You are on page 1of 17

SPREKENDE JOURNALISTIEK

Wie een ander toespreekt op, pak weg, een meter afstand, gebruikt
spreektaal.
Krantentaal is even ongeschikt voor de sprekende journalist van radio en
televisie als dagelijkse omgangstaal. De man/vrouw van de schrijvende
journalistiek heeft geleerd om met de deur in huis te vallen en liefst in de
eerste zin een stuk of zes W-tjes te beantwoorden:

Wie- Wat – Waar- Wanneer – Waarom- Waarmee?

Dat leidt tot lange eerste zinnen, die een heleboel informatie bevatten. Al die
feiten kunnen een kijker of een luisteraar niet in één klap tot zich nemen. En
daarbij komt dat het bericht wordt geformuleerd in schrijftaal. Dat is heel
logisch voor een krant of een weekblad.
Daarin mag een lezer schrijftaal verwachten. Maar bij radio en televisie
wordt het nieuws mondeling meegedeeld. En van een spreker zijn we
gewend spreektaal te horen. Het is gewoon een kwestie van de juiste taal
voor het medium.
Wie voor radio en televisie schrijft, dient zijn informatie te verdelen in
hapklare brokken, vergelijkbaar met de werkwijze die onze verteller
onbewust heeft toegepast. Als een brok te groot is, te veel informatie bevat,
kan de toehoorder het niet in één keer doorslikken.

Herhalen en herhalen
En daarbij hebben we, als we de rol van luisteraar of kijker vervullen, ook
een beperkt geheugen. Onze verteller kon het verhaal in de krant overzien.
Zo’n herhaling uit het oogpunt van dienstverlening zal bij de luisteraar of
kijker eerder gevoelens van erkentelijkheid opwekken dan ergernis.
Dan kunnen we beter de onopzettelijke herhaling toepassen, althans een
vorm van herhaling die onopzettelijk aandoet.

Wees niet bang om die bezoekers even later weer “bezoekers” te noemen.
Het gebruik van synoniemen en andere vervangende aanduidingen, is iets
wat we op school hebben geleerd, waar het ging om het leren schrijven van
mooie opstellen. In spreekteksten stoort het niet om het onderwerp of het
lijdend voorwerp bij herhaling bij de naam te blijven noemen.
We steunen het geheugen van de ontvangende partij, waardoor onze teksten
voor radio en televisie al weer beter beantwoorden aan het doel: luisteraar en
kijker duidelijk informeren
In een spreektekst moeten we niet terugverwijzen, vanwege het korte
geheugen en omdat we de luisteraar zo aan het denken zetten dat ‘ie zijn
aandacht niet bij de volgende zinnen kan houden.We moeten de luisteraar
niet halverwege een tekst met problemen opzadelen of hem sommen
opgeven. Als we schrijven: “Zij werd geboren in 1928, zijn we de luisteraar
vervolgens één of twee zinnen kwijt, omdat hij moet uitrekenen hoe oud de
dame in kwestie op het ogenblik is. Schrijf dus maar meteen wat haar
leeftijd is, dat is makkelijker.
Om tegemoet te komen aan het beperkte geheugen van de ontvangende
partij, moet de redacteur van een radio- of televisierubriek dus in grote
trekken het volgende doen :
A.De informatie verdeelt in hapklare brokken

B.Herhalingen inbouwen, daar waar een krantelezer even zou moeten


terugkijken

C.Niet verwijzen naar wat eerder werd gezegd met worden als
“eerstgenoemde”,”dat tweede punt” en “het laatste”.

D.Geen informatie opsluiten tussen zinsdelen

In een boek doet zo’n opsomming onder A,B,C en D redelijk normaal aan.
Maar als we die vier aanwijzingen achter elkaar voor de microfoon zouden
voorlezen, zegt de modale luisteraar waarschijnlijk “Of je een emmer
leeggooit”. Als we C aan het voordragen zijn, is hij denkelijk al weer
vergeten wat A was.

PRATEN OP PAPIER
Je stelt je voor dat je die plaatjes aan een groepje kinderen vertoont en wat je
er dan bij zou vertellen, schrijf je op. Dat wordt je tekst.
Zo simpel is het in de meeste gevallen. Teksten voor radio en televisie
schrijven, is praten op papier. Of waar dan ook maar op geschreven wordt.
Iets concreet maken, wil in veel gevallen zeggen met een voorbeeld komen

Korte zinnen, jongen


Het eerste advies dat de beginnende tekstschrijver gewoonlijk krijgt is “korte
zinnen maken”. Maar zo eenvoudig is het niet.
Behalve soms monsterlijk lange zinnen kent de schrijftaal ook lange en
moeilijke woorden.
De typische schrijftaalwoorden zijn wat lastiger te herkennen, want we zien
ze dagelijks in kranten, weekbladen en boeken. Daar horen ze ook thuis,
maar als een verteller ze in de mond neemt, krijgt de toehoorder het
onbehaaglijke gevoel dat hij op een eigenaardige manier wordt
toegesproken.

“Ten gevolge van” is in spreektaal natuurlijk gewoon “door”.

“Van geringe omvang” is “klein”.

“Waarnemen” wordt “zien”

“Omvangrijk” is “groot”

“Enerzijds” kan worden “aan de ene kant”

“Ten dele” wordt bij een spreker “voor een deel” of “gedeeltelijk”

“Aangezien” is “omdat”

“Ik ben werkzaam” word in spreektaal “ik werk”.

Het zal weinig moeite kosten om de lijst langer te maken. Hoe kunnen we
die schrijftaalwoorden herkennen? Doe de test die we al eerder hebben
geïntroduceerd. Lees de tekst hardop en stelt u zich voor dat u de
mededeling in deze vorm doet aan een goeie kennis. Het is trouwens aan te
bevelen voor iedereen die teksten schrijft voor radio of televisie om
voortdurend stukjes hardop te lezen. Valt er op basis van deze tekst normaal
te praten? Hoor ik niet te veel bijklanken achter elkaar, of a-klanken of een
andere klinker die door veelvuldig gebruik een stukje tekst komisch kleurt?
Staan er niet te veel regels met een identieke zinsmelodie achter elkaar,
zodat de tekst bij het voorlezen een monotoon liedje dreigt te worden? Zulke
onvolkomenheden zijn alleen maar door hardop lezen te herkennen.

Behalve voor moeilijke- en voor schrijftaalwoorden moeten we nog op onze


hoede zijn voor een derde afkeurenswaardige categorie: de woorden die
afkomstig zijn uit een groepstaal, jargon

Recht voor zijn raap schrijven wat er aan de hand is.


Dat gaat over het algemeen prettig in de tegenwoordige tijd.
Het is logisch dat we in een tekst ook wel eens in de verleden tijd willen
spreken, al was het maar om het verleden af te zetten tegen het heden waarin
een nieuwe situatie is ontstaan.
Een verteller die het over dingen heeft die zich een poosje terug hebben
afgespeeld, bedient zich in heel veel gevallen van de voltooid tegenwoordige
tijd.
Nederlanders zeggen “Ik heb gisteren naar Studio Sport gekeken” en niet “Ik
keek gisteren naar Studio Sport”.
Journalistiek is voortdurend kiezen, ook sprekende journalistiek.

Producers, redacteuren en regisseurs worden regelmatig geconfronteerd met


de onrechtvaardige omstandigheid dat hun programma’s worden beoordeeld
op de presentator. Die is het gezicht en de stem van het programma en of de
andere medewerkers nu tien keer zoveel werk hebben verzet; de uitzending
wordt opgehangen aan de man of de vrouw die de teksten heeft voorgelezen.
Zo kan een programma vallen omdat de presentatie het publiek niet zint,
maar omgekeerd kan een zwakke uitzending worden gered door een sterke
presentator. Producers zetten daarom graag een presentator neer waarvan de
populariteit bij voorbaat vast staat.
Kern van de zaak is dat de moderne presentator zich helemaal moet
concentreren op het overbrengen van de inhoud.

Kleine bewegingen van een televisiepresentator leiden al af. Het regelmatig


optrekken van wenkbrauwen, het voortdurend de handen een decimeter uit
elkaar brengen (als die tenminste in beeld zijn). En zo komen we dan ook
voor het vierkante meter-werk op de oude toneelwet: nooit halve gebaren
maken.
Wie een opvallende das draagt, een trui met een gedurfd patroon of een
japon met een interessant décolleté, kan er vergif op innemen dat er in veel
huiskamers commentaar geleverd zal worden op die uitmonstering alvorens
ons publiek aandacht kan geven aan de uitgesproken tekst. Waarschijnlijk
pas bij de vierde of vijfde zin.

De inhoud overbrengen

Als nu de presentator zich moet concentreren op het overbrengen van de


inhoud, dient hij die inhoud ook te kennen. Met andere woorden: hij moet
weten waar het over gaat.
De steeds meer veld winnende opvatting dat de presentator zich moet
concentreren op de inhoud heeft er in de praktijk toe geleid dat de meeste
nieuws-en actualiteitenrubrieken tegenwoordig worden gepresenteerd door
mensen met een journalistieke achtergrond.
Er wordt wel eens iemand onder de camera gezet waar de presentator dan
“tegenaan” kan praten.
De presentator moet niet alleen weten waar het over gaat, hij moet het ook
nog interessant vinden. Nou ja, hij moet de indruk wekken dat hij het
interessant vindt.

Die pauzes tussen de zinnen hebben overigens niets te maken met het tempo
waarin gelezen wordt. De verdeling van tekst en pauzes en het feit dat het
ene stukje tekst wat sneller gelezen wordt dan het andere, bepalen het ritme.
Dan geheel kan dan naar verkiezing razendsnel of tergend langzaam worden
uitgevoerd; het tempo dat wordt gekozen, afhankelijk van de stijl van het
programma en de persoonlijkheid van de presentator.

Luister bij gelegenheid eens naar iemand die gewoon iets vertelt, zonder
zich presentator te noemen. Behalve die denkpauzes is er nog een fenomeen
waar te nemen dat voor de tv- en radiospreker van belang is: die verteller
legt maar heel weinig klemtonen.
Als er te veel woorden worden beklemtoond, ontstaat er iets dat lijkt op een
landschap met louter bergtoppen, zodat niemand meer kan zien dat ze hoog
zijn.

Door dat ene accent te verschuiven, verandert de zin van betekenis.

“IK heb gisteren naar Studio Sport gekeken.”


(mijn broer weet van niks)

“Ik heb GISTEREN naar Studio Sport gekeken”


(de uitslag van vandaag ken ik niet)

“Ik heb gisteren naar STUDIO SPORT gekeken”


(over die slome serie kan ik niet meepraten)

“Ik heb gisteren naar Studio Sport GEKEKEN.”


(het commentaar zet ik altijd uit)

Improviseren
De verslaggever die moet improviseren kan tevoren punten opschrijven of in
zijn hoofd prenten en hij kan ook gebruik maken van wat de geografische
methode zou willen noemen. Hij bedenkt alvorens aan een
ooggetuigeverslag te beginnen, welke denkbeeldige lijn zijn ogen straks
zullen volgen.
“Eerst kijk ik over de rivier en praat wat over de schepen die ik zie, dan kijk
ik rechts naar de kade en beschrijf dat walhuisje, daarna het schilderachtige
café daar en dan ga ik naar de pont waar ik vőőr sta.”
Televisieverslaggevers weten wat de kijker zelf kan zien. Ze beantwoorden
vragen die de beelden kunnen oproepen en vullen die beelden met hun
commentaar aan.
De improvisator dient te bedenken wie hij toespreekt en wat hij met zijn
betoog wil bereiken. Het zal ook in dit geval weer heel goed zijn om een
concrete luisteraar of kijker in gedachten te nemen. Als we spontaan
spreken, hebben we de neiging om “ ....eh .....” te zeggen tijdens denkpauzes.
Slik dat “.....eh .....” in. Laat de denkpauze een pauze zijn.

DOELGROEPEN
Omdat we het voornamelijk over journalistiek hebben, mogen we wel als eis
stellen dat het publiek zo duidelijk mogelijk wordt geĩnformeerd door de
media zodat de bewoners van ons taalgebied over de inlichtingen beschikken
die hen in staat stellen een eigen oordeel te vormen. Niettemin zijn er als we
aan die eis voldoen, nog een heleboel verschillende stijlen denkbaar. Welke
factoren bepalen die stijl?
Als er een tekst wordt gemaakt, uitgezonden en ontvangen, komen er drie
figuren aan het proces te pas:

De schrijver,
De presentator en
De ontvanger

Schrijver en presentator kunnen één en dezelfde persoon zijn natuurlijk, dat


doet aan de nu volgende overwegingen niets toe of af. Voor het bepalen van
de stijl van een tekst, van een programma, loont het de moeite om vooraf na
te gaan aan welke van de drie genoemde figuren het meeste gewicht moet
worden toegekend. We zullen ze in omgekeerde volgorde behandelen.

Een jeugdjournaal moet zo gemaakt worden dat kinderen van elf en twaalf
jaar het programma kunnen bevatten en appreciëren. Waarbij we willen
aantekenen dat zulke doelgroepen niet onderschat mogen worden.
Als we voor een duidelijk omlijnde doelgroep werken, maken we zogeheten
gerichte programma’s,
Wat we ons eerst moeten afvragen als we over de kijkers of de luisteraars
filosoferen: is het er één of zijn het er meer?
In het eerste hoofdstuk hebben we het er al over gehad dat de presentator
recht tegenover die ene kijker zit en of die nou vermenigvuldigd is met
miljoenen – elke kijker zit in z’n eentje te kijken en wil dus als persoon
worden toegesproken.
Dat is vooral zo bij informatieve programma’s , het soort waar we het
voornamelijk over zullen hebben. Maar er zijn ook allerlei situaties denkbaar
waarbij “dames en heren” worden toegesproken, een collectief. Dat kan bij
een show het geval zijn.

Het draait om de presentator


Een programma geheel “ophangen” aan de persoonlijkheid van de man of de
vrouw die het presenteert, lijkt in tegenspraak met wat er tot dusver is
betoogd. Het gaat immers gewoonlijk om de inhoud, om de boodschap,om
het zo goed mogelijk informeren van het publiek . Desalniettemin speelt de
presentator een belangrijke rol bij het bereiken van de lofwaardige
doelstellingen. Die figuur wordt heel belangrijk gevonden bij het beoordelen
van een programma en we kunnen daar gebruik van maken door kijkers en
luisteraars samen met de inhoud een wat indringender stukje presentatie aan
te bieden dan gebruikelijk. We maken dan wat in vakkringen een
“personality show” wordt genoemd. Er is sprake van koppelverkoop. Het
publiek hoort en ziet met welbehagen hoe leuk, lief, vlot de presentator is en
neemt daardoor wellicht makkelijker kennis van onderwerpen die het anders
als te moeilijk links zou laten liggen.

Vanuit het beeld


Maar als het goed is, heeft een televisie-nieuwsrubriek beelden die echt wat
te zeggen hebben en moet die gemakzuchtige kijker die achterover leunde in
zijn gemakkelijke stoel, opzij van het toestel, zich vooroverbuigen omdat
“ie” het verhaal niet kan volgen zonder een blik op het scherm.

We kunnen die kijker daar toe dwingen door te schrijven vanuit het
beeld,ook al vullen we ons verhaal maar aan met één enkele foto.
Tekst en beeld geven samen informatie en we moeten er voor zorgen dat ze
elkaar niet in de weg zitten, maar dat ze integendeel elkaar kunnen aanvullen
en versterken. Waarbij we er van uit mogen gaan dat beelden die echt wat te
vertellen hebben, meer aandacht zullen trekken dan gesproken woord. Het
beeld wint.
En als de beelden heel indringend zijn, veel te vertellen hebben, moet de
tekst dienovereenkomstig beperkt worden.
Telkens als er een beeld verschijnt, gaat de tekst dus uit van datgene wat de
kijker ziet, waardoor beeld en tekst samen de informatie geven.
Als het mogelijk is, moeten de beelden het verhaal vertellen en de
verslaggever heeft bij televisie niets anders te doen dan aanvullen, vertellen
wat er niet al uit de beelden blijkt.

De eenvoudigste relatie is die wanneer er gesproken wordt van identiek


geluid.
Beeld en geluid zijn identiek, dat wil zeggen we zien een straalvliegtuig
opstijgen en we horen het gebrul van de motoren.
We grijpen heel wat forser in als we commentaar gaan toevoegen, vooraf
uitgeschreven of geïmproviseerd. Dat kan parallel commentaar zijn: de
commentator geeft nog eens in woorden weer wat de beelden laten zien, een
variant op het klassieke ooggetuigeverslag.
Zo’n soort commentaar zal gauw de irritatie van de kijker opwekken, want
die heeft zelf ogen.
De tweede werkwijze zal vooral de filmmaker aanspreken. Vertel het
verhaal in beelden. Monteer het programma eerst en voorzie het daarna van
commentaar. De schrijver zal dan merken dat hij zich aan de beelden dient te
onderwerpen. Als een beeld veel informatie geeft, een sterke indruk op de
kijker maakt, dient hij zich te onthouden van commentaar. Als een instelling
tien seconden duurt, moet hij binnen die tien seconden zijn zegje over dat
onderwerp hebben gedaan, tenzij hij een mooie verbinding kan maken naar
het volgende beeld.
Maar het is niet mooi om de film van begin tot einde van commentaar te
voorzien.
Laten we technische voorzieningen, ingewikkelde apparatuur en zorgvuldig
gemaakte draaiboeken U er overigens niet van weerhouden om te blijven
praten op het papier, simpel en vanuit het beeld.

Goede journalisten weten wat ze moeten kiezen, wat de moeite waard is om


te vermelden en wat niet. Ze zijn het er gewoonlijk wel over eens wat er op
de voorpagina moet, wat naar pagina zeven kan worden verwezen en wat er
in de prullenmand kan worden gegooid.

Incidenten-journalistiek
In een dagblad en voor wat radio en televisie betreft in een nieuws- of
actualiteitenrubriek komen we voornamelijk voorbeelden tegen van
incidenten-journalistiek. Een incident, een stoornis in het reilen en zeilen
van de samenleving, levert een nieuwsfeit op. We kunnen ook zeggen, als
we de verzwakte betekenis van het woord incident hanteren: er is pas nieuws
als er wat gebeurt.
Daar zit een zwakke kant aan, want als er weinig incidenten optreden,
hebben de dagbladen en de actualiteitenrubrieken niet veel te melden.
Bovendien blijven bij het uitvoerig vermelden van die incidenten
achtergronden, dieperliggende oorzaken, buiten beschouwing. En omdat het
langzamerhand tot brede lagen van de bevolking is doorgedrongen dat de
nieuwsmedia op zoek zijn naar gebeurtenissen, worden ze wel georganiseerd
als ze niet spontaan plaatsvinden.
Wat de journalist zich ook zal afvragen is: wat is het belang van dit
nieuwsfeit voor mijn doelgroep? Dat is dikwijls een kwestie van tellen.
Hoeveel kijkers, lezers, luisteraars hebben er mee te maken? Als dat veel
mensen zijn, zullen we er meer aandacht aan besteden. Dat een bericht
belangrijker gevonden wordt naarmate er meer leden van de doelgroep mee
te maken hebben kan ook anders worden gehanteerd. We zouden ons ook
kunnen afvragen met welk aspect van een bericht veel leden van onze
doelgroep te maken hebben, om onze berichtgeving dan te beginnen met die
kant van de zaak.
Een redacteur vraagt zich af wat het belang van een nieuwsfeit is voor zijn
doelgroep en tevens overweegt hij wat de belangen zijn van de groeperingen
die bij het nieuws betrokken zijn. Veel aankondigingen van persconferenties
gooit hij lachend in de prullenmand, omdat het duidelijk is dat de zogeheten
conferentie alleen maar werd opgezet in de hoop wat gratis publiciteit te
krijgen voor de firma. “Wie betaalt dat?” Vraagt hij dikwijls om te weten te
komen hoe de belangen eigenlijk liggen. Het gaat hem niet om de belangen
van de partijen die bij het nieuwsfeit betrokken zijn, maar om het belang dat
het feit kan hebben voor de leden van zijn doelgroep.
Een journalist gebruikt geen bijvoeglijke naamwoorden, behalve misschien
in hoofdartikelen, in commentaren. De lezer, luisteraar, kijker, krijgt een
aantal feiten opgedist en het is aan hem om daarna de bijvoeglijke
naamwoorden in te vullen. Maar het is best mogelijk om de feiten zo te
selecteren en op te dissen, dat een kijker bij voorbeeld “schandelijk!” Zal
roepen.
Hoewel de redactie voornamelijk feiten heeft uitgezonden, was het verslag
niet objectief. Daar valt mee te leven, want niemand is objectief dus ook
journalisten niet. Irritanter is dat de redactie in het voorbeeld op een
hinderlijke wijze emoties heeft opgeroepen. Nieuws dat op zo’n manier
wordt gepresenteerd, zal aandacht trekken en er zal flink over nagepraat
worden.
Elk nieuwsorgaan doet het, op de Staatscourant na misschien, en het is aan
de redactie om uit te maken hoever ze daarin wil gaan. De ene krant roept
meer emoties op dan de andere; radio- en televisierubrieken verschillen
vooral op dit punt van elkaar.
Wie emoties wil bespelen, kan ervan verzekerd zijn te scoren als hij zaken
betreffende religie, koningshuis en seks breed uitmeet – liefst een
combinatie van twee van die onderwerpen of alle drie. Een kop als “Priester
vergrijpt zich aan koninklijke biechteling” is onweerstaanbaar. Dat stuk zal
gegarandeerd gelezen worden. En zielige dieren zijn ook nooit weg :
politiepaard tijdens rellen door stenen getroffen.

Research-journalistiek
Aangezien mensen nooit objectief zijn, is het nuttig om te weten door wie
we worden voorgelicht. Dat is één van de grondslagen van het Nederlandse
omroepbestel.
De kleur, het karakter van de verschillende zendgemachtigden, is bekend en
als de burger een actualiteitenrubriek hoort of ziet, weet hij uit welke hoek
de wind waait. Als hij zich een eigen oordeel wil vormen, en dat is
uiteindelijk de bedoeling, kan hij zich van diverse kanten laten informeren.
Een praktisch nadeel van het veelbesproken stelsel is dat de afzonderlijke
redacties betrekkelijk klein zijn. Ze hebben nauwelijks de mogelijkheid om
één of twee redacteuren een poosje vrij te maken, zodat die zich eens kunnen
vastbijten in één grote zaak, de zogeheten research-journalistiek.

We komen dit soort journalistiek als regel tegen in weekbladen en bij radio
en televisie in documentaires of in “specials”. We spreken van een “special”
als er in een actualiteitenrubriek eens wat meer tijd wordt besteed aan één
interessant onderwerp.
Als het onderwerp gekozen is, zal de journalist aan de research moeten
beginnen. Eén kant van de journalistiek is materiaal verzamelen, de andere
kant is dat materiaal ordenen en het weergeven. Is er een grote lijn, zijn er
kenmerkende details? Sommige omroepen hebben goede documentatie-
afdelingen, kranten en weekbladen in veel gevallen ook.
De journalist kan terecht bij bibliotheken, bij documentatie-afdelingen van
ministeries, musea, bij tal van organisaties waarvan hij de adressen en
telefoonnummers in Pyttersen’s Almanak kan vinden.
De journalist die het idee heeft dat ergens iets niet in de haak is, zal moeten
trachten de afdeling pers en publiciteit te passeren want de mensen van de
betrokken afdeling zullen nu ineens proberen publiciteit te voorkomen.

Het resultaat van alle inspanningen kan tweeërlei zijn. Er kan een
documentaire of een artikel tot stand komen, waaruit geen nieuwe feiten
naar voren komen, maar waarin alle facetten van de zaak nu eens
overzichtelijk op een rij zijn gezet. Heel nuttig als het om een belangrijk
onderwerp gaat.
Maar de journalist die zich uitvoerig in een zaak verdiept, hoopt op het
tweede mogelijke resultaat, namelijk dat zijn speurwerk feiten boven water
brengt, die tot dusver nog niet bekend waren.
De journalist wil onafhankelijk zijn. Aangezien veel mensen belang hebben
bij publiciteit of bij het achterwege blijven daarvan, wordt die
onafhankelijkheid van verschillende kanten bedreigd. Als de mensen die
hem betalen rechtstreeks belang hebben bij zijn publicaties, ontstaat een
gevaarlijke situatie.
Om die onafhankelijkheid van de redacteuren te kunnen waarborgen, zijn er
twee goede instrumenten: Er moet een doelstelling zijn waarin geformuleerd
is wat met het blad, de omroep, een rubriek wordt beoogd en het is van
belang dat er een redactie-statuut is opgemaakt, waarin de bevoegdheden en
de verantwoordelijkheden van de redacteuren zijn vastgelegd. Mochten er
meningsverschillen rijzen, dan kunnen die in veel gevallen worden beslecht
door doelstelling of redactie-statuut te raadplegen. Omroepen hebben wel
doelstellingen – een redactiestatuut wordt bij steeds meer zendgemachtigden
en rubrieken ingevoerd.

Een journalist zal ook onafhankelijk willen zijn van de commercie. Kranten
hebben gewoonlijk een directeur en een hoofdredacteur. De directeur geeft
leiding aan het bedrijf, de hoofdredacteur is verantwoordelijk voor de
redactionele inhoud van de krant.

De bouw van een verhaal


Een redacteur zal zoeken naar een pakkend begin.
We willen telkens opnieuw de aandacht vangen van onze kijker of luisteraar,
omdat we het de moeite waard vinden wat we te vertellen hebben. Bij
nieuwsberichten zullen we de ons bekende journalistieke principes hanteren
om een boeiend begin te formuleren.
Er is een aardige manier om een stukje of een programma te beginnen, die
alleen bij radio of televisie kan worden toegepast: het raadsel. We zeggen
niet meteen waar het om gaat, maar dragen steeds materiaal aan en proberen
op die manier de toehoorder te laten meedenken tot na verloop van tijd
onthuld wordt over wie of wat het gaat. Bij nieuwsberichten zullen we het
systeem zelden toepassen.
Bij een biografie kan het heel intrigerend zijn.
In een krant kan zoiets niet, want dan heeft de lezer al in de kop gezien over
wie het stuk gaat.

Een nieuwsbericht kan ook vaak behandeld worden volgens de formule :


heden, verleden en toekomst.

Heden:

“Een werkgroep van ambtenaren die van verschillende ministeries


afkomstig zijn,
adviseert de regering om de treintarieven te verhogen.

Verleden:

In opdracht van het kabinet heeft de werkgroep onderzocht hoe er op


het
Openbaar vervoer kan worden bezuinigd.

Toekomst:

Als de regering de adviezen om minder treinen te laten rijden tegen


hogere tarieven en onrendabele lijnen op te heffen, inderdaad opvolgt,
zal dat een besparing opleveren van 500 miljoen per jaar volgens de
werkgroep.”

Heel bruikbaar voor radio en televisie, niet alleen voor teksten maar voor
hele programma’s, is de exemplarische vorm. Al eerder hebben we betoogd
dat concreet makkelijker luistert dan abstract. We zullen er altijd naar
streven om voorbeelden te geven. Maar we kunnen ook een hele
documentaire vorm geven aan de hand van één goed voorbeeld.
De programmamaker kan zich nu afvragen: wat behandel ik eerst, het
probleem of de oplossing? Er is ooit eens een onderzoek ingesteld welke
volgorde het meest effect sorteert bij kijkers en luisteraars en als resultaat
kwam uit de bus dat het de voorkeur verdient om eerst de problemen te
schetsen en daarna met de (mogelijke) oplossing te komen.

Een draaiboek maken


Er is bij de Nederlandse omroep geen uniform systeem om een draaiboek te
maken; het ene zal er heel anders uitzien dan het andere. Daar zit enige
logica in, want programma’s kunnen totaal van elkaar verschillen in opzet en
uitvoering en het ligt voor de hand dat de makers het draaiboek aanpassen
aan de behoeften in hun specifieke geval. Voordat we een draaiboek gaan
maken loont het de moeite om ons af te vragen waar we het eigenlijk voor
doen. Dat zal gewoonlijk zijn om alle betrokkenen op de hoogte te stellen
van wat er tijdens opname of uitzending moet gebeuren. Hoe centraler
iedereen geïnformeerd wordt, des te kleiner zal het risico van misverstanden
zijn.

Als u een draaiboek gaat maken voor een actualiteitenprogramma, zal de


vraag die de meeste hoofdbrekens kost zijn: hoe schrijf ik de verbindende
teksten?
Bij het monteren streven we er als regel naar om de dames en heren die we
op de band hebben staan, met een volledige zin te laten beginnen. De vraag
wordt gewoonlijk weggehaald. Die wordt vervangen door de inleidende
woorden van de presentator.
Het is bepaald lelijk om de geïnterviewde te laten beginnen met een halve
zin.
Een bijkomend voordeel van het systeem is nog dat de inleidingen iedere
keer een beetje anders moeten worden, zodat clichés automatisch worden
vermeden.
Als U nu het complete draaiboek gaat maken, dienen er behalve teksten ook
aanwijzingen geschreven te worden die bestemd zijn voor andere
betrokkenen naast de presentator.
Het draaiboek voor een directe uitzending zou ook verdeeld kunnen worden
in samenhangende, genummerde blokken. Mocht er halverwege de
uitzending belangrijk nieuws binnen komen, dan kan de regisseur simpelweg
commanderen: “De nummers 7 en 8 vervallen. We gaan hierna naar 9.”
Het luister en kijkgedrag
Uit onderzoeken is bekend dat radioprogramma’s zelden tevoren worden
gekozen uit een omroepblad. En de individuele luisteraar combineert het
luisteren naar de radio met een hoofdbezigheid; stofzuigen, huiswerk maken,
een machine bedienen, auto rijden. Hij kiest niet voor een bepaald
programma, maar als hij daar zin in heeft zet hij de radio aan. Wat de
onderzoekers noemen: de radio wordt als radio gebruikt.
Een radioredacteur zal zich er dus rekenschap van moeten geven of hij nog
werkt voor de beperkte groep van programma-luisteraars, die zijn product
bewust van het begin af aan volgen, of voor de veel grotere groep van
radioluisteraars zonder meer, de mensen die midden in zijn programma
vallen of die bleven plakken na een vorige uitzending te hebben gehoord.

In Amerika wordt de televisie op dezelfde achteloze manier gebruikt, als


waarop wij met onze radio’s omgaan. De hele dag staat het apparaat in een
hoek van de kamer te flikkeren en het stoort de gemiddelde Amerikaan niet
in het minst bij het verrichten van de dagelijkse bezigheden. Televisie
schijnt in de Verenigde Staten “de sprekende schemerlamp” te worden
genoemd. Men besteedt de laatste jaren veel aandacht aan het geluid, want
het is het middel om de aandacht van ongeïnteresseerde kijkers weer even op
het toestel te vestigen.
Geraffineerder is het als een journalistiek programma echt nieuws weet te
bieden, zodat andere media als dag- en weekbladen er op moeten inhaken.
Primeurs te pakken krijgen door eigen research of wellicht door het
marchanderen met politici zoals we dat in het hoofdstuk over journalistieke
overwegingen al hebben gesignaleerd.

Het kan ook zijn dat we in een programma onderwerpen aan de orde hebben
gesteld, die ons publiek zo hebben getroffen dat er de volgende dag bij de
kapper of in de bedrijfskantines over wordt nagepraat. Het luister- en
kijkonderzoek laat ons weten of er veel naar ons programma is geluisterd of
gekeken en een speciaal daartoe ingesteld onderzoek kan ons er ook nog van
op de hoogte stellen of ons publiek de aangeboden informatie inderdaad
heeft opgepikt. Maar een talkshow voor de televisie die misschien maar een
bescheiden kijkdichtheid had, kan een heel groot effect sorteren als elke
kijker de volgende dag met vier anderen over het bepaalde onderwerp
napraat. Is dat te stimuleren? De beste manier is waarschijnlijk onderwerpen
en benaderingen van onderwerpen te kiezen die emoties oproepen. Als we
emoties bij onze kijkers hebben opgeroepen, zullen we dat napraat-effect
bereiken.

Educatieve programma’s
We hadden het tot dusver over informatieve programma’s. We mogen
daaraan als eis stellen dat de informatie goed en helder wordt aangeboden,
zodat de leden van de doelgroep de informatie in de juiste laatjes van hun
voorraadkast kunnen bergen.
De leden van de meestal grote doelgroepen worden niet na afloop van
programma’s overhoord, een enkele uitzondering als het hiervoor
beschreven onderzoek daargelaten.
Daarin zit het verschil tussen informatieve en de werkelijk educatieve
programma’s.Bij een informatief programma blijft het bij het zo goed
mogelijk aanbieden; de redacteur van een educatieve uitzending wil een
concreet doel bereiken. Wat er wordt uitgezonden telt eigenlijk niet, om het
maar eens heel cru te zeggen, het gaat er om of het leerdoel wordt bereikt.
Een educatief bedoel programma over het zelf metselen van een muurtje
mag nog zo’n enorme kijkdichtheid bereiken, als geen enkele kijker na
afloop in staat blijkt om een muurtje te metselen, mogen we zeggen dat de
redactie heeft gefaald.

Met de onderwijskundige
De onderwijskunde is een tak van de pedagogiek die zich met het verloop
van leerprocessen bezighoudt.
Veel instanties die bij radio en televisie educatieve programma’s verzorgen,
maken gebruik van de diensten van onderwijskundigen. Een programma
wordt dan vaak gemaakt door een redacteur en een onderwijskundige samen.
De wetenschapper houdt voortdurend het leerdoel in de gaten; de redacteur
geeft de leerstof een zo aantrekkelijke mogelijke vorm. Want ofschoon het
bereiken van het leerdoel centraal staat, mag de vorm niet verwaarloosd
worden.
Er is geen sector in de omroep waar zoveel wordt gemeten als in de hoek
van de educatieve programma’s. Dat is verklaarbaar want hoe concreter het
resultaat dat wordt beoogd, hoe eenvoudiger ook te controleren valt of dat
resultaat inderdaad wordt bereikt. Voor een programma dat gericht is op het
vermeerderen van kennis, moet eerst worden nagegaan hoe veel de leden
van de doelgroep al van het onderwerp weten.
Vooral op herhalen komt het aan. Het belangrijkste verschil is dus dat ons
bij het maken van een educatief programma duidelijk voor ogen dient te
staan wat het leerdoel is – wat kijkers of luisteraars na afloop méér moeten
weten of kunnen dan voor de uitzending.
Schoolradio en –televisie kennen het ingangsniveau van hun doelgroep
behoorlijk goed, want ze maken hun programma’s voor de vijfde klas
basisschool of voor leerlingen van de brugklas om maar eens twee groepen
te noemen.

Wervend schrijven
Het ontwerpen van een commerciële reclamecampagne ligt in het verlengde
van een educatief project maken. Bij het educatieve project waren we aan de
slag om een concreet doel te realiseren; vermeerderen van de kennis of de
vaardigheid van een doelgroep. Bij een reclamecampagne is dat doel in
wezen nog concreter; we zijn er dan op uit om zo veel mogelijk
radiotoestellen van een bepaald merk te verkopen of om zo veel mogelijk
potentiële klanten naar ons warenhuis te trekken. Eventuele artistieke
uitingen worden alleen maar getolereerd als ze dat doel dichterbij brengen,
zoals de humor in een educatief bedoelde uitzending alleen maar acceptabel
is als de grappen het overdragen van de leerstof niet in de weg staan

Begrippenlijst

Beeldcues – Voor de kantlijn van de tekst wordt uitgelegd bij welk plaatje de
presentator moet beginnen te lezen. Het kan ook een afbeelding zijn
Time code –Bij de opname van de tekst loopt onder in het beeld een digitaal
klokje mee, zoals bij hardlopen, -fietsen, -zwemmen en andere
snelheidssporten op de televisie
Monitor – Een televisiescherm waarop zij die bij een uitzending of een
opname betrokken zijn, kunnen volgen wat er in beeld gebracht wordt.
Incidentenjournalistiek – De journalist die melding maakt van wat er fout
gegaan is in de samenleving. Bij uitbreiding ook wat er gebeurd is in het
algemeen. De journalistiek van dagblad en nieuwsrubrieken
Redactiestatuut – Bundel papieren waarop de verantwoordelijkheden van
redacteuren zijn vastgelegd in overleg met directie en/of bestuur
Tangconstructie – Zin, waarin informatie tussen zinsdelen is ingeklemd, als
in de bek van een tang. De in dit boek gegeven voorbeelden, die uit het leven
gegrepen zijn en die helemaal niet zo ver gezocht zijn als op het eerste
gezicht lijkt, kunnen in dit opzicht waarschijnlijk verhelderend werken.
Exemplarische vorm – Een voorbeeld bepaalt de vorm van het totale
programma. We schetsen de consequenties van het kwijtraken van
betaalkaarten en giropas, door een bestolene te volgen op zijn weg langs
loketten en politiebureau.
Draaiboek – Stapeltje aaneen geniete papieren, waarop in volgorde vermeld
is wat er van de verschillende medewerkers aan een programma wordt
verwacht
Luister- en kijkgedrag – Hoe gaan luisteraars en kijkers in huiselijke kring
met de aangeboden programma’s om?
Comprimeren – Tijdens een radio-opname worden zachte geluiden versterkt
en harde geluiden tot een aanvaardbaar niveau teruggebracht. Dit kan zover
gaan tot het geluid van een radio-uitzending of een grammofoonplaat
voortdurend even hard blijft – of een zacht, dat hangt er van af hoever de
luisteraar de volumeknop heeft opengedraaid.
Moduleren – Het versterken of verzwakken van geluiden zoals een
programmatechnicus dat tijdens opname of uitzending doet met behulp van
zijn regelaars.
Horizontale programmering – Elke dag op hetzelfde uur een gelijksoortig
programma aanbiedt
Ingangsniveau – Wat een leerling al weet en kan voordat hij aan een
opleiding begint. Wat een kijker of luisteraar al van het onderwerp weet,
alvorens hij kennis neemt van een educatief programma
Doelgroep – De mensen voor wie het programma bestemd is.
Multimediaal – De informatie wordt met behulp van verschillende media
aangeboden; tv-uitzendingen, maar ook nog radioprogramma’s en lesboekjes
bijvoorbeeld
Attitudewijziging – Mensen veranderen van opvattingen over bepaalde
zaken. Ze kijken anders tegen buitenlanders aan, ze beginnen moderne kunst
te waarderen, ze bekeren zich.
Jargon – Vaktaal of de taal van bepaalde groep
Personality show – Programma dat helemaal is opgebouwd rond de persoon
van de presentator.
Massamedia – De groep die nodig is om een televisie-opname te kunnen
maken
Time-cue – De presentator moet bij het inlezen van een commentaar buiten
beeld, een alinea inzetten op een bepaald tijdstip. Voor de kantlijn van zijn
tekst staat bijvoorbeeld: 2:45. Als de film twee minuten en vijfenveertig
seconden loopt, moet hij het desbetreffende tekstfragment inzetten.