You are on page 1of 23

Samenvatting filosofie

H1 : Wat en waarom filosofie ?


Filosofie = wijsbegeerte
FOUTE opvattingen :
- filosofie als achterliggende opvatting (vb. De filosofie van Marc wilmots is… De filosofie van
het bedrijf is…)
- filosofie als levenswijsheid (vb. Er zijn ergere dingen in het leven)
- filosofie als nadenken over de zin van het leven (vb. Waarom leven wij ? )
- filosofie als onbegrijpbare taal (vb. Citaten van filosofen (Voltaire))
Filosofie is GEEN wetenschap
- wetenschap is domeinspecifiek (biologie, filologie, theologie, … )
- wetenschap probeert de wereld te doorgronden terwijl filosofen zich focussen op concepten
en begrippen van de wereld
 wetenschappers gaan zich vragen stellen, terwijl filosoof zich op de begrippen gaat
focussen
concept ≠ woord, maar drukt zich uit in een woord
Vb. geluk : kan meerdere concepten uitdrukken ; doel van leven, gevoel, …

MAAR filosofen beroepen zich op wetenschappelijk onderzoek

Wat is filosofie dan wel ?


1. filosofie als conceptuele analyse
= het concept wordt geanalyseerd zoals het gebruikt wordt in het normale leven
3 stappen :
 het concept in delen kappen
 onderzoeken wat die delen betekenen
 nagaan hoe die delen zich verhouden
 discussies, argumenten voor en tegen de stelling
 Conceptuele analyse laat zien dat ieder zijn eigen invulling geeft aan concepten

2. filosofie als het smeden van concepten


= het vormen van een zo goed mogelijk begrip van iets, op zoek gaan naar de essentie
Essentie :
 wat uniek is aan de leden van de verzameling
 wat alle leden van een verzameling delen
Verschillen tussen 1 en 2
- in 1 wordt een bestaand concept uit elkaar gehaald en in 2 wordt een nieuw concept
gecreëerd
- 1 is louter beschrijvend = descriptief, 2 schrijft voor = prescriptief

 filosofie is hierdoor ook altijd heel kritisch


(kritiek kenmerkt niet alleen filosofen, ook bakkers en ingenieurs zijn kritisch!)

1
H2 : Drie ethische theorieën
Er wordt gezegd : technologie is waardenvrij
er bestaan meerdere soorten waarden (financieel, emotioneel, esthetische, … )

MORELE/IMMORELE WAARDE :
Moreel = goed dat het bestaat en dat het gebeurt
Immoreel = slecht dat het bestaat en dat het gebeurt
 als technologie waardenvrij dan is het moreel neutraal (op zich niet slecht of goed)
 Veiligheid vs economie (ontploffen challenger ; ingenieur wist dat de kans bestond)
 Financieel vs economie (goedkopere producten ten schade van de omgeving)
 Militair vs menselijkheid (collateral damage, effectieve wapen en onschuldige doden)

PLICHTEN/GEVOLGEN/DEUGDEN :
Plichtethiek
Emmanuel Kant (verlichtingsfilosoof) :
- we kunnen niet spreken van individu in ethimologische zin
- zoals ieder levend wezen maakt mens ook deel uit van de natuur
 mens is onderhevig aan wetten van de causaliteit of oorzaken die zich ongewild
opdringen
- mens is meer dan een natuurlijk wezen
 is niet volledig onderhevig aan de causale wetten die zich ongewild opdringen
 MENS BEZIT VRIJHEID
* negatieve vrijheid (smal) (vrij van invloeden van buitenaf)
* positieve vrijheid (breed) (vrij zijn om te kiezen voor iets)
- zegt dat ethiek alles met vrijheid te maken heeft, want ethiek veronderstelt beide vormen
 ethiek = de mens niet louter bepaald wordt door de wetten van de natuur
 ethiek = de mens kan zelf bepaalde wetten ontwerpen
 CONTRAST met religieuze ethiek
zegt dat god de wet levert aan de mens = heteronomie
- Kant: mens stelt zelf de wetten op = autonomie
Vier mogelijke reacties :
* Hypothetische of voorwaardelijke wetten
Als je X wil moet je Y doen
- Ik gehoorzaam en ben
Vb. Als je wil slagen dan moet je studeren
gelukkige
* Categorische of onvoorwaardelijke wetten
- Ik gehoorzaam niet en ben
Daaraan moet je altijd gehoorzamen
gelukkige
Vb. Niet doden, liegen
- Ik ben ongelukkig en heb eigen
* Subjectieve wetten
verlangens
Gelden enkel voor jezelf
- Ik ben ongelukkig en kan niet
Vb. Ik moet elke dag gaan lopen
gehoorzamen
* Objectieve wetten
Gelden niet enkel voor jezelf
Vb. Stemplicht

2
Techniek en technologie
- als ingenieur tijdens ontwerpfase al plichten naleven
Vb. tijdens het produceren van wagens, voor gordels zorgen
Gelden altijd en voor iedereen en door de mens ontworpen !

Gevolgen/doelethiek
Plichtethiek is OK, maar staat los van de gevolgen van die wet alleen de wet volgen is belangrijk, is te
abstract.
 er kan conflict onstaan tussen plicht en gevolg
CONSEQUENTIALISME = kijk alleen naar de gevolgen van handelingen

Jeremy Bentham
- « Zoveel mogelijk geluk voor zoveel mogelijk mensen »
Gevolgen kunnen BEDOELD of NIET-BEDOELD zijn
- consequentialist kijkt alleen naar gevolgen en niet naar de intenties van de persoon
- intensie of bedoelingen kunnen goed of slecht zijn
* slechte bedoelingen maar goede gevolgen (zinkend schip -> koraalrif -> zoals labo)
* goede bedoeling maar slechte gevolgen (CFK -> gat in ozon)
Is handeling moreel juist ?
 alle mogelijke effecten oop alle mogelijke betrokkenen nagaan
 gevolgen afwegen tegen elkaar
(beter 10 gelukkigen en 15 ongelukkigen dan 9 gelukkigen en geen ongelukkigen)
 kan botsen met plichten die je worden opgelegd
(auto stelen van een weduwe en jij hebt gezin van 3)

Techniek en technologie
- als ingenieur denken aan gevolg tijden ontwerpfase ?
JA : technology assessment
= een geheel aan methoden en technieken om effecten op maatschappij en milieu te
voorspellen en te schatten
= technologie in bepaalde richting te brengen zodat negatieve effecten vermeden kunnen
worden

Deugdethiek
= heeft in tegenstelling tot de plichtethiek en de gevolgen oog voor de persoon
- je wordt niet met bepaalde deugden geboren, je moet ze leren, verwerken
- deugden liggen altijd tussen 2 extremen (Vb. Moed tussen overmoedig en beschaamd)

Techniek en technologie
 Individuele deugden : moed, verantwoordelijk, betrouwbaar
 Collectieve deugden : rechtvaardig, klantvriendelijk, milieuvriendelijk

3 mogelijke reacties :
* Beide partijen gaan uit elkaar
* Ongenoegen onderdrukken en job voortzetten
* Overtuiging van het bedrijf over nemen

3
Kritiek :
- niet modern genoeg want sluit niet aan bij ons modern, versnipperd bestaan
- het verwerven van bepaalde deugden veronderstelt een goede leefwereld en is dus niet voor
iedereen weg gelegd

TECHNIEK NIET MET ETHIEK TE MAKEN (in ontwerpfase)


 fout door morele dilemma’s en plichethiek, gevolgen en deugdethiek

ETHIEK WORDT NIET BEPAALD DOOR TECHNIEK


fout
- technologie beïnvloed onze morele overtuigingen
Vb. Anticonceptie pil
1. sex is van nature gericht op voortplanting
2. wat natuur doet = goed
3. homosexueel niet goed

- domein van de ethiek wordt verbreed door de techniek


Vb. Homosexueel OK want sex is niet enkel meer gericht op voortplanting
Natuurwet denken (Aristoteles)= hoe met goed/fout moet handelen is bepaald door de natuur

H3 : Technologische artefacten
Artefact = middel of instrumenten
1. voorwerpen of objecten
objecten zijn materiële zaken die van nature niet tot de mens behoren
- moeten zich niet speciaal in de ruimte bevinden (Vb. Pacemaker)
- niet alles dat niet tot de mens behoort is een artefact (Vb. Rook, sneeuw != artefact)
2. niet natuurlijke voorwerpen (een menselijke creatie  natuurlijk: tak,steen,erfelijkheid)
die zijn ontworpen om een doel te bereiken

Technologische artefacten :
Een doel is uitwendig aan een middel, je kan duidelijk afgrenzen waar het ene stopt en het andere
begint.
Artefacten zijn als middel eerst ook een doel geweest. Vb. Voor fabrikant doel, voor mij middel.

3.1 Middelen en doelen van artefacten


 Eerst een middel en daarna een doel  fetisj
 Niet alle niet-menselijke creaties hebben een doel en worden daarom ook geen artefact
genoemd Vb. Zandkasteel
 Effecten zijn niet noodzakelijk doelen, want je hebt ook onbedoelde effecten
Vb. Kunstenaars hebben soms geen langdurig doel of het doel om te shockeren
 Je kan ook natuurlijke voorwerpen gebruiken om een doel te bereiken Vb. Tak
 Je kan voor hetzelfde doel een natuurlijk als niet-natuurlijk voorwerp gebruiken
Vb.wandelstok en tak om te stappen
De wandelstok werd ontworpen met als doel van te helpen bij het stappen terwijl de tak niet
 hebben dezelfde functie, maar voor artefact is dit de reden van haar bestaan, niet het
geval voor natuurlijk voorwerp

4
3.2 Functie van artefacten
= technische functies veroorzaken de verandering van een situatie of toestand in een andere situatie
of toestand, doet iets veranderen door zijn inzet.
De oorspronkelijke toestand of situatie is ontoereikend, en we willen naar betere toestand waarvoor
we een artefact gaan gebruiken
Vb. Honger -> naar winkel met auto -> geen honger meer

3.3 Soorten functies van artefacten


Taxonomie = het groeperen van alle functies die een voorwerp kan hebben.

* Basisfunctie onderscheiden die in elk voorwerp terug te vinden zijn


* Gebieden onderscheiden waarbinnen functies werkzaam zijn

3.4 Intenties van een artefact


= de wil om een doel te bereiken = bedoeling
 je gebruikt een voorwerp of artefact (dat een transformatie teweeg brengt) omdat je een intentie
hebt (een doel dat namelijk een nieuwe toestand of situatie is)
Vb. Je neemt de trein naar Leuven omdat je in Leuven wil zijn

1. ontwerper van het artefact heeft intentie (van idee naar artefact)
 gat in de markt vullen
2. gebruiker van het artefact heeft intenties

- je ontwerpt geen artefact als er geen vraag naar is


- de ontwerper zorgt dat gebruiker direct weet waarvoor het artefact dient
- de ontwerper streeft naar gebruiksvriendelijkheid en economisch interessant

artefacten kunnen niet aanwezig zijn bij dieren omdat we de wil of intentie niet kunnen toeschrijven
tot een biologisch dier

3.5 Verband tussen artefact en biologische functie


Bij biologie is « functie » ook centraal concept. Als je naar hart verwijst, verwijs je naar de functie van
het hart.
 functie is dus ook een verandering of transformatie

Ook intentie ?
Organen hebben geen intenties, maar mensen overtuigd dat alles verloopt volgens de gedachte van
een intelligent ontwerper = GOD

Biologische functie legt goddelijke intentie ten grondslag

5
3.6 Gebruiksfase van een artefact
Meestal zal artefact gebruikt worden zoals ontwerper het in gedachten had, maar soms gaan de
gebruikers er ook een andere functie aan geven
Vb. Schroevendraaier om verfpot te openen

Twee soorten gebruik/functie :


1. oorspronkelijke, bedoelde of eigenlijke gebruik
2. accidentele gebruik
Ontwerpers zowel bezig met bedoelde gebruik als met het accidentele gebruik (zeker het negatieve
accidentele gebruik (bijsluiter))

3.7 Waaarneming van een artefact


 fysieke eigenschappen
 bedoelde of oorspronkelijke gebruik afleiden

Ontwerpers moeten eerst de bedoelde functie van een artefact bepalen en daarna pas de
eigenschappen, om het te ontwerpen.

Artefacten hebben dubbele natuur of aard :


1. fysische natuur (vorm, grootte, kleur, gewicht, …)
2. functionele natuur (je kan ermee eten -> bestek)

één-op-één relatie tussen fysische en functionele natuur (niet noodzakelijk)


Vb. Als iets moet kunnen rollen, dan moet het rond zijn

Hybrideproducten : één object met verschillende functies Vb. Zakmes, wekker

3.8 Artefacten als systemen


= Een artefact is complex en bestaat uit meerdere delen waardoor we het ook wel een systeem
noemen.
 Mate van complexiteit veranderd van artefact tot artefact.
 ontwerpers gaan bij zeer complexe systemen subsystemen introduceren (wijze waarop de
verschillende delen van het systeem verbonden zijn, in de fysische natuur)
 Systemen kan je beschrijven aan de hand van hun functionele natuur
Je kan vastleggen welke informatie ze in een proces bewerktstelligd tussen input en output
Input en output : energie, materie en informatie
Vb. Wasmachines

6
H4 : Technologische kennis

4.1 Wat is technologische kennis ?


- gaat over artefacten
- S weet dat P
* S = onderwerp
* P = een zin die iets beweert of propositie
 we willen inzicht in wat « weten » precies betekent wanneer iemand iets beweert
te weten op technologisch vlak
- kennis is een JTB = Justified True Beliefs
3 voorwarden om van kennis te spreken :
 een overtuiging hebben (=geloven) dat de dingen zijn zoals je beweert dat ze
zijn
 de bewering of propositie moet waar zijn. Je kan niet zeggen dat je weet dat
P, als P niet waar is
 een zekere rechtvaardigheid hebben om bewering P te geloven, je moet
gronden/redenen/argumenten hebben om te geloven dat P…
 S weet dat P indien :
o S overtuigd is van P
o P waar is
o S rechtvaardigd is in zijn overtuiging

4.2 Vat dit technologische kennis?


NEEN ! want :
1. Het beschrijft kennis niet accuraat genoeg (algemene zin)
Vb. Je kijkt naar klok die zegt dat het 2 uur is, maar hij is kapot. Het is dus toeval dat
het weldegelijk 2uur is.
 toch kennis van de persoon omdat hij WEET dat het zo laat is

2. Het beschrijft technologische kennis niet genoeg (specifieke zin)


niet elke zin waarin sprake is van technologische kennis kan worden uitgedruk in een
bewering
Vb. Ik weet hoe ik een hamer moet gebruiken, maar kan daarom niet de technische
kennis van deze hamer verwoorden
 Weten-dat : uitdrukbaar in proposities
 Weten-hoe : niet uitdrukbaar in proposities

3. Ingenieurs maken schtesen en tekeningen die veel kennis veronderstellen


kennis kan niet ten volle worden uitgedrukt in woorden, maar wel in beelden

4. Technologische kennis wijkt nog op een ander punt af van de klassieke definitie
er moet verwezen worden naar een norm of regel waaraan het artefact MOET
voldoen !!! = normatieve kennis

Normatieve technologische kennis = heeft vaak directe betrekking op de functie van


het artefact. Het artefact moet dus aan een norm voldoen opdat het goed zou
functioneren.
Normativiteit en functionaliteit : als artefact een functie heeft dat moet deze
bepaalde eigenschappen hebben om goed te functioneren.

7
Niet-normaltieve/descriptieve kennis = geeft niet aan hoe iets zou moeten zijn, maar
wel hoe het is.

Vb. Een auto heeft 4 wielen  Een auto zou 4 wielen moeten hebben

Opgelet :
 Normatieve kennis heeft vaak betrekking op de functie van het artefact,
maar niet altijd. Want er zijn ook morele normen waaraan het artefact moet
voldoen.
 Niet alle technologische kennis is normatief, want er is ook descriptieve
kennis op het vlak van technologie.
Vb. Dit materiaal bestaat uit deze stoffen
 Niet alle normatieve kennis heeft betrekking op artefacten.
Vb. Gezondheidsnormen, universitaire normen, …
 Normatieve kennis gaat vaak over functies en hoe iets moet zijn.
o Gaat over specifieke relatie tussen de fysieke natuur en de
functionele natuur
Descriptieve kennis gaat beschrijven, maar kan betrekking hebben om de
functie van het artefact.
o Gaat over de identificatie van het artefact als dit specifieke artefact
o Kan ook betrekking hebben op niet-functionele artefacten
Vb. Een zandkasteel bestaat uit zand

4.3 Waarom zoeken naar technologische kennis ?


1. je wil iets weten, je wil kennis om te weten en de kennis te hebben
= instrinsieke/niet-instrumentele interesse voor kennis
gebruikt in ‘Gebeten om te weten’
2. je wil iets weten, je wil kennis om met die kennis iets te doen
= extrinsieke/instrumentele interesse voor kennis
gebruikt in ‘kennis is macht’ (van Francis Bacon)
 kennis kan je gebruiken om macht te installeren

- Normatieve kennis en extrinsieke interesse hangen samen en is daarom vaak


contextafhankelijk.
- Het verlangen naar descriptieve kennis is vaak contextonafhankelijk.

Opgelet :
 Soms wil je normatieve kennis, enkel uit nieuwsgierigheid, zonder doel
 Soms wil je descriptieve kennis omdat je ermee een doel wil bereiken
 Sommige technologische kennis (normatief of descriptief) komt niet voort uit een
interesse, maar doe je gewoon

8
4.4 Bestaat taxonomie van technologische kennis ?
JA
Walter Vincenti (techniekfilosoof)
Taxonomie dekt de verschillende zaken waarvan een ingenieur kennis moet hebben.

Manier 1 om verschillende vormen van technologische kennis te ordenen :


6 categorieën :
Vb. Op wagen
- design concepten
Vb. Ontwerper weet welk model hij wil maken ; vorm, kleur, …
- design criteria
Vb. Ontwerper heeft weet van de veiligheidsvoorschriften, maximumsnelheid
- theoretische middelen (natuurkunde, wiskunde, fysica, …)
Vb. Ontwerper weet wat de wetten van de mechanica zijn
- kwantitatieve data
Vb. Ontwerper weet wat de materiële eigenschappen zijn
- praktische overwegingen
Vb. Ontwerper weet wat (vb kleur) de kopers het meest zullen kiezen
- procedurele kennis
Vb. Ontwerper weet de verschillende stappen om de wagen te bouwen

Waar doen ingenieurs de vormen van technologie opdoen ?


1. Wetenschap (volgend hoofdstuk !)
2. Experimenteel onderzoek van ingenieurs
3. Parktische ervaring met design

Wetenschap :
- Vincenti laat zien dat bijdrage wetenschap op vlak van technologische kennis KLEIN
* Technologie meer dan louter toegepaste wetenschap
* Vincenti lost het reductie vraagstuk gedeeltelijk op : is er autonomie of terug
voerbaarheid van het ene op het andere ?
- zelfs al is er bijdrage dan moet wetenschappelijke kennis omgezet worden zodat ze bruikbaar
is voor ingenieurs ; van abstract concept naar concreet concept
- wetenschap kan ook heuristische rol vervullen
= wetenschap kan helpen te vinden welke variabelen relevant zijn wanneer je iets wil
manipuleren in de ontwerpfase

Manier 2 om verschillende vormen van technologische kennis te ordenen :


2 categorieën :
- fysieke natuur van een artefact (ruimetelijke, kinetische, fysieke, …)
- functionele natuur van een artefact (sociale, ethische, historische, juridische, …)

9
H5 : Wetenschap en technologie
Technologie is meer dan toegepaste wetenschap en wetenschap kan wel heuristische (= heeft te
makene met een wetenschappelijke strategie om problemen systematisch op te lossen en dingen
methodisch te ontdekken rol) spelen.

5.1 Wetenschap vs technologie


Staan lijnrecht tegenover elkaar
 heeft te maken met het soort van kennis dat wetenschapen en technologie produceren
MAAR
1.
 Wetenschappelijke kennis is abstract (object losmaken van bepaalde eigenschappen)
Vb. Fysicus ziet iets vallen, maakt er een eenvoudige formule van, maar zal abstractie
maken van al de rest (kleur, vorm, …)
 Technologische kennis gaat over concrete voorwerpen
Namelijk artefacten die specifieke kleuren, vormen, … hebben

2.
 Wetenschap doet universele uitspraken
Vb. Formule van de zwaartekracht is overal dezelfde
 Technologische kennis is plaatsgebonden
Vb. Het is niet noodzakelijk waar op andere plaatsen

 wetenschap en technologie zijn niet hetzelfde en mogen dus niet door elkaar gehaald worden
Het is niet omdat je in abstracte termen spreekt dat het automatisch een universele uitspraak is
Vb. Abstractie maken van concrete eigenschappen en spreken van de CEO van Facebook

5.2 Toenadering wetenschap en technologie ?


JA, in beide richtingen !
* Wetenschap is grondig veranderd door het gebruik van technologische ontwikkelingen
Vb. Microscoop, telescoop
* Technologie werd ook beïnvloed door de wetenschap
Vb. Ontwerpfase waarin artefacten gemaakt worden die een universeel karakter hebben

Relatie nog sterker door INGENIEURSWETENSCHAPPEN


- kennis die voorbij het individuele technologische probleem ligt -> genegeerd
- niet te ver verwijderd van concreet geval
1. Nomotische wetenschappen
Zoeken naar wetten die over en altijd gelden
Vb. natuurwetenschappen
2. Ideologische wetenschappen
Zoeken naar particuliere zaken en geen algemeenheden
Vb. Geschiedenis

1. Sommige wetenschappen beschrijven causale relaties waarbij niet gekeken wordt


naar de intenties
Vb. Gedragspsychologie
2. Andere wetenschappen beschrijven intenties van mensen en hun effecten
Vb. Psychoanalyse
 ingenieurs wetenschappen ligt tussen beie bovenstaanden

10
Pavlov gaat een geluid laten gaan en dan eten geven aan de hond. Later gaat de hond beginnen
kwijlen zodra hij het geluid hoort, ookal is er geen eten.
 keek alleen naar respons en niet naar het inwendige
Mensen reageren ook spontaan op stimuli van buitenaf

Ingenieurswetenschappen zijn volwaardige wetenschappen zoals andere, want manier waarop we


kennis verzamelen is gelijk aan de anderen.

Hoe onstaan en groei van wetenschappelijke kennis begrijpen ?


A. Inductie
(eerste methode om tot wetenschappelijke kennis te komen)
= je start bij het concrete en maak je een sprong naar het universele
Aristoteles
- vandaag nog populaire gedachte
Doel Aristoteles : aan universele proporties te komen.
 Universeel = alle mensen zijn sterfelijk
 Particulier = sommigen kijken TV
 Concreet = deze man is klein
Hoe kom je aan universele uitspraken ?
1. Observeren
Vb. Deze 3 zwanen zijn wit -> wetenschappelijke kennis gebaseerd op zintuiglijke
waarneming
2. Een universele wet afleiden
Vb. Alle zwanen zijn wit

 Inductivisme is gebaseerd op het primaat van de zintuiglijke ervaring


PROBLEEM :
- onze zintuigen kunnen fouten maken
- zuivere willekeurige waarneming is een mythe
 we maken geen onderscheid tussen relevant en niet-relevant
 je kan waarnemingen trainen waardoor nieuwe waarneming beïnvloed
wordt door oude
Hoe meer je kijkt hoe meer je ziet
Als inductie sprong maakt van concrete naar universele, is dit oke ?
JA,
1. als aan deze 3 voorwaarden wordt voldaan
 je doet zoveel mogelijk observatie
-> hoeveel dan ?
-> is het altijd ethisch oke om er zo veel uit te voeren (Vb. Atoombommen ?)
-> hoeveel verschillende condities gebruiken ?
 je observeert verschillende condities
 er mag geen contradictie zijn tussen obeservatie en generalisatie

2. als hieraan voldoet


Inductie klopte in context A
Inductie klopte in context B
 Inductie klopt altijd

11
Is geen goede oplossing/redenering voor inductie want oplossing is zelf inductie.
= cirkelredenerig = petitio principii

DUS
* inductie is geen wenselijke methode om wetenschappelijke kennis op te doen
* het concept ‘inductie’ beschrijft het wetenschapsbedrijk niet goed

B. Deductie
(tweede methode om tot wetenschappelijke kennis te komen)
= je start van een universele propositie en eidigd bij een concrete

Alle A zijn B Als P dan Q Als P dan Q Als P dan Q


Deze X is A P -Q -P
Deze X is B Q - P - Q
Juist Juist FOUT Juist

B.1 Falsificatie
Karl Popper, Oostenrijks-Britse wetenschapsfilosoof, bekende door
politieke denken
Popper’s methode = empirisch deductief
Doel : om met deze methode een bepaalde hypothese eronderuit te halen
 wetenschapper moet radicaal kritisch staan tegenover eigen verworvenheid

Vier stappen :
 Hypothese opstellen
 Onwaarheidscondities opstellen
 Experiment uitvoeren
 Nagaan of hypothese verworpen is

! veronderstel dat het mogelijk is om theorie te falsifiëren of de hypothese te kunnen weerleggen


Als dit niet het geval is dat kan men die hypothese niet is overweging nemen
= criterium om etenschappelijke theorieën van niet-wetenschappelijke theorieën te weerleggen =
DEMARCATIECRITERIUM
(hypothesen die niet kunnen worden weerlegd kunnen dus niet wetenschappelijk zijn)
Vb. Goede en dus wetenschappelijke hypothese (want weerlegbaar)
- In dit bos zijn er alleen maar witte zwanen
Vb. Slechte en dus geen wetenschappelijke hypothese
- Iedere dinsdag regent het of niet
- De theorie die beweert dat achter elk gedrag minderwaardigheidsgevoelens zitten
- Mijn horoscoop zegt me dat ik me deze week soms eens moe zal voelen

Wat als een hypothese weerlegt wordt ?

 Wetenschapper zal nieuwe hypothese opstellen


 Nieuwe hypothese zal rekening houden met de eerder falsificatie die de vorige hypothese
heeft verlegd.
 nieuwe hypothese verfijnder dan vorige

12
Zal steeds opnieuw gebeuren totdat men een hypothese vindt die niet meer weerlegd kan
worden : KENNIS
 Kennis is nooit volledig zeker
 Ontstaat door een falsificatie proces

Het model van Popper legt duidelijk uit wat in de ingenieurswetenschappen plaats vindt : als je iets
wil ontwerpen moet je met een model beginnnen (oorspronkelijk model = hypothese en daarna
steeds blijven verfijnen)

≠ natuurwetenschappen en ingenieurswetenschappen
In de natuurswetenschappen zal men steeds proberen om de hypothese te ontkrachten, want het
kan altijd dat er een falsificatie werd vergeten
In de ingenieurswetenschappen stopt men met falsificatie eens et ontwerp werkt

Thomas Kuhn : wetenschap speelt zich af tegen een horizon van theorieën die worden aangenomen
als correct en men probeert niet om deze te weerleggen of te ontkrachten
= ook binnen de wetenschap worden meestal grenzen gesteld aan de mogelijke kritiek

Popper : (stijgende lijn die nooit onderbroken wordt en de lijn zal nooit eindigen)
 stelselmatige overgang
Kuhn : verschillende paradigma’s (platte lijnen die onderbroken zijn en de lijn zal nooit
stoppen)
 abrupte overgang

B.2 Verificatie
Iemand gaat na of iets waar is of niet
Veronderstelt een welbepaald opvatting van de waarheid, namelijk dat een uitspraak waar is
indien die overeenstemt met wat het geval is.

1) Paradigma
Thomas Kuhn (1962 – The structure of scientific revolution)
Vertrekpunt : lectuur van middeleeuwse auteurs
« Een andere wereld »
 Perspectief en kader waarop er naar de werled wordt gekeken is radicaal
verschillend
De werkelijkheid kan niet als dusdanig worden gekend omdat alles wordt bekeken vanuit een
perspectief = Perspectivisme (Nietzsche)

Vb. Middeleeuws, theocentrisch – Modern antropocentrisch


 vanuit beide perspectieven/wereldbeelden naar eenzelfde fenomeen wordt gekeken, wordt dat
fenomeen anders geïnterpreteerd

Vb. Kerk :
 Voor christenen een bidplaats
 Voor architechten een mooi staaltje van de bouwkunst
 Voor dakloze mogelijke slaapplaats

Volgens Kuhn is die gedachte ook van toepassing op het vlak van wetenschap
 wetenschappelijke activiteiten worden volgens hem gestuurd door een perspectief of kader
en dus NIET NEUTRAAL

13
Kader/perspectief = paradigma
= perspectief op de werkelijkheid dat gedeeld wordt door de leden van de wetenschappelijke
gemeenschap en dat wordt doorgegeven aan nieuwe generaties
= een kader dat blijft bestaan, juist omdat het bijvoorbeeld via onderwijs wordt doorgegeven aan
nieuwe generaties onderzoekers

5 elementen paradigma :
 Technisch vocabularium
Vb. Fysicus verwijst naar actie-reactie wetten
 Metafysische componenten
Vb. Wat zijn de fundamentele entiteiten waaruit het heelal is opgebouwd ?
 Instrumenten en instrumentele technieken
Vb. Toepassing van verbeterde telescoop voor de sterrenkunde
 Gemeenschappelijke waarden
Vb. Hypothesen moeten kwantitatief zijn ; eenvoud ; theorieën mogen niet bestuurd worden
door belangen
 Standaardmanieren om algemene wetten toe te passen in allerlei situaties
Vb. Newtoniaanse paradigma behoren tot methoden om de wetten van Newton toe te
passen op de beweging van planeten

Indien het klopt dat wetenschap moet worden begrepen vanuit een paradigma = CONSERVATIEF
Die creeërt continuiteit, maar zorgt er ook voor dat men amper open staat voor feiten, problemen of
hypothesen die duidelijk afwijken van het heersend paradigma

Uit behoudsgezindheid van paradigmatische structuur volgt dus het probleem van
WETENSCHAPPELIJKE INTOLERANTIE
Vb.
1. Middeleeuws christendom : Het paradigma was toen dat het heelal uit 2 domeinen
bestond : het immateriële, hemelse leven en het materiële aardse leven
Voor Newton was het fundamenteel om zich vragen te stellen bij de massa van dingen
 voor middeleeuwse christenen absurd, wat alleen ketters vragen nar de massa van de
hemelse lichamen
2. Klassieke mechanica op einde 19de eeuw
Krachtige theorie waarmee tal van fenomenen konden worden beschreven
Daarna moeilijk om deze theorie op te geven wanneer feiten opdoken over zeer kleine
snel bewegende deeltjes

Kuhn zegt niet dat wetenschappelijke verandering onmogelijk is, maar het vindt plaats wanneer de
hoeveelheid feiten botst met het heersende paradigma en dat de feiten zich vermenigvudigen zodat
het niet meer mogelijk is om ze te negeren : WETENSCHAPPELIJKE CRISIS
 oud paradigma maakt plaats voor nieuw paradigma
Vb. Van klassieke mechanica naar kwantummechanica
Die leidt tot wetenschapsbeeld dat sterk verschilt met dat van Popper

Kuhn zegt dat er dan sprake is van een REVOLUTIE, waardoor wetenschap radical van gedaante
veranderd
Popper zegt dat er sprake is van een EVOLUTIE waardoor verandering geleidelijk plaatsvindt

Vergelijk van rups naar vlinder en van kuiken naar kip

14
Verdiensten Kuhn :
 Heeft beter dan Popper gezien dat weteschappers niet altijd alles in vraag kunnen stellen en
daardoor dus bepaalde theorieën moeten aanvaarden zoals ze zijn
 Niet verwonderlijk, wat anders zouden ze niet veel opschieten als ze alle
fundamenten in vraag zouden stellen
 Heeft goed gezien dat wetenschap niet alleen een cumulatieve opstapeling van nieuwe
feiten is, maar ook een « Gestaltswitch »
Gestalswitch = de switch tussen paradigma’s uit het werkelijk leven
 Tussen aristotelische wereld en 17de eeuw is niet gewoon een kwestie van
feiten, maar er bevindt zich een fundamentele breuk tussen beide
Aristoteles : de wereld bestaat uit 2 sferen, dat beweging een functie heeft
en zintuiglijkewaarneming fundamenteel
Sinds wetenschappelijke revolutie : het universum in oneindig, beweging ontstaat
door de inwerking van krachten en experimenten zijn van groot belang

H6 : Mens en teckniek
De relatie tussen een mens en een artefact
Vb. Je speelt op de pc, je voetbalt,…
 Je intrageert met het artefact
 Je indentificeert je met het artefact
De realtie en de verschillende modaliteiten van deze verhoudingen interesseren ons

Wijsgerige antropologie :
= stelt filosofische vragen over de mens
 Wat betekent genieten ?
 Is seksualiteit iets natuurlijks of cultureel ?
 Wat onderscheidt mens van dier ?
 …
≠culturele antropologie ( is dicipline binnen de sociale wetenschappen), menselijke cultuur in kaart
brengen of vergelijken via empirische onderzoek

ontstaan in Duitsland, 100 jaar geleden door 3 wetenschappelijke ontwikkelingen :


1. Gedragspsychologie
2. Psychoanalyse
3. Evolutietheorie

Deze leren ons dat :


- mens is niets anders dan een machine
- mens wordt gedreven door onbewuste impulsen
- mens is een dier onder de dieren

Wij denken dat :


- We zijn meer dan een machine
- We hebben ook een bewuste wil
- We zijn méér dan een dier
 ontstaan van typische wijsgerige vragen
o.a. Wat is de relatie tussen mens en techniek ?

15
Ernst Kapp
Stelde dat techniek moest worden begrepen als orgaanprojectie
= artefacten de functie van menselijke lichaamsdelen of organen weerspiegelen
Reden van het projecteren van functies : het lichaam is niet in staat een handeling uit te voeren
Vb. Zowel oude als nieuwe artefacten
1. in een hamer werd een functie geprojecteerd, omdat de handen niet in staat zijn om zelf
hout te kappen
2. speren werden gemaakt omdat handen te kort en benen te traag waren om een prooi te
vangen
3. een microscoop is een projectie van het menselijk kijkorgaan, omdat het oog zelf niet in staat
is om bepaalde kleine zaken te observeren

Kapps theorie beweert het omgekeerde van wat filosofen tijdens de Verlichting meenden

Vroeger begreep men het natuurlijke vanuit het niet-natuurlijke. Lichaam werd gezien als machine
en wereld als een horloge
= mechanisering van het wereldbeeld
Kapp begrijpt techniek vanuit het lichaam en dus het niet-natuurlijke vanuit het natuurljke

Arnold Gehlen
Dacht verder na in het spoor van Kapp
Focuste op het idee van orgaanprojectie en expliciteerde het als volgt :
 mens is een gebrekkig wezen (Mangelwesen), met een tekort dat er beter niet zou zijn
 men ontwerpt techniek om dit gebrek weg te werken en om die leegte op te vullen
Vb.
Eten : is een handeling die men onderneemt om een tekort aan energie weg te werken, een tekort
dat er niet zou mogen zijn

Zo kan je wel primitieve/basale handelingen begrijpen (eten, drinke, slapen,…)


 Kapps modell schiet dus tekort door :
 sommige activiteiten ontspringen niet aan een tekort, maar aan het feit dat we ze intrinsiek
aangenaam ervaren
 sommige handelingen vloeien niet voort uit een tekort aan energie, maar wel uit een teveel
van energie
Vb. Sport kan van beide gevallen een voorbeeld zijn
MAAR ook als we nadenken over techniek
 bepaalde vormen van techniek gaan niet terug op een tekort, maar het lijkt eerder dat de
relatie soms moet worden omgedraaid
Door technologie ontstaan nieuwe behoeften
 niet alle ruimtelijke technologie gaat zeker terug op een afwezigheid. Een typisch menselijk
fenomeen als geopolitieke geldingsdrang kan natuurlijk ook meespelen

 Gehlen concentreerde zich ook op wat Kapp telde over de functie van techniek
Hij stelde dat techniek een middel is om een tekort weg te werken, maar dat tekort moet worden
gepreciseerd
Enerzijds is er techniek die helpt om zaken te doen die we sowieso niet kunnen en ook nooit zullen
kunnen.
Vb. Zo helpt een hamer het tekort op te lossen dat zonder het artefact nooit moelijk was geweest
(Dit werd ook al door Kapp gezien)

16
We kunnen ook een tekort onderscheiden dat ontstaat omdat we iets niet meer kunnen (wordt door
Kapp niet onderscheidt)
Vb. Iemand die door een accident zijn benen kwijt is, kan dus niet meer lopen, warrdoor er een
tekort ontstaat

Soorten tekort :
1. een tekort dat nooit zal verdwijnen
als techniek dit oplost : AANVULLENDE FUNCTIE
2. een tekort dat er ooit niet was, maar nu wel
als techniek dit oplost : REMEDIERENDE FUNCTIE
3. Gehlen onderscheidt nog een derde functie : ONTLASTENDE FUNCTIE
Functie gaat niet terug op een tekort, maar neemt het artefact een functie over die ik nog
wel kan uitoefenen, maar mij teveel last bezorgt
Vb. Een oude dame die slecht te been is, maar nog kan stappen. Ze zit in een rolstoel, dus
gaat die rolstoel een ontlastende functie vervullen omdat ze wel nog kan stappen, maar dit
vergt te veel moeite

Hermann Schmidt

Kapp : beweerde dat techniek moet worden gezien als orgaanprojectie, dit leidt tot een grotere
zelfbewustzijn.

Zelfbewustzijn = ik kom tot besef van wat ik precies allemaal kan en heb, wat ik eerst niet bestefte
 veronderstelt dat bepaalde dingen al aanwezig waren voor de bewustwording, maar ik liet de
aanwezigheid ervan nog niet volledig doordringen
Veronderstelde aanwezigheid ligt voor de hand want je kan niet bewust worden van iets dat er voor
de bewustwording nog niet was

Afwezigheid van bewustwording doordat ik bepaalde dingen niet zie


 tekort aan zelfbewustzijn wordt opgeheven omdat ik iets nieuws begin te zien door het artefact
dat voor mij ligt
ik zie ze nu voor het eerst omdat het artefact in het verlengde ligt en een gelijkenis toont met het
menselijk lichaam
Het artefact leidt dus tot zelfbewustzijn omdat het iets van mezelf weerspiegelt vanop afstand
= OBJECTIVERING/VERUITWENDIGING noorzakelijk want zonder die afstand is alles wel aanwezig,
maar volstaat het niet om ten volle bewust te worden van het eigen lichaam

Hoe kan ik het object beschouwen als een reflectie van mezelf ?
= ik ben met niet totaal onbewust van mijn mogelijkheden, alleen is dat bewustzijn nog vaag in het
begin

Het artefact wordt dus beschouwd als een objetivering van het lichaam. Is het lichaam dan geen
artefact ?
Nee niet echt, we hebben een lichaam en « hebben » duidt op een symbolische afstand tussen
diegene die iets heeft en wat hij heeft
« niet-hebben » duidt op een reële afstand tussen het subject en object
Als we zeggen we HEBBEN een lichaam betekent dit dat we er afstand van kunnen doen en kunnen
verliezen.
Dit is niet het geval omdat
- Symbolische eenheid : hand van iemand aanraken is niet hetzelfde als een voorwerp van
iemand ander aanraken
- Reële band : met mijn lichaam kan ik niet te niet doen

17
Schmidt :
Onderscheidde 3 stadia in de ontwikkeling van technologie
1) werktuig (van Kapp)
heeft menselijke kracht en intelligentie nodig om doematig gebruikt te worden

2) machine
ontleent kracht aan zichzelf, niet aan mens
menselijke intelligentie nodig om goed bestuurd te worden

3) automaat
mens is overbodig geworden
fysiek en intellectueel kan het alles alleen

Ook schmidt benaderde technologie als een veruitwendiging die kan dienen als bron van
zelfbewustzijn
 machine belichaamt menselijke fysieke kracht
 automaat belichaamt kracht en doelmatige bediening

 net als Kapp beweert Schmidt dat het menselijk zelfbegrip zich in de spiegel van de technologie
ontwikkelt en dat het door afstand is dat de mens zijn mogelijkheden leert kennen op intelectueel
niveau

Don Ihde

Kapp : technologie ligt in verlengde van menseljk lichaam


Gehlen : verfijnde teorie van Kapp door te zeggen dat hij 3 functies onderscheidde :
- aanvullend
- remediërend
- ontlastend
 artefact nog steeds verlengstuk van menselijke mogelijkheden

Ihde : relatie tussen mens en techniek

1. relatie van belichaming = EMBODIMENT RELATION « (mens – technologie)  wereld


= artefacten zijn een veruitwendiging of objectivering van de functies van het lichaam van de
gebruiker
! artefacten zijn transparant : als je ze gebruikt verstigen ze niet de aandacht op zichzelf, je gebruikt
ze zonder aandacht aan ze te schenken, je kijkt er doorheen

2. hermeneutische relatie « mens  (technologie – wereld)


= je moet het object interpreteren waardoor je iets van de wereld buiten het artefact te weten komt
Vb. Thermometer, uurwerk
! artefacten zijn NIET transparant : het trekt de aandacht wel degelijk op zichzelf

 1 en 2 zijn bemiddelingsrelaies omdat de mens zich gaat verhouden tot de wereld via het artefact
waardoor het dus een midden vormt tussen beide

3. Alteriteitsrelatie « mens  technologie (– wereld)


(mensen verhouden zich niet via het artefact tot de wereld)
rol van artefacten begrepen uit een quansi-ander omdat mensen omgaan/intrageren met
technologieën alsof het mensen zijn

18
in relatie tussen mensen en artefacten krijgen de laatsten vaak een antropomorf karakter
(= niet-menselijke wezens met menselijke eigenschappen of er affectie voor koesteren)
! antropomorf ≠ antropocentrisch

Ihde weet wel dat artefacten geen mensen/dieren zijn


Dit omdat mensen en dieren een eigen verlangen en wil kunnen hebben (die tegen de mijne kan
ingaan)

Deze 3 relaties op een continuüm (=on-onderbroken lijn of reeks) plaatsen


Aan het ene uiteinde staat DE RELATIE VAN BELICHAMING
 reden : het artefact eist geen aandacht
Aan het andere uiteinde staat DE RELATIE VAN ALTERITEIT
 reden : het artefact vraagt wel aandacht
Tussenin HERMENEUTISCHE RELATIE
 reden : het artefact is slechts een mideel dat reflecteert aan iets anders dan zichzelf, maar je moet
natuurlijk wel aandacht ervoor hebben

4. Achtergrondrelatie « mens – (technologie/wereld)


Er is geen rechtstreeks verband met artefact
Het begeeft zich op de achtergrond van mijn huidige functioneren
Wanneer alles goed functioneert vegeet je zelfs dat het bestaat
Vb. Koelkast, verwarming, licht

Cyborg
In Inhdes spectrum van relaties tussen mens en techniek verwijdert de techniek zich steeds meer van
de mens. In achtergrondrelatie een grote afstand tussen mens en artefact. Kloof lijkt het kleinst bij
de inlijvingsrelatie.
Is Inhde volledig ? Zijn er technologische ontwikkelingen die tonen dat analyse niet alles vat ?
ROBOCOP !
Is een cyborg = cybernetisch organisme = in bepaalde gevallen ligt de grens tussen enerzijds mens en
anderzijds techniek heel dich bij elkaar.
Noch louter machine noch louter mens
Heeft geen morele verantwoordelijkheden

Cyborgrelatie « (mens/technologie)  wereld

Dit toont aan dat Inhde niet volledig juist is, want in de relatie waar de verhouding tussen mens en
techniek het nauwst is (inlijvingsrelatie) is er nog steeds een kloof.

Cyborg :
Deconstrueert het onderscheid tussen menselijk lichaam en machine. Dit wordt ook gedaan door
Inhd, maar niet in ons gewone leven
Deconstrueren = een oppositie tussen 2 zaken niet noodzakelijk is en dus ook niet eeuwigdurend

De cyborg zit voorbij het menselijke, precies omdat het een samenstelling is van mens en niet-mens
= TRANSHUMANISME
≠ POSTHUMANISME : het mens zijn en het menselijke niet begrepen kan worden los van techniek
en dit zal altijd zo zijn.
Vb. Van opposities die gedeconstrueerd kunnen worden :
Man – vrouw, natuur – cultuur, …

19
Gevolgen voor moraliteit :

1. Het morele gedrag komt van mezelf en wordt niet bemiddeld door techniek.
Vb. Als ik straks de straat oploop en zie dat iemand valt, dan zal ik helpen.
2. Het morele gedrag wordt in zekere mate bemiddeld door techniek.
Vb. Iemand beld om mijn GSM om om hulp te vragen
3. Het morele gedrag wordt vrij sterk bemiddeld door techniek.
Vb. Een echografie van een kind met het syndroom van Down
4. Het morele gedrag wordt helemaal bemiddeld door techniek.
Vb. Persuasieve technologie : slimme voertuigen met een ingebouwd hulpsysteem

Invloed van technologie bij de cyborg is nog sterker dan geval 4


Reden : bij perssuasieve technologie kan je nog spreken van een persoon die zeld een morele
beslissing neemt, ook al wordt ze sterk gestuurd door techniek. Bij de cyborg wordt de beslissing
gemaakt door de techiek en kmt de mens niet meer tussen beide.
De cyborg is geen afzonderlijke entiteit meer, want is een half-machine. De bron van het morele kan
dus niet meer achterhaald worden en in geval 4 wel.

Wat houdt morele verantwoordelijkheid in ?


Is de cyborg een feit dat ver van ons bed staat ?
Nee,
Vb. implantaten zoals pacemaker die rechtstreeks het hart reguleert : Je kan dit geen cyborg noemen
omdatje hier van een mens met een technologisch hulpmiddel spreekt en niet een half mens, half
machine. De techniek zit wel vast aan het lichaam omdat het noodzakelijk is voor een optimale
functionering ervan.
Vb. het gewone leven (los van de cyborg en de hulpbehoevende toestand) :
Ook hier hebben we de hele tijd technologie rond ons lichaam zoals smartphones, die we aan ons
lichaam verbinden. Ze zijn in tegenstelling tot de pacemaker niet noodzakelijk om te kunnen leven.
Lijkt toch fundamenteel tot ons te behoren, want we kunnen niet meer zonder leven.

Continuüm van de 3 gevallen :


1. Cyborg : versmelting tussen mens en techniek
2. Noodsituatie : geen versmelting, maar wel noodzakelijkheid van het binden van lichaam en
technologie
3. Gewone leven : geen noodzakelijke band, maar we kunnen ons moeilijk zonder het
technologische voorwerp inbeelden
 Cyborg is een uitzonderlijk geval dat een dramatische uitvergroting is van wat altijd het geval is
geweest. Door naar de cyborg te kijken worden we ons bewust van onze menselijke conditie. Je ziet
plots wat er altijd al was, maar wat je soms vergeet.

Cyborg vervult zelfde rol als psychose in de wijsgerige antropologie ; veel filosofen beweren dat
mentale stoornissen niet tegenover het gewone leven liggen, maar in het verlengde, namelijk de
uitvergroting van het gewone leven. Is de uitvergroting van wat ons allemaal karakteriseert.
- psychose : je hoort de hele tijd stemmen : uitvergroting van de stemmen die we in het
dagdagelijkse leven horen
- neurose : ziekelijke angst voor problemen die er niet zijn : uitvergroting van de problemen
die we in het dagelijks leven ondervinden.

Bezielde machines
In deze module gestart met mensen en met Kapp vastgesteld dat zij een tekort hebben en daarom
artefacten creëren.

20
Laat ons nog verder gaan dan de cyborg die noch menselijk noch niet-menselijk is.

Kunnen computers een mentale toestand zoals een overtuiging hebben ?


Kunnen we bepaalde mentale zaken, eigen aan mensen, toeschrijven aan niet-menselijke zaken ?

Eerst hebben we de klemtoon gelegd op menselijke en lichamelijke functies die worden doorgegeven
aan bepaalde artefacten. Nu is er niets menselijk meer en is het helemaal machinaal.

Computers  mensen
Chips en hardware  neuronen en hersenen
 we zeggen dat hersenen een noodzakelijke voorwaarde is om van een ziel te spreken

Vb. Alien kleed zich als mens, maar heeft dus geen hersenen, maar behaald super punten op zijn
examens.
Wij zeggen dan dat die aliens op een manier een mentale toestand hebben en ‘bezield’ zijn, maar
zonder hersenen, omdat de alien intelligent gedrag vertoont.

NIET CONSEQUENT !
Waarom kunnen computers dan niet bezield zijn ?
Besluit : hersenen zijn geen noodzakelijke voorwaarde voor ziel. Wij schrijven dit alles toe op basis
van vergelijkingen.

Gelijkheid met oudheid :


Plutarchus (griekse geschiedkundige) beweerde dat olifanten een religieuze overtuiging hadden
omdat ze zich wasten in de zee en zich oprichten wanneer de zon opkwam zoals een smeekbede. Dit
deden religieuzen ook.
 ze schreven aan dieren psychische zaken toe op basis van analogie met gedrag van de mens.

Filosofen denken :
 Wat zijn mentale toestanden zoals overtuiging juist ?
 Wat betekend het om een overtuiging te hebben ?

Hilary Putnam
Verdedigt een functionalistische opvatting = overtuigingen beschrijven op basis van de rol die ze
vervullen ; ze brengen je van de ene in de andere toestand.
Vb. Het regent buiten
-> je neemt je paraplu mee dus de overtuiging transformeert van een natte toestand naar
een mogelijk droge toestand
Deze positie zorgt ervoor dat je voor de omschrijving van een overtuiging niet naar het materiële van
het sustraat van overtuigingen kijkt.
Er wordt dus niet verwezen naar onderliggende organismen eigen aan de hersenen van de mensen

ALS WAAR :
overtuigingen zijn multi-realiseerbaar
Volgens deze visie kunnen dus ook dieren en computers overtuigingen hebben.

Functionalistische visie sluit aan bij hoe wij spontaan denken. Als we de klok omschrijven doen we
dat op basis van de functies van de klok. We verwijzen niet naar materiële drager of fysische
eigenschappen van die klok. (waterklok, elektrische klok, …)

Net zoals overtuigingen zijn objecten verwijzingen naar iets.

21
Kunnen computers een mentale toestand zoals een overtuiging hebben ?
JA
Baseert zich op gelijkenis van het gedrag.
Vb. Persoon die naar de koelkast stapt om eten, gaat ervan uit dat er eten in de koelkast zit.
 overtuiging dat er eten in de koelkast zit : functioneel : leidt van honger naar geen honger

Een artefact als robot programmeren we zodat :


- observeren (geen eten op tafel)
- actie nemen (naar koelkast gaan)
gedrag is gelijk, dus mag je volgens Putnam, dat je op basis van de definitie van overtuigingen ook de
overtuigingen aan de robot mag toeschrijven.
Je bent nooit 100% zeker van mentale inhoud

GELIJKENIS INDUCTIE : er wordt een spring gemaakt naar iets concreets


Observeert eerst het gedrag en op basis daarvan wordt iets aangenomen van een andere orde,
namelijk het bestaan van een mentale toestand die je niet kan observeren.

John Searle zegt dat je deze sprongniet mag maken.


Observatie van gedrag id geen voldoende voorwaarde om van een mentale toestand te spreken. Je
kan hoogstens beweren dat het lijkt ALSOF er een mentale toestand is.
 Searle meent dat er geen mentale toestanden zijn. Er zijn meer argumenten nodig voor het
stellen van intelligent gedrag.

Reactie gebaseerd op « Het gedachte experiment van de Chinese kamer »


Grote kamer die volledig afgesloten is van de buitenwereld, aar er is 1 gat dat functioneert als
postbus. In de kamer iemand dat geen Chinees begrijpt en buiten alleen Chinesen. In de kamer is er
een boek dat in het Chinees alle antwoorden bevat voor alle vragen.
Personen buiten schrijven vraag op papier en geven het aan de man binnen die in het boek naar
overeenkomstige symbolen zoekt en een zo goed mogelijk antwoord formuleert zonder te begrijpen
wat hij schrijft.
Buitenstaanders krijgen indruk dat man binnen Chinees begrijpt, maar dit is niet zo.

 is een argument tegen de stelling dat je enkel en alleen op basis van intelligent gedrag niet mag
concluderen dat er een mentale toestand is.
Dit sluit aan bij het gewone leven :
 Op basis van de observatie dat water van een berg stroomt zeggen we niet dat water de wil
heeft om van die berg te stromen en dus een mentale toestand heeft.
 Verliefdheid toeschrijven op basis van gedrag, maar de persoon is niet verliefd

1. het gedrag van de persoon in de kamer en het versturen van een boodschap op basis van een boek
2. het niet begrijpen van de Chinese taal
 is een argument om te stellen dat gedrag alleen niet voldoende is om te besluiten dat er
een mentale inhoud zou zijn
MAAR :
Indien je de taal wel zou begrijpen en dus zou communiceren is dat een argument om te besluiten
dat er mentale inhouden zijn die met je gedrag overeenkomen.

Computer lijken niet op de man in de Chinese kamer omdat :


- er zijn denkbaar computers die wel Chinees begrijpen
- er zijn denkbaar comuters die zo gesofisticeerd zijn dat ze figuurlijk en suggestief taalgebruik
herkennen

22
BESLUIT :
Het gedrachte experiment laat zien dat gedrag alleen niet voldoende is om te besluiten of er mentale
inhoud aanwezig is.
In het gewone leven is die kloof er niet omdat we verwijzen naar intelligentere vormen van gedrag.
 hoe intelligenter het gedrag hoe groter de waarschijnlijkheid dat die persoon een mentale inhoud
bezit.

Door consequent te zijn passen we dit toe op artefacten :


 Meerderheid van de artefacten zijn louter stimulus-respons gedrag, zoals de man in de
Chinese kamer  geen mentale inhouden
 Sommige artefacten vertonen intelligent gedrag  hoge kans op mentale inhouden
Vb. Robot van Putnam die naar de koelkast gaat

Waarom mentale inhouden en geest zoeken in een machine ?


In het gewone leven gaan we ervan uit dat ons gedrag gestuurd wordt door mentale inhouden
Vb. Emotie, overtuiging, verlangen
We veronderstellen dus dat het uiterlijk gedrag gestuurd wordt door de innerlijke geest.

Paul Churchland
Mentale inhouden zijn een illusie
Voorwetenschappelijke tijd : aannemen dta er een geest is
Nu/modern : geeft enkel wetenschappelijke verklaringen en kijkt dus enkel naar neuronale oorzaken
van het gedrag

 common sense
we gebruiken vaak « verlangen » en « intentie » om te begrijpen, maar ook « adrenaline giert door
men lijf » om angst uit te drukken

ALS WAAR :
1. we moeten niet meer zoeken naar een geest in een machine
2. we kunnen artefacten beschouwen als een uitvergroting van het menselijk functioneren
beide hebben een oppervlak zonder geest onder

Vraag of Chruchland gelijk heeft blijft. Zijn we niets anders dan neuronen zonder geest ?

23