Sie sind auf Seite 1von 4

ZINSONTLEDING STAPPENPLAN

1. ZOEK DE PERSOONSVORM (PV)


Hoe vind ik de pv? Er zijn drie manieren:
1) Ik verander de zin in een andere tijd. De pv verandert van tijd.
Staat de zin in de tegenwoordige tijd? Maak er een verleden tijd van. En andersom.
Bv. Lowie gaat voor oma appels kopen op de markt. (= tegenwoordige tijd)
 Lowie ging voor oma appels kopen op de markt. (= verleden tijd)
2) Ik verander de zin in een ander aantal. De pv verandert naar het
enkelvoud/meervoud.
Staat de zin in het enkelvoud? Maak er dan een meervoud van. En andersom.
STAP 1

Bv. Lowie gaat voor oma appels kopen op de markt. (= enkelvoud)


 De mensen gaan voor oma appels kopen op de markt. (= meervoud)
3) Ik maak de zin vragend door een ja-neevraag te stellen. De pv staat vooraan in
de ja-neevraag.
Bv. Lowie gaat voor oma appels kopen op de markt.
 Gaat Lowie voor oma appels kopen op de markt?
!! LET OP: een samengestelde zin heeft meer dan 1 pv.
Bv. Lowie gaat voor oma appels kopen op de markt want ze zijn op. (= tegenwoordige tijd)
 Lowie ging voor oma appels kopen op de markt want ze waren op. (= verleden tijd)
2. ZOEK HET ONDERWERP
Hoe vind ik het onderwerp? Er zijn drie manieren:
1) Ik verander de zin in een ander getal door de pv aan te passen. Het onderwerp
verandert naar het enkelvoud/meervoud.
Staat de zin in het enkelvoud? Maak er dan een meervoud van. En andersom.
Bv. Lowie gaat voor oma appels kopen op de markt. (= enkelvoud)
 De mensen gaan voor oma appels kopen op de markt. (= meervoud)
STAP 2

2) Ik maak de zin vragend door een ja-neevraag te stellen. Het onderwerp staat na
de pv of op de tweede plaats in de ja-neevraag.
Bv. Lowie gaat voor oma appels kopen op de markt.
 Gaat Lowie voor oma appels kopen op de markt?
3) Ik stel de volgende vraag: wie/wat + pv?
Bv. Lowie gaat voor oma appels kopen op de markt.
 Wie gaat? Lowie.
3. ZOEK HET GEZEGDE (WWG/NWG)
Hoe vind ik het gezegde en hoe weet ik welk gezegde het is? Neem de volgende tabel
door:
KENMERKEN
Handeling/actie Toestand/eigenschap
 iemand DOET iets  iemand IS iets
OPBOUW
Bestaat uit: Bestaat uit:
- pv (1) 1) Koppelwerkwoord
- pv + inf (2) - zijn - blijken
- pv + VD (3) - worden - lijken
STAP 3

- pv + adpv (4) - blijven - heten


- pv + niet-werkwoordelijk deel van een - schijnen - voorkomen
uitdrukking (5) 2) Naamwoordelijk deel van het
- pv + wederkerend vnw. (6) gezegde
- adjectief(groep) (7)
- substantief(groep) (8)

(1) Lowie zingt (pv) een lied.


(2) Lowie gaat (pv) voor oma appels kopen (inf) op de markt.
(3) Ik heb (pv) een lied gezongen (VD).
(4) Ze vulde (pv) het formulier in (adpv).
(5) Hij stond (pv) met de mond vol tanden (NWDU).
(6) Dankzij de kranten verspreidden (pv) de nieuwe ideeën zich (wk. vnw.) vlug.
(7) Samuel en Elize zijn (pv) altijd gelukkig (NWD).
(8) Televisiegeweld is (pv) voor veel kijkers een vorm van amusement (NWD).

4. ZOEK HET LIJDEND VOORWERP (LV)


Hoe vind ik het lijdend voorwerp?
1) Ik stel de volgende vraag: wie/wat + wwg + onderwerp
Bv. Lowie gaat voor oma appels kopen op de markt.
 Wat gaat Lowie kopen? Appels (= lv)
STAP 4

Bv. Hij fotografeert de leerkracht.


 Wie fotografeert hij? De leerkracht (= lv)
!! TIP: je hebt nooit een lijdend voorwerp als je in je zin te maken hebt met een
naamwoordelijk gezegde.
!! TIP: een lijdend voorwerp begint nooit met een voorzetsel.
5. ZOEK HET MEEWERKEND VOORWERP (MV)
Hoe vind ik het meewerkend voorwerp?
1) Ik stel de volgende vraag: aan wie/voor wie of aan wat/voor wat + wwg/nwg +
onderwerp + lv
Bv. Lowie gaat voor oma appels kopen op de markt.
 Voor wie gaat Lowie appels kopen? Voor oma (= mw)
STAP 5

Bv. Sharon stuurt hem een brief


 Aan wie stuurt Sharon een brief? Hem (= mw)
!! TIP: het meewerkend voorwerp begint met “aan” of “voor, maar meestal kun je
dat woord weglaten. Als “aan” of “voor” er niet bij staat, moet je het kunnen
toevoegen.
Bv. Ik koop een bos bloemen voor haar. = Ik koop haar een bos bloemen.
Bv. Ze gaf een ijsje aan haar dochtertje. = Ze gaf haar dochtertje een ijsje.

6. ZOEK HET VOORZETSELVOORWERP (VZV)


Hoe vind ik het voorzetselvoorwerp?
1) Een voorzetselvoorwerp begint altijd met een voorzetsel dat je niet kan
weglaten.
2) Een voorzetselvoorwerp komt voor bij werkwoorden met een vast voorzetsel
(luisteren naar, abonneren op, delen door, geven om, kijken naar…)
STAP 6

Bv. Ik luister naar de muziek.


Bv. Ze heeft zich geabonneerd op haar favoriete tijdschrift.
!! LET OP: Wanneer een zinsdeel begint met een voorzetsel is het altijd een
voorzetselvoorwerp, tenzij dat zinsdeel een plaats aangeeft, dan is het een
bijwoordelijke bepaling (zie stap 7).
Bv. De vrouw kijkt naar de straat (= bw. bepaling  ‘de straat’ geeft een plaats aan).
Bv. De vrouw kijkt naar haar man (= vzv  ‘haar man’ geeft geen plaats aan).
7. ZOEK DE BIJWOORDELIJKE BEPALINGEN (BWB)
Hoe vind ik bijwoordelijke bepalingen? Ik stel de volgende vragen:
1) Waar?/Waarheen?  Bepaling van plaats/richting
STAP 7

Bv. Lowie gaat voor oma appels kopen op de markt.


 Waar gaat Lowie appels kopen? Op de markt (= bw. bep. van plaats).
2) Waarmee?  Bepaling van middel
Bv. Soep eet je met een lepel.
 Waarmee eet je soep? Met een lepel (= bw. bep. van middel).
3) Hoe?  Bepaling van wijze
Bv. Ze kan heel hard lopen.
 Hoe kan ze lopen? Heel hard (= bw. bep. van wijze.)
4) Wanneer?  Bepaling van tijd
Bv. Samuel en Elize zijn altijd gelukkig.
 Wanneer zijn Samuel en Elize gelukkig? Altijd (= bw. bep. van tijd).
5) Waarom?  Bepaling van reden
Bv. Hij huilde om de breuk met zijn lief.
 Waarom huilde hij? Om de breuk met zijn lief (= bw. bep. van reden).
6) Waardoor?  Bepaling van oorzaak
Bv. Door de hevige regenbuien vertrokken ze.
 Waardoor vertrokken ze? Door de hevige regenbuien (= bw. bep. van oorzaak).
7) Hoeveel?  Bepaling van hoeveelheid
Bv. Die jas kostte 150 euro.
 Hoeveel kostte die jas? 150 euro (= bw. bep. van hoeveelheid).