degelijk als een vierde vorm van journalistiek, zij het met een heel andere

medialogica dan de traditionele media. Die medialogica wordt besproken in

het volgende deel.

1.3 Medialogica van online journalistiek

1.3.1 Definiëring: wat is een medialogica?

Peter Dahlgren (1996) definieert het begrip medialogica als volgt:

“Media logic refers to the particular institutionally structured features of a

medium, the ensemble of technical and organisational attrubutes which

impact on what gets represented in the medium and how it gets done. (...)

Yet, media logic also indicates the cultural competence and frames of

perception of audiences/users, which in turn reinforces how production

within the medium takes place”

(Dahlgren, 1996, zoals geciteerd in Paulussen 2004: 286)

Een eerder allesomvattende definitie waar wij vooral het vormelijke aspect

(ofte het ‘how it gets done’-gedeelte) uit willen benadrukken want “het

concept medialogica legt met andere woorden de nadruk op de vorm waarin

de inhoud verschijnt, eerder dan op de inhoud als dusdanig” (Paulussen,

2004: 287).

10
Wij delen met Paulussen (2004) de basisveronderstelling dat “online

journalistiek zich in de eerste plaats vormelijk kan differentiëren van de

traditionele print-, radio- en tv-journalistiek, al heeft de vorm – het online

mediaformat – dus ook consequenties voor de inhoud en de betekenis die de

inhoud krijgt” (Paulussen, 2004: 287).

In ons onderzoek staan de vier begrippen1 interactiviteit, multimedia,

hypertext en immediacy uiteraard centraal in de medialogica van online

journalistiek. Het feit dat de online journalistiek beroep kan doen op

interactieve features, multimediale mogelijkheden, een hypertekststructuur

en dat alles met een voor de traditionele media ongeziene directheid, dat alles

maakt dat online journalistiek in grote mate verschilt van die traditionele

media.

Toch zijn er naast de vier basiskenmerken die in hoofdstuk 2 behandeld

zullen worden nog een tweetal subkenmerken die onze aandacht verdienen.

De begrippen non-lineariteit en individualisering worden hier besproken

omdat ze ons inziens mee de medialogica van de online journalistiek bepalen

en de verschillen met de medialogica van de traditionele media blootleggen.

We pretenderen evenwel geen exhaustief overzicht van de kenmerken van

online journalistiek en zijn er ons van bewust dat elke afbakening per

kenmerk een zuiver artificieel gegeven is.

1.3.2 Verschillen met medialogica traditionele media

We zullen eerst de meest pertinente verschillen tussen de medialogica van de

online journalistiek en de medialogica van print-, radio- en tv-journalistiek

1
De begrippen ‘interactiviteit’, ‘multimodaliteit’, ‘hypertext’ en ‘immediacy’ zullen uitvoerig
behandeld worden in hoofdstuk 2.

11
kort bespreken aan de hand van het schema van de communicatieshift van

Bordewijk en Van Kaam (1982). Vervolgens behandelen we het non-lineaire

karakter van het internet en de individualisering die het internet met zich

heeft meegebracht.

1.3.2.1 Schema communicatieshift

We vertrekken dus vanuit het schema van Bordewijk en Van Kaam zoals zij

het in 1982 opgesteld hebben.

Individuele keuze Centrale keuze

onderwerp onderwerp

Individuele CONVERSATIE CONSULTATIE

informatie- (telefonie, e-mail, (websites, teletekst, …)

opslag chat, …)

Centrale REGISTRATIE ALLOCUTIE

informatie- (enquêtes, adaptive (televisie, radio, …)

opslag sites, preferences, …)


Figuur 3: Schema van de communicatieshift van Bordewijk en Van Kaam (1982)

Het eerste dat opvalt in het bovenstaande schema zijn de twee uitersten

‘conversatie’ en ‘allocutie’. Bij de conversatie wordt alles door de gebruiker

(‘user’) bepaald. Hij bepaalt wat er gezegd wordt en op welke manier dat

wordt gedaan. Typische voorbeelden daarvan zijn chatsessies en

12
e-mailgesprekken. Bij de allocutie daarentegen bepaalt het medium voor de

volle 100 procent in welke vorm en volgorde de inhoud (‘content’) wordt

aangeboden. Dat is zo bij televisie en radio.

De medialogica van het internet sluit het dichtst aan bij het consultatie-deel.

De journalist bepaalt nog steeds welke content er aangeboden wordt (online

geplaatst wordt), maar de user kan zelf bepalen welke artikels hij leest en in

welke volgorde hij dat doet. Dat is bij printmedia ook het geval dus op dat

vlak komt de medialogica van printmedia overeen met de medialogica van

het internet. Bij radio en televisie heeft de consument geen keuze. Hij is

verplicht de content te consumeren in de vorm en volgorde waarin die hem

wordt aangeboden.

1.3.2.2 Non-lineariteit

Zo komen we bij een typisch kenmerk van het internet: het non-lineaire

karakter. In tegenstelling tot bij radio en tv is de internetuser niet gebonden

aan een opgelegde volgorde van nieuwsconsumptie. De online lezer heeft het

hele world wide web ter zijner beschikking en kan van artikel A naar artikel B

gaan zelfs zonder dat hij artikel A volledig heeft gelezen.

Massey and Levy (1999) koppelen meteen nog een tweede element vast aan

de non-lineaire structuur van de online journalistiek:

“Online journalism’s contribution, therefore, is found in its capacity to free

readers from the tyranny of linearity and the constraints of news space found

in traditional media.” (Massey and Levy, 1999: 139)

13
Het internet lijkt geen grenzen te hebben en dat komt het non-lineaire

karakter alleen maar ten goede. Een televisie- of radiojournaal daarentegen,

dat is beperkt in ruimte en tijd en kan daarom slechts een fractie van de

content bevatten. Die content wordt dan ook nog eens op lineaire wijze

weergegeven.

Niet alleen de consumptie van de informatie gebeurt op non-lineaire wijze

maar ook de structuur van de online journalistiek is non-lineair.

Wat de consumptie betreft betekent dat concreet dat internetgebruikers

kunnen kiezen welk nieuws ze willen consumeren. Het overige nieuws

kunnen ze dan laten voor wat het is. Dat is, zoals gezegd, heel anders bij tv en

radio waar de nieuwsinformatie gepresenteerd wordt in de volgorde die de

redactie heeft bepaald. De nieuwsconsument kan zich tevens op geen enkele

manier onttrekken aan die lineaire volgorde.

De non-lineaire structuur van online journalistiek brengt dan weer het

volgende met zich mee: in principe zou het niet mogen dat informatie online

gepubliceerd wordt als een grote brok tekst. In plaats van in grote lappen

tekst wordt informatie weergegeven in een soort van aan elkaar gelinkte

presentatie van verwante artikels. Op die manier kan de user kiezen of hij na

het hoofdartikel ook de verwante artikels leest of hij misschien meteen

doorgaat naar de achtergrondinformatie die aan het hoofdartikel gelinkt is.

1.3.2.3 Individualisering

De technologie die achter het internet schuilgaat stelt de online journalist in

staat om in verregaande mate rekening te houden met de voorkeuren van de

nieuwsconsumenten. Dat is bij de traditionele media veel minder het geval.

Die hebben wel een idee van wie er hun nieuws consumeert, maar ze kunnen

14
niet inspelen op de noden en voorkeuren van de individuele lezer, kijker of

luisteraar.

Deuze (1999) verduidelijkt hoe die ‘individualization’ in z’n werk gaat. “This

means putting a journalistic product together to cater for the individual”

(Deuze, 1999: 378). Deuze (1999) maakt de tweedeling tussen pull content en

push content om uit te leggen hoe dat ‘journalistieke product’ tot bij de

internetgebruiker geraakt.

“One option would see the online news site providing so-called hyperlinks to

a vast source of archives, grouped topical content and all kinds of consumer

related services on their website, (...) allowing each user to search and browse

through for free and at any time – in other words, ‘pull’ content.”

(Deuze, 1999: 378)

In het geval van de ‘pull’ content gaat de user dus zelf op zoek naar de

informatie die hij nodig heeft of het nieuws dat hij wil consumeren. We

merken op dat het online aanbod aanzienlijk groter is dan het aanbod van de

traditionele media. Bij een RSS-feed is er sprake van ‘push’ content en die

omschrijft Deuze (1999) als volgt:

“The second way is called ‘push’ content delivery, which means asking the

individual user to draw up a list of what he or she wants to read and hear

about and then delivering this individualized content automatically at any

given or even prearranged time right on a computer screen where the user

wants it.” (Deuze, 1999: 378)

Bij een RSS-feed kan de user zijn voorkeuren zelf aangeven (‘draw up a list’)

en zelf selecteren over welke onderwerpen hij (‘individualized content’) RSS-

feeds wenst te ontvangen en over welke niet. Ook het moment waarop

15
(‘prearranged time’) en de frequentie waarmee de consument RSS-feeds

toegestuurd krijgt, kan hij vooraf zelf bepalen.

Verder uitweiden over de push/pull technologie zou ons te ver doen afwijken

van onze studie, maar het leek ons nuttig om in het kader van de term

‘individualisering’ kort aan te geven dat er wel degelijk een verschil bestaat.

1.4 Verschillende soorten ‘online journalisms’

Wanneer er over ‘online journalistiek’ gesproken wordt dan lijkt het wel alsof

er over één grote grijze massa wordt gepraat, terwijl er toch wel een groot

verschil is tussen een artikel schrijven voor een nieuwswebsite en een artikel

schrijven voor je eigen blog. Daarom geven we hieronder een kort overzicht

van de verschillende soorten ‘online journalisms’ zoals Deuze (2003) die heeft

omschreven in zijn ‘typology of online journalisms’.

Figuur 4: Deuzes typologie van ‘online journalisms’

16
Onder ‘index and category sites’ verstaan we bijvoorbeeld de portaalsite

krantenkoppen.be die een dagelijks overzicht maakt van alle krantenkoppen

uit de Belgische printmedia. Bij ‘meta and comment sites’ denken we aan een

website zoals denieuwereporter.nl waar artikels en commentaarstukken over

media (vandaar de term ‘meta’) verschijnen. Een voorbeeld van een ‘share

and discussion site’ is slashdot.org en het verschil met een ‘meta and

comment site’ is de hoeveelheid User Generated Content (UGC) die aanwezig

is. Een ‘share and discussion site’ is volledig opgebouwd uit user generated

content. Een ‘meta and comment site’ wordt van content voorzien door een

aantal vaste journalisten, maar maakt ook gebruik van de artikels die de users

inzenden.

Het zijn evenwel de ‘mainstream news sites’ die de focus van ons onderzoek

uitmaken en daarom zullen die in de volgende paragraaf van naderbij

bekeken worden.

1.4.1 Mainstream news sites

De mainstream news sites zijn de meest wijdverspreide vorm van online

verslaggeving. Zowat elke krant en omroep is aanwezig op het internet in de

vorm van een nieuwswebsite. Belgische voorbeelden zijn ondermeer

deredactie.be (van de openbare omroep VRT) en demorgen.be (van de krant

De Morgen). Internationaal gezien gelden de websites van CNN en BBC als

absolute referentie.

In de typologie van Deuze (2003) prijken de ‘mainstream news sites’ links

bovenaan in het spectrum. Deuze (2003) verklaart die positie als volgt:

17
“(…) the mainstream news site, generally offering a selection of editorial

content and a minimal, generally filtered or moderated form of participatory

communication” (Deuze, 2003: 208 op basis van Schultz, 1999; Jankowski and

Van Selm, 2000; Kenney et al., 2000).

Met andere woorden, de content van een mainstream news site wordt in grote

mate geleverd door de online journalist (‘editorial content’). Als er dan toch

sprake is van user generated content dan wordt die gefilterd en gemodereerd.

Wat de content van de nieuwswebsites onderscheidt van de drie andere

soorten content is het feit dat die nieuwswebsite content getypeerd kan

worden als ‘originated’ en ‘aggregated’ zoals Deuze (2003) het noemt.

Met ‘originated content’ doelt Deuze (2003) op de inhoud die specifiek voor

het internet geproduceerd wordt. ‘Aggregated content’ is dan weer de content

die overgenomen wordt uit de printmedia – de al eerder besproken

‘shovelware’ – of die door middel van deeplinks bij een externe bron wordt

gehaald.

Dit type van nieuwswebsite verschilt amper van print- en tv-journalistiek wat

‘storytelling’, nieuwswaarden en verhouding tot het publiek betreft.

18
Hoofdstuk 2: Basiskenmerken online journalism

We hebben eerder al twee subkenmerken van de online journalistiek

besproken – namelijk non-lineariteit en individualisering – maar de digitale

kranten verschillen in hoofdzaak van hun papieren tegenhangers op vier

basiskenmerken. Het merendeel van de auteurs onderscheidt slechts drie

basiskenmerken van online journalistiek (multimedia, hypertext en

interactiviteit), omdat ‘immediacy’ niet altijd als een apart kenmerk wordt

beschouwd. Volgens Massey en Levy (1999) valt ‘immediacy’ als een

dimensie van interactiviteit te catalogiseren, maar wij beschouwen

‘immediacy’ – in navolging van Bardoel (2002) – wel als belangrijk en groot

genoeg om als vierde basiskenmerk door te gaan.

2.1 Multimedia

“If multimedia is used with no thought as to the reasons why it is being used,

or it has poor lay-out or content it can result in a pointless aesthetic fiasco that

needlessly hogs bandwith.”

(Guay, 1995, zoals geciteerd in Deuze, 2001)

2.1.1 Definiëring

Dahlgren definieerde multimedia al in 1996 als volgt :

“By multimediality we mean the extent to which text, graphics, sound, voice

and (still and moving) images are translated and integrated into a common

digital form.” (Dahlgren, 1996: 64)

19
In tegenstelling tot de printmedia ziet de online journalistiek zich niet beperkt

tot één soort signaal. De online journalistiek kan zowel tekst, illustraties als

audio en video integreren in een artikel. We kunnen dus stellen dat de term

‘multimedia’ refereert aan een nieuw media format dat voortgevloeid is uit

het samenvallen van traditionele formats zoals print, audio en video.

Volgens Deuze (2003) zijn er twee manieren om multimedia te definiëren en

de eerste van die twee manieren ligt in de lijn van Dahlgrens (1996) definitie:

“first, as the presentation of a news storage package on a website using two or

more media formats, such as (but not limited to) spoken and written word,

music, moving and still images, graphic animations, including interactive and

hypertextual elements.” (Deuze, 2003: 140)

Deuzes (2003) tweede manier om multimedia te omschrijven klinkt als volgt:

“(…) secondly, as the integrated (although not necessarily simultaneous)

presentation of a news story package through different media, such as (but

not limited to) a website, a Usenet newsgroup, e-mail, SMS, MMS, radio,

television, teletext, print newspapers and magazines.” (Deuze, 2003: 140)

Terwijl Dahlgren (1996) niet specificeert of tekst, audio, video en afbeeldingen

nu ‘media formats’ of ‘sign systems’ (tekensystemen) zijn, geeft Deuze (2003)

aan dat hij multimedia ziet als een combinatie van tekensystemen en een

combinatie van ‘media formats’. Hieruit blijkt dat er geen eensgezindheid

bestaat rond de term ‘multimedia’ en hoe die te definiëren.

Zoals Opgenhaffen (2008) aanhaalt is multimedia de laatste tijd een

‘buzzword’ geworden. Alles wordt multimedia genoemd net omdat er

20
vaagheid bestaat omtrent de exacte definitie van de term ‘multimedia’. Wat

met grensgevallen zoals een krant – waar toch ook tekst en foto wordt

gecombineerd – en televisie – waar zowel audio, beeld als tekst aanwezig is?

Deuze (2004) schept duidelijkheid door een onderscheid te maken tussen

enerzijds convergente multimedia en anderzijds divergente multimedia. We

bespreken de beide vormen in de volgende paragraaf.

2.1.2 Convergent vs divergent

Deuze (2004) beschrijft de tweedeling als volgt:

Convergent multimedia: “using two or more media formats, such as (...)

spoken and written word, music, moving and still images, graphic

animations, including interactivive and hypertextual elements.” (Deuze, 2004)

Divergent multimedia: “theintegrated use of multiple media like a website, a

usenet group, e-mail, sms, radio, television, etc.” (Deuze, 2004)

Concreet betekent dit voor convergente multimedia dat verschillende

mediaformats zoals tekst, foto’s, beelden, muziek, enz. gecombineerd worden

binnen een en hetzelfde medium. De krant is dan in die optiek een voorbeeld

van convergente multimedia aangezien er gespeeld wordt met verschillende

mediaformats (nl. tekst en foto) in één medium (nl. de krant).

Bij divergente multimedia hebben we het dan over verschillende media – dus

geen mediaformats – zoals radio, sms, tv, e-mail, enz. Een voorbeeld daarvan

is een smsje dat zowel tekst bevat als een foto en een hyperlink. Omdat de

21
hyperlink de lezer wegleidt van het ene medium (sms) naar een ander

medium (een fotowebsite) spreken we dan van divergente multimedia.

Let wel, iets kan in het ene geval als medium fungeren en in het andere geval

een formaat zijn. We illustreren dit aan de hand van het voorbeeld van

Opgenhaffen (2009):

Convergent: we spreken van een formaat wanneer een youtubefilmpje

‘embedded’ is in een online artikel omdat de tekst (het artikel) en de

video (het youtubefilmpje) dan in één keer bekeken kunnen worden.

De tekst staat als het ware nog op het scherm terwijl het filmpje –

ernaast of eronder – afspeelt. Alles blijft dus binnen één medium.

Divergent: wanneer datzelfde youtubefilmpje echter niet ‘embedded’

is in het online artikel maar er gewoon naar verwezen wordt via een

hyperlink die onderaan het artikel staat, dan is dat youtubefilmpje een

medium op zich. Want als we het filmpje willen zien, moeten we ons

‘verplaatsen’ naar een ander medium (in dit geval youtube.com). De

tekst (het artikel) staat in een medium (de digitale krant) en het filmpje

is een medium op zich. Het is met andere woorden niet mogelijk om

het artikel te lezen binnen hetzelfde medium als datgene waarin je het

filmpje bekijkt.

De tweedeling die Deuze (2004) maakte tussen convergente multimedia en

divergente multimedia heeft niet elke vorm van ambiguïteit - die er rond de

term ‘multimedia’ bestaat – opgehelderd, maar hier nog dieper op ingaan zou

ons te ver wegleiden van de focus van ons onderzoek.

22
2.2 Interactiviteit

Binnen de communicatiewetenschap is ‘interactivity’ al veel langer een

onderzoekstopic dan dat het een ontegensprekelijk kenmerk is van online

journalistiek. Tucher noemt interactiviteit “the most distinctive contribution

of online journalism” (Tucher, 1997: [www]). Rogers categoriseert

interactiviteit als “the most distinctive single quality of the new media”

(Rogers, 1986: 5) en Morris en Ogan zien in interactiviteit dan weer “the key

advantage of new media” (Morris and Ogan, 1996: [www]). Met het

standpunt van die onderzoekers is het belang van interactiviteit al wel

bewezen, maar in de volgende paragrafen wordt er nog dieper ingegaan op

het begrip interactiviteit en wordt er getoond hoe interactiviteit werkt met

betrekking tot nieuwswebsites.

2.2.1 Definiëring

De term ‘interactiviteit’ op zich, zo zegt Deuze (1999), maakt niet exclusief

deel uit van het internetdiscours aangezien er ook al andere media zoals radio

geclaimd hebben interactief te zijn (Deuze, 1999: 377). In het academische

discours werd er met betrekking tot interactiviteit tot op heden vooral een

tweedeling gemaakt tussen de ‘participatory communication’ en de ‘control

over content between users’ enerzijds als het ‘more or less elaborate feedback

mechanism of two-way or multiple way communication’ anderzijds (Steuer,

1992; King, 1998).

Met betrekking tot nieuwswebsites kan interactiviteit aanwezig zijn in de

vorm van een tussenkomst in het communicatieproces (bvb. e-mail,

discussieforum of chat). Dat is dan wat we noemen ‘communication

23
interactivity’, ‘interpersonal interactivity’ (Massey and Levy, 1999: 140) of

‘audience involvement’ (Pavlik, 2001).

De tweede vorm van interactiviteit heeft betrekking op het selecteren van de

content. Pavlik heeft het over ‘customization’ (Pavlik, 2001), terwijl Massey en

Levy spreken van ‘content interactivity’ (Massey and Levy, 1999: 140).

Wij houden het, in navolging van Paulussen (2004), bij de begrippen

‘consultatie-interactiviteit’ en ‘conversatie-interactiviteit’.

Paulussen (2004) definieert consultatie-interactiviteit als volgt:

“Hier wordt interactiviteit gerelateerd aan de mate waarin de consument

controle verwerft over de informatie- en communicatiestroom. De gebruiker

kan op het internet inderdaad zelf beslissen, waar, wanneer en hoe hij/zij een

onlinemedium bezoekt en welke informatie hij/zij daar dan raadpleegt.”

(Paulussen, 2004: 289)

Over de conversatie-interactiviteit zegt Paulussen (2004) dit:

“(de conversatie-interactiviteit) heeft betrekking op de mogelijkheden tot

feedback en andere interactievormen tussen de mediaproducent en de

consument en tussen de consumenten onderling.” (Paulussen, 2004: 289)

Hoewel bovenstaande tweedeling van Paulussen (2004) een helder en

interessant vertrekpunt is, kan de term ‘interactiviteit’ toch nog enige

verfijning gebruiken.

24
2.2.2 Interactiviteit: verfijning

Heeter (1989) probeerde de uiteenlopende visies op interactiviteit samen te

voegen in een coherent pakket van zes dimensies. Van die zes dimensies

bleken er – volgens de herdefiniëring van interactiviteit van Massey en Levy

(1999) - evenwel slechts vier2 nauw genoeg aan te sluiten bij de literatuur met

betrekking tot online journalistiek. Massey en Levy (1999) selecteerden de

onderstaande vier dimensies uit de zes die Heeter (1989) formuleerde:

1) Complexity of choice available:

de mate waarin gebruikers de keuze hebben om hun eigen weg

doorheen de beschikbare informatie uit te stippelen3.

2) Responsiveness to the user:

het niveau tot waarop online journalisten kunnen reageren op leden

van hun publiek. Het is mogelijk om de opdeling te maken tussen

‘potential for responsiveness’ (verwijst naar de aanwezigheid van e-

mailadressen waarop je de online journalist kan mailen) en ‘actual

responsiveness’ (verwijst naar of journalisten ook daadwerkelijk

antwoorden als ze een mail krijgen van een user).

3) Ease of adding information:

de mogelijkheid voor users tot asynchrone, ‘one-to-many’

communicatie.

2
De twee dimensies ‘efforts must exert’ (waarmee bedoeld wordt dat gebruikers moeite moeten doen
om informatie te bekomen) en ‘monitoring information use’ ( ofte de mate waarin het medium de
mogelijkheid heeft om het gebruik te registeren, bijvoorbeeld aan de hand van klikcijfers en cookies)
vallen buiten onze beschouwing.
3
Naar Paulussen (2004: 290)

25
4) Facilitation of interpersonal communication:

verwijst naar de mate waarin een nieuwswebsite zich presenteert als

een kanaal waarop users in synchrone communicatie kunnen treden

met elkaar.

Massey en Levy (1999) besluiten door te zeggen dat “online journalistiek pas

echt een interactief karakter krijgt wanneer de ‘content consumers’

(nieuwsgebruikers) de mogelijkheden hebben om ‘content creators’

(nieuwsmakers) te worden” (Massey and Levy, 1999: 141).

2.3 Hypertekstualiteit

“Hypertekstualiteit heeft betrekking op de mate waarin verschillende teksten

(of tekstfragmenten) via hyperlinks met elkaar worden verbonden, zodat een

‘hypertext’ ontstaat.” (Paulussen, 2004: 294)

2.3.1 Definiëring

Volgens Burnett (2003) moeten we ‘hypertext’ opvatten als “a term that

describes the extension of an existing text into other areas and other domains

(Burnett and Marshall, 2003, zoals geciteerd in Oblak, 2005: 94).

Dahlgrens (1996) definitie van hypertekstualiteit omvat de gedachte dat

hypertext de fundamentele lineariteit - die de traditionele media al eeuwig

kenmerken – verdrijft, maar duidt ook op de ‘bias toward terseness’ waarmee

Dahlgren doelt op het steeds beknopter worden van teksten. Het spreekt voor

zich dat het toevoegen van hyperlinks in een tekst daartoe bijdraagt.

26
Paulussen (2004) merkt op dat “hyperlinks de essentie vormen van het World

Wide Web. Zonder hyperlinks zou het gewoon onmogelijk zijn om via

simpele muisklikken van webpagina naar webpagina te surfen, en van site tot

site” (Paulussen, 2004: 294).

Ook de bevinding van Manovich (2001) is het aanraken waard:

“The very principle of hyperlinking, which forms the basis of much of

interactive media, objectifies the process of association often taken to be

central to human thinking. Mental processes of reflection, problem solving,

recall and association are externalized, equated with following a link, moving

into a new page, choosing a new image, or a new scene. (...) In short, we are

asked to follow pre-programmed, objectively existing associations.”

(Manovich, 2001: 74)

... maar er dieper op ingaan zou ons te ver leiden.

Deuze benadrukt evenwel een belangrijk onderscheid tussen ‘internal and

external dimensions of hypertextuality’ dat in de volgende paragraaf van

naderbij bekeken wordt.

2.3.2 Interne vs externe hyperlinks

De eerste dimensie, ‘interconnectedness’, kan via hyperlinks intern verwijzen

naar andere teksten binnen hetzelfde tekstgebied. De tweede – externe –

dimensie verwijst naar teksten die zich elders in cyberspace bevinden. Dat

zijn twee behoorlijk verschillende vormen van hypertekstualiteit, daar de ene

nieuwe content opent, terwijl de andere leidt tot een neerwaartse spiraal van

content op dezelfde website. (Deuze, 2001 in Oblak, 2005: 96)

27
De interne hyperlinks verwijzen dus naar teksten op de eigen nieuwswebsite

terwijl de externe links de user als het ware wegleiden van de eigen

nieuwswebsite naar andere sites. Ted Nelson (1999), een van de ‘founding

fathers’ van hypertext, merkt hierbij op dat “the whole purpose of hypertext

in fact is to open up and make available all kinds of documents (content) as

much as possible”. Maar wanneer we kijken naar welke hyperlinks er

aangeboden worden door nieuwswebsites dan valt op dat maar weinig

nieuwssites gebruik maken van externe hyperlinks.

De reden daarvoor is het feit dat het gebruik van externe hyperlinks

onvermijdelijk vragen over copyright oproept. En dan laten we de

internationale discussie omtrent deep-linking4 nog buiten beschouwen. Het is

immers maar zeer de vraag of het overnemen van content van andere sites

door er naar te verwijzen met een link die de user rechtstreeks naar het artikel

in kwestie leidt – en hem bijgevolg de reclame op de homepage bespaart –

wel binnen de ethische grenzen van de online journalistiek valt.

2.3.3 De archieffunctie

“Hypermedia zorgen ervoor dat de hoeveelheid content aanwezig op het

www virtueel onbeperkt is” (Beyers, 2002: 349). Dat is waarom

hypertekstualiteit uiterst geschikt is om oude artikels te archiveren. Beyers

(2002) beargumenteert dat die archieffunctie zowel als een facet van

hypertekstualiteit als van interactiviteit beschouwd kan worden. Enerzijds

linken archieven bepaalde stukken informatie aan andere stukken maar

4
Deep-linking wordt door Deuze gedefinieerd als “bypasing a site’s homepage with a hyperlink to
directly access a certain page or fragment of information available online” (Deuze, 2003: 212).
Daarmee bedoelt Deuze (2003) dat de online nieuwsconsument via een deeplink meteen naar de
(sub)pagina in kwestie geleid kan worden. Op die manier loopt de user natuurlijk wel de reclame en
informatie die op de homepagina staat mis.

28
anderzijds gaat er een interactieve ‘feature’ schuil in het feit dat de user als het

ware de controle verwerft om die archieven te gaan doorzoeken (Paulussen,

2002: 1-9). Een goed archief maakt het met andere woorden voor de gebruiker

zo eenvoudig mogelijk om zelf te zoeken wat hij of zij wenst en zo zijn/haar

kennis over een bepaald onderwerp op een eenvoudige en bevredigende

wijze te vergroten (Dahlgren, 1996 in Paulussen; 2004: 295).

2.4 Immediacy

Het vierde en laatste basiskenmerk van de online journalistiek maakt de focus

van ons onderzoek uit en zal uitvoerig behandeld worden in hoofdstuk 3.

29
Hoofdstuk 3: Immediacy

Het vierde en meest omstreden basiskenmerk van de online journalistiek

maakt de focus uit van onze studie en dat is meteen ook de reden waarom

hoofdstuk 3 integraal gewijd is aan het begrip ‘immediacy’.

“When experienced through the eyes of journalists, speed can be seen as both

an essentialized value and a problematized side effect of newswork.”

(Deuze, 2005: 449)

3.1 Inleiding

Een journalist verslaat het nieuws. Het woord ‘nieuws’ op zich houdt

natuurlijk een zekere zin van directheid, van snelheid in aangezien iets alleen

nieuws kan zijn wanneer het nog nieuw genoeg is. We kunnen dus stellen dat

het werk van elke journalist een bepaalde vorm van snelheid en ‘fast decision-

making’ met zich meebrengt. Online journalisten werken – nog meer dan

journalisten uit de traditionele media – in een zogenaamde ‘accelerated real-

time’ (Deuze, 2005).

“A lack of immediacy, according to Bolter and Grusin (1999), is the main

inadequacy of older media that new media seek to improve upon.” Over de

plaats van immediacy binnen het spectrum van de kenmerken van de online

journalistiek zijn Heeter (1999) en Bardoel (2002) het – zoals eerder al gezegd -

niet eens maar ook Heeter (1999) noemt immediacy “(…) the one

characteristic of online news that most clearly distinguishes it from news

delivered by traditional print media” (Heeter in Massey and Levy, 1999: 141).

30
Ook Massey en Levy (1999) omschrijven immediacy (of content) als “(…) the

one characteristic of online journalism that most clearly distinguishes it from

traditional journalism” (Massey and Levy, 1999: 527)

Bovenstaande quotes zijn ondertussen gemeengoed geworden maar toch

duurde het tot 1997 vooraleer het potentieel van het www, wat de directheid

van berichtgeving betreft, werd ontdekt. In februari 1997 maakte het

Amerikaanse Dallas Morning News gebruik van haar website om direct

verslag uit te brengen over ‘Oklahoma city bomber’, Timothy McVeigh.

In dit hoofdstuk gaan we in eerste instantie in op de definitie van de term

‘immediacy’ en komen we in aanraking met termen zoals ‘accuracy’, ethiek,

objectiviteit en permanente deadline. Ook de voor- en nadelen van de

directheid van het online nieuws worden bij wijze van conclusie van dit

hoofdstuk besproken.

3.2 Terminologie

Wanneer we de term ‘immediacy’ gebruiken dan klinkt dat natuurlijk erg

abstract. Toch houdt het merendeel van de auteurs vast aan de term

‘immediacy’. Paulussen (2004) vertaalde de term afwisselend als ‘snelheid’ en

als ‘onmiddellijkheid’, maar vermeldt bij die tweede vertaling wel het woord

‘immediacy’ tussen haakjes. Het woord ‘snelheid’ is ons inziens te ruim en

‘onmiddellijkheid’ is eigenlijk zelfs geen correct Nederlands.

Beyers (2002) heeft het over de ‘permanente actualiteit’, maar die term is

eerder een gevolg van de directheid van het internet dan een synoniem van

de term ‘immediacy’.

Wij zullen het hebben over de ‘directheid’ van het internet, maar we zullen

ook meer dan eens teruggrijpen naar de vertrouwde term – immediacy – zelf.

31
3.3 Definiëring

In de journalistiek wordt de term ‘immediacy’ gebruikt om de directheid

waarmee er aan verslaggeving wordt gedaan te omschrijven. “It is about

delivering information immediately”, volgens Omar (2008).

Immediacy is zowel voor de nieuwe media als voor de traditionele media een

belangrijk facet van de nieuwsverslaggeving. Maar de rol van de technologie

met betrekking tot immediacy maakt het verschil tussen de directheid van de

traditionele media ten opzichte van de nieuwe media wel erg groot. De

nieuwe media hebben immers het voordeel van computer- en

telecommunicatienetwerken die het brengen van nieuws - op het moment dat

het zich ontspint - vergemakkelijken.

Massey en Levy (1999) hebben het over de ‘immediacy of content’ - en

beschouwen die als een onderdeel van het kenmerk interactiviteit – maar hun

definitie blijft wel gelden voor wat wij immediacy noemen:

“It can be defined as the extent to which a Web newspaper offers its readers

the most immediately available information.” (Massey and Levy, 1999: 527)

Het basisconcept van immediacy is met andere woorden redelijk duidelijk.

‘Immediacy’ houdt in dat er – virtueel gezien – geen vertraging zit op het

proces van wanneer de journalist informatie ontvangt of creëert en wanneer

de informatie doorgegeven wordt aan de nieuwslezer (Karlsson, 2007).

Dat wordt volgens Karlsson (2007) enerzijds mogelijk gemaakt door het feit

dat informatie tegenwoordig digitaal is en anderzijds door het feit dat de

informatie eigenlijk niet echt verspreid wordt, althans niet in de strikte zin

van het woord. Dat betekent dat de informatie de nieuwsproducent nooit

32
volledig verlaat, tenzij iemand natuurlijk de hele website downloadt zodat hij

de informatie kan bewerken.

Karlsson (2007) noemt het communicatiepatroon van websites ‘consultative

communication’. Bij ‘consultative communication’ blijft de nieuwsproducent

- in deze de online journalist – wel de controle behouden over welke content

er beschikbaar is voor de lezer, maar hij controleert in veel mindere mate

wanneer die content geconsumeerd wordt.

De basisdefinitie van immediacy mag dan wel duidelijk zijn, de term brengt

onvermijdelijk stof tot discussie met zich mee en roept heel wat vragen op.

Die worden in de volgende paragrafen uitvoerig besproken.

3.4 Twee soorten immediacy

Volgens Deuze (2005) is er sprake van twee soorten immediacy.

In een digitale omgeving hebben online journalisten de mogelijkheid om hun

artikels constant bij te werken en te herschrijven. Als ze dat zouden wensen

kunnen ze zelfs de lezers betrekken in het proces door hen de mogelijkheid te

geven om feedback te geven, files up te loaden en ‘comments’ te posten.

Anderzijds stelt Cottle (2000) dat net de neiging om sneller te werken de

journalistieke cultuur verhindert om zich open te stellen, zowel op

redactioneel gebied als op het gebied van bronnen (bvb. verschillende talen

toelaten). Terwijl de mogelijkheid tot feedback een duidelijk voordeel van

immediacy is, wordt de verhindering om zich open te stellen voor

bijvoorbeeld bronnenmateriaal in vreemde talen eerder als een nadeel van de

directheid van de online journalistiek beschouwd.

Kortom, immediacy slaat op de directheid die inherent is aan de online

journalistiek - waar de structuur van de 24/7-deadline heerst – maar

33
anderzijds betekent immediacy ook exact het tegenovergestelde, in die zin dat

het ook diepte, exhaustiviteit en verschillende perspectieven mogelijk maakt

(Deuze, 2005).

3.5 Immediacy en de permanente deadline

De term ‘permanente deadline’ heeft heel wat synoniemen: ’24 h deadline’,

‘twenty-four-minute news cycle’ en ‘permanente actualiteit’ zijn de drie

voornaamste. Wij zullen het in ons onderzoek houden op ‘permanente

deadline’ omdat het woord ‘deadline’ duidelijk aangeeft dat het hier een

journalistieke activiteit betreft. De permanente deadline is een gevolg van de

technologische evolutie die de journalistiek heeft gekend aan het einde van de

twintigste eeuw. De directheid waarmee er nu kan worden bericht staat in

schril contrast met de directheid waarmee er vroeger verslag werd

uitgebracht. Dat is waar Karlsson (2007) op doelt als hij het heeft over de

‘shortened news cycle’.

Kovach en Rosenstiehl (1999, zoals geciteerd in Karlsson, 2007: 4) omschrijven

de permanente deadline als een deadline die “elke minuut aanwezig is” en

Seib (1999, zoals geciteerd in Karlsson, 2007: 4) merkt op dat de deadline

“altijd nu” is. Bij printmedia ligt dat bijvoorbeeld heel anders. Daar is er

sprake van een vaste deadline, namelijk een krant per 24 uur. De

krantenjournalist heeft een deadline die hij moet zien te halen en hij weet

wanneer die deadline verstrijkt. De lezers van hun kant weten wanneer het

nieuws hen zal bereiken. Bij digitale kranten is er geen sprake van een

deadline: het internet is dan ook het enige medium dat noch een vast tijdstip,

noch een vaste periodiciteit voor publicatie heeft (Beyers, 2002).

34
Radio- en tvjournalisten moeten dan wel meerdere deadlines per dag zien te

halen, maar toch is daar nog altijd geen sprake van een permanente deadline

zoals dat bij de online media het geval is. Het verschil gaat schuil in het feit

dat radio en televisie een op voorhand vastliggende programmatie dienen te

volgen en dat is voor nieuwswebsites niet het geval. Het feit dat online

kranten geen ‘sluitingsuur’ kennen geeft het gebrachte nieuws een hoog

‘teletekstgehalte’ volgens Beyers (2002): de berichtgeving is steeds minder

gericht op analyse, maar eerder op snelle verspreiding. Beyers (2002) is niet de

eerste die zich zorgen maakt om de switch van het aloude journalistieke

adagium ‘get it first but first get it right’ naar het veel modernere ‘get it first’

en daar gaat in de volgende paragrafen dan ook al onze aandacht naartoe.

3.6 Immediacy en ‘accuracy’: een onmogelijk huwelijk?

“the ability to deliver instant information may override the need to deliver

accurate information.” (Singer, 1997: 82)

Het onderzoek van Paulussen (2004) naar de vaardigheden van de Vlaamse

online journalist leverde een zorgwekkende combinatie van cijfers op.

Enerzijds hechten de ondervraagde journalisten in uiterst grote mate belang

aan het ‘zo snel mogelijk verspreiden van informatie’ (90,2% vindt het ‘zeer

belangrijk’) en anderzijds vindt amper 54,8% het zeer belangrijk om ‘duiding

(analyse en interpretatie)’ te verschaffen. Die cijfers lijken de vrees voor een

vervlakking van het nieuws, van ondermeer Paulussen (2004), Deuze (1999;

2001; 2003; 2005) en Karlsson (2007), te bevestigen. Zoals Paulussen (2004) zelf

aangeeft kan “de snelheid waarmee de journalist de feiten haalt en brengt ten

koste gaan van de accuraatheid van de berichtgeving” (Paulussen, 2004: 200).

Mann (1997) deelt die mening:

35
“Speed and immediacy are also, as we know, no friends of accuracy, fairness,

completeness and balance.” (Mann, 1997: 5)

Deuze en Yeshua (2001) wijzen op een bijkomende moeilijkheid voor de

online journalistiek: het is namelijk erg moeilijk om de geloofwaardigheid van

informatie op het web te controleren.

Daarbij komt dan nog eens dat online journalisten in de mogelijkheid zijn om

hun eventuele (schrijf)fouten met een paar muisklikken te verbeteren. Op zich

is dat een troef van het online medium, maar in de jacht op een scoop kan die

troef wel eens misbruikt worden. Deuze en Yeshua (2001) verwoorden het als

volgt:
“First we put it online and when it appears to be wrong we take it out.”

(Deuze and Yeshua, 2001: 279)

“The laissez-faire consensus of students was quite pragmatic about the issue:

one does his best and corrects when necessary.”

(Deuze and Yeshua, 2001: 285)

Een van de weinige auteurs die de combinatie tussen de accuraatheid van het

nieuws en de directheid waarmee het gebracht wordt optimistisch bekijkt is

Pavlik (2001, zoals geciteerd in Paulussen, 2004):

“By freeing journalists from the artificial, technologically induced deadline

delirium of twentieth-century journalism, the digital age may usher in an era

of journalism dominated less by the clock and more by the need to get the

facts – and the story – right.”

(Pavlik, 2001: 95, zoals geciteerd in Paulussen, 2004)

36
Het bovenstaande citaat zou betekenen dat de journalist zich dus helemaal

niet zou moeten laten opjagen door een deadline maar de realiteit leert ons

dat “geen deadline meer” eerder gelijk staat met “continue tijdsdruk” dan

met “voldoende tijd om de feiten te checken”. (Paulussen, 2004: 201)

Paulussen (2004) is het wel tot op zekere hoogte eens met een tweede –

eveneens optimistische – visie van Pavlik (2001).

Pavlik (2001, zoals geciteerd in Paulussen, 2004) merkt op dat het mes langs

twee kanten snijdt wat de fouten in de berichtgeving betreft. Enerzijds

worden fouten sneller gemaakt, maar daar tegenover staat dat ze ook sneller

opgemerkt worden. Het publiek heeft immers zelf steeds meer toegang tot de

informatie en kan dus veel gemakkelijker achterhalen of een journalist al dan

niet de waarheid vertelt (Paulussen, 2004: 201). Een opmerking van Paulussen

(2004) daarbij is evenwel dat “de ‘schade’ van de foute informatie dan al

aangericht kan zijn”.

We kunnen concluderen dat online journalisten over het algemeen nog steeds

vinden dat de informatie die ze brengen accuraat moet zijn, maar ze beseffen

tegelijkertijd hoe makkelijk ze eventuele fouten kunnen verbeteren. Dat

dubbele besef creëert een moeilijke evenwichtsoefening die in het slechtste

geval kan resulteren in het overboord gooien van ethische principes ten

voordele van de journalistieke scoop. Over de combinatie tussen immediacy

en ethiek handelt de volgende paragraaf.

3.7 Immediacy en ethiek

Zoals onderstaande quote van Hall (2001) aantoont is het voor de online

journalist vaak een moeilijke evenwichtsoefening om zo snel mogelijk te

berichten zonder de ethische code van de journalistieke met de voeten te

37
treden. Daarom verdient het verband tussen immediacy en ethiek onze

aandacht in deze paragraaf.

“The problem with instant news is that when it is wrong it tends to be buried

(…) rather than corrected.” (Hall, 2001: 133)

De professionalisering van de journalistiek doorheen de 20e eeuw loopt

parallel met de geschiedenis van de ethische kant van de journalistiek – en

dan vooral sinds de toepassing van de ‘Code of Bordeaux’ die door de

Internationale Federatie van Journalisten werd besproken in 1956

(Nordenstreng and Topuz, 1989). Een vergelijking van de ethische codes in

verschillende Europese landen en landen uit het Midden-Oosten toont aan

dat er in de ethische richtinglijnen ondanks de – politiek en cultureel

geïnspireerde – verschillen toch ook een aantal gemeenschappelijke ‘key

elements’ naar voren komen: met name waarheid en objectiviteit (Hafez, 2002

in Deuze, 2005: 449).

Volgens Ryan (2001, in Deuze, 2005: 448) kunnen we ethiek zelfs opvatten als

de allesomvattende waarde van de journalistiek. Deuze (2005) wijst op het

dubbele belang van de ethiek in de journalistiek:

“(…) ethics can be both a flag behind which to rally the journalistic troops in

defense of commercial, audience-driven or managerial encroachments, as well

as an emblem of newsworkers’ legitimacy when reporting on complex events

(…)” (Deuze, 2005: 458)

Onder invloed van onder andere de digitalisering en de commercialisering

heeft de journalistiek – en met haar dus ook de waarde ‘ethiek’ – een hele

evolutie doorgemaakt.

38
Zoals Jaworski (2004) opmerkt draagt de directheid van de online

journalistiek bij aan het beeld van de hardwerkende journalist, maar het is

van uiterst groot belang dat de online journalist in de race naar de scoop niet

voorbijgaat aan de ethische codes van de journalistiek. Deuze (2005)

verwoordt het als volgt:

“To be first with a news item, to beat the competition, is a part in the

journalistic ideology and is both an essentialized value and problematized

effect of news work.” (Deuze, 2005)

Een ander ethisch grensgeval houdt nauw verband met het gemak waarmee

er online artikels overgenomen kunnen worden van andere sites. De

overname van, delen van, een artikel is online nooit meer dan een paar

muisklikken verwijderd en net daarin schuilt het gevaar. Deuze en Yeshua

(2001) waarschuwen dan ook voor die grensvervaging:

“Copying someone else’s work used to be a definite ‘no-no’ in journalism:

nowadays, online, it is considered good form to link to every available text on

the topic or offer downloads of anything the surfer wants. There is a fine line

between sharing and plagiarism (Deuze, 1999).” (Deuze and Yeshua, 2001:

280)

Zoals eerder al gemeld heeft de online journalistiek een compleet andere

medialogica dan de traditionele media. Samen met de medialogica verandert

ook de ethische waarde, maar aangezien hieromtrent amper studies

voorhanden zijn, is het momenteel bijzonder moeilijk om in te schatten in

welke mate dat het geval is.

39
3.8 Immediacy en objectiviteit

Net zoals de combinatie immediacy - ethiek is ook het samenspel van

immediacy en objectiviteit een te duchten evenwichtsoefening. Alleen al

daarom verdient de tweede combinatie onze aandacht in de onderstaande

paragraaf.

“Objectivity may not be possible but that does not mean one should not strive

for it, or redefine it in such a way it in fact becomes possible.” (Ryan, 2001)

De problematische status van objectiviteit heeft ervoor gezorgd dat academici

en onderzoekers de waarde ‘objectiviteit’ zijn gaan herdefiniëren naar termen

zoals ‘fairness’, ‘professional distance’, ‘detachment’ of ‘impartiality’.

Ondanks die problematische status bestaat er nog steeds een wijdverspreid

verlangen naar objectiviteit binnen de journalistiek. Toch is het streven naar

objectiviteit niet altijd de norm geweest (Schudson, 1978) en is het ook

vandaag de dag niet de drijfveer van elk medium – denk maar aan de Britse

krant The Economist. Daarin schuilt evenwel niet de bedoeling van deze

paragraaf.

Wel willen we bij deze aangeven dat objectiviteit in ‘visual journalism’ een

heel andere betekenis heeft als in ‘print journalism’. Daar waar de

beschrijving van een event perfect uitgebalanceerd kan zijn, gelden er voor de

manier waarop datzelfde event gefilmd wordt andere regels en bij uitbreiding

zelfs een volledig andere medialogica (Deuze, 2004: 282).

Daarom oppert Deuze (2004) dat objectiviteit in een multiculturele

multimediacontext gezien moet worden als een multiperspectivale manier

van ‘storytelling’. Die visie gaat een stuk verder dan de gebruikelijke ‘hoor-

en-wederhoor’-stijl die momenteel geldt als opvatting van de ideologische

40
waarde die objectiviteit vast en zeker is. Met andere woorden, een actief

bewustzijn van zowel de mediatechnologie als de culturele pluraliteit maakt

de kern van de term ‘objectiviteit’ nog complexer dan die al was (Deuze, 2004:

283).

Het debat over de waarde en het belang van objectiviteit binnen de

journalistiek kent vele stemmen en zal waarschijnlijk tot in de eeuwigheid

voortduren.

3.9 De link tussen immediacy en de drie andere basiskenmerken

3.9.1 Multimedia en immediacy

Uit paragraaf 2.1.1 en 2.1.2 zouden we kunnen besluiten dat het verband

tussen multimedia en immediacy een negatief verband is. Het lijkt voor zich

te spreken dat wanneer een journalist tijd moet stoppen in het zoeken naar

een passende foto of een leuke video voor bij zijn artikel, dat die zoektijd dan

ten koste gaat van het snelle online plaatsen van het artikel. Het

wetenschappelijk onderzoek naar het verband tussen multimedia en

immediacy is evenwel schaars en wij eigenen ons bijgevolg dan ook niet het

recht toe om uitspraken te doen die we niet kunnen staven met

wetenschappelijk onderzoek. Verder onderzoek naar dit verband lijkt ons dan

ook raadzaam en interessant.

3.9.2 Interactiviteit en immediacy

Heeters (1989) aanpak van interactiviteit – zoals reeds besproken in paragraaf

2.2.2 - biedt geen plaats aan het kenmerk dat online journalistiek misschien

41
wel het meest onderscheidt van de traditionele journalistiek, namelijk

‘immediacy’ (Massey and Levy, 1999: 141).

Massey en Levy (1999) voegen daarom nog een vijfde dimensie - ‘immediacy

of content’ - toe die zij zelf definiëren als “the extent to which a Web news

sites provide consumers with the most immediately available information”

(Massey and Levy, 1999: 141).

Er heerst – zoals eerder al aangegeven - ambiguïteit omtrent de plaats die

immediacy in het spectrum van de basiskenmerken van de online

journalistiek inneemt. Massey en Levy (1999) beschouwen de ‘immediacy of

content’ als een deel van het kenmerk interactiviteit. Bardoel (2002b)

daarentegen beschouwt zijn ‘a-synchroniteit’5 – die nauw samenhangt met de

term ‘immediacy’ of content’ - als een vierde basiskenmerk (naast multimedia,

interactiviteit en hypertekstualiteit) van online journalistiek.

Uit hoofdstuk 3 blijkt dat de meningen verdeeld zijn en dat de grens tussen

interactiviteit en immediacy een zeer vage grens is.

3.9.3 Hypertekstualiteit en immediacy

“Maar niet alleen kunnen nieuwswebsites via hypertext en web-archieven

terug in de tijd keren (verticale uitbreiding), hyperlinks kunnen ook het

blikveld in de breedte verruimen (horizontale uitbreiding)” (Paulussen, 2004:

296). Die horizontale uitbreiding gaat concreet als volgt in z’n werk: wanneer

een online journalist een vervolgartikel schrijft, dan kan hij naar het initiële

event verwijzen aan de hand van een hyperlink. Op die manier hoeft hij niet

het hele verhaal opnieuw uit de doeken te doeken zodat zijn lezers kunnen

volgen, maar kan hij zich er dus als het ware van af maken met één zin die
5
‘a-synchroniteit’ verwijst naar “de omstandigheid dat informatie naar believen op het moment van
uitzending of op een later tijdstip ontvangen kan worden, en dat daarmee factoren als tijd, periodiciteit
en actualiteit minder relevant worden” (Bardoel in Paulussen 2004: 291)

42
een hyperlink naar het eerste artikel bevat. Het dient geen betoog dat

hypertekstualiteit in die context een gunstige invloed heeft op de directheid

van berichtgeving (‘immediacy’). De online journalist moet immers geen tijd

meer stoppen in het oprakelen van de bij de user al dan niet reeds bekende

feiten en kan na het plaatsen van de hyperlink meteen aan het eigenlijke

nieuwsstuk beginnen. Het kaderen van dat nieuws kan gebeuren met behulp

van hyperlink en dient niet meer allemaal beschreven te worden. Dat

vergemakkelijkt het werk van de online journalist en zorgt ervoor dat hij zijn

artikel aanzienlijk sneller kan publiceren.

3.10 Factoren die immediacy vergemakkelijken

De directheid van het world wide web, de snelheid waarmee artikels op

nieuwswebsites gebracht kunnen worden is een kenmerk dat typisch is voor

de online journalistiek. Het gegeven ‘immediacy’ is ontstaan op het moment

dat de digitalisering plaatsvond en wordt nu vergemakkelijkt door een heel

aantal factoren en toepassingen.

De eerste vergemakkelijkende factor was de overschakeling van smallband

naar broadband. De opkomst van de broadband mag dan wel vooral

merkbaar zijn bij het downloaden van grote files zoals video clips, de

internetverbinding wordt er in zijn geheel sneller door. Wat maakt dat

nieuwsconsumenten sneller aan hun portie dagelijks nieuws kunnen

toekomen.

Er zijn ook andere technologische vernieuwingen die de directheid van de

online journalistiek ten goede zijn gekomen. De laptop is de eerste

vernieuwing in een lange rij van technologische snufjes die het internet

draagbaar – en bijgevolg ook overal raadpleegbaar – hebben gemaakt. Andere

43
gadgets die in het rijtje van de laptop thuishoren zijn ondermeer de

smartphones waarop het internet heel makkelijk te consulteren valt. Dankzij

de uitvinding van de smartphone heeft een (potentiële) nieuwsconsument het

nieuws altijd en overal in zijn binnenzak zitten. Via de smartphones, laptops

geraakt het nieuws sneller bij de consument en in die optiek kunnen we

spreken van een versoepeling van de directheid van het internet. De

nieuwigheden zoals kindles en e-readers zijn in mindere mate gericht op de

consument die geïnteresseerd is in de snelle nieuwsconsumptie op het

internet maar eerder op boekenlezers.

Een andere online toepassing die het begrip ‘immediacy’ niet meteen

vergemakkelijkt, maar zeker wel een andere invulling geeft, is het Twitter-

fenomeen. Eigenlijk is er hier sprake van de meest efficiënte manier om de

directheid van het internet te gebruiken. Nergens wordt het potentieel van het

begrip ‘immediacy’ zo goed benut als op twitter.com, waar ‘twitteraars’ hun

‘followers’ aan de hand van één simpele ‘tweet’ vaak al enkele seconden na

het event laten weten wat er gebeurd is. Recente voorbeelden van de

directheid waarmee de twitteraars melding maken van een event zijn de crash

van het vliegtuig in Schiphol en de in laatste instantie vermeden ramp met de

Airbus op de Hudson River. In beide gevallen werd het nieuws eerst gebracht

door een user van Twitter.com.

Dat er daarmee een journalistieke functie – namelijk het brengen van nieuws –

verschuift naar de publieke sfeer wordt in de volgende paragraaf besproken,

waar we de voor- en nadelen van immediacy op een rijtje zetten.

3.11 Immediacy: samengevat in voor- en nadelen

Het nieuws is nooit sneller bij de consument geraakt dan nu het geval is. Toch

roept de directheid van de online journalistiek ook een heleboel vragen op

44
met betrekking tot accuraatheid, plaats voor duiding en uitholling van de

journalistieke geloofwaardigheid. Bij wijze van conclusie van het derde

hoofdstuk zetten we de voor- en nadelen van immediacy nog even op een

rijtje.

3.11.1 Nadelen van immediacy

De vaakst gehoorde kritiek op immediacy is dat het niet te rijmen zou vallen

met de accuraatheid van berichtgeving. Snelle berichtgeving zou aan

accuraatheid inboeten en de stelling van Paulussen (2004) die zegt dat “hoe

langer een journalist aan een verhaal werkt, hoe completer en accurater het

zal worden” lijkt op te gaan.

In de hiërarchie der journalistieke waarden moet accuraatheid ons inziens

altijd hoger staan dan directheid, maar de medialogica van de online

journalistiek moet ook ten allen tijde gerespecteerd worden. Het is voorlopig

nog een (te) moeilijke evenwichtsoefening tussen sneller berichten dan de

traditionele media doen maar toch een meer dan voldoende accuraat artikel

afleveren zodat de geloofwaardigheid van het online medium in stand wordt

gehouden. Maar het spreekt voor zich dat de onderstaande quote van Tom

Brokaw het absoluut te vermijden scenario is:

“(T)he essence of this new technology is speed. If journalism is reduced

simply to an exercise in swiftness, then we will have become hostages to new

technologies; and not the masters of it.” (Tom Brokaw in Willis, 1994: 190)

Een rechtstreeks gevolg van de directheid waarmee de online journalistiek

verslag kan uitbrengen is dat de online journalist – veel meer nog dan zijn

collega uit de traditionele media - in een klimaat moet werken waar een

continue tijdsdruk heerst. We hebben het in paragraaf 3.5 al gehad over de

45
permanente deadline die heerst in de online journalistiek en die brengt

gevaren met zich mee. De verleiding om de nieuwswebsite vol te stouwen

met – al dan niet herwerkte - content uit de printmedia (de zogenaamde

‘shovelware’) is heel erg groot. Paulussen (2004) verwoordt het als volgt:

“Uit onderzoek in de VS en in Duitsland blijkt dat tijdsdruk (samen met een

gebrek aan mankracht) een ernstige bedreiging kan vormen voor de kwaliteit

van het werk van online journalisten.”

(Arant and Anderson, 2001: 57; Neuberger, 2003: 136 in Paulussen, 2004)

Immediacy brengt nog een derde nadeel met zich mee, namelijk de dubbele

gemakzucht die bij de online journalist kan optreden. Die gemakzucht lijdt

enerzijds tot een verslapping van het ‘check and double check’ advies dat

jarenlang gangbaar was in de (traditionele) journalistiek en anderzijds tot een

soort ‘news is where the reporter is’-gevoel.

In het eerste geval is het excuus van de online journalist eerder voor de hand

liggend. Wanneer blijkt dat een artikel (schrijf)fouten bevat dan zijn die

fouten immers zo verbeterd en kan het artikel desnoods zelfs helemaal

verwijderd worden. Dat heeft tot gevolg dat de online journalist in de

verleiding komt om de tweede ‘check’ achterwege te laten.

In het tweede geval ligt het iets anders. Het ‘the news is where the reporter

is’-gevoel is namelijk niet typisch voor online journalistiek, maar het speelt

daar wel in grotere mate. Net omwille van het grote belang van directheid zal

een online journalist sneller geneigd zijn om gewoon verslag uit te brengen

over iets waar hij makkelijk toegang tot heeft, over iets dat ‘nabij’ is dan dat

hij echt op zoek gaat naar nieuws. Reportages van een online journalist die in

allerijl ter plaatse is gegaan omdat er een dramatisch nieuwsfeit – zoals een

gijzeling of een natuurramp - plaatsvindt zijn eerder uitzondering dan regel

(Lewis et al., 2005: 467). Het mag natuurlijk niet zo zijn dat de nadruk enkel

46
en alleen op directheid komt te liggen. Er moet een goed evenwicht zijn

tussen directheid en duiding, maar dat is niet altijd het geval en dat brengt

ons meteen bij het vierde nadeel van immediacy.

Nieuwswebsites zouden zich volgens vele auteurs hoofdzakelijk richten op

het snelle nieuws, eerder dan op de diepgaande analyse. Dat is inderdaad

vaak het geval – en het mag niet zo zijn dat het online nieuwsaanbod een

amalgaam wordt van hapklare nieuwsbrokjes – maar de vraag is of een

diepgaande analyse op een nieuwswebsite wel werkt. Er moet immers ook

hier weer rekening gehouden worden met het feit dat het internet een

compleet andere medialogica heeft dan de printmedia, waar een analyse wel

kan, en de audiovisuele media, waar de duidingprogramma’s goed scoren.

James (2005) merkt hierbij het volgende op :

“There is also something insidious about the focus on presence and

immediacy: it favours spectatorship over investigation, suiting prepackaged

news events (which are easy to cover live) regardless of the quality or

relevance of information they contain. (...) it creates a feeling of discovery

while doing little to enhance understanding.” (Lewis et al., 2005: 468)

Het mag dus niet zo zijn dat er absoluut geen duiding te vinden is op het

internet, maar wanneer er in deze rekening gehouden wordt met de

medialogica zal de perfect gedoseerde afwisseling tussen snel nieuws en

duiding eerder een voordeel dan een nadeel van immediacy worden.

Voorlopig is het evenwel nog zoeken naar dat evenwicht.

Het vijfde en laatste nadeel van immediacy heeft betrekking op de vele

‘amateurs’ die op het internet als het ware de taak van een journalist kunnen

overnemen. Het internet is in die zin een laagdrempelig medium dat het

47
twitteraars de kans geeft om snel te berichten over een bepaald event, dat het

de gewone man in de straat de kans geeft om op eender welk artikel of

nieuwsbericht te reageren in een comment en dat het diezelfde gewone man

in staat stelt om zijn eigen weblog aan te maken.

Dat die User Generated Content – zoals reeds besproken in paragraaf 1.2.2 -

soms professionele vormen begint aan te nemen mag voor sommigen dan wel

een probleem lijken, de online journalistiek kan die User Generated Content

wel degelijk als een troef uitspelen. In geen enkel ander medium kunnen de

zogenaamde ‘amateurs’ ingeschakeld worden in het proces van de

verslaggeving en dan meer bepaald in het razendsnel aanreiken van

belangrijke events, zoals vele twitteraars nu al doen. Het feit dat elke burger

nu een beetje ‘journalist’ kan zijn biedt voor de professionele online

journalisten uiteraard mogelijkheden. Wanneer de User Generated Content in

goede banen wordt geleid door de professionele online journalisten wordt dit

laatste nadeel eigenlijk omgebogen in een voordeel.

Dat brengt ons naadloos bij de volgende paragraaf waar we de voordelen van

de directheid van het internet op een rijtje zullen zetten.

3.11.2 Voordelen van immediacy

Uit het onderzoek van Paulussen (2004) blijkt dat ‘het zo snel mogelijk

verspreiden van informatie’ erg hoog – 90,2% van de ondervraagde

journalisten vindt het ‘zeer belangrijk’ - staat op het prioriteitenlijstje van de

online journalist.

Er kan dus gesteld worden dat het grootste – en tweeledige - voordeel,

namelijk snellere ‘newsgathering’ en snellere ‘news distribution’,

genoegzaam bekend is bij de professionals. Ook Paulussen (2004) stelt dat

“(…) door de komst van de computer en het internet de journalist sneller en

48
eenvoudiger dan ooit informatie kan verzamelen” (newsgathering). “Tegelijk

maken de nieuwe communicatietechnologieën het ook mogelijk om

informatie steeds sneller te ‘brengen’ (news distribution): via radio en tv,

maar ook op het web gebeurt de verspreiding van informatie alsmaar meer ‘in

real time’” (Paulussen, 2004: 280).

We hebben de mogelijkheid tot correctie al besproken als nadeel van

immediacy, maar het is uiteraard ook een groot voordeel wanneer je als

journalist een eventuele (schrijf)fout snel kan corrigeren. Dat is bij een

krantenartikel, een radio-uitzending en een nieuwsitem niet zo en dat heeft

een online nieuwsartikel dus duidelijk voor op de producties van de

traditionele media. Uiteraard doet de online journalist er goed aan om uiterst

omzichtig om te springen met die correctiemogelijkheid. Het mag dus niet zo

zijn dat fouten “eerder begraven dan verbeterd” (Hall, 2001) worden op het

internet.

Het derde voordeel van immediacy hangt nauw samen met wat Pavlik (2001)

het “gedwongen worden om accuraat te handelen” noemt. Door de

directheid waarmee er naar informatie gezocht kan worden kan een

nieuwsconsument zelf de accuraatheid van een artikel (proberen te)

controleren. Paulussen (2004) is het ermee eens dat “het publiek immers zelf

steeds meer toegang heeft tot de informatie en dus veel makkelijker kan

achterhalen of een journalist al dan niet de waarheid vertelt”. De online

journalist staat in zekere zin borg voor de geloofwaardigheid en het imago

van de nieuwswebsite waar hij voor schrijft en doet er dus maar best alles aan

om – net zoals zijn collega’s uit de traditionele media - zo weinig mogelijk

fouten te maken.

49
Daar waar de meeste auteurs vrezen dat de directheid van het internet tot

vervlakking van de content zal leiden oppert Deuze (2004) dat immediacy net

meer diepgang biedt:

“Yet, it also means exactly the opposite – (…) – in that it offers depth,

inclusiveness and more than oppositional perspectives.”

(Deuze, 2004: 284)

Maar voorlopig staat Deuze nog vrijwel alleen met die mening.

Het probleem met immediacy is dat de professionals nog niet ten volle

gebruik maken van het enorme potentieel dat schuilgaat onder het begrip

‘immediacy’. In de volgende paragraaf wordt dat potentieel blootgelegd.

3.12 Immediacy bevat een enorm potentieel

Momenteel klinkt de kritiek op immediacy – en op de mogelijke gevaren die

het met zich meebrengt – luider dan de lofzang over de innemende

verandering die de directheid van het internet vast en zeker betekent. Een

mogelijke verklaring daarvoor zou kunnen zijn dat de online journalistiek er

nog niet helemaal uit is hoe die immediacy nu het best gebruikt kan worden,

hoe dat basisprincipe van de online journalistiek ten volle benut kan worden.

Nooit eerder was er immers een medium dat zo kort op de bal kan spelen als

het online medium. Wanneer de directheid van het internet ten volle benut

zou worden dan zou de online nieuwsconsument steeds op de meest up-to-

date mogelijke nieuwswebsite terechtkomen. Het nieuws krijgt daardoor

inderdaad een hoog ‘teletekstgehalte’ – zoals Beyers (2002) dat omschrijft –

50
maar het grote voordeel daarvan zou zijn dat de nieuwsconsument in een kort

tijdsbestek op de hoogte zou zijn van wat er reilt en zeilt in de wereld.

Hetzelfde geldt voor het evenwicht tussen snelle, korte online berichtgeving

en langere duidingartikels. Het is duidelijk dat de online journalistiek nog

zoekende is naar dat evenwicht, maar wanneer de juiste balans bereikt wordt

zal de nieuwsconsument een perfect uitgebalanceerd nieuwsaanbod

gepresenteerd krijgen. Hoe de verhoudingen zullen liggen in dat

nieuwsaanbod, zal de toekomst moeten uitwijzen.

In het hierop volgende onderzoek onderzoeken we ondermeer hoe het gesteld

is met de directheid van vier Vlaamse en twee Spaanse nieuwswebsites.

51
Hoofdstuk 4: Methodologie

We hebben ons onderzoek naar de directheid van het online nieuws

uitgevoerd via een inhoudsanalyse. We verklaren in de volgende paragrafen

onze krantenkeuze en we verantwoorden onze crossculturele aanpak. Verder

leggen we uit hoe we ons corpus hebben samengesteld en aan de hand van

welk meetinstrument we de data geanalyseerd hebben.

4.1 Inhoudsanalyse

We hebben een inhoudsanalyse gemaakt van de in totaal 1945 artikels die we

verzamelden van 6 verschillende krantenwebsites met als bedoeling om uit

die inhoudsanalyse conclusies te kunnen trekken wat de directheid van het

online nieuws betreft. De keuze voor een inhoudsanalyse is in deze de beste

oplossing omdat ‘content analysis’ algemeen beschouwd wordt als “the

primary messaged-centred methodology” (Neuendorf, 2002 zoals geciteerd in

Macnamara, 2006). Laswell, Lerner en Pool (1952) omschrijven

inhoudsanalyse als volgt:

“ (…) content analysis is a technique which aims at describing, with optimum

objectivity, precision and generality, what is said on a given subject in a given

place and in a given time.” (Laswell, Lerner and Pool, 1952, zoals geciteerd in

Macnamara, 2006)

Concreet voor ons onderzoek betekent de bovenstaande quote dat we aan de

hand van een geconstrueerde week – zie paragraaf 4.2 – online artikels uit zes

verschillende kranten hebben geanalyseerd, op dat specifieke moment en in

die specifieke context.

52
4.2 Corpussamenstelling

In het najaar van 2008 en in het voorjaar van 2009 hebben we - telkens in een

geconstrueerde week - in totaal 1945 artikels vanop zes verschillende

krantenwebsites verzameld.

4.2.1 Geconstrueerde week

We hebben geopteerd voor de methode van de geconstrueerde week omdat

die uiterst geschikt is voor het uitsluiten van een totaal overwicht van een

bepaalde thematiek. Het zou bijvoorbeeld kunnen dat een bomexplosie in het

begin van een (reële) week de gehele nieuwsberichtgeving van die week zal

domineren. Via de methode van de geconstrueerde week worden de

onderzoeksmomenten gespreid over – in dit geval - drie weken waardoor er

veel minder kans is op een absoluut overwicht van een bepaalde gebeurtenis.

We kozen we voor twee geconstrueerde weken omdat “Twee geconstrueerde

weken volgens Riffe, Aust en Lacy (1993) voldoende zijn om valide

schattingen te maken van een volledige jaargang” (Riffe, Aust and Lacy, 1993

zoals geciteerd in Wester and van Atteveldt, 2006).

Beide geconstrueerde weken liepen over een periode van drie weken - reële

tijd - waarbij er telkens drie dagen uit week 1, twee dagen uit week 2 en twee

dagen uit week 3 genomen werden. De eerste geconstrueerde week ving aan

op dinsdag 2 december 2008 en werd afgesloten op zaterdag 20 december

2008. In die tijdspanne waren er dus zeven momentopnames van telkens drie

uur waarin we de inhoud van de zes krantenwebsites hebben geanalyseerd

op basis van elf variabelen – waarover later meer. De tweede geconstrueerde

week ging van start op maandag 5 januari 2009 en eindigde op vrijdag 23

53
januari 2009. Ook in de tweede geconstrueerde week werd er gewerkt met

analyseperiodes van drie uur. We hebben er voor gezorgd dat we over de

twee weken heen elk moment van de 24 uren in een dag gecovered hebben.

Zo werd elke periode van drie uur – waarbij periode 1 liep van 0u tot 3u,

periode 2 van 3u tot 6u enz. - minstens één keer geanalyseerd.

Geconstrueerde week 1
Week 49 Din 2 dec Don 4 dec Zon 7 dec
15 - 18u 8u - 11u 12u - 15u
Week 50 Ma 8 dec Woe 10 dec
21u - 24u 6u - 9u
Week 51 Vrij 19 dec Zat 20 dec
0u - 3u 18u - 21u

Geconstrueerde week 2
Zon 11
Week 2 Ma 5 jan Don 8 jan jan
15u - 18u 21u - 24u 0u - 3u
Week 3 Woe 14 jan Zat 17 jan
3u - 6u 18u - 21u
Week 4 Din 20 jan Vrij 23 jan
9u - 12u 6u - 9u

Hierbij dient opgemerkt te worden dat we niet letterlijk ‘elk’ artikel

analyseerden maar telkens de gehele middenkolom van de website. Dat

betekent dat telexen en artikels in de rechterkolom (zie bvb. hln.be) niet

opgenomen werden in het corpus. We hebben ons met andere woorden

gefocust op de belangrijkste en grootste artikels van elke digitale krant.

4.2.2 Krantenkeuze

Het corpus van ons onderzoek bestaat uit zes verschillende kranten, waarvan

vier Vlaamse en twee Spaanse kranten. De Vlaamse kranten zijn Het Laatste

54
Nieuws (www.hln.be), De Morgen (www.demorgen.be), De Gazet van

Antwerpen (www.gva.be), De Standaard (www.standaard.be). De Spaanse

kranten zijn El País (www.elpaís.com) en ABC (www.abc.es). Die selectie is

bewust gemaakt en steunt op een goede spreiding over de mediagroepen, een

correcte verhouding tussen het aantal kwaliteitskranten en het aantal

populaire kranten. In derde instantie hebben we geopteerd voor de kranten

met het grootste bereik.

Zowel Het Laatste Nieuws als De Morgen behoren tot De Persgroep terwijl de

Gazet van Antwerpen bij Concentra onder dak is en De Standaard dan weer

in de portefeuille van Corelio zit. Op die manier hebben we een mooie

spreiding over die drie mediagroepen.

We hebben er ook op toegezien dat we twee populaire kranten - Het Laatste

Nieuws (De Persgroep) en Gazet van Antwerpen (Concentra) – en twee

zogenaamde kwaliteitskranten – De Morgen (De Persgroep) en De Standaard

(Corelio) – geselecteerd hebben. Voor de Spaanse kranten hebben we ook

voor één populaire krant – ABC – en één kwaliteitskrant – El País - geopteerd.

Een andere verantwoording voor de krantenkeuze is het bereik dat de zes

kranten hebben. We hebben gekozen voor de kranten met het grootste bereik6.

4.3 Crossculturele aanpak

Er zijn in de literatuur van de online journalistiek verschillende argumenten

te vinden die een crossculturele aanpak rechtvaardigen.

6
Voor meer informatie over de oplagecijfers: zie bijlage 8.1.

55
“In de VS stelden Jane Singer et al. (1999: 35) vast dat de grootte van de

redactie van een online krant afhangt van de oplage van de papieren editie

van de krant.” (Singer et al., 1999, zoals geciteerd in Paulussen, 2004: 278).

Op basis van bovenstaande stelling - die bepaalt dat hoe groter de oplage van

de papieren editie van de krant is, hoe groter de redactie van de online krant

zal zijn – kunnen we veronderstellen dat hoe groter de redactie van een online

krant is, hoe sneller er bericht zou kunnen worden over een bepaald

nieuwsfeit. In Vlaanderen alleen al is het verschil in oplage enorm groot en

door Spanje mee in ons onderzoek te betrekken hopen we grotere verschillen

bloot te leggen.

De papieren versie van Het Laatste Nieuws heeft de hoogste Vlaamse oplage

– 292.410 in 2006 (volgens CIM) – maar komt daarmee nog niet in de buurt

van de oplage van het Spaanse El País – 432.204 in 2006 (volgens

wikipedia.org). De Spaanse krant ABC komt met een oplage van 240.225

(2006, volgens wikipedia.org) ver achter El País maar zou met die oplage nog

de op één na grootste zijn in Vlaanderen. Gazet van Antwerpen scoort met

130.000 (2006, volgens CIM) nog goed naar Vlaamse normen en in elk geval

beduidend beter dan De Standaard met een oplage 97.226 (2006, volgens CIM)

en De Morgen met een oplage van 53.860 (2006, volgens CIM).

Op basis van bovenstaande cijfers zouden we kunnen vermoeden dat de

Spaanse media beduidend korter op de bal spelen dan de Vlaamse media7.

Een tweede reden voor de crossculturele aanpak van ons onderzoek vinden

we bij Paulussen en Ugille (2008):

7
We merken hierbij wel op dat de oplagecijfers van de papieren versie van de kranten niet rechtstreeks
in verband staan met het aantal bezoekers en clicks van de online versie van de kranten. Voor de
clickcijfers en het aantal unieke bezoekers per krant: zie bijlage 8.1.

56
“The linear notion that ‘journalism has always been shaped by technology’, as

John Pavlik (2000: 229) puts it, falls short in considering the social, cultural

and economic contextual factors that influence how and to what extent

journalists use new technologies (Boczkowski, 2004a).”

(Paulussen and Ugille, 2008: 28)

In ons onderzoek zou de culturele factor – de Vlaamse cultuur verschilt

duidelijk van de Spaanse cultuur - een verschil in gebruik van de directheid

van het internet teweeg kunnen brengen. Als dat het geval is, dan zouden we

de neerslag daarvan zouden moeten zien in de resultaten.

Een derde en laatste argument voor de crossculturele aanpak werd ons

aangereikt door Deuze (1998):

“Evaluation of results from a single country makes more sense when

compared with findings from other countries where the same research

methodology was used (see, for example, Edelstein, 1982).”

(Deuze, 1998: [www])

Volgens Deuze (1998) is de crossculturele aanpak in deze – meer dan een

keuze – zelfs een troef. Deuze (1998) stelt dat de resultaten van een onderzoek

in een land meer waard zijn wanneer ze ten opzichte van resultaten van een

soortgelijk onderzoek in een ander land geplaatst worden. Aan de

voorwaarde dat het om een onderzoek moet gaan met eenzelfde

onderzoeksmethodologie wordt in ons onderzoek voldaan.

57
4.4 Codeboek

“Een inhoudsanalyse staat of valt met een goed codeboek en een duidelijke

operationalisering van de verschillende variabelen in het codeboek” (Devroe,

2007: 91). Aangezien er tot hiertoe geen bruikbaar codeboek - met betrekking

tot een onderzoek naar de directheid van het online nieuws - werd

ontwikkeld, hebben we een eigen codeboek samengesteld. Het codeboek is

opgebouwd uit onderstaande acht variabelen.

4.4.1 Variabelen

De acht variabelen8 hebben als doel om na te gaan hoe het gesteld is met de

directheid van het online nieuws, zowel in de Vlaamse als in de Spaanse

media. Dat is meteen ook de hoofdonderzoeksvraag.

De eerste variabele betreft de 6 verschillende kranten waaruit we artikels

selecteerden. De vier Vlaamse kranten zijn: Het Laatste Nieuws (=1), Gazet

van Antwerpen (=2), De Morgen (=3) en De Standaard (=4). De twee Spaanse

kranten zijn ABC (=5) en El País (=6). De eerste variabele stelt ons in staat om

– in combinatie met de andere variabelen - de crossculturele verschillen met

betrekking tot immediacy in kaart te brengen.

Variabele nummer twee is de plaats op de pagina en bestaat erin een

onderscheid te kunnen maken tussen de artikels die bovenaan (=1) de

nieuwswebsite staan, de artikels die in het midden (=2) van de pagina staan

en de artikels die onderaan (=3) de webpagina staan. Deze variabele moet ons

– in combinatie met andere variabelen - in staat stellen om een antwoord te

geven op de subonderzoeksvraag: Staan de meest recente artikels

bovenaan?
8
Het volledige codeboek is terug te vinden in bijlage 8.4.

58
De derde variabele uit ons codeboek heeft betrekking op het onderwerp van

de geanalyseerde artikels. De onderwerpcategorieën zijn politiek (=1),

economie (=2), cultuur (=3), socio (=4), sport (=5), wetenschap (=6), justitie (=7)

en andere (=8). Onder ‘socio’ verstaan we artikels over staking, brand,

ongevallen, hulpacties, overlijden, enz. Onder ‘andere’ vallen dan weer de

artikels over non-news, gossip en oproepen zoals ‘mail ons uw favoriete

kerstcadeau’.

Deze variabele moet ons helpen bij de subonderzoeksvraag: Brengt een

verschil in onderwerp ook een verschil in directheid van het nieuws met

zich mee?

De vierde variabele handelt over de vraag of het ‘event tijdstip’ al dan niet is

vermeld (0= neen / 1= ja). Met ‘event tijdstip’ bedoelen we dan het tijdstip

waarop er iets gebeurde. We verduidelijken dit aan de hand van een

voorbeeld: als er om 12u ’s middags een bom ontploft op de Groenplaats, dan

is het ‘event tijdstip’ 12u. Het event tijdstip wordt – als het al wordt

weergegeven – meestal in de inleiding vermeld als antwoord op de

‘wanneer’-vraag.

Variabele vijf - event tijdstip - volgt op variabele vier - event tijdstip vermeld

- in die zin dat wanneer het event tijdstip vermeld wordt, dat er dan via

variabele vijf melding wordt gemaakt van hoe lang geleden het gebeurd is. Er

zijn zeven verschillende onderverdelingen: 0min – 15min (=1), 15min – 60min

(=2), 60min – 120min (=3), 120min – 180min (=4), 180min – 1440min (=5),

1440min – 2880min (=6) en meer dan 2880min (=7).

Variabele vier en vijf stellen ons in staat om in combinatie met variabele acht

een antwoord te geven op de hoofdonderzoeksvraag: hoe direct is het online

nieuws?

59
De zesde variabele betreft het al dan niet (0= neen / 1= ja) aanwezig zijn van

vervolgverhalen. Met ‘vervolgverhaal’ bedoelen we een artikel dat verder

bouwt op een artikel dat eerder al online is verschenen op dezelfde

nieuwssite.

De subonderzoeksvraag die hierachter schuilgaat is: Is het internet door de

directheid zo’n vluchtig medium geworden dat er amper plaats is voor

opvolging van artikels?

Variabele nummer zeven is ‘tijdstip publicatie vermeld’ (0= neen / 1= ja) en

heeft betrekking op de vermelding van het specifieke moment waarop het

artikel online is gezet. We zeggen wel degelijk ‘specifieke moment’ omdat we

tijdstip publicatie pas als vermeld beschouwen wanneer er zowel datum als

uur wordt aangeduid. Bij sommige nieuwswebsites wordt alleen melding

gemaakt van de datum van publicatie, maar met de datum alleen kunnen we

niet onderzoeken hoeveel tijd er zit tussen het event tijdstip en het tijdstip van

publicatie.

De achtste en laatste variabele behelst het ‘tijdstip publicatie’. Variabele acht

houdt verband met variabele zeven in die zin dat indien het tijdstip publicatie

vermeld is dat het dan bij variabele acht ingedeeld wordt in de volgende acht

categorieën: 0u-3u (=1), 3u-6u (=2), 6u-9u (=3), 9u-12u (=4), 12u-15u (=5), 15u-

18u (=6), 18u-21u (=7) en 21u-24u (=8).

Variabele acht stelt ons in staat om een antwoord te geven op de

subonderzoeksvraag: Bestaat de permanente deadline?

In combinatie met variabele vier en vijf biedt variabele acht ons de

mogelijkheid om een antwoord te geven op de hoofdonderzoeksvraag: hoe

direct is het online nieuws?

60
4.4.2 Onderzoeksvragen

De hoofdonderzoeksvraag en de subonderzoeksvragen die we willen

beantwoorden aan de hand van de variabelen uit 4.4.1 zijn de volgende:

Hoofdonderzoeksvraag: Hoe direct is het online nieuws?

Subonderzoeksvraag 1: Zijn er crossculturele verschillen – met

betrekking tot immediacy - tussen Spaanse en Vlaamse digitale

kranten?

Subonderzoeksvraag 2: Staan de meest recente artikels bovenaan de

webpagina?

Subonderzoeksvraag 3: Brengt een verschil in onderwerp ook een

verschil in directheid van het nieuws met zich mee?

Subonderzoeksvraag 4: Is het internet door de directheid een te

vluchtig medium geworden voor vervolgverhalen?

Subonderzoeksvraag 5: Bestaat de permanente deadline?

4.5 Meetinstrument

Om geldige uitspraken te kunnen doen over het corpus van in totaal 1945

artikels hebben we het hele corpus gecodeerd en ingevoerd in het statistische

programma Social Package for the Social Sciences (SPSS).

Vooraleer we de resultaten van ons onderzoek bespreken, dient opgemerkt te

worden dat dit onderzoek slechts een momentopname is van de

krantenwebsites in kwestie. We zijn er ons van bewust dat twee van de

61
geanalyseerde websites9 structurele aanpassingen hebben aangebracht na de

tweede geconstrueerde week, maar we zijn van mening dat de aanpassingen

onze bevindingen niet dermate beïnvloeden dat ze niet meer relevant zouden

zijn.

9
Zowel www.gva.be als www.standaard.be hebben na de tweede geconstrueerde structurele en lay-out-
matige aanpassingen aangebracht.

62
Hoofdstuk 5: Resultaten onderzoek

Voor het onderzoek werd een corpus van in totaal 1945 artikels samengesteld.

De artikels komen zoals eerder al gezegd uit vier Vlaamse kranten – Het

Laatste Nieuws, Gazet van Antwerpen, De Morgen en de Standaard – en twee

Spaanse kranten – ABC en El País. De onderstaande tabel geeft de verdeling

van het aantal artikels per krant en per onderwerp weer.

Politiek Economie Cultuur Socio Sport Wetenschap Justitie Andere Totaal


Het Laatste Nieuws 97 41 6 59 57 25 44 30 360
Gazet van Antwerpen 85 45 32 53 37 33 42 73 400
De Morgen 73 52 21 28 46 9 26 48 303
De Standaard 67 32 24 29 29 15 30 38 264
ABC 114 42 28 43 30 21 39 19 336
El País 114 40 33 26 21 16 27 6 283
Totaal: 550 252 144 238 220 119 208 214 1945
Tabel 1: Aantal artikels per onderwerp per krant

Uit de bovenstaande tabel leren we dat de overgrote meerderheid van de

artikels politiek getint is en dat de andere onderwerpen – met uitzondering

van cultuur (144) en wetenschap (119) – in soortgelijke mate voorkomen. Het

totale corpus bestaat uit 1945 artikels en daarbij is Gazet van Antwerpen de

grootste ‘leverancier’ met 400 artikels en werden er slechts 264 artikels van De

Standaard geanalyseerd. Nochtans hebben we bij elk analysemoment elk

artikel van elke digitale krant geanalyseerd. Het feit dat er dan toch nog

verschillen zijn wat het totaal aantal artikels per krant betreft heeft te maken

met het gegeven dat niet elke digitale krant even veel artikels weergeeft.

Voor een antwoord op de eerste subonderzoeksvraag: ‘Zijn er crossculturele

verschillen - met betrekking tot immediacy - tussen Spaanse en Vlaamse

digitale kranten?’ doen we beroep op de onderstaande twee analyses.

63
< 24 uur > 24 uur

Vlaanderen 71,70% 28,30%

Spanje 64,40% 35,60%


Tabel 2: Directheid online nieuws van Vlaamse vs Spaanse digitale kranten

De kruistabel geeft aan dat de Vlaamse digitale kranten iets directer berichten

dan de Spaanse kranten. Van de Vlaamse content is 71,70% nog binnen

diezelfde dag online gezet terwijl er bij de Spaanse content 64,40% van de

artikelen recenter dan 24 uur zijn. De Chi²-test die op beide groepen werd

toegepast wees uit dat er een significant verband was (Chi² = 4,331; df = 1; p =

.037). Wel dient hierbij opgemerkt te worden dat op het totaal van 1945

artikels er slechts 720 - ofte 37% - in aanmerking kwamen om deel uit te

maken van deze test. De andere 1225 – ofte 63% - dienden uitgesloten te

worden omwille van het niet vermelden van het event tijdstip, waardoor een

correcte berekening van de directheid waarmee die specifieke artikels online

werden gezet, onmogelijk werd gemaakt.

Politiek Economie Cultuur Socio Sport Wetenschap Justitie Andere


Spanje 36,80% 13,20% 9,90% 11,10% 8,20% 6,00% 10,70% 4,00%
Vlaanderen 24,20% 12,80% 6,30% 12,70% 12,70% 6,20% 10,70% 14,30%
Tabel 3: Spreiding onderwerpen Vlaams vs Spaans

Op basis van tabel 3 kunnen we afleiden dat de verschillende onderwerpen in

Spanje en Vlaanderen over het algemeen ongeveer even zwaar doorwegen.

Uitzonderingen hierop zijn de politieke artikelen – waar er significant meer

van zijn in Spanje (36,80%) dan in Vlaanderen (24,20%) – en de categorie

‘Andere’ – die voor Spanje slechts 4% van het totaalbestand uitmaakt terwijl

dat voor Vlaanderen toch 14,30% is. De kruisanalyse is significant (Chi² =

162,235; df = 40; p = .000).

64
De tweede onderzoeksvraag handelde over het al dan niet bovenaan staan

van de meest recente artikels. Daarop biedt de onderstaande tabel een

antwoord.

Bovenaan Midden van Onderaan


de pagina de pagina de pagina
< 24 uur 44,60% 32,40% 23,00%
> 24 uur 31,70% 36,10% 32,20%
Tabel 4: Staan de meest recente artikels bovenaan de webpagina?

We kruisen hier de directheid waarmee het artikel online werd geplaatst met

de plaats die het artikel inneemt op de website. De Chi²-test geeft een p-

waarde van .067 aan die de significatie (p < .05) benadert, maar toch niet

helemaal bereikt. (Chi² = 5.376; df = 2; p = .068). De analyse maakt duidelijk

dat de logica – we verwachtten dat de meest recente artikels bovenaan

zouden staan – bij de meest recente artikels (<24 uur) gerespecteerd wordt. Bij

de minder recente artikels (> 24 uur) lijkt er meer willekeur te zijn in de

plaatsing van de artikels op de website. We zouden dus kunnen stellen dat de

bovenstaande indeling een goede indicatie is van de invloed van de

directheid van het online nieuws op de plaatsing van de artikels, maar de rol

van toeval valt in deze analyse – gezien de p-waarde van .067 - niet uit te

sluiten. De analyse werd in dit geval op het gehele corpus (N= 1945)

uitgevoerd.

65
De derde onderzoeksvraag peilde naar een verschil in directheid van het

online nieuws naarmate de onderwerpen verschillend zijn.

Verschilt de
directheid per
onderwerp? < 24 uur > 24 uur
Politiek 73,90% 26,10%
Economie 71,00% 29,00%
Cultuur 52,30% 47,70%
Socio 58,60% 41,40%
Sport 78,90% 21,10%
Wetenschap 61,10% 38,90%
Justitie 70,60% 29,40%
Andere 55,00% 45,00%
Tabel 5: Directheid per onderwerp

Uit bovenstaande tabel blijkt dat er vier grote groepen te maken zijn in de

categorie van de meest recente artikels (< 24 uur). De vier onderwerpen waar

het snelst over bericht wordt zijn respectievelijk sport (78,90%), politiek

(73,90%), economie (71,0%) en justitie (70,0%). De overige vier onderwerpen

hangen achteraan de rij wat de directheid van berichtgeving betreft, met het

onderwerp ‘cultuur’ als allerlaatste met 52,30%. Bij de categorie van de minst

recente artikels (> 24 uur) zijn de percentages veel beter verspreid over de

onderwerpen. Er is in veel mindere mate een uitgesproken eerste of laatste

plaats. Net zoals bij de analyse van subonderzoeksvraag 1 bedraagt het aantal

geanalyseerde artikels hier slechts 37% (ofte 720 van de 1945) van het gehele

corpus. De reden daarvoor is dezelfde, namelijk dat het niet vermelden van

het event tijdstip een correcte berekening, van de directheid waarmee die

specifieke artikels online werden gezet, onmogelijk maakte. Al dient

genuanceerd te worden dat 720 artikels een ruimschoots voldoende aantal is

voor dit soort analyse.

66
Onderzoeksvraag 4 behandelde de vraag: ‘Is het internet door de directheid

een te vluchtig medium geworden voor vervolgverhalen?’

Is er plaats voor Vervolgverhaal


vervolgverhalen? Neen Ja

Het Laatste Nieuws 90,00% 10,00%

Gazet van Antwerpen 93,00% 7,00%

De Morgen 89,80% 10,20%

De Standaard 87,90% 12,10%

ABC 93,70% 6,30%

El País 94,40% 6,00%

Gemiddelde: 91,50% 8,50%


Tabel 6: Plaats voor vervolgverhalen?

Tabel 6 maakt meteen duidelijk dat er op de zes geanalyseerde digitale

kranten amper (8,50%) plaats is voor vervolgverhalen. De overgrote

meerderheid (91,50%) van de content zijn ‘losse’ artikels in die zin dat er

slechts één keer een artikel gewijd wordt aan het onderwerp in kwestie. Het

gehele corpus (N = 1945) werd bij de analyse betrokken.

67
De vijfde en laatste onderzoeksvraag betrof het gegeven van de permanente

deadline. ‘Bestaat de permanente deadline?’

Bestaat de permanente deadline?

200

150 158
148
129
# Artikels 114 115
100
61 80
50
22
0
0u-3u 3u-6u 6u-9u 9u-12u 12u - 15u- 18u- 21u-
15u 18u 21u 24u
Tijdstip Publicatie

Figuur 5: Bestaat de permanente deadline?

Voor de analyse van de vijfde onderzoeksvraag hebben we de resultaten, die

we bekwamen via een kruistabel, in een grafiek gegoten omdat die de

evolutie van het aantal artikels doorheen de (werk)dag het best illustreert. We

konden deze analyse slechts uitvoeren op de drie digitale kranten die melding

maken van het tijdstip van publicatie, namelijk Het Laatste Nieuws, De

Morgen en ABC. Het totaal aantal artikels voor deze analyse bedraagt 827

artikels. Een aparte analyse voor elke digitale krant zou ons een minder

duidelijk beeld geven omdat de verschillen in aantallen dan kleiner zouden

zijn. Uit de bovenstaande grafiek kunnen we afleiden dat de term

‘permanente deadline’ een vertekend beeld van de werkelijkheid geeft. Er

worden wel degelijk de hele dag door artikels geproduceerd, maar we zien

toch een duidelijk verschil in productie tussen de periode 0u tot 6u (83

artikels, ofwel 10%) en de periode 15u tot 21u (306 artikels, ofwel 37%). In het

absolute dalmoment (3u tot 6u) worden er door de zes digitale kranten amper

22 artikels (ofwel 2,6%) geproduceerd, terwijl er in de piekperiode (18u tot

68
21u) maar liefst 306 artikels bijkomen op de zes digitale krantenwebsites

samen. Ook deze analyse was significant (Chi² = 1707,020; df= 45; p = .000).

Naast de antwoorden op de vijf onderzoeksvragen en de

hoofdonderzoeksvraag vielen er in ons onderzoek nog twee

noemenswaardige analyses op.

De eerste nevenanalyse betreft de vermelding van het ‘event tijdstip’. De

kruistabel van de variabele ‘event tijdstip vermeld?’ met de variabele

‘kranten’ viel ziet er als volgt uit:

Wordt het event Event tijdstip


tijdstip eigenlijk vermeld
wel vermeld? Neen Ja

Het Laatste Nieuws 66,00% 34,00%

Gazet van Antwerpen 66,50% 33,50%

De Morgen 64,70% 35,30%

De Standaard 53,00% 47,00%

ABC 48,80% 51,20%

El País 52,70% 47,30%

Gemiddelde: 59,20% 40,80%


Tabel 7: Event tijdstip vermeld (in %)

We herhalen voor een goed begrip dat er met de variabele ‘event tijdstip’

gedoeld wordt op het tijdstip waarop iets gebeurde. Het voorbeeld uit 4.4.1

Variabelen was dat van de bom die om 12 uur ontploft op de Groenplaats in

Antwerpen. In dat voorbeeld is 12 uur het event tijdstip.

Daar waar wij verwacht hadden dat het event tijdstip in de inleiding van elk

artikel zou staan, bleek uit onze analyse dat die veronderstelling allesbehalve

69
klopt. Gemiddeld genomen – over de zes digitale kranten heen – wordt het

event tijdstip in 59,20% van de gevallen niet vermeld. Koploper wat het niet

vermelden van het event tijdstip betreft is Gazet van Antwerpen (66,50%), op

de voet gevolgd door Het Laatste Nieuws (66,0%) en De Morgen (64,0%). De

Spaanse digitale krant ABC doet het hier het minst slecht met 48,80% terwijl

De Standaard het minst slecht (53,0%) scoort bij de Vlaamse digitale kranten.

De analyse – waarin alle 1945 artikels opgenomen werden – bleek significant

(Chi² = 43,722; df = 5; p = .000).

De tweede nevenanalyse handelt over de variabele ‘tijdstip publicatie

vermeld?’.

Wordt het tijdstip Tijdstip publicatie


van publicatie vermeld?
vermeld? Neen Ja

Het Laatste Nieuws 0% 100%

Gazet van Antwerpen 100% 0%

De Morgen 0% 100%

De Standaard 100% 0%

ABC 50% 50%

El País 100% 0%
Tabel 8: Tijdstip publicatie vermeld (in %)

Wanneer we het over de variabele ‘tijdstip publicatie vermeld?’ hebben dan

bedoelen we de vermelding van het specifieke moment (datum + uur) waarop

het artikel online is geplaatst, zoals eerder al beschreven in 4.4.1 Variabelen.

Ook hier gingen we er van uit dat elke digitale krant het tijdstip van

publicatie wel zou weergeven, maar uit onze analyse bleek dat dat niet

noodzakelijk het geval is. Tabel 8 geeft aan dat drie van de zes kranten –

70
Gazet van Antwerpen, De Standaard10 en El País – nooit een tijdstip van

publicatie weergeven. Twee van de zes kranten – Het Laatste Nieuws en De

Morgen – vermelden het tijdstip van publicatie altijd en de Spaanse krant

ABC doet het bij de helft van de artikels wel en bij de andere helft niet.

10
Hierbij dient te worden opgemerkt dat op www.standaard.be wel telkens melding wordt gemaakt van
een datum

71
Hoofdstuk 6: Conclusie en discussie

Uit het in hoofdstuk 4 en 5 beschreven onderzoek blijkt dat het potentieel van

de directheid van het online nieuws onvoldoende benut wordt, door zowel de

vier Vlaamse als de twee Spaanse digitale kranten. Elke krantenwebsite benut

wel een deel van het potentieel, maar er is geen enkele van de zes

geanalyseerde digitale kranten die het hele immediacy-plaatje al rond heeft.

In tegenstelling tot de basiskenmerken interactiviteit, multimedia en

hypertekstualiteit is het vierde basiskenmerk immediacy een vooralsnog

weinig bestudeerd gegeven, en al zeker niet in een crossculturele context. De

bevindingen uit ons onderzoek zijn in die zin nieuw en kunnen dus dienen als

een leidraad voor de digitale kranten, en dan vooral voor de zes digitale

kranten in kwestie.

Opvallend is dat de zes digitale kranten vooralsnog geen duidelijke lijn

hebben gekregen in de lay-out van hun website, wat de immediacy betreft.

Nochtans zou een duidelijke, overzichtelijke indeling van de website de

(digitale) krant ten goede komen. De vraag is natuurlijk of de directheid moet

primeren op belangrijkheid. Als dat het geval zou zijn dan zouden de digitale

kranten voluit de kaart van de chronologische – hoe recenter hoe meer

bovenaan de website - ordening kunnen trekken, maar zo eenduidig is de

oplossing niet. Nadenken over een chronologische en/of hiërarchische

ordening van de artikels lijkt geen overbodige luxe wanneer men de

nieuwsconsument een zo duidelijk mogelijke website wil aanbieden.

Uit ons onderzoek bleek ook dat er gemiddeld genomen slechts in 8,50% van

de gevallen plaats is voor vervolgverhalen – zoals gedefinieerd in paragraaf

4.4.1 – op de krantenwebsites in kwestie. Wanneer we de medialogica van de

online journalistiek in acht nemen – de online journalistiek heeft nu eenmaal

72
de mogelijkheid om veel sneller te berichten dan de traditionele media - is het

logisch dat er minder vervolgverhalen op een digitale krant verschijnen dan

in de printmedia en de audiovisuele media. Maar dat er over 91,50% van de

artikels slechts eenmalig bericht wordt, lag niet meteen in de lijn van de

verwachtingen.

Het internet heeft in zijn geheel het imago een erg vluchtig medium te zijn,

maar de digitale kranten mogen daar ons inziens niet in meegaan. De grens

tussen de directheid van het online nieuws enerzijds en de vluchtigheid van

het nieuws op het internet anderzijds is zeer dun. Toch kan het beter beheren

van vervolgverhalen de balans iets meer in evenwicht brengen. Een

vervolgverhaal brengen vraagt dan misschien wel iets meer research en

omkadering, toch kan ook dat relatief snel gebeuren. Hoe meer

vervolgverhalen een digitale krant bevat, hoe minder vluchtig het geheel

overkomt. De hele krantenwebsite is dan geen opsomming van allemaal losse

artikels, maar wordt een coherenter geheel. Het spreekt voor zich dat er een

bovengrens is – die elke krant voor zichzelf moet inschatten – aan het brengen

van vervolgverhalen, maar het mag vast en zeker wat meer zijn dan de 8,50%

die uit ons onderzoek naar voor kwam.

Op die manier blijft de immediacy van de digitale kranten op punt terwijl het

hogere percentage vervolgverhalen een tegengewicht biedt aan het vluchtige

imago van het internet.

Ons onderzoek wees uit dat er inderdaad sprake is van een permanente

deadline – zoals ondermeer Beyers (2002) beweert. Toch dient opgemerkt te

worden dat de term ‘permanente deadline’ op zich een vertekend beeld kan

geven. De productie van artikels is geen constant gegeven - zoals eerder al

beschreven in hoofdstuk 5 – en kent dus pieken en dalen. Opvallend daarbij is

dat de absolute piek zich vrij laat op de (werk)dag bevindt, namelijk tussen

18u en 21u. In de periode van 0u tot 6u is er zoals verwacht een sterke daling

73
in de artikelproductie, maar ook in de periode tussen 9u en 12u worden er

amper 80 artikels (ofwel 9,67%) online gezet door de drie digitale kranten

samen. Nadien stijgt de productie de hele dag door tot 21u waarna er weer

een lichte daling plaatsvindt. We kunnen dus stellen dat de online

journalistiek wel degelijk met een permanente deadline te maken heeft, maar

dat die deadline - in tegenstelling tot wat het adjectief ‘permanent’ zou

kunnen doen vermoeden - niet op elk moment van de dag even zwaar

doorweegt.

Hierbij dient opgemerkt te worden dat niet van alle geanalyseerde kranten

onderzocht kon worden wanneer hun artikels juist online verschenen. Gazet

van Antwerpen, De Standaard en El País maken immers – zoals al eerder

gezegd – geen melding van het tijdstip van publicatie.

Dat brengt ons bij de laatste en voornaamste conclusie van ons onderzoek. Uit

onze analyse bleek dat zowel het event tijdstip als het tijdstip van publicatie

in zeer beperkte mate werd vermeld. Maar liefst drie digitale kranten – Gazet

van Antwerpen, De Standaard en El País – vermelden het tijdstip van

publicatie niet. Wat de vermelding van het event tijdstip betreft kunnen we

stellen dat gemiddeld maar liefst 59,20% van de artikels geen vermelding van

het event tijdstip bevat. Zonder de vermelding van én het event tijdstip én het

tijdstip van publicatie kan de nieuwsconsument nochtans onmogelijk beseffen

hoe kort ‘zijn’ favoriete krant op de bal speelt. Het is onze inschatting dat de

zes digitale kranten in kwestie zichzelf oneer aandoen – de ene al in grotere

mate dan de andere – wat de directheid van hun berichtgeving betreft.

Enerzijds door een chaotische ordening van de artikels op de website en

anderzijds vooral door een onnauwkeurig omspringen met zowel de

vermelding van het event tijdstip als het tijdstip van publicatie. Ons inziens

zijn de krantenwebsites zich nog onvoldoende bewust van het enorme

potentieel en het grote belang van de directheid van het online nieuws. Die

74
directheid van berichtgeving is nochtans het grootste voordeel van de online

media ten opzichte van de traditionele media.

De hoofdonderzoeksvraag ‘Hoe direct is het online nieuws?’ valt na dit

onderzoek niet eenduidig te beantwoorden. Het staat vast dat de vier

Vlaamse kranten gemiddeld genomen korter op de bal spelen dan de twee

Spaanse kranten. Ondanks dat hoopgevende resultaat hebben de vier

Vlaamse digitale kranten in kwestie – net als de twee Spaanse kranten - nog

geen manier gevonden om het potentieel van de directheid van het internet

ten volle te benutten. Pas wanneer de krantenwebsites zowel het event tijdstip

als het tijdstip van publicatie vermelden en op correcte wijze omgaan met de

ordening van de artikels kan er gepoogd worden een duidelijk antwoord te

geven op de hoofdonderzoeksvraag van ons onderzoek.

Dat is dan ook de reden waarom we verder onderzoek in de toekomst

aanmoedigen. Verder onderzoek naar andere krantenwebsites maar ook naar

de directheid van andere soorten websites kunnen alleen maar bijdragen tot

een beter begrip – en bijgevolg ook een adequatere invulling - van de

directheid van het online nieuws.

Tenslotte rest de vraag in hoeverre ons onderzoek te veralgemenen valt voor

andere krantenwebsites en voor de directheid van het online nieuws in haar

geheel. We zijn er ons van bewust dat de resultaten van ons onderzoek

misschien niet veralgemeenbaar zijn, maar we menen toch enkele opvallende

tendensen en enkele belangrijke aanbevelingen te hebben aangestipt. We

hopen op die manier te hebben bijgedragen tot een verdere

professionalisering van de online journalistiek.

75
Hoofdstuk 7: Bibliografie

7.1 Artikels

Beyers, H. (2003). De krant van morgen, nog steeds op papier?. In: Kluwer
Mediagids, 12: 115-130.

Deuze, M. (1999). Journalism and the web: An Analysis of Skills and


Standards in an Online Environment. Gazette, 61(5): 373-390.

Deuze, M. (2003). The web and its journalisms: considering the consequences
of different types of newsmedia online. New media & society, 5(2): 203-230.

Deuze, M. (2004). Journalism studies beyond media: On ideology and


identity. Ecquid Novi, 25(2): 275-293.

Deuze, M. (2004). What is multimedia journalism?. Journalism Studies, 5(2):


139-152.

Deuze, M. (2005). What is journalism?: Professional identity and ideology of


journalists reconsidered. Journalism, 6: 442-464.

Deuze, M. (2008). Understanding Journalism as Newswork: How It Changes,


and How It remains the Same. Westminster Papers in Communication and
Culture, 5(2): 4-23.

Deuze, M. & Dimoudi, C. (2002). Online journalists in the Netherlands:


Towards a profile of a new profession. Journalism, 3(1): 85-100.

Deuze, M. & Yeshua, D. (2001). Online journalists face new ethical dilemmas:
Report from the Netherlands. Journal of Mass Media Ethics, 16(4): 273-292.

Lewis, J., Cushion, S. & Thomas, J. (2005). Immediacy, Convenience or


engagement? An analysis of 24-hour news channels in the UK. Journalism
Studies, 6(4): 461-477.

Massey, B.L. & Levy, M.R. (1999). Interactivity, Online Journalism, and
English-Language web Newspapers in Asia. Journalism & Mass Communication
Quarterly, 76(1): 138-151.

76
Massey, B.L. & Levy, M.R. (1999). ‘Interactive’ online journalism at English-
Language Web Newspapers in Asia: A dependency Theory Analysis. Gazette,
61(6): 523-538.

Oblak, T. (2005). The lack of interactivity and hypertextuality in online media.


Gazette, 67(1): 87-106.

Opgenhaffen, M. (2009). College multimedia, Lessius Hogeschool: Toward


redefining multimedia in online journalism research.

Paulussen, S. & Ugille, P. (2008). User Generated Content in the Newsroom :


Professional and Organisational Constraints on Participatory Journalism.
Westminster Papers in Communication and Culture, 5(2): 24-41.

7.2 Elektronische bronnen

Beyers, H. (2003). Tomorrow’s newspapers: online or still made out of paper?


A Study on perceptions, opinions and attitudes towards online newspapers.
[Elektronische versie]. Beschikbaar via:
http://cicr.blanquerna.url.edu/2005/Abstracts/PDFsComunicacions/vol1/05/BE
YERS_Jans.pdf

Deuze, M. (1998). The webcommunicators: issues in research into online


journalism and journalists. [Elektronische versie]. Beschikbaar via:
http://131.193.153.231/www/issues/issue3_12/deuze/index.html

Devroe, I. (2007). Gekleurd nieuws? De voorstelling van etnische


minderheden in het nieuws in Vlaanderen: Context, methodologische
aspecten en onderzoeksresultaten. [Elektronische versie]. Beschikbaar via:
http://www.site.kifkif.be/pdf/academiarapportgekleurdnieuws.pdf

Karlsson, M. (2007). Immediacy of online news: Journalistic credo under


pressure. [Elektronische versie]. Beschikbaar via:
http://www.allacademic.com//meta/p_mla_apa_research_citation/1/6/9/4/7/pa
ges169476/p169476-1.php

Macnamara, J. (2006). Media content analysis – Uses, Benefits and Best


Practice Methodology: A Research Paper. [Elektronische versie]. Beschikbaar
via:
http://www.mediamonitors.com.au/documents/Media%20content%20analysis
%20Research%20Paper.pdf

77
Manovich, L. (2001). The Language of New Media. [Elektronische versie].
Beschikbaar via:
http://books.google.be/books?id=7m1GhPKuN3cC&printsec=frontcover&dq=
%22Manovich%22+%222001%22&lr

Omar, B. (2008). The switch to online newspapers: Could Immediacy Be a


Factor. [Elektronische versie]. Beschikbaar via:
http://www.latrobe.edu.au/ANZCA2007/proceedings/Omar.pdf

Opgenhaffen, M. (2008). Redefining Multimedia. The (dis)integrated use of


multiple media and modalities in convergent journalism. [Elektronische
versie]. Beschikbaar via:
http://www.allacademic.com//meta/p_mla_apa_research_citation/2/3/1/9/4/pa
ges231945/p231945-1.php

Paulussen, S. (2004). Een studie naar de mogelijkheden en gevolgen van het


internet voor journalistieke nieuwsgaring en nieuwsproductie. [Elektronische
versie]. Beschikbaar via:
https://biblio.ugent.be/input?func=downloadFile&fileOId=490294

Pavlik, J. (2001). Journalism and new media. [Elektronische versie].


Beschikbaar via:
http://books.google.be/books?id=NkheF6ydc5oC&printsec=frontcover

Wester, F. & Van atteveldt, W. (2006). Inhoudsanalyse: theorie en praktijk.


[Elektronische versie]. Beschikbaar via:
http://books.google.be/books?id=78qd9kpIf58C&printsec=frontcover

78
Hoofdstuk 8: Bijlagen

8.1 Clickcijfers

8.1.1 Spaanse Clickcijfers

79
8.1.2 Vlaamse Clickcijfers

80
8.2 Figuren

Figuur 1: Gevolgen van de technologische ontwikkeling

Figuur 2: Drie fases van de online journalistiek volgens Pavlik (1999)

Individuele keuze Centrale keuze

onderwerp onderwerp

Individuele CONVERSATIE CONSULTATIE

informatie- (telefonie, e-mail, (websites, teletekst, …)

opslag chat, …)

Centrale REGISTRATIE ALLOCUTIE

informatie- (enquêtes, adaptive (televisie, radio, …)

opslag sites, preferences, …)


Figuur 3: Schema van de communicatieshift van Bordewijk en Van Kaam (1982)

81
Figuur 4: Deuzes typologie van ‘online journalisms’

Bestaat de permanente deadline?

200

150 158
148
# Artikels 129
114 115
100
61 80
50
22
0
0u-3u 3u-6u 6u-9u 9u-12u 12u - 15u- 18u- 21u-
15u 18u 21u 24u
Tijdstip Publicatie

Figuur 5: Bestaat de permanente deadline?

82
8.3 Tabellen

Politiek Economie Cultuur Socio Sport Wetenschap Justitie Andere Totaal


Het Laatste Nieuws 97 41 6 59 57 25 44 30 360
Gazet van Antwerpen 85 45 32 53 37 33 42 73 400
De Morgen 73 52 21 28 46 9 26 48 303
De Standaard 67 32 24 29 29 15 30 38 264
ABC 114 42 28 43 30 21 39 19 336
El País 114 40 33 26 21 16 27 6 283
Totaal: 550 252 144 238 220 119 208 214 1945
Tabel 1: Aantal artikels per onderwerp per krant

< 24 uur > 24 uur

Vlaanderen 71,70% 28,30%

Spanje 64,40% 35,60%


Tabel 2: Directheid online nieuws van Vlaamse vs Spaanse digitale kranten

Politiek Economie Cultuur Socio Sport Wetenschap Justitie Andere


Spanje 36,80% 13,20% 9,90% 11,10% 8,20% 6,00% 10,70% 4,00%
Vlaanderen 24,20% 12,80% 6,30% 12,70% 12,70% 6,20% 10,70% 14,30%
Tabel 3: Spreiding onderwerpen Vlaams vs Spaans

Bovenaan Midden van Onderaan


de pagina de pagina de pagina
< 24 uur 44,60% 32,40% 23,00%
> 24 uur 31,70% 36,10% 32,20%
Tabel 4: Staan de meest recente artikels bovenaan de webpagina?

83
Verschilt de
directheid per
onderwerp? < 24 uur > 24 uur
Politiek 73,90% 26,10%
Economie 71,00% 29,00%
Cultuur 52,30% 47,70%
Socio 58,60% 41,40%
Sport 78,90% 21,10%
Wetenschap 61,10% 38,90%
Justitie 70,60% 29,40%
Andere 55,00% 45,00%
Tabel 5: Directheid per onderwerp

Is er plaats voor Vervolgverhaal


vervolgverhalen? Neen Ja

Het Laatste Nieuws 90,00% 10,00%

Gazet van Antwerpen 93,00% 7,00%

De Morgen 89,80% 10,20%

De Standaard 87,90% 12,10%

ABC 93,70% 6,30%

El País 94,40% 6,00%

Gemiddelde: 91,50% 8,50%


Tabel 6: Plaats voor vervolgverhalen?

84
Wordt het event Event tijdstip
tijdstip eigenlijk vermeld
wel vermeld? Neen Ja

Het Laatste Nieuws 66,00% 34,00%

Gazet van Antwerpen 66,50% 33,50%

De Morgen 64,70% 35,30%

De Standaard 53,00% 47,00%

ABC 48,80% 51,20%

El País 52,70% 47,30%

Gemiddelde: 59,20% 40,80%


Tabel 7: Event tijdstip vermeld (in %)

Wordt het tijdstip Tijdstip publicatie


van publicatie vermeld?
vermeld? Neen Ja

Het Laatste Nieuws 0% 100%

Gazet van Antwerpen 100% 0%

De Morgen 0% 100%

De Standaard 100% 0%

ABC 50% 50%

El País 100% 0%
Tabel 8: Tijdstip publicatie vermeld (in %)

8.4 Codeboek

Variabele 1: Krant
1 = Het Laatste Nieuws
2 = Gazet van Antwerpen
3 = De Morgen
4 = De Standaard
5 = ABC
6 = El País

85
Variabele 2: Plaats op de pagina

1 = Bovenaan de pagina
2 = Midden van de pagina
3 = Onderaan de pagina

Variabele 3: Onderwerp

1 = politiek (veiligheid, maatschappij,


oorlog)
2 = economisch (ontslagen, bedrijven)
3 = cultuur (media, concerten, programma’s)
4 = sociaal (staking, brand, ‘verhalen’,
ongeval, hulpacties, overlijden…
5 = sport
6 = wetenschap (milieu, onderzoek, stats)
7 = justitie / gerecht (politie,
schadevergoeding, gijzeling, aanval)
8 = andere (zoals non-news, gossip,
oproepen à la ‘mail ons uw …’, het weer,
reclame)

Variabele 4: Event tijdstip vermeld

1 = ja
0 = nee

Variabele 5: Event tijdstip

1 = 0min – 15min
2 = 15min – 1uur (15-60)
3 = 1uur – 2uur (60-120)
4 = 2uur – 3uur (120-180)
5 = 3uur – 24uur (180-720)
6 = 24uur – 48uur (720-1440)
7 = > 48u (>1440)
88 = niet van toepassing want niet vermeld
99 = niet van toepassing want in de toekomst

86
Variabele 6: Vervolgverhaal

1 = ja
0 = nee

Variabele 7: Tijdstip publicatie vermeld

1 = ja (datum + uur)
0 = nee (niks of datum alleen)

Variabele 8: Tijdstip publicatie

1 = 0u – 3u
2 = 3u – 6u
3 = 6u – 9u
4= 9u – 12u
5 = 12u – 15u
6 = 15u – 18u
7 = 18u – 21u
8 = 21u – 24u
88 = niet van toepassing want niet vermeld

8.5 SPSS-tabellen

Tabel 1: Aantal artikels per onderwerp per krant


Case Processing Summary

Cases
Valid Missing Total
N Percent N Percent N Percent
Krant * Onderwerp 1945 99,9% 1 ,1% 1946 100,0%

Krant * Onderwerp Crosstabulation

Onderwerp
pol eco cul soc sp wet Jus and Total
HLN Count 96 41 6 59 57 25 44 30 359
% within Krant 26,7% 11,4% 1,7% 16,4% 15,9% 7,0% 12,3% 8,4% 100,0%
% within Onderwerp 17,5% 16,3% 4,2% 24,8% 25,9% 21,0% 21,2% 14,0% 18,5%

87
GvA Count 85 45 32 53 37 33 42 73 400
% within Krant 21,3% 11,3% 8,0% 13,3% 9,3% 8,3% 10,5% 18,3% 100,0%
% within Onderwerp 15,5% 17,9% 22,2% 22,3% 16,8% 27,7% 20,2% 34,1% 20,6%
DM Count 73 52 21 28 46 9 26 48 303
% within Krant 24,1% 17,2% 6,9% 9,2% 15,2% 3,0% 8,6% 15,8% 100,0%
% within Onderwerp 13,3% 20,6% 14,6% 11,8% 20,9% 7,6% 12,5% 22,4% 15,6%
DS Count 67 32 24 29 29 15 30 38 264
% within Krant 25,4% 12,1% 9,1% 11,0% 11,0% 5,7% 11,4% 14,4% 100,0%
% within Onderwerp 12,2% 12,7% 16,7% 12,2% 13,2% 12,6% 14,4% 17,8% 13,6%
ABC Count 114 42 28 43 30 21 39 19 336
% within Krant 33,9% 12,5% 8,3% 12,8% 8,9% 6,3% 11,6% 5,7% 100,0%
% within Onderwerp 20,8% 16,7% 19,4% 18,1% 13,6% 17,6% 18,8% 8,9% 17,3%
El País Count 114 40 33 26 21 16 27 6 283
% within Krant 40,3% 14,1% 11,7% 9,2% 7,4% 5,7% 9,5% 2,1% 100,0%
% within Onderwerp 20,8% 15,9% 22,9% 10,9% 9,5% 13,4% 13,0% 2,8% 14,6%
Total Count 549 252 144 238 220 119 208 214 1945
% within Krant 28,2% 13,0% 7,4% 12,2% 11,3% 6,1% 10,7% 11,0% 100,0%
% within Onderwerp 100,0% 100,0% 100,0% 100,0% 100,0% 100,0% 100,0% 100,0% 100,0%

Chi-Square Tests

Asymp. Sig. (2-


Value df sided)
Pearson Chi-Square 162,235(a) 40 ,000
Likelihood Ratio 174,496 40 ,000
Linear-by-Linear
42,773 1 ,000
Association
N of Valid Cases
1945

a 6 cells (11,1%) have expected count less than 5. The minimum expected count is ,14.

Tabel 2: Directheid online nieuws van Vlaamse vs Spaanse digitale kranten


Case Processing Summary

Cases
Valid Missing Total
N Percent N Percent N Percent
VvsS * EVT 720 37,0% 1226 63,0% 1946 100,0%

VvsS * EVT Crosstabulation

EVT Total

,00 1,00 ,00


VvsS ,00 Count 103 186 289
% within VvsS 35,6% 64,4% 100,0%
% within EVT 45,8% 37,6% 40,1%
1,00 Count 122 309 431
% within VvsS 28,3% 71,7% 100,0%
% within EVT 54,2% 62,4% 59,9%
Total Count 225 495 720

88
% within VvsS 31,3% 68,8% 100,0%
% within EVT 100,0% 100,0% 100,0%

Chi-Square Tests

Asymp. Sig. (2- Exact Sig. (2- Exact Sig. (1-


Value df sided) sided) sided)
Pearson Chi-Square 4,331(b) 1 ,037
Continuity Correction(a) 3,996 1 ,046
Likelihood Ratio 4,303 1 ,038
Fisher's Exact Test ,040 ,023
Linear-by-Linear
Association 4,325 1 ,038

N of Valid Cases 720


a Computed only for a 2x2 table
b 0 cells (,0%) have expected count less than 5. The minimum expected count is 90,31.

Tabel 3: Spreiding onderwerpen Vlaams vs Spaans


Case Processing Summary

Cases
Valid Missing Total
N Percent N Percent N Percent
VvsS * Onderwerp 1945 99,9% 1 ,1% 1946 100,0%

VvsS * Onderwerp Crosstabulation

Onderwerp
pol eco cul soc sp wet Jus and Total
,00 Count 228 82 61 69 51 37 66 25 619
% within VvsS 36,8% 13,2% 9,9% 11,1% 8,2% 6,0% 10,7% 4,0% 100,0%
% within Onderwerp 41,5% 32,5% 42,4% 29,0% 23,2% 31,1% 31,7% 11,7% 31,8%
1,00 Count 321 170 83 169 169 82 142 189 1326
% within VvsS 24,2% 12,8% 6,3% 12,7% 12,7% 6,2% 10,7% 14,3% 100,0%
% within Onderwerp 58,5% 67,5% 57,6% 71,0% 76,8% 68,9% 68,3% 88,3% 68,2%
Total Count 549 252 144 238 220 119 208 214 1945
% within VvsS 28,2% 13,0% 7,4% 12,2% 11,3% 6,1% 10,7% 11,0% 100,0%
% within Onderwerp 100,0% 100,0% 100,0% 100,0% 100,0% 100,0% 100,0% 100,0% 100,0%

Chi-Square Tests

Asymp. Sig. (2-


Value df sided)
Pearson Chi-Square 80,230(a) 8 ,000
Likelihood Ratio 87,319 8 ,000
Linear-by-Linear
52,721 1 ,000
Association
N of Valid Cases
1945

a 2 cells (11,1%) have expected count less than 5. The minimum expected count is ,32.

89
Tabel 4: Staan de meest recente artikels bovenaan de webpagina?
Case Processing Summary

Cases
Valid Missing Total
N Percent N Percent N Percent
EvTallother * Plaats_pag 720 37,0% 1226 63,0% 1946 100,0%

EvTallother * Plaats_pag Crosstabulation

Plaats_pag Total
Bovenaan de Midden van de Onderaan de Bovenaan de
pagina pagina pagina pagina
EvTallother 1,00 Count 33 24 17 74
% within EvTallother 44,6% 32,4% 23,0% 100,0%
% within Plaats_pag 13,9% 9,3% 7,6% 10,3%
2,00 Count 205 233 208 646
% within EvTallother 31,7% 36,1% 32,2% 100,0%
% within Plaats_pag 86,1% 90,7% 92,4% 89,7%
Total Count 238 257 225 720
% within EvTallother 33,1% 35,7% 31,3% 100,0%
% within Plaats_pag 100,0% 100,0% 100,0% 100,0%

Chi-Square Tests

Asymp. Sig. (2-


Value df sided)
Pearson Chi-Square 5,376(a) 2 ,068
Likelihood Ratio 5,255 2 ,072
N of Valid Cases 720
a 0 cells (,0%) have expected count less than 5. The minimum expected count is 23,13.

Tabel 5: Directheid per onderwerp


Case Processing Summary

Cases
Valid Missing Total
N Percent N Percent N Percent
Onderwerp *
Eventtijdstipvoor3uur 720 37,0% 1226 63,0% 1946 100,0%

90
Onderwerp * Eventtijdstipvoor3uur Crosstabulation

Eventtijdstipvoor3uur Total

,00 1,00 ,00


Onderwerp politiek Count 187 66 253
% within Onderwerp 73,9% 26,1% 100,0%
% within
Eventtijdstipvoor3uur 37,8% 29,3% 35,1%

economisch Count 66 27 93
% within Onderwerp 71,0% 29,0% 100,0%
% within
Eventtijdstipvoor3uur 13,3% 12,0% 12,9%

cultuur Count 23 21 44
% within Onderwerp 52,3% 47,7% 100,0%
% within
Eventtijdstipvoor3uur 4,6% 9,3% 6,1%

sociaal Count 58 41 99
% within Onderwerp 58,6% 41,4% 100,0%
% within
Eventtijdstipvoor3uur 11,7% 18,2% 13,8%

sport Count 56 15 71
% within Onderwerp 78,9% 21,1% 100,0%
% within
Eventtijdstipvoor3uur 11,3% 6,7% 9,9%

wetenschap Count 11 7 18
% within Onderwerp 61,1% 38,9% 100,0%
% within
Eventtijdstipvoor3uur 2,2% 3,1% 2,5%

Justitie Count 72 30 102


% within Onderwerp 70,6% 29,4% 100,0%
% within
Eventtijdstipvoor3uur 14,5% 13,3% 14,2%

andere Count 22 18 40
% within Onderwerp 55,0% 45,0% 100,0%
% within
Eventtijdstipvoor3uur 4,4% 8,0% 5,6%

Total Count 495 225 720


% within Onderwerp 68,8% 31,3% 100,0%
% within
Eventtijdstipvoor3uur 100,0% 100,0% 100,0%

Chi-Square Tests

Asymp. Sig. (2-


Value df sided)
Pearson Chi-Square 21,229(a) 7 ,003
Likelihood Ratio 20,759 7 ,004
Linear-by-Linear
2,578 1 ,108
Association
N of Valid Cases
720

a 0 cells (,0%) have expected count less than 5. The minimum expected count is 5,63.

91
Tabel 6: Plaats voor vervolgverhalen?
Case Processing Summary

Cases
Valid Missing Total
N Percent N Percent N Percent
Krant * Vervolgverh 1946 100,0% 0 ,0% 1946 100,0%

Krant * Vervolgverh Crosstabulation

Vervolgverh
nee ja Total
Krant Het Laatste Nieuws Count 323 36 359
% within Krant 90,0% 10,0% 100,0%
% within Vervolgverh 18,2% 21,8% 18,4%
Gazet van Antwerpen Count 371 28 400
% within Krant 92,8% 7,0% 100,0%
% within Vervolgverh 20,9% 17,0% 20,6%
De Morgen Count 272 31 303
% within Krant 89,8% 10,2% 100,0%
% within Vervolgverh 15,3% 18,8% 15,6%
De Standaard Count 232 32 264
% within Krant 87,9% 12,1% 100,0%
% within Vervolgverh 13,0% 19,4% 13,6%
ABC Count 315 21 336
% within Krant 93,8% 6,3% 100,0%
% within Vervolgverh 17,7% 12,7% 17,3%
El País Count 266 17 283
% within Krant 94,0% 6,0% 100,0%
% within Vervolgverh 15,0% 10,3% 14,5%
Count 0 0 1
% within Krant ,0% ,0% 100,0%
% within Vervolgverh ,0% ,0% ,1%
Total Count 1779 165 1946
% within Krant 91,4% 8,5% 100,0%
% within Vervolgverh 100,0% 100,0% 100,0%

Chi-Square Tests

Asymp. Sig. (2-


Value df sided)
Pearson Chi-Square 986,732(a) 12 ,000
Likelihood Ratio 29,722 12 ,003
N of Valid Cases 1946
a 9 cells (42,9%) have expected count less than 5. The minimum expected count is ,00.

92
Tabel 7: Event tijdstip vermeld (in %)
Case Processing Summary

Cases
Valid Missing Total
N Percent N Percent N Percent
Krant * Tijdst_verm 1945 99,9% 1 ,1% 1946 100,0%

Krant * Tijdst_verm Crosstabulation

Tijdst_verm Total

nee ja nee
Krant Het Laatste Nieuws Count 237 122 359
% within Krant 66,0% 34,0% 100,0%
% within Tijdst_verm 20,6% 15,4% 18,5%
Gazet van Antwerpen Count 266 134 400
% within Krant 66,5% 33,5% 100,0%
% within Tijdst_verm 23,1% 16,9% 20,6%
De Morgen Count 196 107 303
% within Krant 64,7% 35,3% 100,0%
% within Tijdst_verm 17,0% 13,5% 15,6%
De Standaard Count 140 124 264
% within Krant 53,0% 47,0% 100,0%
% within Tijdst_verm 12,2% 15,6% 13,6%
ABC Count 164 172 336
% within Krant 48,8% 51,2% 100,0%
% within Tijdst_verm 14,2% 21,7% 17,3%
El País Count 149 134 283
% within Krant 52,7% 47,3% 100,0%
% within Tijdst_verm 12,9% 16,9% 14,6%
Total Count 1152 793 1945
% within Krant 59,2% 40,8% 100,0%
% within Tijdst_verm 100,0% 100,0% 100,0%

Chi-Square Tests

Asymp. Sig. (2-


Value df sided)
Pearson Chi-Square 43,722(a) 5 ,000
Likelihood Ratio 43,727 5 ,000
Linear-by-Linear
34,783 1 ,000
Association
N of Valid Cases
1945

a 0 cells (,0%) have expected count less than 5. The minimum expected count is 107,64.

93
Tabel 8: Tijdstip publicatie vermeld (in %)
Case Processing Summary

Cases
Valid Missing Total
N Percent N Percent N Percent
Krant * Tijdstpub_v 1945 99,9% 1 ,1% 1946 100,0%

Krant * Tijdstpub_v Crosstabulation

Tijdstpub_v Total

nee ja nee
Krant Het Laatste Nieuws Count 0 359 359
% within Krant ,0% 100,0% 100,0%
% within Tijdstpub_v ,0% 43,2% 18,5%
Gazet van Antwerpen Count 400 0 400
% within Krant 100,0% ,0% 100,0%
% within Tijdstpub_v 35,9% ,0% 20,6%
De Morgen Count 0 303 303
% within Krant ,0% 100,0% 100,0%
% within Tijdstpub_v ,0% 36,5% 15,6%
De Standaard Count 263 1 264
% within Krant 99,6% ,4% 100,0%
% within Tijdstpub_v 23,6% ,1% 13,6%
ABC Count 168 168 336
% within Krant 50,0% 50,0% 100,0%
% within Tijdstpub_v 15,1% 20,2% 17,3%
El País Count 283 0 283
% within Krant 100,0% ,0% 100,0%
% within Tijdstpub_v 25,4% ,0% 14,6%
Total Count 1114 831 1945
% within Krant 57,3% 42,7% 100,0%
% within Tijdstpub_v 100,0% 100,0% 100,0%

Chi-Square Tests

Asymp. Sig. (2-


Value df sided)
Pearson Chi-Square 1597,662(a) 5 ,000
Likelihood Ratio 2176,076 5 ,000
Linear-by-Linear
314,378 1 ,000
Association
N of Valid Cases
1945

a 0 cells (,0%) have expected count less than 5. The minimum expected count is 112,79.

94