You are on page 1of 203

This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.

be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

ICS: 91.080.01 ; 93.020

Geregistreerde NBN EN 1997-1


Belgische norm 1e uitg., januari 2005

Normklasse: B 03

Eurocode 7: Geotechnisch ontwerp - Deel 1: Algemene regels (+


AC:2009)
Eurocode 7: Calcul géotechnique - Partie 1: Règles générales (+ AC:2009)
Eurocode 7: Geotechnical design - Part 1: General rules (+ AC:2009)

Toelating tot publicatie: 15 december 2004

De Europese norm NBN EN 1997-1:2005 heeft de status van een Belgische norm. Hij bestaat in drie officiële
versies (Duits, Engels, Frans).
De Nederlandstalige vertaling is uitgegeven onder verantwoordelijkheid van het Bureau voor Normalisatie
(NBN) en heeft dezelfde waarde.

Zodra de Belgische nationale bijlage (ANB) van deze norm zal zijn gepubliceerd, is deze norm samen met zijn
ANB van toepassing. Deze legt de toepassingsvoorwaarden van de norm vast, in het bijzonder de waarden
van de nationaal te bepalen parameters.
Zolang de ANB van deze norm niet is gepubliceerd, kan voor een individueel project het gebruik van deze
norm worden opgelegd, indien de specifieke toepassingsvoorwaarden (in het bijzonder de waarde van de
nationaal bepaalde parameters) worden vastgelegd.
Het is voorzien dat deze norm, met zijn nationale bijlage, zal worden gepubliceerd in de loop van 2009.
Hij vervangt vanaf dd/mm/yyyy de volgende norm :
NBN ENV 1997-1:1995 : "Eurocode 7 - Grondmechanische ontwerp - Deel 1 : Algemene regels".

Bureau voor Normalisatie Brabançonnelaan 29 B-1000 Brussel België


Tel: +32 2 738 01 12 - Fax: +32 2 733 42 64 - E-mail: info@nbn.be - NBN Online: www.nbn.be
to third parties.

Bank 000-3255621-10 IBAN BE41 0003 2556 2110 BIC BPOTBEB1 BTW BE0880857592

© NBN 2005 Prijsgroep: 32


This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

ICS: 91.080.01 ; 93.020

norme belge NBN EN 1997-1


1e éd., janvier 2005
enregistrée
Indice de classement: B 03

Eurocode 7: Calcul géotechnique - Partie 1: Règles générales (+


AC:2009)
Eurocode 7: Geotechnisch ontwerp - Deel 1: Algemene regels (+ AC:2009)
Eurocode 7: Geotechnical design - Part 1: General rules (+ AC:2009)

Autorisation de publication: 15 décembre 2004

La présente norme européenne EN 1997-1:2005 a le statut d'une norme belge.

La présente norme européenne existe en trois versions officielles (allemand, anglais, français).

Bureau de Normalisation - Avenue de la Brabançonne 29 - 1000 Bruxelles - Belgique


Tél: +32 2 738 01 12 - Fax: +32 2 733 42 64 - E-mail: info@nbn.be - NBN Online: www.nbn.be
to third parties.

Banque 000-3255621-10 IBAN BE41 0003 2556 2110 BIC BPOTBEB1 TVA BE0880857592

© NBN 2005 Prix: groupe 32


NATIONAAL VOORWOORD van NBN EN 1997-1:2005

1. De Europese norm EN 1997-1:2005 «Eurocode 7: Geotechnisch ontwerp – Deel 1: Algemene


regels» heeft de status van een Belgische norm. Hij bestaat in drie officiële versies (Duits, Engels,
Frans).
De Nederlandstalige vertaling is uitgegeven onder verantwoordelijkheid van het Bureau voor
Normalisatie (NBN) en heeft dezelfde waarde.
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either

Zodra de Belgische nationale bijlage (ANB) van deze norm gepubliceerd is, is deze norm samen
met zijn ANB van toepassing. Deze legt de toepassingsvoorwaarden van de norm vast, in het
bijzonder de waarden van de nationaal te bepalen parameters.

Zolang de ANB van deze norm niet is gepubliceerd, kan voor een individueel project het gebruik
van deze norm worden opgelegd, indien de specifieke toepassingsvoorwaarden (in het bijzonder
de waarde van de nationaal bepaalde parameters) vastgelegd worden.
Het is voorzien dat deze norm, met zijn nationale bijlage, zal gepubliceerd worden in de loop van
2008.

Hij vervangt vanaf dd/mm/yyyy de volgende norm:

NBN ENV 1997-1: 1995 "Eurocode 7: Grondmechanisch ontwerp - Deel 1: Algemene regels”

2. De Nederlandstalige versie van EN 1997-1 werd opgesteld in samenwerking tussen NBN en


NEN. Daarbij werd voor elk begrip een unieke term gekozen. Dit heeft voor gevolg dat in de
norm uitdrukkingen voorkomen die in één van de twee landen minder gebruikelijk zijn.
Hierna volgt een lijst met gelijkwaardige termen :
wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently to third parties.

Oorspronkelijke term Verplichte term (Nederlands) Synoniem (B); (NL)


(Engels)
accidental (design)situation buitengewone bijzondere (ontwerp)situatie
(ontwerp)situatie (N); buitengewone
(ontwerp)toestand (B)
civil engineering civiele techniek burgerlijke bouwkunde (B)
construction work bouwwerk werk (B)
defined vastgesteld gegeven
effects of actions belastingseffecten belastingsuitwerkingen (N)
end bearing pile stuitpaal einddragende paal (B)
ground slab volledig door grond vloerplaat op volle grond (B)
ondersteunde vloerplaat
National Annex (NA) Nationale bijlage ANB (B); NB (N)
note opmerking noot (B)
pad poer zool
permanent action, blijvende belasting, permanente belasting, (N)
persistent (design) situation blijvende (ontwerp)situatie, permanente
blijvende (ontwerp)toestand (ontwerp)toestand (N)
principle beginsel principe (B)
relevant van toepassing voorkomend (B)
resistance weerstand capaciteit, sterkte (N)
serviceability limit state bruikbaarheidsgrenstoestand gebruiksgrenstoestand (B)
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either

situation situatie toestand (B)


specified voorgeschreven gegeven, bepaald,
opgelegd (B)
Technical Specifications Technische Voorschriften Technische Specificaties
verification toetsing verificatie, controle (N)

2bis De Europese normen (EN) waarnaar de tekst van deze norm met hun Engelse titel
verwijst, dragen in België de volgende Nederlandstalige titels :

Vermelde norm Belgische norm (NBN)


Engelstalige titel Nederlandstalige titel

EN 1990:2002 Eurocode: Basis of structural NBN EN 1990:2002 Eurocode – Grond-


design slagen van het constructief ontwerp
EN 1991:series Eurocode 1: Actions on NBN EN 1991:reeks Eurocode 1:
wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently to third parties.

structures Belastingen op constructies


EN 1991-4 Eurocode 1: Actions on structures - NBN EN 1991-4 Eurocode 1 -
Part 4: Actions in silos and tanks Belastingen op constructies - Deel 4 :
Silo's en tanks
EN 1992:series Eurocode 2: Design of concrete NBN EN 1992:reeks Eurocode 2:
structures Ontwerp en berekening van
betonconstructies
EN 1993:series Eurocode 3: Design of concrete NBN EN 1993:reeks Eurocode 3:
structures Ontwerp en berekening van
staalconstructies
EN 1994:series Eurocode 4: Design of NBN EN 1994:reeks Eurocode 4:
composite steel and concrete structures Ontwerp en berekening van staal-
betonconstructies
EN 1995:series Eurocode 5: Design of timber NBN EN 1995:reeks Eurocode 5:
structures Ontwerp en berekening van
houtconstructies
EN 1996:series Eurocode 6: Design of masonry NBN EN 1996:reeks Eurocode 6:
structures Ontwerp en berekening van constructies
van metselwerk
EN 1997-2 Eurocode 7: Geotechnical design - NBN EN 1997-2 Eurocode 7 -
Part 2: Ground investigation and testing Geotechnisch ontwerp - Deel 2 :
Grondonderzoek en beproeving
EN 1998:series Eurocode 8: Design of structures NBN EN 1998:reeks Eurocode 8:
for earthquake resistance Ontwerp en berekening van
aardbevingsbestendige constructies
EN 1999:series Eurocode 9: Design of NBN EN 1999:reeks Eurocode 9:
aluminium and aluminium alloy structures Ontwerp en berekening van
aluminiumconstructies
EN 1536:1999 Execution of special geotechnical NBN EN 1536:1999 Uitvoering van
work - Bored piles bijzonder grondwerk - Boorpalen
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either

EN 1537:1999 Execution of special NBN EN 1537:2000 Uitvoering van


geotechnical work - Ground anchors bijzonder grondwerk - Grondankers
(+AC:2000)
EN 12063:1999 Execution of special NBN EN 12063:1999 Uitvoering van
geotechnical work - Sheet-pile walls bijzonder grondwerk - Damwanden
EN 12699:2000 Execution of special NBN EN 12699:2001 Uitvoering van
geotechnical work - Displacement piles bijzonder grondwerk - Verdringingspalen
EN 14199 Execution of special geotechnical NBN EN 14199 Uitvoering van bijzonder
works - Micropiles geotechnisch werk – Micropalen
EN ISO 13793:2001 Thermal performance of NBN EN ISO 13793:2001 Thermische
buildings - Thermal design of foundations to eigenschappen van gebouwen -
avoid frost heave Thermisch ontwerp van funderingen om
opvriezen te voorkomen
wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently to third parties.
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either
wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently to third parties.
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

EUROPESE NORM EN 1997-1


EUROPÄISCHE NORM
EUROPEAN STANDARD
NORME EUROPÉENNE november 2004
ICS 91.120.20 Vervangt ENV 1997-1:1994

Trefwoorden:

Nederlandstalige versie

Eurocode 7: Geotechnisch ontwerp – Deel 1: Algemene regels


Eurocode 7: Entwurf, Berechnung Eurocode 7: Geotechnical design – Eurocode 7: Calcul géotechnique
und Bemessung in der Part 1: General rules – Partie 1: Règles générales
Geotechnik – Teil 1: Allgemeine
Regeln

Deze norm is de Nederlandstalige versie van de Europese norm EN 1997-1. Hij is uitgegeven onder
verantwoordelijkheid van het NBN. Hij heeft dezelfde status als de officiële versies.

Deze Europese norm is door de CEN aangenomen op 23 april 2004 De CEN-leden zijn verplicht zich te
houden aan het huishoudelijk reglement van de CEN/CENELEC, waarin is vastgelegd onder welke
voorwaarden aan deze Europese norm, zonder veranderingen, de status van nationale norm moet worden
gegeven.

Bijgewerkte lijsten van en bibliografische gegevens betreffende zulke nationale normen kunnen op aanvraag
worden verkregen bij het managementcentrum en bij elk CEN-lid.

Deze Europese norm bestaat in drie officiële versies (Duits, Engels en Frans). Een versie in een andere taal,
die onder verantwoordelijkheid van een CEN-lid in zijn landstaal is gemaakt en die is aangemeld bij het
managementcentrum, heeft dezelfde status als de officiële versies.

Leden van de CEN zijn de nationale normalisatie-organisaties van België, Bulgarije, Cyprus, Denemarken,
Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, IJsland, Italië, Letland, Litouwen,
Luxemburg, Malta, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije,
Spanje, Tsjechië, het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Zwitserland.

CEN

Europese Commissie voor Normalisatie


Europäisches Komitee für Normung
European Committee for Standardization
Comité Européen de Normalisation

Managementcentrum: de Stassartstraat 36, B-1050 Brussel

© 2004 Auteursrechten voorbehouden aan de CEN-leden.


to third parties.

Ref. nr.EN 1997-1:2004 nl


This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently
to third parties.

2
NBN EN 1997-1:2005 (NL)

(blanco)
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

Inhoud
Voorwoord ............................................................................................................................................ 6
Hoofdstuk 1 Algemeen ......................................................................................................................... 10
1.1 Onderwerp en toepassingsgebied .................................................................................................. 10
1.2 Normatieve verwijzingen ................................................................................................................. 11
1.3 Aannamen ....................................................................................................................................... 12
1.4 Onderscheid tussen beginselen en toepassingsregels .................................................................. 12
1.5 Definities.......................................................................................................................................... 13
1.6 Symbolen ........................................................................................................................................ 14
Hoofdstuk 2 Grondslagen van het geotechnisch ontwerp............................................................... 20
2.1 Ontwerpeisen .................................................................................................................................. 20
2.2 Ontwerpsituaties ............................................................................................................................. 22
2.3 Duurzaamheid ................................................................................................................................. 23
2.4 Geotechnisch ontwerp door berekeningen ..................................................................................... 24
2.5 Ontwerp door voorschriften ............................................................................................................. 36
2.6 Belastingsproeven en proeven op experimentele modellen ........................................................... 37
2.7 Observatiemethode ......................................................................................................................... 37
2.8 Geotechnisch ontwerprapport ......................................................................................................... 38
Hoofdstuk 3 Geotechnische gegevens .............................................................................................. 39
3.1 Algemeen ........................................................................................................................................ 39
3.2 Geotechnisch onderzoek ................................................................................................................ 39
3.3 Evaluatie van de geotechnische parameters .................................................................................. 41
3.4 Grondonderzoeksrapport ................................................................................................................ 48
Hoofdstuk 4 Supervisie tijdens de uitvoering, monitoring en onderhoud ..................................... 51
4.1 Algemeen ........................................................................................................................................ 51
4.2 Supervisie........................................................................................................................................ 51
4.3 Controle van de grondgesteldheden ............................................................................................... 53
4.4 Controle van de uitvoering .............................................................................................................. 54
4.5 Monitoring........................................................................................................................................ 55
4.6 Onderhoud ...................................................................................................................................... 56
Hoofdstuk 5 Aanvulling, bemaling en drainage, grondverbetering en wapening van grond ..... 57
5.1 Algemeen ........................................................................................................................................ 57
5.2 Fundamentele eisen........................................................................................................................ 57
5.3 Aanbrengen van een aanvulling...................................................................................................... 57
5.4 Bemaling en drainage ..................................................................................................................... 61
5.5 Grondverbetering en wapening van grond...................................................................................... 62
Hoofdstuk 6 Funderingen op staal ..................................................................................................... 63
6.1 Algemeen ........................................................................................................................................ 63
6.2 Grenstoestanden ............................................................................................................................. 63
6.3 Belastingen en ontwerpsituaties ..................................................................................................... 63
6.4 Overwegingen voor ontwerp, berekening en uitvoering ................................................................. 63
6.5 Ontwerp en berekening van de uiterste grenstoestand .................................................................. 65
6.6 Ontwerp voor de bruikbaarheidsgrenstoestand .............................................................................. 67
6.7 Funderingen op gesteente; aanvullende ontwerpoverwegingen .................................................... 70
6.8 Constructief ontwerp van funderingen op staal............................................................................... 70
6.9 Bouwrijp maken van de ondergrond ............................................................................................... 71
Hoofdstuk 7 Paalfunderingen.............................................................................................................. 72
7.1 Algemeen ........................................................................................................................................ 72
7.2 Grenstoestanden ............................................................................................................................. 72
7.3 Belastingen en ontwerpsituaties ..................................................................................................... 73
7.4 Ontwerpmethoden en ontwerpoverwegingen ................................................................................. 74
7.5 Paalbelastingsproeven .................................................................................................................... 76
7.6 Axiaal belaste palen ........................................................................................................................ 79
7.7 Horizontaal belaste palen................................................................................................................ 88
7.8 Constructief ontwerp van palen....................................................................................................... 90
7.9 Toezicht op de uitvoering ................................................................................................................ 90
Hoofdstuk 8 Verankeringen ................................................................................................................. 93
8.1 Algemeen ........................................................................................................................................ 93
8.2 Grenstoestanden ............................................................................................................................. 94
to third parties.

3
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

8.3 Ontwerpsituaties en belastingen ..................................................................................................... 94


8.4 Overwegingen voor ontwerp en uitvoering ..................................................................................... 95
8.5 Ontwerp voor de uiterste grenstoestand ......................................................................................... 96
8.6 Ontwerp voor de bruikbaarheidsgrenstoestand .............................................................................. 97
8.7 Geschiktheidsproeven..................................................................................................................... 97
8.8 Controleproeven .............................................................................................................................. 98
8.9 Toezicht en monitoring .................................................................................................................... 98
Hoofdstuk 9 Grondkerende constructies ........................................................................................... 99
9.1 Algemeen ........................................................................................................................................ 99
9.2 Grenstoestanden ............................................................................................................................. 99
9.3 Belastingen, geometrische gegevens en ontwerpsituaties ........................................................... 100
9.4 Beschouwingen over ontwerp en uitvoering ................................................................................. 103
9.5 Bepaling van gronddrukken .......................................................................................................... 104
9.6 Waterdrukken ................................................................................................................................ 107
9.7 Ontwerp voor de uiterste grenstoestand ....................................................................................... 107
9.8 Ontwerp voor de bruikbaarheidsgrenstoestand ............................................................................ 112
Hoofdstuk 10 Bezwijken door hydraulische invloeden .................................................................... 114
10.1 Algemeen ...................................................................................................................................... 114
10.2 Bezwijken door opdrijven .............................................................................................................. 115
10.3 Bezwijken door hydraulische grondbreuk ..................................................................................... 117
10.4 Interne erosie ................................................................................................................................ 118
10.5 Bezwijken door erosie door geconcentreerde grondwaterstroming ('piping') ............................... 119
Hoofdstuk 11 Algehele stabiliteit ........................................................................................................ 121
11.1 Algemeen ...................................................................................................................................... 121
11.2 Grenstoestanden ........................................................................................................................... 121
11.3 Belastingen en ontwerpsituaties ................................................................................................... 121
11.4 Ontwerp- en uitvoeringsoverwegingen ......................................................................................... 122
11.5 Ontwerp voor de uiterste grenstoestand ....................................................................................... 123
11.6 Ontwerp voor de bruikbaarheidsgrenstoestand ............................................................................ 125
11.7 Monitoring...................................................................................................................................... 126
Hoofdstuk 12 Ophogingen ................................................................................................................... 127
12.1 Algemeen ...................................................................................................................................... 127
12.2 Grenstoestanden ........................................................................................................................... 127
12.3 Belastingen en ontwerpsituaties ................................................................................................... 127
12.4 Ontwerp- en uitvoeringsoverwegingen ......................................................................................... 128
12.5 Ontwerp voor de uiterste grenstoestand ....................................................................................... 129
12.6 Ontwerp voor de bruikbaarheidsgrenstoestand ............................................................................ 130
12.7 Supervisie en monitoring............................................................................................................... 130
Bijlage A (normatief) Partiële factoren en correlatiefactoren voor uiterste grenstoestanden en
aanbevolen waarden ................................................................................................................................. 132
A.1 Partiële factoren en correlatiefactoren .......................................................................................... 132
A.2 Partiële factoren voor de toetsing van de grenstoestand van evenwichtsverlies (EQU) .............. 132
A.3 Partiële factoren voor de toetsing van constructieve (STR) en geotechnische
(GEO) grenstoestanden ............................................................................................................... 133
A.4 Partiële factoren voor de toetsing van de uiterste grenstoestand door opdrijven (UPL) .............. 140
A.5 Partiële factoren voor de toetsing van de uiterste grenstoestand door
hydraulische invloeden (HYD)...................................................................................................... 141
Bijlage B (informatief) Achtergrondinformatie over partiële factoren voor
ontwerpbenaderingen 1, 2 en 3 ................................................................................................................ 142
B.1 Algemeen .............................................................................................................................................. 142
B.2 Factoren voor belastingen en belastingseffecten ................................................................................. 142
B.3 Factoren voor materiaalsterkte en weerstanden................................................................................... 143
Bijlage C (informatief) Voorbeeldprocedures voor de bepaling van de grenswaarden van de
gronddruk op verticale wanden ............................................................................................................... 146
C.1 Grenswaarden van de gronddruk.................................................................................................. 146
C.2 Numerieke procedure voor de bepaling van de passieve drukken ............................................... 155
C.3 Verplaatsingen om de grenswaarden van de gronddruk te mobiliseren ...................................... 158
Bijlage D (informatief) Voorbeeld van een analytische draagvermogenberekening voor
een fundering op staal .............................................................................................................................. 160
D.1 In bijlage D gebruikte symbolen .................................................................................................... 160
to third parties.

4
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

Bijlage E (informatief) Voorbeeld van een semi-empirische methode voor de schatting van het
draagvermogen van een fundering op staal ........................................................................................... 163
Bijlage F (informatief) Voorbeeldmethoden voor zettingsberekeningen............................................ 164
F.1 Spanning-rekmethode ................................................................................................................... 164
F.2 Aangepaste elasticiteitsmethode .................................................................................................. 164
F.3 Zettingen zonder drainage ............................................................................................................ 165
F.4 Zetting door consolidatie ............................................................................................................... 165
F.5 Tijd-zettingsgedrag ........................................................................................................................ 165
Bijlage G (informatief) Een voorbeeldmethode voor de afleiding van het aangenomen
draagvermogen van funderingen op staal op gesteente....................................................................... 166
Bijlage H (informatief) Grenswaarden voor constructieve vervorming en verplaatsing van de
fundering ........................................................................................................................................ 169
Bijlage J (informatief) Nalooplijst voor toezicht bij de uitvoering en monitoring van
het gedrag ........................................................................................................................................ 171
J.1 Algemeen ...................................................................................................................................... 171
J.2 Toezicht op de uitvoering .............................................................................................................. 171
J.3 Monitoring van het gedrag ............................................................................................................ 171
to third parties.

5
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

Voorwoord
Dit document (EN 1997-1) is opgesteld door Technische Commissie CEN/TC 250 "Structural Eurocodes",
waarvan BSI het secretariaat voert. CEN/TC 250 is verantwoordelijk voor alle constructieve Eurocodes.

Aan deze Europese norm moet uiterlijk in mei 2005 de status van een nationale norm worden gegeven, door
hetzij publicatie van een identieke tekst, of door bekrachtiging en strijdige nationale normen moeten uiterlijk
in maart 2010 worden ingetrokken.

Dit document vervangt ENV 1997-1:1994.

Volgens het huishoudelijk reglement van de CEN/CENELEC zijn de nationale normalisatie-instellingen van
de volgende landen verplicht deze Europese norm in te voeren: België, Cyprus, Denemarken, Duitsland,
Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, IJsland, Italië, Letland, Litauwen, Luxemburg,
Malta, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Verenigd
Koninkrijk, Zweden en Zwitserland.

Achtergrond van het Eurocodeprogramma

In 1975 besloot de Commissie van de Europese Gemeenschap, op grond van artikel 95 van het Verdrag
(van Rome), tot een actieprogramma op het gebied van de bouw. Het doel van het programma was het
wegwerken van technische handelsbelemmeringen en het harmoniseren van technische voorschriften.

In dit actieprogramma nam de Commissie het initiatief een reeks van geharmoniseerde technische
voorschriften voor het ontwerp en de berekening van bouwwerken op te stellen die, in eerste instantie, dienst
zouden doen als alternatief voor de vigerende nationale voorschriften in de lidstaten en, uiteindelijk, deze
zouden vervangen.

Gedurende vijftien jaar heeft de Commissie met de hulp van een stuurgroep, bestaande uit
vertegenwoordigers van de lidstaten, de ontwikkeling van het Eurocodeprogramma gestuurd, dat in de jaren
’80 leidde tot de eerste generatie Europese codes.
1)
In 1989 besloten de Commissie en de lidstaten van de EU en EVA, op basis van een overeenkomst tussen
de Commissie en CEN, de opstelling en de publicatie van de Eurocodes met behulp van een reeks
mandaten aan CEN over te dragen, teneinde de Eurocodes in de toekomst de status van Europese norm te
verschaffen (EN). Dit verbindt de Eurocodes de facto met alle bepalingen van de Richtlijnen van de Raad
en/of de besluiten van de Commissie die over Europese normen gaan (bijvoorbeeld de Richtlijn van de Raad
89/106/EEG inzake voor de bouw bestemde producten – RBP of BPR ∗)– en de Richtlijnen van de Raad
93/37/EEG, 92/50/EEG en 89/440/EEG inzake overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken en voor
dienstverlening en de gelijkwaardige Richtlijnen van EVA, uitgevaardigd met het oog op het creëren van de
interne markt).

Het programma van de constructieve Eurocodes omvat de volgende normen, in het algemeen bestaande uit
verschillende delen:

EN 1990 Eurocode: Grondslagen van het constructief ontwerp


EN 1991 Eurocode 1: Belastingen op constructies
EN 1992 Eurocode 2: Ontwerp en berekening van betonconstructies
EN 1993 Eurocode 3: Ontwerp en berekening van staalconstructies
EN 1994 Eurocode 4: Ontwerp en berekening van staal-betonconstructies
EN 1995 Eurocode 5: Ontwerp en berekening van houtconstructies

1) Akkoord tussen de Commissie van de Europese Gemeenschap en het Europees Normalisatiecomité (CEN)
betreffende het werk aan de Eurocodes voor het ontwerp en de berekening van gebouwen en civieltechnische
werken (BC/CEN/03/89).

) Nationale voetnoot: In Nederland RBP (Richtlijn Bouwproducten), in België BPR (Bouwproductenrichtlijn). De
Engelstalige afkorting hiervoor is CPD.
to third parties.

6
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

EN 1996 Eurocode 6: Ontwerp en berekening van constructies van metselwerk


EN 1997 Eurocode 7: Geotechnisch ontwerp
EN 1998 Eurocode 8: Ontwerp en berekening van aardbevingsbestendige constructies
EN 1999 Eurocode 9: Ontwerp en berekening van aluminiumconstructies

Eurocode-normen erkennen de verantwoordelijkheid van de regelgevende (overheids)instanties in elke


lidstaat en waarborgen hun recht om waarden te bepalen in verband met op nationaal niveau
gereglementeerde veiligheidsaangelegenheden, daar waar deze waarden van lidstaat tot lidstaat blijven
verschillen.

Status en toepassingsgebied van de Eurocodes

De Lidstaten van de EU en EVA erkennen dat de Eurocodes in de hoedanigheid van verwijzingsdocumenten


dienen:

— als middel om aan te tonen dat gebouwen en civieltechnische werken voldoen aan de fundamentele
eisen van de Richtlijn van de Raad 89/106/EEG, in het bijzonder aan de fundamentele eis nr. 1 –
Mechanische weerstand en stabiliteit – en de fundamentele eis nr. 2 – Veiligheid in geval van brand;

— als basis voor het opstellen van contracten voor bouwwerken en de daarbij behorende
ingenieursdiensten;

— als kader voor het opmaken van geharmoniseerde technische voorschriften voor bouwproducten (EN’s en
ETA’s).

De Eurocodes hebben, voor zover zij betrekking hebben op de bouwwerken zelf, een directe relatie met de
2)
basisdocumenten , waarnaar verwezen is in artikel 12 van de RBP (BPR), alhoewel zij naar hun aard
verschillend zijn van de geharmoniseerde productnormen 3). Daarom dienen Technische Commissies van
CEN en/of werkgroepen van EOTA werkend aan productnormen, technische aspecten die voortkomen uit
het werk aan de Eurocodes voldoende in beschouwing te nemen, teneinde te komen tot volledige
overeenkomst van deze technische voorschriften met de Eurocodes.

De Eurocodenormen voorzien in gewone constructieve ontwerp- en berekeningsregels voor dagelijks


gebruik, voor het ontwerp en de berekening van gehele constructies en samenstellende delen, van zowel
traditionele als innovatieve aard. Ongewone constructies of ontwerpomstandigheden zijn niet specifiek
opgenomen en in deze gevallen zal van de constructief ontwerper aanvullend vakkundig onderzoek worden
gevergd.

Nationale normen als implementatie van de Eurocodes

De nationale normen als implementatie van de Eurocodes zullen de volledige tekst omvatten van de
Eurocode (met inbegrip van alle bijlagen), zoals gepubliceerd door CEN. Deze tekst mag worden
voorafgegaan door een nationaal titelblad en een nationaal voorwoord en mag worden gevolgd door een
nationale bijlage.

2) Volgens art. 3.3 van de RBP (BPR) moeten de fundamentele eisen (f.e.’s) concreet worden vertolkt in
basisdocumenten, teneinde de noodzakelijke verbanden te leggen tussen de fundamentele eisen en de mandaten
voor de geharmoniseerde EN’s en ETAG’s/ETA’s.
3) Volgens art. 12 van de RBP (BPR) moeten de basisdocumenten:
a) de fundamentele eisen concreet vertolken door terminologie en technische grondslagen te harmoniseren en
klassen of niveaus aan te geven voor elke eis waar nodig;
b) methoden aangeven om deze klassen of niveaus van eisen te correleren met de technische voorschriften,
bijvoorbeeld berekenings- en beproevingsmethoden, technische regels voor uitvoerings-/bouwplannen enz.;
c) als verwijzing dienen voor het opstellen van geharmoniseerde normen en richtlijnen voor Europese technische
goedkeuringen.
De Eurocodes spelen de facto een gelijksoortige rol op het gebied van f.e. 1 en een deel van f.e. 2.
to third parties.

7
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

De nationale bijlage mag alleen informatie bevatten over de parameters die in de Eurocode zijn opengelaten
voor nationale keuze, aangeduid als Nationaal Bepaalde Parameters (NBP), en die van toepassing zijn op
het ontwerp en de berekening van te realiseren gebouwen en civieltechnische werken in het desbetreffende
land, te weten:

— waarden en/of klassen waarvoor alternatieven worden gegeven in de Eurocode;

— te gebruiken waarden waarvoor alleen een symbool wordt gegeven in de Eurocode;

— specifieke gegevens van een land (geografische, klimatologische enz.), bijvoorbeeld een sneeuwkaart;

— de te volgen methode, ingeval alternatieve methoden in de Eurocode zijn gegeven.

Hij mag ook bevatten:


— uitspraken over het gebruik van informatieve bijlagen;

— verwijzingen naar niet-tegenstrijdige, aanvullende informatie om de gebruiker te helpen bij het gebruik
van de Eurocode.

Verbanden tussen Eurocodes en geharmoniseerde technische voorschriften (EN’s en ETA’s) voor


bouwproducten

Er is behoefte aan samenhang tussen de geharmoniseerde technische voorschriften voor bouwproducten en


de technische regels voor bouwwerken 4). Bovendien behoort alle informatie die de CE-markering van
bouwproducten vergezelt en die naar de Eurocodes verwijst, duidelijk aan te geven welke NBP’s in
aanmerking zijn genomen.

Aanvullende informatie specifiek voor EN 1997-1

EN 1997-1 geeft ontwerprichtlijnen en belastingen voor het geotechnisch ontwerp van gebouwen en
civieltechnische werken.

EN 1997-1 is bedoeld voor opdrachtgevers, ontwerpers, aannemers en de overheid.

EN 1997-1 is bedoeld om te worden gebruikt met EN 1990 en EN 1991 t.m. EN 1999.

Bij het gebruik van EN 1997-1 in de praktijk, behoort in het bijzonder aandacht te worden gegeven aan de
onderliggende aannamen en voorwaarden gegeven in 1.3.

De twaalf hoofdstukken van EN 1997-1 worden gecompleteerd door één normatieve en acht informatieve
bijlagen.

Nationale bijlage bij EN 1997-1

Deze norm geeft alternatieve procedures en aanbevolen waarden met opmerkingen die aangeven waar
mogelijk nationaal keuzen moeten worden gemaakt. Daarom behoort de nationale norm die EN 1997-1
implementeert een nationale bijlage te hebben die alle nationaal bepaalde parameterwaarden bevat die zijn
te gebruiken bij het ontwerp van gebouwen en civieltechnische werken die worden gebouwd in het
desbetreffende land.

Nationale keuze is toegelaten in EN 1997-1 via de volgende paragrafen:

4) Zie art. 3.3 en art. 12 van de RBP, evenals 4.2, 4.3.1, 4.3.2 en 5.2 van basisdocument 1.
to third parties.

8
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

— 2.1(8)P, 2.4.6.1(4)P, 2.4.6.2(2)P, 2.4.7.1(2)P, 2.4.7.1(3), 2.4.7.2(2)P, 2.4.7.3.2(3)P, 2.4.7.3.3(2)P,


2.4.7.3.4.1(1)P, 2.4.7.4(3)P, 2.4.7.5(2)P, 2.4.8(2), 2.4.9(1)P, 2.5(1), 7.6.2.2(8)P, 7.6.2.2(14)P, 7.6.2.3(4)P,
7.6.2.3(5)P, 7.6.2.3(8), 7.6.2.4(4)P, 7.6.3.2(2)P, 7.6.3.2(5)P, 7.6.3.3(3)P, 7.6.3.3(4)P, 7.6.3.3(6),
8.5.2(2)P, 8.5.2(3), 8.6(4), 11.5.1(1)P en de volgende paragrafen in bijlage A;

— A.2;

— A.3.1, A.3.2, A.3.3.1, A.3.3.2, A.3.3.3, A.3.3.4, A.3.3.5, A.3.3.6;

— A.4;

— A.5.
to third parties.

9
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

Hoofdstuk 1 Algemeen

1.1 Onderwerp en toepassingsgebied

1.1.1 Onderwerp en toepassingsgebied van EN 1997

(1) EN 1997-1 is bedoeld om te worden gebruikt in samenhang met EN 1990:2002, die de beginselen en
eisen vaststelt voor veiligheid en bruikbaarheid, de grondslagen van het ontwerp beschrijft en richtlijnen
geeft voor gerelateerde aspecten van constructieve betrouwbaarheid.

(2) EN 1997-1 is bedoeld om te worden toegepast op de geotechnische aspecten van het ontwerpen van
gebouwen en civieltechnische werken. Hij is onderverdeeld in verschillende aparte delen (zie 1.1.2 en 1.1.3).

(3) EN 1997-1 gaat over de eisen voor sterkte, stabiliteit, bruikbaarheid en duurzaamheid van constructies.
Andere eisen, bijv. betreffende thermische of geluidsisolatie, worden niet beschouwd.

(4) Getalwaarden van belastingen op gebouwen en civieltechnische werken die in het ontwerp in rekening
zijn te brengen, worden verstrekt in EN 1991 voor de verschillende typen constructies. Belastingen die
worden uitgeoefend door de grond, zoals gronddrukken, moeten worden berekend volgens de regels van
EN 1997.

(5) Aparte Europese normen zijn bedoeld om te worden gebruikt om punten van uitvoering en vakmanschap
te behandelen. Zij worden aangeduid in de desbetreffende hoofdstukken.

(6) EN 1997 omvat uitvoering voor zover nodig is om te kunnen voldoen aan de aannamen van de
ontwerpregels.

(7) EN 1997 omvat niet de bijzondere eisen van ontwerpen bij aardbevingen. EN 1998 verschaft aanvullende
regels voor geotechnisch ontwerpen bij aardbevingen, die de regels van deze norm completeren of
aanpassen.

1.1.2 Onderwerp en toepassingsgebied van EN 1997-1

(1) EN 1997-1 is bedoeld om te worden gebruikt als een algemene basis voor de geotechnische aspecten
van het ontwerp van gebouwen en civieltechnische werken.

(2) De volgende onderwerpen worden behandeld in EN 1997-1:

Hoofdstuk 1: Algemeen

Hoofdstuk 2: Grondslagen van het geotechnisch ontwerp

Hoofdstuk 3: Geotechnische gegevens

Hoofdstuk 4: Toezicht bij de uitvoering, monitoring en onderhoud

Hoofdstuk 5: Aanvulling, bemaling en drainage, grondverbetering en wapening van grond

Hoofdstuk 6: Fundering op staal

Hoofdstuk 7: Paalfunderingen

Hoofdstuk 8: Verankeringen;

Hoofdstuk 9: Grondkerende constructies;


to third parties.

10
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

Hoofdstuk 10: Bezwijken door hydraulische invloeden;

Hoofdstuk 11: Algehele stabiliteit;

Hoofdstuk 12: Ophogingen.

(3) Bij EN 1997-1 gaan de bijlagen A t.m. J die voorzien:

— in A: aanbevolen waarden van partiële factoren; afwijkende waarden van de partiële factoren kunnen zijn
gegeven in de nationale bijlage;

— in B t.m. J: aanvullende informatieve begeleiding, zoals internationaal toegepaste berekeningsmethoden.

1.1.3 Overige delen van EN 1997

(1) EN 1997-1 wordt aangevuld door EN 1997-2 die eisen geeft voor de uitvoering en evaluatie van terrein
en laboratoriumproeven.

1.2 Normatieve verwijzingen

Deze Europese norm bevat door gedateerde of ongedateerde verwijzing bepalingen uit andere publicaties.
Deze normatieve verwijzingen zijn op passende wijze in de tekst aangehaald en de publicaties zijn hierna
opgesomd. Bij gedateerde verwijzingen zijn latere wijzigingen of herzieningen van een van deze publicaties
slechts van toepassing op deze Europese norm, indien zij door wijziging of herziening daarin zijn verwerkt.
Bij ongedateerde verwijzingen is de laatste versie van de publicatie (met inbegrip van wijzigingsbladen)
waarnaar is verwezen van toepassing.

OPMERKING De Eurocodes werden gepubliceerd als Europese voornormen. De volgende Europese normen, die
zijn gepubliceerd of in voorbereiding zijn, worden aangehaald in normatieve hoofdstukken.

EN 1990:2002 Eurocode – Basis of structural design

EN 1991 Eurocode 1 Actions on structures

EN 1991-4 Eurocode 1 Actions on structures – Part 4: Actions in silos and tanks

EN 1992 Eurocode 2 Design of concrete structures

EN 1993 Eurocode 3 Design of steel structures

EN 1994 Eurocode 4 Design of composite steel and concrete structures

EN 1995 Eurocode 5 Design of timber structures

EN 1996 Eurocode 6 Design of masonry structures

EN 1997-2 Eurocode 7 Geotechnical design – Part 2: Ground investigation and


testing

EN 1998 Eurocode 8 Design of structures for earth quake resistance

EN 1999 Eurocode 9 Design of aluminium and aluminium alloy structures

EN 1536:1999 Execution of special geotechnical work – Bored piles

EN 1537:1999 Execution of special geotechnical work – Ground anchors


to third parties.

11
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

EN 12063:1999 Execution of special geotechnical work – Sheet-pile walls

EN 12699:2000 Execution of special geotechnical work – Displacement piles

EN 14199 Execution of special geotechnical works – Micropiles

EN-ISO 13793:2001 Thermal performance of buildings – Thermal design of foundations to


avoid frost heave

1.3 Aannamen

(1) Verwezen wordt naar 1.3 van EN 1990:2002.

(2) De bepalingen in deze norm zijn gebaseerd op de hieronder aangegeven aannamen:

— gegevens die nodig zijn voor het ontwerp, zijn verzameld, opgeslagen en geïnterpreteerd door terzake
gekwalificeerd en ervaren personeel;

— de constructies zijn ontworpen door voldoende gekwalificeerd en ervaren personeel;

— er bestaat een voldoende niveau van samenhang en communicatie tussen het personeel betrokken bij
verzameling van gegevens, ontwerp en uitvoering;

— voldoende toezicht en beheersing van kwaliteit is voorzien in de fabrieken, inrichtingen en op de


bouwplaats;

— de uitvoering wordt gedaan in overeenstemming met van toepassing zijnde normen en specificaties, door
personeel dat passende kundigheid en ervaring heeft;

— bouwmaterialen en producten worden gebruikt volgens deze norm of volgens de van toepassing zijnde
materiaal- of productspecificaties;

— de constructie zal voldoende worden onderhouden om de veiligheid en bruikbaarheid ervan te


waarborgen, voor de in het ontwerp aangenomen referentieduur;

— de constructie zal worden gebruikt voor het doel dat was vastgelegd voor het ontwerp.

(3) Het is noodzakelijk dat deze aannamen worden beschouwd door zowel de ontwerper als de
opdrachtgever. Om onzekerheid te voorkomen behoort overeenstemming ermee te zijn gedocumenteerd,
bijv. in het geotechnisch ontwerprapport.

1.4 Onderscheid tussen beginselen en toepassingsregels

(1) Afhankelijk van de aard van de afzonderlijke bepalingen, wordt in EN 1997-1 onderscheid gemaakt
tussen beginselen en toepassingsregels.

(2) De beginselen omvatten:

— algemene uitspraken en definities waarvoor geen alternatief is;

— eisen en analytische modellen waarvoor geen alternatief is toegelaten, tenzij specifiek aangegeven.

(3) De beginselen zijn aangeduid met de letter P.

(4) De toepassingsregels zijn algemeen erkende regels die in overeenstemming zijn met de beginselen en
voldoen aan hun eisen.
to third parties.

12
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

(5) Het is toegelaten om gebruik te maken van alternatieven ten opzichte van de toepassingsregels in deze
norm, op voorwaarde dat is aangetoond dat de alternatieve regels overeenstemmen met de van belang
zijnde beginselen en ten minste gelijkwaardig zijn wat betreft constructieve veiligheid, bruikbaarheid en
duurzaamheid, die mogen worden verwacht bij gebruikmaking van de Eurocodes.

OPMERKING Indien een alternatieve ontwerp- en berekeningsregel is gebruikt in plaats van een toepassingsregel,
kan het daarmee gemaakte constructieve ontwerp geen aanspraak maken op volledige overeenstemming met
EN 1997-1, ondanks dat het ontwerp in overeenstemming blijft met de beginselen van EN 1990. Wanneer EN 1997-1 is
gebruikt met betrekking tot een eigenschap opgenomen in een bijlage Z van een productnorm of een ETAG, is het
mogelijk dat het gebruik van een alternatieve ontwerp- en berekeningsregel niet aanvaardbaar is voor CE-markering.

(6) In EN 1997-1 zijn de toepassingsregels aangeduid door een nummer tussen ronde haken, zoals in deze
paragraaf.

1.5 Definities

1.5.1 Gebruikelijke definities voor alle Eurocodes

(1) De definities die gebruikelijk zijn voor alle Eurocodes, zijn gegeven in EN 1990:2002, 1.5.

1.5.2 Specifieke definities voor EN 1997-1

1.5.2.1
geotechnische belasting
door grond, aanvul/ophoogmateriaal, vrij water of grondwater op de constructie uitgeoefende belasting

OPMERKING Definitie overgenomen uit EN 1990:2002.

1.5.2.2
vergelijkbare ervaring
bij ontwerp en berekening gebruikte gedocumenteerde of duidelijk vastgestelde gegevens van de
ondergrond, voor gelijksoortige grond en gesteente met naar verwachting gelijksoortig geotechnisch gedrag
en voor gelijksoortige constructies. Lokale informatie wordt als bijzonder waardevol beschouwd

1.5.2.3
ondergrond
voor de start van de uitvoering van het bouwwerk aanwezige grond, gesteente en aanvul/ophoogmateriaal

1.5.2.4
constructie
systematisch samenstel van gekoppelde onderdelen, waaronder begrepen tijdens de uitvoering van het
bouwwerk aangebrachte aanvulgrond, ontworpen voor het dragen van belastingen en het leveren van
voldoende stijfheid

OPMERKING Definitie afgeleid uit EN 1990:2002.

1.5.2.5
afgeleide waarde
uit proefresultaten verkregen waarde van een geotechnische parameter via een theoretische beschouwing,
correlatie of ervaring

1.5.2.6
stijfheid
weerstand van het materiaal tegen vervorming
to third parties.

13
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

1.5.2.7
weerstand
vermogen van een onderdeel, of dwarsdoorsnede van een onderdeel van een constructie om belastingen
over te dragen zonder mechanisch te bezwijken, bijvoorbeeld de grondweerstand, buigweerstand,
knikweerstand, trekweerstand

OPMERKING Definitie afgeleid uit EN 1990:2002.

1.6 Symbolen

(1) Ten behoeve van EN 1997-1 zijn de volgende symbolen van toepassing.

Latijnse letters

A' effectieve (funderings)oppervlakte

Ab puntoppervlakte van de paal

Ac totaal op druk belaste funderingsoppervlakte

A s;i paalschachtoppervlakte in laag i

ad rekenwaarde van geometrisch gegeven

a nom nominale waarde van geometrisch gegeven

Δa toeslag of reductie op de nominale waarde van een geometrisch gegeven voor bepaalde
berekeningen

b breedte van een fundering

b' effectieve breedte van een fundering

Cd grenswaarde voor de rekenwaarde van een belastingseffect

c cohesie

c' effectieve cohesie

cu ongedraineerde schuifsterkte

c u;d rekenwaarde van de ongedraineerde schuifsterkte

d inbeddingsdiepte

Ed rekenwaarde van een belastingseffect

E stb;d rekenwaarde van het gunstig werkend belastingseffect (stabiliserend)

E dst;d rekenwaarde van het ongunstig werkend belastingseffect (destabiliserend)

F c;d rekenwaarde van de axiale drukkracht op een paal of paalgroep

Fd rekenwaarde van een belasting

Fk karakteristieke waarde van een belasting


to third parties.

14
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

F rep representatieve waarde van een belasting

F t;d rekenwaarde van de axiale trekkracht op een paal of paalgroep

F tr;d rekenwaarde van de dwarskracht op een paal of paalfundering

G dst;d rekenwaarde van de aandrijvende, blijvende verticale belastingen bij de toetsing van het
opdrijfmechanisme

G stb;d rekenwaarde van de weerstandbiedende, blijvende verticale belastingen bij de toetsing


van het opdrijfmechanisme

G 'stb;d rekenwaarde van de weerstandbiedende, blijvende verticale belastingen bij de toetsing


van het bezwijkmechanisme door hydraulische grondbreuk (effectief gewicht)

H horizontale belasting, of component van de totale belasting evenwijdig aan het


funderingsoppervlak

Hd rekenwaarde van H

h hoogte van een wand

h stijghoogte bij de toetsing van het bezwijkmechanisme door hydraulische grondbreuk

h' hoogte van de grondkolom in rekening te brengen bij de toetsing van het
bezwijkmechanisme door hydraulische grondbreuk

h w;k karakteristieke waarde van de stijghoogte onderaan een grondkolom

K0 neutrale gronddrukcoëfficiënt

K 0;β neutrale gronddrukcoëfficiënt bij een grondkerende constructie met een hellend maaiveld
onder een hoek β met de horizontaal

k quotiënt δ d / ϕ cv;d

l lengte van de fundering

l' effectieve lengte van de fundering

n aantal van bijvoorbeeld palen of proeven

P belasting op een anker

Pd rekenwaarde van P

Pp proefbelasting bij een geschiktheidsproef op een groutanker

Q dst;d rekenwaarde van de ongunstig werkende veranderlijke verticale belastingen in


opdrijfberekeningen

q b;k karakteristieke waarde van de puntweerstand

q s;i;k karakteristieke waarde van de schachtwrijving in laag i

Ra uittrekweerstand (houdkracht) van een anker

R a;d rekenwaarde van R a


to third parties.

15
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

R a;k karakteristieke waarde van R a

R b;cal puntweerstand van een paal in de uiterste grenstoestand, berekend uit de resultaten van
grondonderzoekproeven

R b;d rekenwaarde van de puntweerstand van een paal

R b;k karakteristieke waarde van de puntweerstand van een paal

Rc weerstand op druk van de grond op een paal in de uiterste grenstoestand

R c;cal berekende waarde van R c

R c;d rekenwaarde van R c

R c;k karakteristieke waarde van R c

R c;m gemeten waarde van R c bij één of meer paalbelastingsproeven

Rd rekenwaarde van de weerstand tegen een belasting

R p;d rekenwaarde van de weerstandbiedende kracht ten gevolge van de gronddruk tegen de
zijkant van een fundering

R s;d rekenwaarde van de schachtweerstand van een paal

R s;cal schachtweerstand van een paal in de uiterste grenstoestand, berekend uit de resultaten
van grondonderzoekproeven

R s;k karakteristieke waarde van de schachtweerstand van een paal

Rt uiterste trekweerstand van een op trek belaste, alleenstaande paal

R t;d rekenwaarde van de trekweerstand van een paal of een paalgroep, of van de
uittrekweerstand van een verankering

R t;k karakteristieke waarde van de trekweerstand van een paal of paalgroep

R t;m gemeten trekweerstand van een alleenstaande paal in één of meer


paalbelastingsproeven

R tr weerstand van een paal tegen belasting loodrecht op de paalas

R tr;d rekenwaarde van de weerstand van een paal tegen belasting loodrecht op de paalas

S dst;d rekenwaarde van de kracht afkomstig van de ongunstig werkende stromingsdruk in de


ondergrond

S dst;k karakteristieke waarde van de kracht afkomstig van de ongunstig werkende


stromingsdruk in de ondergrond

s zetting

s0 onmiddellijk optredende zetting

s1 zetting ten gevolge van consolidatie

s2 zetting ten gevolge van kruip (secundaire zetting)


to third parties.

16
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

Td rekenwaarde van de totale wrijvingsweerstand rond een grondmassief waarin een groep
trekpalen aanwezig is, of op het deel van de constructie dat in contact is met de grond

u grondwaterdruk

u dst;d rekenwaarde van de ongunstig werkende grondwaterdruk

V verticale belasting, of component van de totale belasting, die loodrecht op het


funderingsoppervlak werkt

Vd rekenwaarde van V

V 'd rekenwaarde van de effectieve verticale belasting, of component van de totale belasting,
die loodrecht op het funderingsoppervlak werkt

V dst;d rekenwaarde van de ongunstig werkende verticale belasting op een constructie

V dst;k karakteristieke waarde van de ongunstig werkende verticale belasting op een constructie

Xd rekenwaarde van een materiaaleigenschap

Xk karakteristieke waarde van een materiaaleigenschap

z verticale afstand

Griekse letters

α helling van de onderzijde van een fundering ten opzichte van de horizontaal

β hellingshoek van het maaiveld achter de wand (positief indien opwaarts)

δ wrijvingshoek in het contactvlak tussen constructie en grond

δd rekenwaarde van δ

γ volumiek gewicht

γ' effectief volumiek gewicht

γa partiële factor voor verankeringen

γ a;p partiële factor voor blijvende verankeringen

γ a;t partiële factor voor tijdelijke verankeringen

γb partiële factor voor de puntweerstand van een paal

γc' partiële factor voor de effectieve cohesie

γ cu partiële factor voor de ongedraineerde schuifsterkte

γE partiële factor voor een belastingseffect

γf partiële factor voor belastingen, die rekening houdt met de mogelijkheid dat de waarde
van de belasting in ongunstige zin afwijkt van de representatieve waarde

γF partiële factor voor een belasting


to third parties.

17
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

γG partiële factor voor een blijvende belasting

γ G;dst partiële factor voor een blijvende aandrijvende belasting

γ G;stb partiële factor voor een blijvende weerstandbiedende belasting

γm partiële factor voor een grondparameter (materiaaleigenschap)

γ m;i partiële factor voor een grondparameter in laag i

γM partiële factor voor een grondparameter (materiaaleigenschap), tevens rekening houdend


met modelonzekerheden

γQ partiële factor voor een veranderlijke belasting

γ qu partiële factor voor de uniaxiale druksterkte

γR partiële factor voor een weerstand

γ R;d partiële factor voor de onzekerheid in een weerstandsmodel

γ R;e partiële factor voor grondweerstand

γ R;h partiële factor voor weerstand tegen horizontaal glijden

γ R;v partiële factor voor draagkracht

γs partiële factor voor de schachtwrijving van een paal

γ S;d partiële factor voor onzekerheden in de modellering van belastingseffecten

γ Q;dst partiële factor voor een aandrijvende belasting bij opbarsten

γ Q;stb partiële factor voor een weerstandbiedende belasting tegen opbarsten

γ s;t partiële factor voor de trekweerstand van een paal

γt partiële factor voor de totale draagkracht van een paal

γw volumiek gewicht van water

γϕ' partiële factor voor de hoek van inwendige wrijving (tan ϕ ')

γγ partiële factor voor volumiek gewicht

θ hellingshoek van H

ξ correlatiefactor afhankelijk van het aantal beproefde palen of proefprofielen

ξa correlatiefactor voor verankeringen

ξ 1; ξ 2 correlatiefactoren bij de evaluatie van de resultaten van statische paalbelastingsproeven

ξ 3; ξ 4 correlatiefactoren bij de afleiding van de draagkracht van een paal uit de resultaten van
grondonderzoek, anders dan paalbelastingsproeven
to third parties.

18
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

ξ 5; ξ 6 correlatiefactoren bij de afleiding van de draagkracht van een paal uit dynamische
heiproeven

ψ factor om de karakteristieke waarde om te zetten in de representatieve waarde

σ stb;d rekenwaarde van de weerstandbiedende verticale totaalspanning

σ 'h;0 horizontale component van de effectieve neutrale gronddruk

σ (z) spanning loodrecht op een muur op diepte z

τ (z) spanning evenwijdig aan een muur op diepte z

ϕ' effectieve hoek van inwendige wrijving

ϕ cv hoek van inwendige wrijving bij de kritieke dichtheid

ϕ cv;d rekenwaarde van ϕ cv

ϕ 'd rekenwaarde van ϕ '

Afkortingen

CFA Avegaarpalen (Continuous flight auger piles)

OCR overconsolidatiegraad

OPMERKING 1 De symbolen die gemeenschappelijk zijn voor alle Eurocodes, zijn gedefinieerd in EN 1990:2002

OPMERKING 2 De schrijfwijze van de symbolen is gebaseerd op ISO 3898:1997.

(2) Voor geotechnische berekeningen worden de volgende eenheden, of veelvouden daarvan, aanbevolen:

— kracht kN

— massa kg

— moment kNm

— volumieke massa kg/m3

— volumiek gewicht kN/m3

— spanning, druk, sterkte en stijfheid kPa

— doorlatendheidscoëfficiënt m/s

— consolidatiecoëfficiënt m2/s
to third parties.

19
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

Hoofdstuk 2 Grondslagen van het geotechnisch ontwerp

2.1 Ontwerpeisen

(1)P Voor iedere geotechnische ontwerpsituatie moet zijn getoetst dat geen enkele er toe doende
grenstoestand, zoals vastgesteld in EN 1990:2002, is overschreden.

(2) Bij het vaststellen van de ontwerpsituaties en grenstoestanden behoren de volgende factoren in
beschouwing te zijn genomen:

— terreingesteldheid met betrekking tot de algehele stabiliteit en grondbewegingen;

— aard en omvang van de constructie en zijn onderdelen, met inbegrip van alle bijzondere eisen zoals de
ontwerplevensduur;

— randvoorwaarden met betrekking tot zijn omgeving (bijvoorbeeld: belendende constructies, verkeer,
nutsleidingen, vegetatie, gevaarlijke chemicaliën);

— ondergrondgesteldheid;

— grondwatergesteldheid;

— regionale aardbevingsgevoeligheid;

— milieu-invloeden (hydrologie, oppervlaktewater, verzakkingen, seizoensvariaties in temperatuur en


vochtigheid).

(3) Grenstoestanden kunnen zowel in de ondergrond als in de constructie als door gezamenlijk bezwijken
van constructie en ondergrond optreden.

(4) Grenstoestanden behoren te zijn getoetst met één of een combinatie van de volgende methoden:

— gebruik van berekeningen volgens 2.4;

— treffen van voorgeschreven maatregelen volgens 2.5;

— experimentele modellen en belastingsproeven volgens 2.6;

— een observatiemethode volgens 2.7.

(5) In de praktijk is vaak uit ervaring bekend welk soort grenstoestand maatgevend is voor het ontwerp. Een
eenvoudige controle volstaat dan om aan te tonen dat andere grenstoestanden niet maatgevend zijn.

(6) Gebouwen behoren in de regel te zijn beschermd tegen indringing van grondwater of binnendringen van
dampen en gassen.

(7) Indien praktisch mogelijk, behoort het ontwerp te zijn getoetst aan vergelijkbare ervaring.

(8)P Om minimumeisen voor de omvang en het soort grondonderzoek, berekeningen en constructieve


controles vast te stellen, moet de complexiteit van ieder geotechnisch ontwerp inclusief de bijbehorende
risico's zijn onderkend. In het bijzonder moet onderscheid zijn gemaakt tussen:

— lichte en eenvoudige bouw- en grondconstructies waarvan uit ervaring en door kwalitatief


grondonderzoek kan worden verzekerd, dat zal zijn voldaan aan minimumeisen met verwaarloosbaar
risico.

— andere geotechnische constructies.


to third parties.

20
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

OPMERKING De wijze waarop aan de minimumeisen kan worden voldaan, kan in de nationale bijlage zijn gegeven.

(9) Voor bouw- en grondconstructies met lage geotechnische complexiteit en risico, zoals hierboven
gedefinieerd, mogen eenvoudige ontwerpmethoden zijn toegepast.

(10) Om geotechnische ontwerpeisen vast te stellen, mogen drie geotechnische categorieën, nrs. 1, 2 en 3,
worden geïntroduceerd.

(11) Een constructie behoort, normaal gesproken, voorlopig te zijn ingedeeld in een geotechnische
categorie, voorafgaand aan de uitvoering van het grondonderzoek. De categorie behoort te zijn getoetst en
zo nodig te zijn aangepast in iedere stap van het ontwerp en de uitvoering.

(12) De procedures horend bij hogere categoriën mogen zijn gebruikt om een economischer ontwerp te
rechtvaardigen, of indien de ontwerper deze meer geschikt acht.

(13) De verschillende ontwerpaspecten van een project kunnen vereisen dat verschillende geotechnische
categorieën zijn toegepast. Het is niet vereist dat het gehele project volgens de hoogste van deze
categorieën wordt behandeld.

(14) In geotechnische categorie 1 behoren slechts kleine en relatief eenvoudige constructies te zijn
begrepen:

— waarvoor kan zijn verzekerd dat op basis van ervaring en kwalitatief geotechnisch onderzoek zal zijn
voldaan aan de fundamentele eisen;

— met verwaarloosbaar risico.

(15) De procedures van geotechnische categorie 1 behoren alleen te zijn gebruikt indien een
verwaarloosbaar risico bestaat met betrekking tot de algehele stabiliteit of gronddeformaties en een
ondergrondgesteldheid waarvan op grond van andere lokale ervaring bekend is dat deze voldoende
ongecompliceerd is. In deze gevallen mogen de procedures bestaan uit routinematige methoden voor
ontwerp en uitvoering van de fundering.

(16) De procedures van geotechnische categorie 1 behoren alleen te zijn gebruikt indien geen ontgraving
beneden de grondwaterspiegel plaatsvindt of indien uit vergelijkbare lokale ervaring bekend is dat de
voorgenomen ontgraving beneden de grondwaterspiegel zonder problemen kan worden uitgevoerd.

(17) In geotechnische categorie 2 behoren te zijn begrepen conventionele typen constructies en funderingen
zonder buitengewone risico's of complexe grond- of belastingsgesteldheid.

(18) Het ontwerp van constructies in geotechnische categorie 2 behoort te zijn gebaseerd op kwantitatieve
geotechnische gegevens en berekeningen om te verzekeren dat aan de fundamentele eisen wordt voldaan.

(19) Voor constructies in geotechnische categorie 2 mogen routinematige procedures voor veld- en
laboratoriumonderzoek en voor ontwerp en uitvoering zijn gebruikt.

OPMERKING Hierna zijn voorbeelden gegeven van conventionele constructies of onderdelen daarvan die
overeenkomen met geotechnische categorie 2:

— funderingen op staal;

— plaatfunderingen;

— paalfunderingen;

— wanden en andere grond- of waterkerende constructies;

— ontgravingen;

— brugpijlers en landhoofden;
to third parties.

21
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

— ophogingen en grondconstructies;

— grondankers en andere verankeringsystemen;

— tunnels in hard, niet-gescheurd gesteente waaraan geen speciale eisen zijn gesteld aan waterdichtheid
of andere eigenschappen.

(20) In geotechnische categorie 3 behoren te zijn begrepen constructies of onderdelen daarvan, die buiten
de grenzen van geotechnische categorieën 1 en 2 vallen.

(21) Voor geotechnische categorie 3 behoren veelal andere voorzieningen en regels te zijn aangewend dan
genoemd in deze norm.

OPMERKING Tot geotechnische categorie 3 behoren bijvoorbeeld:

— zeer grote of ongewone constructies;

— constructies met abnormale risico's of ongebruikelijke of buitengewoon moeilijke grond- of


belastingsgetseldheid;

— constructies in sterk aardbevingsgevoelige gebieden;

— constructies in gebieden met onstabiele ondergrond of met continue bodembewegingen en waarvoor


afzonderlijk onderzoek of speciale maatregelen nodig zijn.

2.2 Ontwerpsituaties

(1)P Zowel de korte termijn als de lange termijn ontwerpsituaties moeten zijn beschouwd.

(2) In het geotechnisch ontwerp, behoren gedetailleerde specificaties van ontwerpsituaties te zijn begrepen,
voor zover van toepassing:

— de belastingen, belastingscombinaties en belastingsgevallen;

— de algemene geschiktheid van de ondergrond waarop de constructie wordt geplaatst met betrekking tot
de algehele stabiliteit en de bodembewegingen;

— de ligging en classificatie van de verschillende grondsoorten en gesteenten en de constructie-elementen,


waarop ieder berekeningsmodel betrekking heeft;

— helling van de grondlagen;

— mijngangen, grotten of andere ondergrondse constructies;

— voor constructies op of nabij gesteente:

— ingesloten harde en zachte lagen;

— geologische breuken, kloven en scheuren;

— mogelijke instabiliteit van blokken gesteente;

— door oplossing ontstane holten, zoals holten in kalksteen of met zacht materiaal opgevulde scheuren,
en voortdurende oplossingsprocessen;

— de omgeving waarop het ontwerp betrekking heeft, waaronder het volgende:

— effecten van uitspoeling, erosie en ontgraving, leidend tot veranderingen in de geometrie van het
maaiveld;

— effecten van chemische corrosie;


to third parties.

22
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

— effecten van verwering;

— effecten van bevriezing;

— effecten van langdurige droogte;

— variaties in grondwaterniveaus, waaronder begrepen bijvoorbeeld de effecten van bemalingen en


drainage, mogelijke overstroming, falen van drainagesystemen, waterwinning;

— de aanwezigheid van gassen, vrijkomend uit de grond;

— andere tijds- en omgevingseffecten op de sterkte en andere materiaaleigenschappen; zoals het effect


van holen en gaten veroorzaakt door dieren;

— aardbevingen;

— bodembewegingen veroorzaakt door zakking ten gevolge van mijnbouw of andere activiteiten;

— de gevoeligheid van de constructie voor vervormingen;

— het effect van de nieuwe constructie op bestaande constructies, nutsleidingen en plaatselijke omgeving.

2.3 Duurzaamheid

(1)P In de fase van het geotechnisch ontwerp moet het belang van de milieurandvoorwaarden in relatie tot
de duurzaamheid zijn vastgesteld en om ervoor te zorgen dat voorzieningen kunnen worden getroffen voor
bescherming van of voor voldoende weerstand van de materialen.

(2) Bij het ontwerp ten aanzien van de duurzaamheid van in de grond gebruikte materialen, behoort het
volgende in beschouwing te zijn genomen:

a) voor beton:

— agressieve stoffen in het grondwater, in de ondergrond of in de aanvulling, zoals zuren of


zwavelhoudende zouten;

b) voor staal:

— chemische aantasting van funderingselementen in grond die voldoende doorlatend is voor


grondwaterstroming en zuurstof;

— corrosie van damwanden blootgesteld aan vrij water, in het bijzonder ter hoogte van het niveau van de
gemiddelde waterspiegel;

— putcorrosie van staal in gescheurd of poreus beton, in het bijzonder bij gewalst staal, waarbij tussen de
walshuid als kathode en het onderliggende staal als anode elektrolytische processen kunnen ontstaan;

c) voor hout:

— zwammen en aërobe bacteriën bij aanwezigheid van zuurstof;

d) voor kunststoffen:

— veroudering door blootstelling aan UV-straling of afbraak door ozon of de combinatie van temperatuur en
spanning, en tweede-orde-effecten ten gevolge van chemische afbraak.

(3) Er behoort te zijn verwezen naar de bepalingen met betrekking tot de duurzaamheid in
materiaalgebonden ontwerpnormen.
to third parties.

23
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

2.4 Geotechnisch ontwerp door berekeningen

2.4.1 Algemeen

(1)P Een ontwerp door berekeningen moet in overeenstemming zijn met de fundamentele eisen gesteld in
EN 1990:2002 en aan de specifieke regels van deze norm. Bij een ontwerp door berekeningen behoren:

— belastingen in algemene zin; dit kunnen zowel opgelegde belastingen zijn als opgelegde verplaatsingen,
bijvoorbeeld door bodembewegingen;

— eigenschappen van grond, gesteente en andere materialen;

— geometrische gegevens;

— grenswaarden voor vervormingen, scheurwijdte, trillingen enz.;

— berekeningsmethoden.

(2) Bedacht behoort te zijn dat de kennis van de grondeigenschappen afhangt van de omvang en de kwaliteit
van het geotechnisch onderzoek. Zulke kennis en het toezicht op de vakbekwaamheid spelen in het
algemeen een grotere rol bij het voldoen aan de fundamentele eisen dan de nauwkeurigheid van de
berekeningsmodellen en de partiële factoren.

(3)P Het berekeningsmodel moet een beschrijving geven van het veronderstelde grondgedrag voor de
grenstoestand die wordt beschouwd.

(4)P Indien voor een bepaalde grenstoestand geen betrouwbaar berekeningsmodel beschikbaar is, moet
een berekening voor een andere grenstoestand zijn uitgevoerd, met gebruik van factoren die verzekeren dat
de bepaalde grenstoestand met voldoende zekerheid niet wordt overschreden. Als alternatief, moet het
ontwerp zijn gebaseerd op het treffen van voorgeschreven maatregelen, op experimentele modellen en
belastingsproeven, of op de observatiemethode.

(5) Als berekeningsmodel komen in aanmerking:

— een analytisch model;

— een semi-empirisch model;

— een numeriek model.

(6)P Ieder berekeningsmodel moet of voldoende nauwkeurig zijn of een benadering aan de veilige kant
geven.

(7) Een berekeningsmodel mag vereenvoudigingen bevatten.

(8) Indien nodig, mag een correctie op de berekeningsresultaten zijn aangebracht om te bewerkstelligen dat
de ontwerpberekening of voldoende nauwkeurig is of een benadering aan de veilige kant is.

(9) Indien bij de correctie op de berekeningsresultaten gebruik wordt gemaakt van een modelfactor, behoort
hierin het volgende in aanmerking te zijn genomen:

— de onzekerheidsmarge op de resultaten van de berekeningsmethode;

— alle bekende systematische fouten die betrekking hebben op de berekeningsmethode.

(10)P Indien in de berekening een empirische relatie is gebruikt, moet onmiskenbaar zijn vastgesteld dat
deze relatie van toepassing is op de heersende grondgesteldheid.
to third parties.

24
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

(11) De grenstoestanden waarbij in de grond een mechanisme ontstaat, behoren eenvoudigweg te zijn
getoetst met een berekeningsmodel. Bij grenstoestanden die door verplaatsingen worden bepaald, behoren
de verplaatsingen te zijn geëvalueerd met berekeningen volgens 2.4.8, of op een andere wijze.

OPMERKING Veel berekeningsmodellen zijn gebaseerd op de aanname dat grond en constructie voldoende
vervormbaar zijn en voldoende plastische vervorming kunnen ondergaan. Onvoldoende vervormbaarheid zal echter
resulteren in een grenstoestand die wordt gekenmerkt door plotseling bezwijken.

(12) Numerieke methoden kunnen geschikt zijn indien de verenigbaarheid van de rekken of de interactie
tussen de constructie en de grond in een grenstoestand zijn beschouwd.

(13) De verenigbaarheid van de rekken in een grenstoestand behoort te zijn beschouwd. In gevallen waarbij
bezwijken van de constructie en de grond gezamenlijk zou kunnen optreden, kunnen gedetailleerde
berekeningen nodig zijn, waarin rekening wordt gehouden met de onderlinge stijfheden van constructie en
grond. Voorbeelden hiervan zijn plaatfunderingen, horizontaal belaste palen en flexibele grondkerende
wanden. Materialen met bros gedrag of met 'strain-softening'-eigenschappen verdienen speciale aandacht
wat betreft de verenigbaarheid van rekken.

(14) Bij sommige problemen, zoals ontgravingen binnen een verankerde of gestempelde flexibele wand, zijn
de grootte en de verdeling van de gronddrukken, de snedekrachten in de constructie en het buigende
moment in grote mate afhankelijk van de stijfheid van de constructie, de stijfheid en de sterkte van de grond
en de spanningstoestand in de grond.

(15) Bij deze gevallen van interactie tussen grond en constructie behoren de in de berekeningen gebruikte
spanning-rekrelaties voor grond en constructiematerialen alsook de spanningstoestand in de grond, in
voldoende mate representatief te zijn voor de beschouwde grenstoestand, om een veilig resultaat op te
leveren.

2.4.2 Belastingen

(1)P De bepaling van belastingen moet zijn overgenomen uit EN 1990:2002. De waarde van de belastingen
moet zijn overgenomen uit EN 1991, indien van toepassing.

(2)P De waarden van de te gebruiken geotechnische belastingen moeten zo zijn gekozen, dat ze als
startwaarden in een berekening kunnen worden gebruikt; ze kunnen tijdens die berekening veranderen.

OPMERKING De waarde van geotechnische belastingen kan tijdens het verloop van de berekening veranderen. In
dergelijke gevallen zal een voorlopige geschatte waarde worden ingevoerd als eerste benadering om de berekening te
kunnen beginnen.

(3)P Alle vormen van interactie tussen constructie en grond moeten in aanmerking zijn genomen bij de
bepaling van de belastingen die in het ontwerp zijn gebruikt.

(4) Bij de geotechnische ontwerpberekeningen behoort het volgende onder belastingen te zijn begrepen:

— het gewicht van grond, gesteente en water;

— spanningen in de ondergrond;

— gronddrukken en grondwaterdrukken;

— waterdrukken afkomstig van vrij water, inclusief druk van golven;

— grondwaterdrukken;

— krachten door stromingsdrukken;

— eigengewicht en opgelegde belastingen van constructies;


to third parties.

25
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

— bovenbelastingen;

— afmeerkrachten;

— verwijderen van belasting of ontgraven van grond;

— verkeersbelastingen;

— bewegingen ten gevolge van mijnbouw of andere werkzaamheden waarbij holten worden gevormd of
voor de aanleg van tunnels;

— zwel en krimp ten gevolge van begroeiing, veranderingen in klimaat of vochtgehalte;

— bewegingen ten gevolge van kruip, glijden of zetten van grondmassieven;

— bewegingen ten gevolge van afbraak, verspreiding, uiteenvallen, autoverdichting en chemische oplossing;

— bewegingen en versnellingen veroorzaakt door aardbevingen, ontploffingen, trillingen en dynamische


belastingen;

— temperatuurbelastingen, inbegrepen belasting door vorst;

— ijsbelasting;

— opgelegde voorspanning in grondankers of stempels;

— negatieve kleef.

(5)P Aandacht moet zijn geschonken aan de mogelijkheid dat veranderlijke belastingen zowel tegelijkertijd
als afzonderlijk kunnen optreden.

(6)P De duur van belastingen moet zijn beschouwd in relatie tot tijdseffecten in de materiaaleigenschappen
van de grond, in het bijzonder in de drainage-eigenschappen en de samendrukking van fijnkorrelige grond.

(7)P Aan belastingen die herhaaldelijk aangrijpen en belastingen met wisselende intensiteit, moet speciale
aandacht zijn besteed met betrekking tot bijvoorbeeld doorgaande verplaatsingen, het ontstaan van
drijfzandcondities, ('liquefaction') en veranderingen in de stijfheid en de sterkte van de grond.

(8)P Aan belastingen die een dynamische respons veroorzaken in de constructie en in de grond, moet
bijzondere aandacht zijn besteed.

(9)P Bij belastingen waarin grond- en vrije waterdrukken overheersen, moet bijzondere aandacht zijn
besteed aan vervormingen, scheurvorming, veranderlijke doorlatendheid en erosie.

OPMERKING Ongunstige (of aandrijvende) en gunstige (of weerstandbiedende) blijvende belastingen mogen in
sommige gevallen beschouwd zijn als afkomstig van dezelfde oorsprong. In dat geval, mag één enkele partiële factor zijn
toegepast op de som van deze belastingen of op de som van hun effecten.

2.4.3 Grondeigenschappen

(1)P Eigenschappen van grond en gesteente, die voor ontwerpberekeningen zijn bepaald door
geotechnische parameters, moeten zijn verkregen uit proefresultaten, of rechtstreeks of via correlaties,
theoretische beschouwingen of ervaring en uit andere relevante gegevens.

(2)P Waarden, verkregen uit proefresultaten, en andere gegevens moeten op de juiste wijze zijn
geïnterpreteerd voor de beschouwde grenstoestand.
to third parties.

26
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

(3)P Rekening moet zijn gehouden met mogelijke verschillen tussen de uit proefresultaten verkregen
grondeigenschappen en geotechnische parameters enerzijds en anderzijds die eigenschappen en
parameters, die het gedrag van de geotechnische constructie bepalen.

(4) De verschillen waarnaar 2.4.3 (3)P verwijst, kunnen het gevolg zijn van:

— veel geotechnische parameters zijn geen echte constanten maar zijn afhankelijk van het spanningsniveau
en de vervormingswijze;

— de structuur van grond en gesteente (zoals scheuren, gelaagdheid of grote korrels) kan in de proef een
andere invloed hebben dan in de geotechnische constructie;

— tijdseffecten;

— het verwekingseffect van doorsijpelend water op de sterkte van grond en gesteente;

— het verwekingseffect van dynamische belastingen;

— de brosheid of taaiheid van de onderzochte grond en gesteente;

— de uitvoeringswijze van de geotechnische constructie;

— de invloed van de afwerking bij het kunstmatig aanbrengen of verbeteren van de grond;

— het effect van bouwactiviteiten op de eigenschappen van de grond.

(5) Bij het vaststellen van de waarden voor de geotechnische paramaters behoort het volgende te zijn
beschouwd:

— gepubliceerde en algemeen erkende informatie toepasselijk voor het gebruik van ieder type proef voor de
daarvoor geschikte grondcondities

— de waarde van iedere geotechnische parameter in vergelijking met relevante gepubliceerde gegevens en
plaatselijke en algemene ervaring;

— de variatie van de voor het ontwerp van belang zijnde geotechnische parameters;

— de resultaten van eventuele grootschalige veldproeven en metingen van naburige constructies;

— eventuele correlaties tussen de resultaten van verschillende proeftypen;

— eventuele significante achteruitgang van grondeigenschappen gedurende de gebruiksduur van de


constructie.

(6)P Waar nodig moeten calibratiefactoren zijn toegepast om de resultaten van laboratorium- of veldproeven
volgens EN 1997-2 om te zetten in waarden die het gedrag van de grond en het gesteente in-situ
beschrijven, voor de desbetreffende grenstoestand, of om rekening te houden met de correlaties die zijn
gebruikt bij het afleiden van de waarden uit de proefresultaten.

2.4.4 Geometrische gegevens

(1)P Het niveau en de helling van het maaiveld, waterniveaus, niveaus van laagscheidingen,
ontgravingsniveaus en de afmetingen van de geotechnische constructie moeten zijn beschouwd als
geometrische gegevens.
to third parties.

27
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

2.4.5 Karakteristieke waarden

2.4.5.1 Karakteristieke en representatieve waarden van belastingen

(1)P Karakteristieke en representatieve waarden van belastingen moeten zijn afgeleid volgens
EN 1990:2002 en de verschillende delen van EN 1991.

2.4.5.2 Karakteristieke waarden van geotechnische parameters

(1)P De keuze van karakteristieke waarden van geotechnische parameters moet zijn gebaseerd op de
resultaten en waarden, afgeleid uit laboratorium- en veldproeven, aangevuld met algemeen aanvaarde
ervaringsgegevens.

(2)P De karakteristieke waarde van een geotechnische parameter moet zijn gekozen als een voorzichtige
schatting van de waarde die het optreden van de grenstoestand beïnvloedt.

(3)P De grotere variatie van c' ten opzichte van die van tan ϕ ' moet in beschouwing zijn genomen bij de
bepaling van de karakteristieke waarden van beide parameters.

(4)P Bij de keuze van karakteristieke waarden voor geotechnische parameters moet met het volgende
rekening zijn gehouden:

— geologische en andere achtergrondinformatie, zoals gegevens van voorgaande projecten;

— de variatie van de gemeten waarden van de eigenschap en andere van toepassing zijnde informatie,
bijvoorbeeld afkomstig van bestaande kennis;

— de omvang van het veld- en laboratoriumonderzoek;

— het type en het aantal monsters;

— de omvang van het grondvolume dat bepalend is voor het gedrag van de geotechnische constructie in de
beschouwde grenstoestand;

— het vermogen van de geotechnische constructie om belastingen van slappe naar sterke gebieden in de
ondergrond over te dragen.

(5) Karakteristieke waarden kunnen ondergrenswaarden zijn, die lager zijn dan de meest waarschijnlijke
waarden, of bovengrenswaarden, die hoger zijn.

(6)P In iedere berekening moet de meest ongunstige combinatie van onder- en bovengrenswaarden van
onafhankelijke parameters zijn gebruikt.

(7) Het grondvolume dat bepalend is voor het gedrag van een geotechnische constructie in een
grenstoestand is meestal veel groter dan een proefmonster of het invloedsgebied van een veldproef.
Daarom is de waarde van de desbetreffende parameter vaak het gemiddelde van een reeks waarden die
betrekking hebben op een groot oppervlak of volume grond. De karakteristieke waarde behoort een
voorzichtige schatting van deze gemiddelde waarde te zijn.

(8) Indien het gedrag van de geotechnische constructie in de beschouwde grenstoestand wordt bepaald door
de laagste of de hoogste waarde van een grondeigenschap, behoort de karakteristieke waarde een
voorzichtige schatting te zijn van de laagste of de hoogste waarde die voorkomt in het grondvolume dat het
gedrag bepaalt.

(9) Bij de bepaling van het grondvolume dat bepalend is voor het gedrag van een geotechnische constructie
in een grenstoestand, behoort in aanmerking te zijn genomen dat deze grenstoestand kan afhangen van het
gedrag van de ondersteunde constructie. Bij de beschouwing van bijvoorbeeld de uiterste draagkracht van
een gebouw op verschillende funderingselementen behoort de desbetreffende parameter de gemiddelde
sterkte te zijn van ieder afzonderlijk grondvolume onder een funderingselement, indien het gebouw niet in
to third parties.

28
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

staat is een plaatselijk bezwijken te weerstaan. Indien daarentegen het gebouw sterk en stijf genoeg is,
behoort de desbetreffende parameter het gemiddelde van deze gemiddelde waarden te zijn over het gehele
grondvolume onder het gebouw of een deel ervan.

(10) Indien statistische methoden worden gebruikt bij de bepaling van karakteristieke waarden van
grondeigenschappen, behoren deze methoden onderscheid te maken tussen monsters ter plaatse van de
bouwlocatie en monsters uit de omgeving, en behoren het gebruik daarbij van voorkennis over vergelijkbare
grondeigenschappen toe te laten.

(11) Indien statistische methoden worden gebruikt, behoren de karakteristieke waarden zo te worden
afgeleid dat de berekende waarschijnlijkheid van een slechtere waarde voor de beschouwde grenstoestand
niet meer dan 5 % bedraagt.

OPMERKING In dit verband is een voorzichtige schatting van de gemiddelde waarde, een zodanige keuze van de
gemiddelde waarde van een beperkte hoeveelheid geotechnische parameterwaarden, dat met 95 % betrouwbaarheid de
werkelijke gemiddelde waarde niet ongunstiger zal zijn. Waar plaatselijk bezwijken kan optreden, is een voorzichtige
schatting van de lage waarde, de waarde die hoort bij een 5 % onderschrijdingskans (5 %-fractiel).

(12)P Indien gebruik wordt gemaakt van standaardtabellen met karakteristieke waarden voor
grondparameters, moet de karakteristieke waarde als een zeer voorzichtige waarde worden gekozen.

2.4.5.3 Karakteristieke waarden van geometrische gegevens

(1)P Karakteristieke waarden van niveaus van ondergrond, grondwater en vrij water moeten gemeten
waarden, nominale waarden of geschatte boven- of ondergrenswaarden zijn.

(2) Karakteristieke waarden van ondergrondniveaus en afmetingen van geotechnische constructies of


onderdelen daarvan behoren gewoonlijk nominale waarden te zijn.

2.4.6 Rekenwaarden

2.4.6.1 Rekenwaarden van belastingen

(1)P De rekenwaarde van een belasting moet zijn bepaald volgens EN 1990:2002.

(2)P De rekenwaarde van een belasting (F d) moet of rechtstreeks zijn bepaald of met de volgende
vergelijking zijn afgeleid uit representatieve waarden:

F d = γ F ⋅ F rep (2.1a)

met

F rep = ψ ⋅ F k (2.1b)

(3)P Passende waarden van ψ moeten zijn ontleend aan EN 1990:2002.

(4)P In vergelijking (2.1a) moet de partiële factor γ F voor blijvende en tijdelijke situaties uit bijlage A zijn
gebruikt.

OPMERKING 1 De waarden van de partiële factoren kunnen zijn vastgelegd in de nationale bijlage.

OPMERKING 2 De aanbevolen waarden in bijlage A hebben betrekking op het passende veiligheidsniveau voor
gebruikelijke ontwerpen.

(5) Indien de rekenwaarden van geotechnische belastingen rechtstreeks zijn bepaald, behoren de waarden
van de partiële factoren, zoals aanbevolen in bijlage A te zijn gebruikt als leidraad voor het vereiste
veiligheidsniveau.
to third parties.

29
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

(6)P Wanneer grondwaterdrukken een rol spelen in grenstoestanden met ernstige gevolgen (gewoonlijk zijn
dit uiterste grenstoestanden), moeten de rekenwaarden de meest ongunstige waarden zijn die gedurende de
referentieperiode van de constructie kunnen optreden. Voor grenstoestanden met minder ernstige gevolgen
(gewoonlijk zijn dit bruikbaarheidsgrenstoestanden), moeten de rekenwaarden de meest ongunstige
waarden zijn die onder normale omstandigheden kunnen voorkomen.

(7) In sommige gevallen mogen extreme waterdrukken, overeenkomstig 1.5.3.5 van EN 1990:2002, zijn
opgevat als buitengewone belastingen.

(8) Rekenwaarden van grondwaterdrukken mogen of zijn afgeleid door partiële factoren toe te passen op
karakteristieke waterdrukken of door een veiligheidstoeslag op de karakteristieke waterstand te zetten
overeenkomstig 2.4.4 (1)P en 2.4.5.3 (1)P.

(9) De volgende aspecten, die van invloed kunnen zijn op de waterdrukken, behoren te zijn beschouwd:

— het niveau van het vrije wateroppervlak of de grondwaterstand;

— de gunstige of ongunstige invloed van drainage zowel natuurlijke als kunstmatige, rekening houdend met
toekomstig onderhoud;

— de toestroom van water door neerslag, overstroming, gesprongen waterleidingen of door andere
oorzaken;

— veranderingen van waterdrukken door de groei of de verwijdering van vegetatie.

(10) Aandacht behoort te zijn geschonken aan ongunstige waterniveaus, die het gevolg kunnen zijn van
veranderingen in de wateropvang en verminderde drainage vanwege verstopping, bevriezing of andere
oorzaken.

(11) Tenzij kan worden aangetoond dat het drainagesysteem naar behoren functioneert en wordt
onderhouden, behoort de rekenwaarde van de grondwaterstand te zijn gelijkgesteld aan het hoogst
mogelijke niveau, dat gelijk kan zijn aan het maaiveld.

2.4.6.2 Rekenwaarden van geotechnische parameters

(1)P Rekenwaarden van geotechnische parameters (X d) moeten of met de volgende vergelijking uit
representatieve waarden zijn bepaald:

Xd = Xk / γM (2.2)

of moeten rechtstreeks zijn bepaald.

(2)P In vergelijking (2.2) moet de partiële factor γ M voor blijvende of tijdelijke situaties uit bijlage A zijn
gebruikt.

OPMERKING 1 De waarden van de partiële factoren kunnen zijn vastgelegd in de nationale bijlage.

OPMERKING 2 De aanbevolen waarden in bijlage A hebben betrekking op het minimumveiligheids-niveau voor


gebruikelijke ontwerpen.

(3) Indien de rekenwaarden van geotechnische parameters rechtstreeks zijn bepaald, behoren de waarden
van de partiële factoren, zoals aanbevolen in bijlage A, te zijn gebruikt als leidraad voor het vereiste
veiligheidsniveau.

2.4.6.3 Rekenwaarden van geometrische gegevens

(1) In de partiële factoren voor belastingen en materiaaleigenschappen (γ F en γ M) is rekening gehouden met


kleine variaties van de geometrische gegevens en, in dergelijke gevallen, behoort geen verdere
veiligheidsmarge in de geometrische gegevens te zijn opgelegd.
to third parties.

30
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

(2)P In gevallen waarbij afwijkingen in de geometrische gegevens een substantiële invloed hebben op de
betrouwbaarheid van een constructie, moeten rekenwaarden van geometrische parameters of rechtstreeks
zijn bepaald of met onderstaande vergelijking uit nominale waarden zijn afgeleid (zie 6.3.4 van
EN 1990:2002):

a d = a nom ± Δa (2.3)

waarbij waarden voor Δa zijn gegeven in 6.5.4 (2) en 9.3.2.2.

2.4.6.4 Rekenwaarden van constructieve eigenschappen

(1)P De rekenwaarden van sterkte-eigenschappen van constructiematerialen en de rekenwaarden van de


sterkte van constructieve elementen moeten zijn berekend volgens EN 1992 t.m. EN 1996 en EN 1999.

2.4.7 Uiterste grenstoestanden

2.4.7.1 Algemeen

(1)P Voor zover van toepassing, moet zijn aangetoond dat de volgende grenstoestanden niet zijn
overschreden:

— verlies van evenwicht van de constructie of de ondergrond, opgevat als een stijf geheel, waarin de sterkte
van de constructieve materialen en de ondergrond geen noemenswaardige bijdrage levert aan de
weerstand (EQU);

— intern bezwijken of zeer grote vervorming van de constructie of van onderdelen ervan, met inbegrip van
bijvoorbeeld funderingen op staal, palen of kelderwanden, waarbij de sterkte van de constructiematerialen
een beduidende bijdrage levert aan de weerstand (STR);

— bezwijken of zeer grote vervorming van de ondergrond, waarbij de sterkte van de grond of het gesteente
een beduidende bijdrage levert aan de weerstand (GEO);

— verlies van evenwicht van de constructie of de ondergrond ten gevolge van opdrijven door waterdruk
(opwaartse druk) of andere verticale belastingen (UPL);

— hydraulische grondbreuk, interne erosie en erosie door geconcentreerde grondwaterstroming ('piping') in


de ondergrond ten gevolge van hydraulische gradiënten (HYD).

OPMERKING Grenstoestand GEO is vaak bepalend voor de afmetingen van de constructieve elementen van
funderingen of kerende constructies en soms voor de sterkte van de constructieve elementen.

(2)P De partiële factoren voor blijvende of tijdelijke situaties volgens bijlage A moeten zijn gebruikt.

OPMERKING De waarden van de partiële factoren kunnen zijn vastgelegd in de nationale bijlage. De tabellen in
bijlage A geven de aanbevolen waarden.

(3) In buitengewone situaties behoren alle waarden van de partiële factoren voor belastingen of
belastingseffecten normaal gesproken te zijn gelijkgesteld aan 1,0. Alle waarden van de partiële factoren
voor weerstanden behoren dan in overeenstemming met de specifieke omstandigheden van de
buitengewone situatie te zijn gekozen.

OPMERKING De waarden van de partiële factoren kunnen zijn vastgelegd in de nationale bijlage.

(4) Strengere waarden dan die genoemd in bijlage A behoren te zijn gebruikt in gevallen met uitzonderlijk
risico of ongewone of uitzonderlijk moeilijke grondgesteldheden of belastingsomstandigheden.

(5) Minder strenge waarden dan die genoemd in bijlage A mogen zijn gebruikt voor tijdelijke constructies of
tijdelijke ontwerpsituaties, waar dit gezien de verwachte gevolgen geoorloofd is.
to third parties.

31
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

(6) Bij de berekening van de rekenwaarde van de weerstand, (R d), of de rekenwaarde van het
belastingseffect, (E d), mogen modelfactoren, respectievelijk (γ R;d) of (γ S;d), zijn gebruikt om te verzekeren dat
de resultaten van de ontwerpberekeningen correct dan wel aan de veilige kant zijn.

2.4.7.2 Toetsing van het statisch evenwicht

(1)P Bij de beschouwing van een grenstoestand van het statisch evenwicht of van de totale verplaatsing van
de constructie of de ondergrond (EQU), moet zijn getoetst dat:

E dst;d ≤ E stb;d + T d (2.4)

met

E dst;d = E {γ F F rep ; X k / γ M ; a d} dst (2.4a)

en

E stb;d = E {γ F F rep ; X k / γ M ; a d} stb (2.4b)

(2)P In vergelijking (2.4) moeten de partiële factoren voor blijvende en tijdelijke situaties uit A.2 (1)P en A.2
(2)P zijn gebruikt.

OPMERKING 1 Het statisch evenwicht EQU is vooral relevant bij het constructief ontwerp. Bij het geotechnisch
ontwerp zal de toetsing van EQU beperkt blijven tot zeldzame gevallen, zoals een stijve fundering op gesteente, en
betreft de toetsing van EQU niet de gevallen waarin de algehele stabiliteit of het fenomeen opdrijven een rol speelt.
Indien hierin de wrijvingsweerstand Td is begrepen, behoort deze van ondergeschikt belang te zijn.

OPMERKING 2 De waarden van de partiële factoren kunnen zijn vastgelegd in de nationale bijlage. De tabellen A.1 en
A.2 geven de aanbevolen waarden.

2.4.7.3 Toetsing van de weerstand bij constructieve en geotechnische grenstoestanden in blijvende


en tijdelijke situaties

2.4.7.3.1 Algemeen

(1)P Bij de beschouwing van een grenstoestand door bezwijken of zeer grote vervorming van een
constructief element of van de ondergrond (STR en GEO) moet zijn getoetst dat:

Ed ≤ Rd (2.5)

2.4.7.3.2 Rekenwaarden van de belastingen (of de belastingseffecten)

(1) Partiële belastingsfactoren mogen of op de belasting zelf (F rep) zijn toegepast of op het
belastingseffect (E):

E d = E {γ F F rep ; X k / γ M ; a d} (2.6a)

of

E d = γ E E {F rep ; X k / γ M ; a d} (2.6b)

(2) In sommige ontwerpsituaties kan het in rekening brengen van de partiële factoren voor belastingen
afkomstig van de grond of via de grond aangrijpend (zoals grond- of waterdrukken) leiden tot rekenwaarden,
die onredelijk of zelfs fysisch onmogelijk zijn. In deze situaties mogen de factoren rechtstreeks op het effect
van de belastingen, afgeleid uit representatieve waarden van de belastingen, zijn aangebracht.

(3)P In vergelijkingen (2.6a) en (2.6b) moeten de partiële factoren uit A.3.1 (1)P en A.3.2 (1)P zijn gebruikt.

OPMERKING De waarden van de partiële factoren kunnen zijn vastgelegd in de nationale bijlage. De tabellen A.3 en
A.4 geven de aanbevolen waarden.
to third parties.

32
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

2.4.7.3.3 Rekenwaarden van de weerstand

(1) Partiële factoren mogen of zijn aangebracht op grondeigenschappen (X) of op weerstanden (R) of op
beide, volgens:

R d = R {γ F F rep ; X k / γ M ; a d} (2.7a)

of

R d = R {γ F F rep ; X k ; a d} / γ R (2.7b)

of

R d = R {γ F F rep ; X k / γ M ; a d} / γ R (2.7c)

OPMERKING In ontwerpprocedures waarin de factoren worden aangebracht op de belastingseffecten geldt voor de


partiële belastingsfactor γ F = 1,0 (zie ook B.3 (6)).

(2)P In de vergelijkingen (2.7a, b en c) moeten de partiële factoren uit A.3.3.1 (1)P, A.3.3.2 (1)P, A.3.3.4
(1)P, A.3.3.5 (1)P en A.3.3.6 (1)P zijn gebruikt.

OPMERKING De waarden van de partiële factoren kunnen zijn vastgelegd in de nationale bijlage. De tabellen A.5,
A.6, A.7, A.8, A.12, A.13 en A.14 geven de aanbevolen waarden.

2.4.7.3.4 Ontwerpbenaderingen

2.4.7.3.4.1 Algemeen

(1)P De manier, waarop de vergelijkingen (2.6) en (2.7) worden toegepast, moet zijn vastgesteld, gebruik
makend van een van de drie ontwerpbenaderingen.

OPMERKING 1 De manier waarop vergelijkingen (2.6) en (2.7) en de desbetreffende ontwerpbenadering moeten


worden gebruikt, kunnen in de nationale bijlage zijn gegeven.

OPMERKING 2 Een nadere toelichting op de ontwerpbenaderingen is gegeven in bijlage B.

OPMERKING 3 De in bijlage A genoemde partiële factoren voor de vergelijkingen (2.6) en (2.7) zijn gegroepeerd en
aangeduid met A (voor belastingen of belastingseffecten), M (voor grondparameters) en R (voor weerstanden). Ze
worden geselecteerd in overeenstemming met de gebruikte ontwerpbenadering.

2.4.7.3.4.2 Ontwerpbenadering 1

(1)P Behalve bij het ontwerp van axiaal belaste palen en ankers, moet zijn getoetst dat een
bezwijkgrenstoestand of een zeer grote vervorming niet zal optreden met een van de volgende twee
combinaties van verzamelingen van partiële factoren:

Combinatie 1: A1 “+” M1 “+” R1

Combinatie 2: A2 “+” M2 “+” R1

waarbij “+” betekent: “in combinatie met”.

OPMERKING In combinaties 1 en 2 worden partiële factoren toegepast op belastingen en op sterkteparameters van


de grond.

(2)P Bij het ontwerp van axiaal belaste palen en ankers moet zijn getoetst dat noch een
bezwijkgrenstoestand noch een zeer grote vervorming zal optreden met de volgende twee combinaties van
verzamelingen van partiële factoren:

Combinatie 1: A1 “+” M1 “+” R1


to third parties.

33
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

Combinatie 2: A2 “+” (M1 of M2) “+” R4

OPMERKING 1 In combinatie 1 worden partiële factoren aangebracht op belastingen en op sterkteparameters van de


grond. In combinatie 2 worden partiële factoren aangebracht op belastingen, op grondweerstanden en soms op
sterkteparameters van de grond.

OPMERKING 2 In combinatie 2 wordt verzameling M1 gebruikt in de berekening van de weerstand van palen of ankers
en verzameling M2 voor de berekening van ongunstige belastingen op palen door bijvoorbeeld negatieve kleef of
horizontale belasting.

(3) Indien onmiskenbaar vaststaat dat een van de twee combinaties maatgevend is voor het ontwerp,
hoeven geen berekeningen voor de andere combinatie te zijn gemaakt. Verschillende combinaties kunnen
echter kritisch zijn voor verschillende aspecten van hetzelfde ontwerp.

2.4.7.3.4.3 Ontwerpbenadering 2

(1)P Getoetst moet zijn dat een grenstoestand door bezwijken of zeer grote vervorming niet zal optreden met
de volgende combinatie van verzamelingen van partiële factoren:

Combinatie: A1 “+” M1 “+” R2

OPMERKING 1 In deze benadering worden partiële factoren aangebracht op belastingseffecten en op


sterkteparameters van de grond.

OPMERKING 2 Indien deze benadering wordt gebruikt voor berekeningen van de taludstabiliteit of de algehele
stabiliteit, wordt het resulterende belastingseffect op het glijvlak vermenigvuldigd met γ E en de schuifweerstand langs het
glijvlak gedeeld door γ R;e.

2.4.7.3.4.4 Ontwerpbenadering 3

(1)P Getoetst moet zijn dat een grenstoestand door bezwijken of zeer grote vervorming niet zal optreden met
de volgende combinatie van verzamelingen van partiële factoren:

Combinatie: (A1 * of A2 †) “+” M2 “+” R3

* op constructieve belastingen

op geotechnische belastingen

OPMERKING 1 In deze benadering worden partiële factoren aangebracht op belastingen of belastingseffecten van de
constructie en op sterkteparameters van de grond.

OPMERKING 2 Bij berekeningen van de taludstabiliteit of de algehele stabiliteit worden belastingen op de ondergrond
(zoals constructieve belastingen, verkeersbelasting) opgevat als geotechnische belastingen door voor de
belastingsfactoren verzameling A2 te gebruiken.

2.4.7.4 Toetsingsprocedure en partiële factoren voor opdrijven

(1)P Toetsing van het opdrijfmechanisme (UPL) moet bestaan uit de controle dat de rekenwaarde van de
combinatie van aandrijvende blijvende en veranderlijke verticale belastingen (V dst;d) kleiner is dan of gelijk is
aan de rekenwaarde van de weerstandbiedende blijvende verticale belastingen (G stb;d) en of de
rekenwaarde van enige bijkomende weerstandbiedende belasting tegen opdrijven (R d):

V dst;d ≤ G stb;d + R d (2.8)

waarin

V dst;d = G dst;d + Q dst;d

(2) Een bijkomende weerstandbiedende belasting tegen opdrijven mag ook zijn opgevat als
weerstandbiedende blijvende verticale belasting (G stb;d).
to third parties.

34
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

(3)P In vergelijking (2.8) moeten de partiële factoren voor G dst;d, Q dst;d, G stb;d en R d voor blijvende en
tijdelijke situaties uit A.4 (1)P en A.4 (2)P zijn gebruikt.

OPMERKING De waarden van de partiële factoren kunnen zijn vastgelegd in de nationale bijlage. De tabellen A.15
en A.16 geven de aanbevolen waarden.

2.4.7.5 Toetsing van de weerstand tegen hydraulische grondbreuk door kwel van grondwater

(1)P Bij de beschouwing van een bezwijkgrenstoestand door hydraulische grondbreuk ten gevolge van kwel
van grondwater (HYD, zie 10.3), moet voor iedere relevante grondkolom zijn getoetst dat de rekenwaarde
van de aandrijvende totale grondwaterdruk (u dst;d) aan de onderzijde van de kolom, of de rekenwaarde van
de kwelstroomkracht (S dst;d) in de kolom kleiner is dan of gelijk aan de weerstandbiedende verticale
grondspanning (σ stb;d) aan de onderzijde van de kolom, of het effectieve gewicht (G 'stb;d) van diezelfde
kolom:

u dst;d ≤ σ stb;d (2.9a)

S dst;d ≤ G 'stb;d (2.9b)

(2)P In vergelijkingen (2.9a en b) moeten de partiële factoren voor u dst;d, σ stb;d, Sdst;d en G´stb;d voor blijvende
en tijdelijke situaties uit A.5 (1)P zijn gebruikt.

OPMERKING De waarden van de partiële factoren kunnen zijn vastgelegd in de nationale bijlage. Tabel A.17 geeft
de aanbevolen waarden.

2.4.8 Bruikbaarheidsgrenstoestanden

(1)P Bij toetsing van bruikbaarheidsgrenstoestanden in de ondergrond of in een constructief onderdeel,


element of verbinding moet of zijn vereist dat:

Ed ≤ Cd (2.10)

of de methode in 2.4.8 (4) zijn gevolgd.

(2) De waarden van de partiële factoren voor de bruikbaarheidsgrenstoestand behoren normaal gesproken
te zijn gelijkgesteld aan 1,0.

OPMERKING De waarden van de partiële factoren kunnen zijn vastgelegd in de nationale bijlage.

(3) Karakteristieke waarden behoren op de juiste wijze te zijn aangepast indien gedurende de
ontwerplevensduur veranderingen in de grondeigenschappen kunnen optreden door bijvoorbeeld verlaging
van de grondwaterstand of uitdroging.

(4) Aangetoond mag zijn dat de vervormingen binnen de vereiste bruikbaarheidgrenzen blijven doordat
slechts een voldoende klein deel van de grondsterkte wordt gemobiliseerd, mits deze vereenvoudigde
benadering alleen is toegepast in ontwerpsituaties waarbij:

— geen bepaalde waarde van de vervorming vereist is om de bruikbaarheidsgrenstoestand te controleren;

— aantoonbare en vergelijkbare ervaring bestaat met soortgelijke ondergrond, constructies en


gebruiksmethode.

(5)P Een grenswaarde voor een bepaalde vervorming is die waarde waarbij een
bruikbaarheidsgrenstoestand in de bovenbouw wordt geacht op te treden, zoals ontoelaatbare
scheurvorming of het klemmen van deuren. Deze grenswaarde moet zijn overeengekomen tijdens het
ontwerpen van de bovenbouw.
to third parties.

35
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

2.4.9 Grenswaarden voor verplaatsingen van funderingen

(1)P In het funderingsontwerp moeten grenswaarden voor de verplaatsingen van funderingen zijn
vastgelegd.

OPMERKING Toegelaten verplaatsingen van funderingen kunnen zijn vastgelegd in de nationale bijlage.

(2)P Ongelijkmatige verplaatsingen van funderingen, die vervormingen in de ondersteunde constructie tot
gevolg hebben, moeten zo zijn beperkt dat ze niet leiden tot een grenstoestand in de ondersteunde
constructie.

(3)P Bij de keuze van rekenwaarden voor grenswaarden van verplaatsingen en vervormingen moet met het
volgende rekening zijn gehouden:

— de zekerheid waarmee de toegestane waarde van de verplaatsing kan worden omschreven;

— het optreden en de snelheid van grondverplaatsingen;

— het type constructie;

— het type constructiemateriaal;

— het type fundering;

— het type grond;

— de soort vervorming;

— het voorziene gebruik van de constructie;

— de noodzaak om zich ervan te verzekeren dat er geen problemen zijn met de nutsleidingen die het
gebouw binnenkomen.

(4)P Bij de berekening van ongelijkmatige zetting moet rekening zijn gehouden met:

— het optreden en de snelheid van zettingen en grondverplaatsingen;

— toevallige en systematische variaties in de grondeigenschappen;

— de verdeling van de belasting;

— de bouwmethode (inclusief de volgorde waarin de belastingen aangrijpen);

— de stijfheid van de constructie gedurende en na de bouw.

OPMERKING Bij het ontbreken van bepaalde grenswaarden voor constructieve vervormingen van de ondersteunde
constructie mogen de waarden voor constructieve vervormingen en verplaatsingen van de fundering uit bijlage H worden
gebruikt.

2.5 Ontwerp door voorschriften

(1) In ontwerpsituaties waarvoor geen berekeningsmodellen beschikbaar zijn of niet nodig zijn, mag door
voorschriften zijn verzekerd dat grenstoestanden niet worden overschreden. Hierin begrepen zijn
gebruikelijke en over het algemeen conservatieve ontwerp- en berekeningsregels, en aandacht voor
materiaalspecificaties en -controles, vakmanschap, beschermings- en onderhoudsprocedures.

OPMERKING In de nationale bijlage kunnen aanbevelingen zijn gegeven voor bovenbedoelde gebruikelijke en in het
algemeen conservatieve regels.
to third parties.

36
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

(2) Een ontwerp door voorschriften mag zijn gebruikt daar waar vergelijkbare ervaring, zoals gedefinieerd in
1.5.2.2, berekeningen overbodig maken. Er mag ook van gebruik zijn gemaakt om de duurzaamheid te
verzekeren met betrekking tot vorst en chemische of biologische aantasting, waarvoor rechtstreekse
berekeningen doorgaans ongeschikt zijn.

2.6 Belastingsproeven en proeven op experimentele modellen

(1)P Indien de resultaten van belastingsproeven of proeven op (schaal)modellen zijn gebruikt ter
verantwoording van een ontwerp, of ter aanvulling van een van de andere alternatieve methoden genoemd
in 2.1 (4), moeten de volgende aspecten zijn beschouwd en in acht zijn genomen:

— verschillen in grondgesteldheden tussen de proef en de werkelijke constructie;

— tijdseffecten, in het bijzonder indien de duur van de proef veel korter is dan de belastingsduur van de
werkelijke constructie;

— schaaleffecten, in het bijzonder indien kleine modellen worden gebruikt. Het effect van het
spanningsniveau moet samen met het effect van de korrelgrootte worden beschouwd.

(2) Proeven mogen zijn uitgevoerd op een monster van de werkelijke constructie, op schaalmodellen of
modellen op ware grootte.

2.7 Observatiemethode

(1) Indien het moeilijk is om het geotechnisch gedrag te voorspellen, kan de methode worden gebruikt die
bekend staat onder de naam observatiemethode, waarbij het ontwerp gedurende de bouw wordt beoordeeld
en zo nodig bijgestuurd.

(2)P Aan de volgende eisen moet zijn voldaan voordat met de bouw wordt gestart:

— er moeten aanvaardbare grenzen van het gedrag zijn vastgesteld;

— de mate waarin het gedrag kan variëren moet zijn vastgesteld en aangetoond moet zijn dat het werkelijke
gedrag met aanvaardbare waarschijnlijkheid binnen aanvaarbare grenzen blijft;

— er moet een monitoringplan zijn opgesteld, waaruit kan worden afgeleid of het werkelijke gedrag binnen
aanvaardbare grenzen blijft. Uit de monitoring moet dit in een vroeg stadium duidelijk worden, en met
voldoend korte tijdsintervallen om in staat te zijn succesvol mitigerende maatregelen te nemen;

— de reactietijd van de apparatuur moet voldoende kort zijn en de procedure voor de analyse van de
resultaten moet voldoende snel zijn, gelet op de mogelijke ontwikkelingen van het gehele systeem;

— er moet een plan voor mitigerende maatregelen zijn opgesteld, dat kan worden aangepast indien uit de
monitoring blijkt dat de aanvaardbare grenzen van het gedrag van de constructie worden overschreden.

(3)P Tijdens de bouw moet de monitoring worden uitgevoerd zoals is voorzien.

(4)P De resultaten van de monitoring moeten op geschikte tijdsintervallen worden beoordeeld en de


voorziene mitigerende maatregelen moeten worden uitgevoerd indien de grenzen van het gedrag van de
constructie worden overschreden.

(5)P Monitoringsapparatuur moet of worden vervangen of worden uitgebreid indien een bepaald soort
gegevens onbetrouwbaar is of in onvoldoende mate wordt verkregen.
to third parties.

37
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

2.8 Geotechnisch ontwerprapport

(1)P De aannamen, gegevens, berekeningsmethoden en de resultaten van de toetsing van de veiligheid en


de bruikbaarheid moeten zijn vastgelegd in het geotechnisch ontwerprapport.

(2) De mate van detail van het geotechnisch ontwerprapport zal sterk variëren, afhankelijk van het type
ontwerp. Voor een eenvoudig ontwerp kan een enkel blad voldoende zijn.

(3) Het geotechnisch ontwerprapport behoort de volgende onderdelen te bevatten, met verwijzingen naar het
Grondonderzoeksrapport (zie 3.4) en naar andere documenten, waarin meer details zijn opgenomen:

— een beschrijving van de bouwplaats en de omgeving;

— een beschrijving van de grondgesteldheden;

— een beschrijving van de voorgestelde constructie, inclusief de belastingen;

— rekenwaarden van de eigenschappen van grond en gesteente, inclusief een verantwoording, waar nodig;

— vermelding van de gebruikte normen en richtlijnen;

— een verklaring over de geschiktheid van het terrein met betrekking tot de voorgestelde constructie en het
niveau van de aanvaardbare risico's;

— geotechnische ontwerpberekeningen en tekeningen;

— aanbevelingen voor het ontwerp van de fundering;

— een staat van zaken die tijdens de uitvoering moeten worden gecontroleerd of waarvoor onderhoud of
monitoring nodig is.

(4)P Het geotechnisch ontwerprapport moet een planning bevatten voor toezicht en monitoring, voor zover
nodig. Onderwerpen, die tijdens de bouw moeten worden gecontroleerd of die na de bouw moeten worden
onderhouden, moeten duidelijk staan vermeld. Indien de vereiste controles tijdens de bouw zijn uitgevoerd,
moeten deze in een aanhangsel van het rapport worden vastgelegd.

(5) Over het toezicht en de monitoring behoort het geotechnisch ontwerprapport te vermelden:

— het doel van iedere verzameling waarnemingen en metingen;

— de delen van de constructie, waarop metingen moeten worden verricht en de plaatsen waar moet worden
gemonitoord gedaan;

— de frequentie waarmee de aflezingen moeten worden gedaan;

— de wijze waarop de resultaten moeten worden geëvalueerd;

— de verwachte spreiding van de meetresultaten;

— de tijdsduur van de monitoring na voltooiing van de bouw ;

— de partijen die verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van metingen en waarnemingen, voor de
interpretatie van de verkregen resultaten en voor het onderhoud van de meetinstrumenten.

(6)P Een uittreksel van het geotechnisch ontwerprapport, waarin zijn opgenomen het toezicht, de monitoring
en het vereiste onderhoud van de voltooide constructie, moet ter beschikking van de eigenaar of
opdrachtgever worden gesteld.
to third parties.

38
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

Hoofdstuk 3 Geotechnische gegevens

3.1 Algemeen

(1)P In alle gevallen moet de geotechnische informatie zorgvuldig zijn verzameld, vastgelegd en zijn
geïnterpreteerd. In deze informatie moeten zijn begrepen de geologie, de geomorfologie, de
aardbevingsgevoeligheid, de hydrologie en de geschiedenis van het terrein. Rekening moet zijn gehouden
met indicaties over de variabiliteit van de ondergrond.

(2)P Bij het opzetten van het geotechnisch onderzoek moet rekening zijn gehouden met eisen aan de bouw
en het gedrag van de voorziene constructie. De omvang van het geotechnisch onderzoek moet voortdurend
worden getoetst naarmate nieuwe informatie wordt verkregen gedurende de uitvoering van het werk.

(3)P Routinematig veld- en laboratoriumonderzoek moet zijn uitgevoerd en gerapporteerd globaal genomen
in overeenstemming met internationaal erkende normen en aanbevelingen. Afwijkingen van deze normen en
aanvullende beproevingseisen moeten worden gerapporteerd.

(4) Eisen voor laboratorium- en veldonderzoek behoren te zijn ontleend aan EN 1997-2.

3.2 Geotechnisch onderzoek

3.2.1 Algemeen

(1)P Geotechnisch onderzoek moet voldoende gegevens opleveren over de grond en


grondwatergesteldheden van de bouwplaats en zijn omgeving voor een juiste beschrijving van de essentiële
grondeigenschappen en een betrouwbare bepaling van de karakteristieke waarden van de grondparameters
te gebruiken in de ontwerpberekeningen.

(2)P De aard en de omvang van het geotechnisch onderzoek moeten worden afgestemd op de
desbetreffende onderzoeksfase en de geotechnische categorie
(zie EN 1997-2, hoofdstuk 2).

(3) Voor zeer grote of ongewone constructies, constructies met abnormaal risico of met buitengewoon
moeilijke ondergrondgesteldheden of belastingsomstandigheden, en voor constructies in sterk
aardbevingsgevoelige gebieden is de omvang van het onderzoek volgens EN 1997 mogelijkerwijs niet
voldoende om te voldoen aan de ontwerpeisen.

(4) Indien de aard en de omvang van het onderzoek afhankelijk zijn van de geotechnische categorie van de
constructie, behoren de ondergrondgesteldheden die een invloed hebben op de keuze van de geotechnische
categorie in een zo vroeg mogelijk stadium van het onderzoek te worden bepaald.

(5) In het onderzoek behoren visuele inspecties van het terrein te zijn begrepen om gedurende de bouw in
staat te zijn de ontwerpaannamen te toetsen.

3.2.2 Vooronderzoek

(1)P Vooronderzoek moet worden uitgevoerd om:

— de algemene geschiktheid van het terrein vast te stellen;

— indien van toepassing, alternatieve terreinen te vergelijken;

— de veranderingen te schatten, die het gevolg kunnen zijn van het voorziene bouwwerk;
to third parties.

39
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

— het onderzoek voor de ontwerpfase en het onderzoek voor de uitvoeringscontrole vast te leggen, met
inbegrip van de bepaling van de omvang van de ondergrond, die significant van invloed kan zijn op het
gedrag van de constructie;

— indien van toepassing, zandwingebieden en dergelijke te identificeren.

3.2.3 Onderzoek voor het ontwerp

(1)P Onderzoek voor het ontwerp moet worden uitgevoerd om:

— de vereiste informatie te verkrijgen voor een geschikt ontwerp van de tijdelijke en blijvende werken;

— de vereiste informatie te verkrijgen om de bouwmethode te kunnen vastleggen;

— om alle eventuele problemen, die zich tijdens de bouw zouden kunnen voordoen, te herkennen.

(2)P Het onderzoek voor het ontwerp moet op een betrouwbare wijze inzicht geven in de opbouw en de
eigenschappen van de gehele ondergrond, die van belang is voor of wordt beïnvloed door de voorgenomen
constructie.

(3)P De parameters, die voor de constructie bepalend zijn om te kunnen voldoen aan de gestelde prestatie-
eisen, moeten worden vastgesteld voordat wordt begonnen met het definitieve ontwerp.

(4) Om er zeker van te zijn dat het onderzoek voor de ontwerpfase betrekking heeft op alle relevante
grondformaties, behoort bijzondere aandacht te zijn besteed aan de volgende geologische kenmerken:

— grondlagenprofiel;

— van nature aanwezige of door mensen gemaakte holten;

— degradatie van gesteente, grond of aanvulmateriaal;

— hydrogeologische effecten;

— geologische breuken, kloven en andere discontinuïteiten;

— aan kruip onderhevige grond- en gesteentemassieven;

— grond en gesteente, die gevoelig is voor zwel of plotseling bezwijken;

— aanwezigheid van afval of antropogene materialen.

(5)P Rekening moet worden gehouden met de geschiedenis van het terrein en zijn omgeving.

(6)P Het onderzoek moet ten minste in die formaties worden uitgevoerd waarvan vastgesteld is dat ze van
betekenis zijn voor het project.

(7)P Gedurende het onderzoek moeten de aanwezige grondwaterniveaus worden vastgesteld. Ieder vrij
waterniveau, dat gedurende het onderzoek wordt opgemerkt, moet worden opgemeten (zie EN 1997-2).

(8) Van iedere waterbron, die van invloed kan zijn op de grondwaterdruk, behoren de extreme drukken te
worden vastgesteld.

(9)P Van ieder afwateringsysteem of onttrekkingsbron in de buurt van de bouwplaats moet de plaats en de
capaciteit worden vastgesteld.
to third parties.

40
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

3.3 Evaluatie van de geotechnische parameters

3.3.1 Algemeen

(1) De onderstaande eisen betreffende de evaluatie van de geotechnische parameters hebben alleen
betrekking op de meest gebruikelijke laboratorium- en veldproeven. Andere proeven mogen zijn gebruikt
mits hun geschiktheid is bewezen op grond van vergelijkbare ervaring.

3.3.2 Typering van grond en gesteente

(1)P De aard en de grondbestanddelen van de grond of het gesteente moeten zijn vastgesteld voordat de
resultaten van andere proeven worden geïnterpreteerd.

(2)P Het materiaal moet zijn onderzocht, gedetermineerd en beschreven volgens een erkende terminologie.
Een evaluatie in geologische zin moet zijn uitgevoerd.

(3) Grond behoort te zijn geclassificeerd en grondlagen behoren te zijn beschreven volgens een erkend
geotechnisch systeem voor grondclassificatie en -beschrijving.

(4) Gesteente behoort te zijn geclassificeerd in termen van de kwaliteit van het vaste (gesteente) materiaal
en de aanwezigheid van scheuren. De kwaliteit van het gesteente behoort te zijn beschreven in termen van
verwering, opbouw van de materiaaldeeltjes, overheersende korrelgrootte van de mineralen, en hardheid en
taaiheid van het belangrijkste mineraal. De aanwezigheid van scheuren behoort te zijn gekenmerkt in termen
van type scheur, breedte, onderlinge afstand en kwaliteit van het vulmateriaal.

(5) In aanvulling op een visuele inspectie van de grond en het gesteente kan een aantal proeven voor
classificatie, identificatie en kwantificering worden gebruikt (zie EN 1997-2), zoals:
voor grond:

— korrelverdeling;

— volumiek gewicht;

— poriëngehalte;

— watergehalte;

— korrelvorm;

— ruwheid van het korreloppervlak;

— relatieve dichtheid;

— Atterbergse grenzen;

— zwelgedrag;

— kalkgehalte;

— gehalte aan organisch materiaal.

voor gesteente:

— mineralogie;

— petrografie (beschrijving van de gesteenten);


to third parties.

41
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

— watergehalte;

— volumiek gewicht;

— poriëngehalte;

— voortplantingssnelheid van geluid;

— snelle wateropname;

— zwelgedrag;

— bestandheid tegen verwering ('slake-durability index');

— uniaxiale druksterkte.

3.3.3 Volumiek gewicht

(1)P Het volumiek gewicht moet met voldoende nauwkeurigheid zijn bepaald om de rekenwaarde of de
karakteristieke waarde van de daaruit afgeleide belastingen vast te stellen.

(2) Het volumiek gewicht behoort te zijn bepaald op proefmonsters van grond- en gesteente die genomen
zijn uit ongeroerde monsters (zie EN 1997-2). Als alternatief mag het volumiek gewicht zijn afgeleid van
algemeen geaccepteerde of gedocumenteerde correlaties met, bijvoorbeeld, sonderingen.

3.3.4 Relatieve dichtheid

(1)P De relatieve dichtheid moet de mate van verdichting van niet cohesieve grond uitdrukken, gerelateerd
aan de meest losse en meest vaste pakking zoals vastgelegd in standaardlaboratoriumprocedures.

3.3.5 Verdichtingsgraad

(1)P De verdichtingsgraad van natuurlijke grond of aanvulgrond moet zijn uitgedrukt als de verhouding
tussen het droge volumiek gewicht en het maximale droge volumiek gewicht zoals bepaald in een
standaardverdichtingsproef.

3.3.6 Schuifsterkte

(1)P Bij de bepaling van de schuifsterkte van grond moeten de volgende kenmerken in beschouwing zijn
genomen:

— het in de grond heersende spanningsniveau;

— de anisotropie van de sterkte, in het bijzonder in klei met lage plasticiteit;

— scheuren, in het bijzonder in stijve klei;

— het effect van de vervormingsnelheid;

— zeer grote rekken, indien deze kunnen voorkomen in een ontwerpsituatie;

— aanwezige of opgelegde glijvlakken;

— tijdseffecten;
to third parties.

42
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

— sensitiviteit van cohesieve grond;

— verzadigingsgraad.

(2) Wanneer de bepaling van de schuifsterkte is gebaseerd op proefresultaten, behoort rekening te zijn
gehouden met de mate van vertrouwen in de gebruikte theorie, evenals met de mogelijke verstoring
gedurende de monstername en de heterogeniteit van de monsters.

(3) Voor wat betreft tijdseffecten behoort te zijn overwogen dat de periode waarin de grond zich werkelijk
ongedraineerd gedraagt, afhankelijk is van de waterdoorlatendheid, de beschikbaarheid van vrij water en de
geometrie (van de situatie).

(4)P De waarden van de effectieve schuifsterkte parameters c ' en tan ϕ ' moeten slechts constant zijn
verondersteld binnen het spanningstraject waarvoor ze zijn afgeleid.

3.3.7 Stijfheid van de grond

(1)P Bij de bepaling van de stijfheid van de grond moet het volgende in beschouwing zijn genomen:

— drainageomstandigheden;

— niveau van de gemiddelde effectieve spanning;

— natuurlijke en kunstmatige overconsolidatie;

— niveau van de opgelegde schuifrek of schuifspanning, waarbij de laatstgenoemde meestal


genormaliseerd is op de schuifsterkte bij bezwijken.

(2) Betrouwbare metingen van de stijfheid van de grond zijn vaak zeer moeilijk uit veld- of
laboratoriumproeven te verkrijgen. In het bijzonder geven metingen op laboratoriummonsters vaak een
onderschatting van de stijfheid van de grond in-situ, vanwege monsterverstoring en andere effecten. Voor
zover mogelijk behoort daarom het bij vergelijkbare constructies waargenomen gedrag te zijn geanalyseerd.

3.3.8 Kwaliteit en eigenschappen van gesteente en rotsmassa's

3.3.8.1 Algemene beoordeling

(1)P Bij de bepaling van de kwaliteit en de eigenschappen van gesteente en rotsmassa's moet onderscheid
zijn gemaakt tussen het gedrag van het gesteentemateriaal zoals is gemeten op monsters van kernboringen
en het gedrag van veel grotere rotsmassa's, waarin structurele discontinuïteiten aanwezig zijn zoals
laagscheidingen, spleten, afschuifzones en door oplossing ontstane holtes. Bij spleten moet aandacht zijn
geschonken aan de volgende eigenschappen:

— onderlinge afstand;

— oriëntatie;

— opening (spleetwijdte);

— de mate van voortzetting (continuïteit) in de gesteentelaag;

— nauwsluitendheid;

— textuur, waarin begrepen het effect van vroegere bewegingen langs de scheuren;

— opvulling.
to third parties.

43
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

(2)P Tevens moeten, indien relevant, onderstaande aspecten worden beschouwd bij het bepalen van de
eigenschappen van gesteente en rotsmassa's:

— in-situ spanningen;

— waterdruk;

— duidelijke variaties in eigenschappen tussen verschillende lagen.

(3) Schattingen van de eigenschappen van rotsmassa's, zoals:

— sterkte en stijfheid,

— de aanwezigheid van spleten, in het bijzonder in gescheurde zones,

— waterdoorlatendheid van het stelsel van spleten,

— vervormingseigenschappen van verweerd gesteente,

mogen worden verkregen door het classificatiesysteem voor gesteentemassa's te gebruiken dat beschreven
is in EN 1997-2.

(4)P De gevoeligheid van gesteente voor veranderingen in bijvoorbeeld het klimaat of de spanningstoestand
moet worden vastgesteld. Ook moet aandacht zijn geschonken aan de invloed van chemische aantasting op
het gedrag van funderingen in of op gesteente.

(5) Bij de bepaling van de kwaliteit van gesteente en rotsmassa's behoort aandacht te zijn besteed aan het
volgende:

— sommige poreuze zachte gesteenten degraderen snel tot een grondsoort met een lage sterkte, in het
bijzonder indien ze worden blootgesteld aan verwering;

— sommige soorten gesteente worden door het grondwater snel opgelost, waardoor zich kanalen, grotten
en verzakkingsholten tot aan het maaiveld kunnen vormen;

— bij ontlasten en blootstelling aan de lucht ondergaan bepaalde gesteenten een sterke zwel door de
absorptie van water door kleimineralen.

3.3.8.2 Uniaxiale druksterkte en vervormbaarheid van gesteente

(1)P Bij de bepaling van de uniaxiale druksterkte en de vervormbaarheid van gesteente moeten de volgende
kenmerken zijn beschouwd:

— de oriëntatie van de belasting met betrekking tot, bijvoorbeeld, de anisotropie van het monster,
laagscheidingen, foliatie;

— de methode van monsterneming en de omstandigheden tijdens de opslag;

— het aantal beproefde monsters;

— de geometrie van de beproefde monsters;

— het watergehalte en verzadigingsgraad op het moment van beproeving;

— de duur van de proef en belastingssnelheid;

— de bepalingsmethode van de elasticiteitsmodulus en het axiale spanningsniveau (of niveaus) waarbij


deze is bepaald.
to third parties.

44
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

3.3.8.3 Schuifsterkte van scheuren

(1)P Bij de bepaling van de schuifsterkte van scheuren van gesteente moeten de volgende kenmerken zijn
beschouwd:

— de oriëntatie van de spleet tijdens de proef ten opzichte van de veronderstelde richting van de belasting;

— de oriëntatie van de afschuifproef;

— het aantal beproefde monsters;

— de afmetingen van het afschuifvlak;

— de grondwaterdruk;

— de mogelijkheid dat het gedrag van het gesteente in de ondergrond wordt beheerst door voortschrijdend
bezwijken.

(2) Zwakke zones in gesteente vallen meestal samen met voegen of laagscheidingen, scheurvlakken of
kloven, of met het scheidingsvlak van grond en gesteente of van beton en gesteente. De gemeten
schuifsterkte van deze vlakken behoort normaal gesproken te zijn gebruikt voor de analyse van de uiterste
grenstoestand van rotsmassa's.

3.3.9 Doorlatendheids- en consolidatieparameters van grond en gesteente

3.3.9.1 Doorlatendheids- en consolidatieparameters van grond

(1)P Bij het bepalen van de doorlatendheids- en consolidatieparameters moet het volgende in beschouwing
zijn genomen:

— de effecten van heterogeniteit;

— de effecten van anisotropie;

— de effecten van scheuren en verschuivingen;

— de effecten van spanningsveranderingen door de voorgenomen belasting.

(2) Doorlatendheidsmetingen op kleine laboratoriummonsters zijn mogelijk niet representatief voor de


omstandigheden in-situ. Indien het enigszins mogelijk is, behoort daarom de voorkeur te worden gegeven
aan proeven in-situ, waarbij de gemiddelde eigenschappen van een groot volume grond worden bepaald.
Rekening behoort echter te worden gehouden met eventuele veranderingen in de doorlatendheid bij een
effectieve spanning die groter is dan de waarde in-situ.

(3) Soms behoort de doorlatendheid te zijn afgeleid uit de korrelverdeling.

3.3.9.2 Doorlatendheidsparameters van gesteente

(1)P Aangezien de doorlatendheid van gesteente hoofdzakelijk wordt bepaald door de mate van
gespletenheid en de aanwezigheid van andere discontinuïteiten zoals breuken en scheuren, moet de
doorlatendheid met geschikte in-situ proeven zijn bepaald of worden afgeleid uit lokale ervaring.

(2) De doorlatendheid in-situ mag worden bepaald door een stelsel pompproeven waarbij de waterstroming
wordt geregistreerd, en waarbij terdege rekening wordt gehouden met de ruimtelijke, geohydrologische
stromingsomstandigheden rondom de constructie en de in kaart gebrachte patronen van spleten en andere
discontinuïteiten.
to third parties.

45
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

(3) Doorlatendheidsproeven in het laboratorium behoren alleen te worden gebruikt om het effect van
discontinuïteiten te bestuderen, bijvoorbeeld, in relatie tot de variabele spleetwijdte.

3.3.10 Geotechnische parameters uit veldproeven

3.3.10.1 Sonderingen

(1)P Bij de bepaling van de conusweerstand, de mantelwrijving en, eventueel, de waterspanning tijdens het
sonderen moet met de volgende aspecten rekening zijn gehouden:

— het detailontwerp van conus en wrijvingsmantel; deze kunnen een significante invloed hebben op de
resultaten en daarom moet rekening zijn gehouden met het gebruikte type conus;

— de resultaten kunnen alleen betrouwbaar worden geïnterpreteerd indien de laagopbouw bekend is; in veel
gevallen zullen daarom boringen benodigd zijn in combinatie met sonderingen;

— de effecten van het grondwater en de bovenbelasting;

— in heterogene grond waarin sterk wisselende resultaten zijn gevonden, moeten de sondeerwaarden zijn
gekozen voor de grondlaag die relevant is voor de constructie;

— bestaande correlaties met andere proefresultaten, zoals dichtheidsmetingen en andere


sondeermethoden.

3.3.10.2 Standaardpenetratieproef en dynamische sondering

(1)P Bij het vaststellen van het aantal slagen moeten de volgende aspecten in beschouwing zijn genomen:

— het type proef;

— een gedetailleerde beschrijving van de proefprocedure;

— de grondwatercondities;

— de invloed van de terreinspanning;

— de aard van de grond, in het bijzonder indien stenen en grof grind zijn aangetroffen.

3.3.10.3 Vinproef

(1)P Bij het beoordelen van de proefresultaten moet het volgende in beschouwing zijn genomen:

— de details van de proefprocedure;

— of voor de vinproef genormaliseerde apparatuur is gebruikt;

— of op verschillende diepten metingen zijn verricht om voor de opeenvolgende grondlagen een


sterkteprofiel te verkrijgen;

— de wrijving langs de staaf.

(2) Vinproeven mogen zijn gebruikt voor de bepaling van de ongedraineerde schuifsterkte, cu, van cohesieve
grond.

OPMERKING De vinproef is een eenvoudige en goedkope manier om de begaanbaarheid van slappe grond voor
zware machines en voertuigen te controleren.
to third parties.

46
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

(3) Om afgeleide waarden van cu te verkrijgen, behoren de gemeten waarden te zijn gecorrigeerd met een
factor, gebaseerd op lokale ervaring en bijvoorbeeld afhankelijk van de vloeigrens, de plasticiteitsindex en de
verticale korrelspanning.

3.3.10.4 Statische gewichtssondering

(1)P Bij het vaststellen van de proefresultaten van de statische gewichtssondering moeten de volgende
aspecten in beschouwing zijn genomen:

— de gedetailleerde beschrijving van de proefprocedure;

— de grondwatercondities;

— de invloed van de terreinspanning;

— de aard van de grond, in het bijzonder wanneer stenen of grof grind zijn aangetroffen.

(2) Statische gewichtssonderingen mogen zijn gebruikt voor de bepaling van de laagscheidingen en de
dichtheid van niet-cohesieve grond.

3.3.10.5 Pressiometerproef

(1)P Bij het bepalen van de waarden van de limietdruk en de pressiometermodulus moet rekening zijn
gehouden met de volgende aspecten:

— het type instrument;

— de gebruikte procedure om de pressiometer in de grond te brengen.

(2) Pressiometerkrommen, die wijzen op een meer dan matige grondverstoring, behoren niet te zijn gebruikt.
Indien bij de proef de limietdruk niet is bereikt, mag deze zijn bepaald uit een voorzichtige en conservatieve
extrapolatie van de grafiek. Voor proeven waarbij alleen het eerste deel van de pressiometerkromme is
bepaald, mogen algemeen geldende correlaties of, bij voorkeur, lokale correlaties afgeleid uit andere
proeven op hetzelfde terrein zijn gebruikt voor een conservatieve schatting van de limietdruk uit de
pressiometermodulus.

3.3.10.6 Dilatometerproef

(1)P Bij het bepalen van de dilatometerparameters moet rekening zijn gehouden met de installatieprocedure.

(2)P De laagopbouw en in het bijzonder enkele basisparameters zoals de korrelverdeling en de


verzadigingsgraad moeten voorafgaand aan de proef zijn bepaald.

(3) Indien sterkteparameters zijn afgeleid, behoort rekening te zijn gehouden met de penetratieweerstand.

(4) De dilatometerparameters behoren als leidraad te zijn gebruikt voor de bepaling van afgeleide waarden
van de stijfheideigenschappen van de grondlagen.

3.3.10.7 Verdichtingsproeven

(1)P Bij het bepalen van de verdichtbaarheid van aanvulmateriaal moeten de volgende aspecten in
aanmerking zijn genomen:

— de aard van de grond of het gesteente;

— de korrelverdeling;

— de korrelvorm;

— de heterogeniteit van het materiaal;


to third parties.

47
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

— het soort materieel dat zal worden gebruikt.

(2) Indien in-situ metingen (zoals sonderingen, dynamische verdichtingsproeven, plaatbelastingsproeven,


zettingsmetingen) worden gebruikt voor de controle van de terreinverdichting, behoren de resultaten van
in-situ verdichtingsproeven (zie 5.3.3 (4)) te worden gerelateerd aan proefresultaten van standaard
laboratoriumverdichtingsproeven om de verdichtbaarheid van een grond- of gesteenteaanvulling vast te
stellen.

3.4 Grondonderzoeksrapport

3.4.1 Eisen

(1)P De resultaten van een geotechnisch onderzoek moeten zijn verzameld in een Grondonderzoeksrapport,
dat deel moet uitmaken van het geotechnisch ontwerprapport volgens 2.8.

(2)P Er moet zijn verwezen naar EN 1997-2 voor informatie over het gebruik van laboratorium- en
veldproeven voor de bepaling van geotechnische parameters.

(3) Het Grondonderzoeksrapport behoort in de regel te bestaan uit:

— een presentatie van alle beschikbare geotechnische informatie, met inbegrip van geologische aspecten
en van toepassing zijnde gegevens;

— een geotechnische evaluatie van de gegevens, waarin melding is gemaakt van de aannamen die zijn
gemaakt bij de interpretatie van de proefresultaten.

Alle informatie mag in één rapport zijn gepresenteerd of in afzonderlijke deelrapporten.

3.4.2 Presentatie van de geotechnische informatie

(1)P In de presentatie van de geotechnische informatie moet zijn begrepen:

— een feitelijk verslag van het gehele veld- en laboratoriumonderzoek;

— documentatie van de gebruikte methoden voor de uitvoering van het veldonderzoek en de


laboratoriumproeven.

De documentatie moet zijn gebaseerd op de proefrapporten volgens EN 1997-2.

(2) In aanvulling hierop behoort het feitelijk verslag de volgende informatie te bevatten, voor zover van
toepassing:

— de namen van alle adviseurs en onderaannemers;

— het doel en de omvang van het geotechnisch onderzoek;

— gegevens waarop de veld- en laboratoriumonderzoeken zijn uitgevoerd;

— algemene veldwaarnemingen voor het project, in het bijzonder:

— tekenen van aanwezigheid van grondwater;

— gedrag van belendende constructies;

— aanwezigheid van groeven en winplaatsen;


to third parties.

48
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

— instabiele zones;

— moeilijkheden tijdens ontgraven;

— geschiedenis van het terrein;

— geologie van het terrein, inbegrepen geologische breuken;

— geodetische gegevens;

— informatie van beschikbare luchtfoto's;

— lokale ervaringen in het gebied;

— informatie over de aardbevingsgevoeligheid van het gebied;

— procedures gebruikt voor het nemen, vervoeren en opslag van de grondmonsters;

— type van het gebruikte veldmaterieel;

— overzicht in tabelvorm van de hoeveelheid veld- en laboratoriumonderzoek, en presentatie van


veldwaarnemingen, gedaan door de toezichthouders gedurende het grondonderzoek;

— gegevens over de fluctuatie in de tijd van grondwaterniveau(s) in de boorgaten gedurende de uitvoering


van het veldwerk en in peilbuizen na voltooiing van het veldwerk;

— verzameling van alle boorbeschrijvingen, inclusief foto's van de monsters, met beschrijving van de
grondlagen, uitgaande van de veldwaarnemingen en de resultaten van de laboratoriumproeven;

— de aanwezigheid, of de mogelijke aanwezigheid, van radon;

— gegevens over de vorstgevoeligheid van de grond;

— presentatie van de geordende resultaten van veld- en laboratoriumproeven in bijlagen.

3.4.3 Evaluatie van geotechnische informatie

(1)P Indien van toepassing moet in de evaluatie van de geotechnische informatie zijn begrepen:

— een overzicht van het veld- en laboratoriumonderzoek. Alle beperkingen in de gegevens (bijvoorbeeld
gebrekkig, niet van belang, onvoldoende of onnauwkeurig) moeten worden aangegeven en toegelicht. De
procedures voor monstername, transport en opslag moeten in acht zijn genomen bij de interpretatie van
de proefresultaten. In het bijzonder moeten alle afwijkende proefresultaten zorgvuldig zijn beschouwd om
na te gaan of deze misleidend zijn of het werkelijke gedrag weergeven, waarmee in het ontwerp rekening
moet worden gehouden;

— een overzicht van de afgeleide waarden van de geotechnische parameters;

— eventuele voorstellen voor noodzakelijk aanvullend veld- en laboratoriumonderzoek, met een


onderbouwing van de noodzaak daarvoor. In dergelijke voorstellen moet een gedetailleerd overzicht van
het aanvullend onderzoek zijn opgenomen met speciale aandacht voor de te beantwoorden
onderzoeksvragen.

(2) Ter aanvulling behoort voor zover van toepassing, de evaluatie van de geotechnische gegevens het
volgende te bevatten:

— tabellen en grafieken van de resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek in relatie tot de
projecteisen en, indien dit noodzakelijk wordt geacht,
to third parties.

49
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

— histogrammen van de spreiding van de waarden van de meest relevante gegevens en hun verdeling;

— diepte van de grondwaterspiegel en de seizoensschommelingen;

— langsdoorsneden van de ondergrond, waarop het verloop van de verschillende lagen te zien is;

— gedetailleerde beschrijvingen van alle grondlagen met inbegrip van hun fysische eigenschappen en
stijfheids- en sterkte-eigenschappen;

— opmerkingen over onregelmatigheden zoals gevulde holten en holle ruimten;

— de spreiding en eventuele samenvoeging van afgeleide waarden voor de geotechnische parameters van
iedere laag.
to third parties.

50
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

Hoofdstuk 4 Supervisie tijdens de uitvoering, monitoring en onderhoud

4.1 Algemeen

(1)P Om de veiligheid en de kwaliteit van een constructie te waarborgen moeten de onderstaande


activiteiten worden ondernomen, voor zover van toepassing:

— er moet supervisie worden uitgeoefend op het bouwproces en de afwerking;

— het gedrag van de constructie moet tijdens de bouw en daarna worden gemonitoord;

— de constructie moet voldoende worden onderhouden.

(2)P De supervisie op het bouwproces, met inbegrip van de afwerking, en welke monitoring dan ook van het
gedrag van de constructie gedurende de bouw en daarna, moet nader zijn voorgeschreven in het
geotechnisch ontwerprapport.

(3) De supervisie op het bouwproces en de afwerking behoort te bestaan uit het volgende, voor zover van
toepassing:

— controle van de geldigheid van de aannamen die voor het ontwerp zijn gedaan;

— vaststelling van verschillen tussen de daadwerkelijke grondgesteldheden en die in het ontwerp zijn
aangenomen;

— controle dat de bouw plaatsvindt volgens het ontwerp.

(4) De volgende waarnemingen en metingen van het gedrag van de constructie en de omgeving behoren te
worden uitgevoerd, voor zover van toepassing:

— gedurende de bouw, bijvoorbeeld om vast te stellen of maatregelen ter verbetering of wijzigingen in de


bouwvolgorde nodig zijn;

— gedurende en na de bouw, om het langtermijn gedrag te evalueren.

(5)P Ontwerpuitgangspunten, die worden beïnvloed door de resultaten van het toezicht en de monitoring
moeten duidelijk zijn vastgesteld.

(6) De omvang van het bouwtoezicht en de hoeveelheid veld- en laboratoriumproeven die nodig zijn voor de
controle en monitoring van het gedrag behoren gedurende het ontwerpstadium te zijn geraamd.

(7)P Bij onverwachte gebeurtenissen, moeten de methode, omvang en frequentie van de monitoring
opnieuw worden beschouwd.

(8)P Het niveau en de kwaliteit van de supervisie en de monitoring moet ten minste gelijk zijn aan hetgeen
waarvan in het ontwerp is uitgegaan en moet in overeenstemming zijn met de gekozen ontwerpparameters
en de partiële factoren.

OPMERKING In bijlage J is een lijst gegeven voor het bouwtoezicht en de monitoring van het gedrag.

4.2 Supervisie

4.2.1 Supervisieplan

(1)P In het supervisieplan uit het geotechnisch ontwerprapport moeten aanvaardbare grenzen voor de
resultaten van de supervisie zijn opgenomen.
to third parties.

51
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

(2) In het plan behoren de aard, kwaliteit en frequentie van de supervisie te zijn voorgeschreven, passend
bij:

— de mate van onzekerheid in de ontwerpaannamen;

— de complexiteit van de grondgesteldheden en belastingsomstandigheden;

— het potentiële risico op bezwijken gedurende de bouw;

— de haalbaarheid om tijdens de bouw aanpassingen in het ontwerp toe te passen of corrigerende


maatregelen te nemen.

4.2.2 Inspectie en supervisie

(1)P De bouw moet continu worden geïnspecteerd en de resultaten ervan moeten worden vastgelegd.

(2) Voor geotechnische categorie 1 mag de supervisie worden beperkt tot inspectie, eenvoudige
kwaliteitscontroles en een kwalitatieve beoordeling van het gedrag van de constructie.

(3) Voor geotechnische categorie 2 behoren over het algemeen metingen van de grondeigenschappen of het
gedrag van de constructie te zijn vereist.

(4) Voor geotechnische categorie 3 behoren aanvullende metingen te zijn vereist voor iedere significante
fase van de bouw.

(5)P De volgende zaken moeten worden geregistreerd, voor zover van toepassing:

— belangrijke kenmerken van de grond en het grondwater;

— volgorde van uitvoering;

— kwaliteit van de materialen;

— afwijkingen van het ontwerp;

— tekeningen van de daadwerkelijke uitgevoerde constructie ('as built');

— meetresultaten en de interpretatie ervan;

— waarnemingen van de milieukundige omstandigheden;

— onvoorziene gebeurtenissen.

(6) Van tijdelijk werk behoren ook registraties te worden bijgehouden. Onderbrekingen van het werk en de
omstandigheden ten tijde van de hervatting behoren te worden geregistreerd.

(7)P De resultaten van inspectie en toezicht moeten aan de ontwerper ter beschikking worden gesteld
voordat wordt besloten tot enige ontwerpwijziging.

(8) Over het algemeen behoren de ontwerpdocumenten en de registraties van de bouw gedurende 10 jaar
bewaard te blijven, tenzij anders is overeengekomen. Belangrijke documenten behoren gedurende de hele
levensduur van de constructie bewaard te blijven.

4.2.3 Beoordeling van het ontwerp

(1)P In het licht van de daadwerkelijke grondcondities moeten de geschiktheid van de bouwprocedures en
de bouwvolgorde worden getoetst; het voorspelde gedrag van de constructie moet worden vergeleken met
to third parties.

52
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

het waargenomen gedrag. Het ontwerp moet worden beoordeeld op basis van de resultaten van de inspectie
en het toezicht.

(2) In de beoordeling van het ontwerp behoort een zorgvuldige beschouwing van de meest ongunstige
omstandigheden, die gedurende de bouw voorkomen, te zijn begrepen met betrekking tot:

— grondcondities;

— grondwatercondities;

— belastingen op de constructie;

— invloed op het milieu en de omgeving waaronder afschuivingen en gesteentelawines.

4.3 Controle van de grondgesteldheden

4.3.1 Grond en gesteente

(1)P De beschrijvingen en de geotechnische eigenschappen van de grond en het gesteente waarin of


waarop de constructie gefundeerd of gesitueerd is, moeten tijdens de uitvoering zijn gecontroleerd.

(2) Voor geotechnische categorie 1 behoren de beschrijvingen van de grond en het gesteente te zijn
gecontroleerd door:

— inspectie van het terrein;

— het vaststellen van het type grond en gesteente in het invloedsgebied van de constructie;

— het vastleggen van beschrijvingen van de grond en het gesteente bij ontgravingen.

(3) Voor geotechnische categorie 2 behoren de geotechnische eigenschappen van de grond of het
gesteente waarin of waarop de constructie is gefundeerd of gesitueerd, ook te zijn gecontroleerd. Aanvullend
terreinonderzoek kan nodig zijn. Hiertoe behoren representatieve monsters te zijn genomen en beproefd
voor bepaling van de kenmerkende eigenschappen, de sterkte en de stijfheid.

(4) Voor geotechnische categorie 3 gelden aanvullende eisen waaronder behoren te zijn begrepen nader
onderzoek en bestudering van specifieke grond- of aanvulgrondgesteld-heden, die belangrijke gevolgen voor
het ontwerp kunnen hebben.

(5) Indirecte gegevens van de geotechnische grondeigenschappen (zoals uit heikalenders) behoren te zijn
vastgelegd en gebruikt als ondersteuning bij de interpretatie van de grondgesteldheden.

(6)P Afwijkingen van de grondsoort en de eigenschappen waar in het ontwerp van is uitgegaan, moeten
onverwijld worden gemeld.

OPMERKING Gewoonlijk worden deze afwijkingen gemeld aan de ontwerper.

(7)P De uitgangspunten die bij het ontwerp zijn gebruikt, moeten zijn gecontroleerd om er zeker van te zijn
dat deze geschikt zijn voor de geotechnische kenmerken van de grond, zoals die zijn aangetroffen.

4.3.2 Grondwater

(1)P Voor zover van toepassing moeten het grondwaterpeil, de grondwaterdrukken en de chemische
samenstelling van het grondwater, zoals die bij de uitvoering zijn aangetroffen, zijn vergeleken met de bij het
ontwerp veronderstelde waarden.
to third parties.

53
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

(2) Nadere controles behoren te zijn uitgevoerd bij terreinen waarvan bekend is of wordt vermoed, dat de
grondsoort en de doorlatendheid significant variëren.

(3) Voor geotechnische categorie 1 behoren de controles gewoonlijk te zijn gebaseerd op in het verleden
beschreven ervaringen van het gebied of op indirect bewijs.

(4) Voor geotechnische categorieën 2 en 3, behoren gewoonlijk rechtstreekse waarnemingen te zijn gedaan
van de grondwatergesteldheden indien deze van grote invloed zijn op de uitvoeringsmethode of het gedrag
van de constructie.

(5) De kenmerken van de grondwaterstroming en de verdeling van de grondwaterdruk behoren met


peilbuizen en waterspanningsmeters te zijn bepaald, die bij voorkeur zijn aangebracht voor de start van de
uitvoering. Soms kan het nodig zijn peilbuizen en waterspanningsmeters op grote afstanden van het terrein
aan te brengen als onderdeel van het monitoringsysteem.

(6) Indien tijdens de uitvoering veranderingen in de grondwaterdruk optreden die van invloed kunnen zijn op
het gedrag van de constructie, behoort de grondwaterdruk te worden gecontroleerd totdat de uitvoering
gereed is of totdat de grondwaterdruk is afgenomen tot een veilige waarde.

(7) Voor constructies beneden de grondwaterspiegel, die onderhevig kunnen zijn aan opdrijven, behoort de
grondwaterdruk te worden gemonitoord totdat het gewicht van de constructie voldoende groot is om de
mogelijkheid van opdrijven uit te sluiten.

(8) Indien enig onderdeel van het definitieve of tijdelijke werk in belangrijke mate kan worden aangetast door
inwerking van chemische stoffen, behoren chemische analyses van het (stromend) grondwater te worden
uitgevoerd.

(9)P De invloed van de bouwactiviteiten (waaronder begrepen werkzaamheden zoals bemaling, grouting en
tunnelbouw) op het grondwaterregime moet zijn getoetst.

(10)P Afwijkingen van de grondwaterkenmerken ten opzichte van het ontwerp moeten onverwijld worden
gerapporteerd.

(11)P De uitgangspunten, die bij het ontwerp zijn gebruikt, moeten worden gecontroleerd om er zeker van te
zijn dat deze geldig zijn bij de aangetroffen grondwaterkenmerken.

4.4 Controle van de uitvoering

(1)P Nagegaan moet zijn of de werkzaamheden in het terrein overeenstemmen met de bouwmethode
waarvan in het ontwerp is uitgegaan en die is vastgelegd in het geotechnisch ontwerprapport. Indien
verschillen tussen de ontwerpaannamen en de terreinwerkzaamheden worden geconstateerd, moeten deze
onverwijld worden gemeld.

(2)P Afwijkingen van de bouwmethoden waarop het ontwerp is gebaseerd en die zijn vastgelegd in het
geotechnisch ontwerprapport, moeten uitdrukkelijk en weldoordacht worden beschouwd en verwerkt.

(3)P De uitgangspunten waarvan in het ontwerp is uitgegaan, moeten zijn getoetst om er zeker van te zijn
dat ze geschikt zijn voor de uitvoeringsvolgorde die wordt toegepast.

(4) Voor geotechnische categorie 1 hoeft in het geotechnisch ontwerprapport over het algemeen geen
formeel bouwschema te zijn opgenomen.

OPMERKING De uitvoeringsvolgorde wordt in de regel bepaald door de aannemer.

(5) Voor geotechnische categorieën 2 en 3 mag in het geotechnisch ontwerprapport de uitvoeringsvolgorde


zijn opgenomen waarvan in het ontwerp is uitgegaan.
to third parties.

54
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

OPMERKING Als alternatief kan in het geotechnisch ontwerprapport worden opgenomen dat de aannemer de
uitvoeringsvolgorde bepaalt.

4.5 Monitoring

(1)P Monitoring moet worden toegepast:

— om te controleren of het in het ontwerp voorspelde gedrag klopt;

— om er zeker van te zijn dat het gedrag van de constructie na voltooiing aan de eisen zal blijven voldoen.

(2)P Het monitoringprogramma moet in overeenstemming met het geotechnisch ontwerprapport worden
uitgevoerd (zie 2.8(3)).

(3) Het daadwerkelijke gedrag van constructies behoort te worden vastgelegd om een gegevensbank van
vergelijkbare ervaringen samen te stellen.

(4) In de monitoring behoren de volgende metingen te zijn begrepen:

— vervorming van de ondergrond die door de constructie wordt beïnvloed;

— grootte van de belastingen;

— grootte van de contactdrukken tussen grond en constructie;

— grondwaterdrukken;

— krachten en verplaatsingen (verticale of horizontale bewegingen, rotaties of vervormingen) van


constructieve elementen.

(5) De meetresultaten behoren samen met kwalitatieve waarnemingen te worden beschouwd, met inbegrip
van het architectonisch voorkomen.

(6) De periode waarover na de bouw monitoring moet worden uitgevoerd, behoort te kunnen worden
aangepast, afhankelijk van de waarnemingen tijdens de bouw. Voor constructies die een ongunstige
uitwerking kunnen hebben op belangrijke delen van de omgeving, of waarvan bezwijken abnormaal risico
kan inhouden voor eigendommen of levens, behoort te worden geëist dat monitoring wordt uitgevoerd
gedurende meer dan 10 jaar na voltooiing, of gedurende de gehele levensduur van de constructie.

(7)P De resultaten die na monitoring zijn verkregen moeten altijd worden geëvalueerd en geïnterpreteerd. Dit
moet in de regel op kwantitatieve wijze geschieden.

(8) Voor geotechnische categorie 1, mag de evaluatie van het gedrag eenvoudig en kwalitatief zijn en
worden gebaseerd op visuele waarnemingen.

(9) Voor geotechnische categorie 2 mag de evaluatie van het gedrag worden gebaseerd op metingen van de
verplaatsingen van geselecteerde punten van de constructie.

(10) Voor geotechnische categorie 3 behoort de evaluatie van het gedrag in de regel te worden gebaseerd
op verplaatsingsmetingen en op analyses, waarin rekening is gehouden met de uitvoeringsvolgorde.

(11)P Bij constructies die een ongunstig effect kunnen hebben op de grond- of grondwatergesteldheden,
moet bij het opzetten van het monitoringprogramma rekening worden gehouden met de mogelijkheid van
lekkage of van wijzigingen in het grondwaterstromingspatroon, vooral in geval van fijnkorrelige grond.

(12) Voorbeelden van dit soort constructies zijn:

— waterkerende constructies;
to third parties.

55
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

— constructies om kwel tegen te gaan;

— tunnels;

— grote ondergrondse constructies;

— diepe kelders;

— taluds en grondkerende constructies;

— grondverbeteringen.

4.6 Onderhoud

(1)P Het vereiste onderhoud om de veiligheid en bruikbaarheid van de constructie te waarborgen, moet
gedetailleerd worden opgegeven.

OPMERKING In de regel is deze opgave bestemd voor de eigenaar / opdrachtgever.

(2) In de specificatie van het onderhoud behoort informatie te zijn begrepen over:

— kritieke onderdelen van de constructie, waarvoor regelmatige controle vereist is;

— werkzaamheden die niet mogen worden uitgevoerd zonder dat vooraf het ontwerp van de constructie is
beoordeeld;

— frequentie van de controle.


to third parties.

56
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

Hoofdstuk 5 Aanvulling, bemaling en drainage, grondverbetering en wapening


van grond

5.1 Algemeen

(1)P De bepalingen in dit hoofdstuk zijn van toepassing in geval geschikte grondgesteldheden zijn verkregen
door:

— aanbrengen van grond, breuksteen, gesprongen gesteente of bepaalde afvalproducten;

— bemaling en drainage;

— behandeling van de grond;

— wapening van de grond.

OPMERKING 1 Gevallen waarbij met een constructief doel grond of korrelvormig materiaal is aangebracht, betreffen:

— aanvullingen onder funderingen en volledig door grond ondersteunde vloerplaten;

— aanvullingen van ontgravingen en achter grondkerende constructies;

— complete aanvullingen van ondergrond waaronder opgespoten terrein, landschappelijk grondwerk en


afvalbergen;

— ophogingen voor kleine dammen en infrastructuur.

OPMERKING 2 Bemaling van gond kan tijdelijk of blijvend zijn.

OPMERKING 3 Grond, die behandeld is om zijn eigenschappen te verbeteren, kan zowel natuurlijke grond als
aanvulgrond zijn. De grondverbetering kan van tijdelijke aard of blijvende aard zijn.

(2)P Ontwerpprocedures voor geotechnisch werk zoals aanvullingen, bemaling en drainage,


grondverbetering en wapening van grond moeten worden ontleend aan de hoofdstukken 6 t.m. 12.

5.2 Fundamentele eisen

(1)P Aanvullingen en bemaling en drainage, verbeterde of gewapende grond moeten in staat zijn de
belastingen, voortvloeiend uit hun functie en uit hun omgeving, te weerstaan.

(2)P Ook de grond waarop de aanvulling is aangebracht, moet voldoen aan deze fundamentele eisen.

5.3 Aanbrengen van een aanvulling

5.3.1 Grondbeginselen

(1)P Bij het ontwerp van aanvulconstructies moet zijn bedacht dat de geschiktheid van de aanvulling
afhankelijk is van:

— goede verwerkbaarheid van het materiaal;

— geschikte constructieve eigenschappen na verdichting;

(2) In het ontwerp behoort het transport en het aanbrengen van de aanvulling te worden beschouwd.
to third parties.

57
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

5.3.2 Keuze van het aanvulmateriaal

(1)P Het bereiken van voldoende sterkte, stijfheid, duurzaamheid en doorlatendheid na verdichting moet de
basis vormen voor de criteria waaraan het materiaal moet voldoen om geschikt te zijn voor aanvulling. Bij
deze criteria moeten het doel van de aanvulling en de eisen van een eventuele erop aan te brengen
constructie in acht zijn genomen.

(2) De meeste goed gegradeerde natuurlijke, korrelvormige materialen en bepaalde afvalproducten, zoals
uitgeselecteerd mijnafval en poederkoolvliegas, zijn geschikte materialen voor aanvulling. Ook mogen in
bepaalde omstandigheden sommige kunstmatig gefabriceerde materialen, zoals licht aanvulmateriaal,
worden gebruikt. Sommige cohesieve materialen kunnen geschikt zijn maar vereisen speciale zorg.

(3)P De volgende aspecten moeten in acht zijn genomen bij het specificeren van aanvulmateriaal:

— korrelverdeling;

— weerstand tegen verbrijzeling;

— verdichtbaarheid;

— doorlatendheid;

— plasticiteit;

— sterkte van de onderliggende grond;

— gehalte aan organische stoffen;

— chemische aantasting;

— milieuvervuilende effecten;

— oplosbaarheid;

— gevoeligheid voor volumeverandering (zwellende klei en materialen met instabiele structuur);

— gevoeligheid voor lage temperaturen en vorst;

— weerstand tegen verwering;

— effect van ontgraving, transport en aanbrengen;

— mogelijkheid van cementatie na aanbrengen (bijvoorbeeld hoogovenslak).

(4) Indien plaatselijk aanwezig materiaal in de natuurlijke toestand niet geschikt is om als aanvulmateriaal te
gebruiken, kan het nodig zijn één van de volgende behandelingen toe te passen:

— aanpassen van het watergehalte;

— mengen met cement, kalk of andere materialen;

— breken, zeven of wassen;

— beschermen met geschikt materiaal;

— toepassen van drainagelagen.

(5) Bevroren, zwellende of oplosbare grond behoort over het algemeen niet te worden gebruikt als
aanvulmateriaal.
to third parties.

58
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

(6)P Indien het geselecteerde materiaal chemicaliën bevat die mogelijk agressief of vervuilend zijn, moeten
afdoende maatregelen zijn genomen om te verhinderen dat constructies of leidingen worden aangetast of
het grondwater verontreinigd raakt. Dergelijke materialen mogen alleen in grote hoeveelheden zijn gebruikt
op locaties met blijvende monitoring.

(7)P In geval van twijfel, moet het aanvulmateriaal bij de winplaats zijn onderzocht op geschiktheid voor het
beoogde doel. Het soort, het aantal en de frequentie van de proeven moet worden gekozen op basis van het
type en de heterogeniteit van het materiaal en de aard van het project.

(8) In geotechnische categorie 1 kan vaak worden volstaan met inspectie van het materiaal.

(9)P Materiaal dat wordt gebruikt voor aanvullingen waaraan voorgeschreven strenge eisen aan draagkracht,
zetting en stabiliteit zijn gesteld, mag geen significante hoeveelheid van stoffen als sneeuw, ijs of veen
bevatten.

(10) Bij aanvullingen, waaraan geen eisen worden gesteld betreffende de draagkracht, de zetting of de
stabiliteit, mag het aanvulmateriaal kleine hoeveelheden sneeuw, ijs of veen bevatten.

5.3.3 Keuze van methoden voor aanbrengen en verdichten van een aanvulling

(1)P Rekening houdend met het doel en de gedragseisen, moeten voor iedere zone of laag van een
aanvulling verdichtingscriteria zijn vastgesteld.

(2)P De methoden voor het aanbrengen en verdichten van een aanvulling moeten zo zijn voorgeschreven
dat de stabiliteit van de aanvulling gedurende de gehele bouwtijd verzekerd is en de natuurlijke ondergrond
geen nadelige effecten ondervindt.

(3)P De verdichtingsmethode voor een aanvulling moet zijn voorgeschreven, rekening houdend met de
verdichtingscriteria en met het onderstaande:

— de oorsprong en aard van het materiaal;

— de methode van aanbrengen;

— het watergehalte tijdens het aanbrengen en de mogelijke variaties daarin;

— de aanvankelijke en uiteindelijke dikte van de ophooglaag;

— de lokale klimatologische omstandigheden;

— de homogeniteit van de verdichting;

— de aard van de onderliggende grond.

(4) Om te komen tot een geschikte verdichtingsmethode behoort op het terrein een proefverdichting te
worden uitgevoerd met het voorziene materiaal en de voorziene verdichtingsapparatuur. Hieruit kan de
verdichtingsmethode, die in het werk moet worden toegepast, nader worden bepaald (methode van
aanbrengen, verdichtingsapparatuur, laagdikte, aantal verdichtingsgangen, geschikte transportmethoden,
benodigde hoeveelheid water die moet worden toegevoegd). Een proefverdichting kan ook worden gebruikt
om de controle-eisen vast te stellen.

(5) Indien er tijdens het aanbrengen van cohesief aanvulmateriaal kans is op neerslag, behoort de bovenkant
van de aanvulling in alle fasen voldoende helling te hebben om het regenwater te laten wegstromen.

(6) Bij temperaturen beneden het vriespunt kan het nodig zijn het aanvulmateriaal te verwarmen voordat het
wordt aangebracht en het oppervlak van de aanvulling te beschermen tegen vorst. De noodzaak voor deze
maatregelen behoort per geval te worden beoordeeld, rekening houdend met de kwaliteit van het
aanvulmateriaal en de benodigde verdichtingsgraad.
to third parties.

59
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

(7)P Aanvullingen naast funderingen en onder volledig door grond ondersteunde vloerplaten moeten zo
worden verdicht dat geen zakkingschade kan ontstaan.

(8) Aanvulmateriaal behoort op een ongeroerd en gedraineerd grondoppervlak te worden aangebracht.


Iedere menging van het materiaal met de ondergrond behoort te worden vermeden door een geotextielfilter
of een filterlaag toe te passen.

(9) Voordat aanvulmateriaal onder water wordt aangebracht, behoort al het slappe materiaal door baggeren
of op andere wijze te worden verwijderd.

5.3.4 Controle van de aanvulling

(1)P De aanvulling moet worden geïnspecteerd of beproefd om er zeker van te zijn dat het materiaal, het
watergehalte bij het aanbrengen en de verdichtingsprocedures in overeenstemming zijn met de
voorschriften.

(2) Voor sommige combinaties van materialen en verdichtingsprocedures is geen controle nodig indien uit
een veldproef of uit vergelijkbare ervaring bekend is dat de verdichtingsprocedure voldoet.

(3) De verdichting behoort te worden gecontroleerd met één van de volgende methoden:

— meting van het droge volumiek gewicht en, indien in het ontwerp vereist, meting van het watergehalte;

— meting van eigenschappen zoals de indringweerstand of de stijfheid. In cohesieve grond kan met
dergelijke metingen niet altijd worden vastgesteld of voldoende verdichting is bereikt.

(4) Minimumwaarden van de dichtheid van de aanvulling die bijvoorbeeld is bepaald als Proctordichtheid,
behoren te zijn voorgeschreven en in het veld te zijn gecontroleerd.

(5) Voor een aanvulling van breuksteen of een aanvulling waarin veel grove delen aanwezig zijn, behoort de
verdichting te worden gecontroleerd met in-situ methoden. De Proctorproef is niet geschikt voor dit soort
materiaal.

(6) Controle ter plekke (zie EN 1997-2) kan met één van de volgende methoden:

— door zich ervan te vergewissen dat de verdichting is uitgevoerd volgens de procedure die is afgeleid uit
een veldproef of uit vergelijkbare ervaring;

— door te controleren dat de zakking die wordt veroorzaakt door een extra verdichtingsgang gelijk is aan of
kleiner is dan een voorgeschreven waarde;

— plaatbelastingsproeven;

— seismische of dynamische methoden.

(7)P In gevallen waarin oververdichting niet aanvaardbaar is, moet een bovengrens van de verdichting zijn
voorgeschreven.

(8) Oververdichting kan onderstaande nadelige effecten veroorzaken:

— het ontstaan van microscopisch kleine gladde schuifvlakjes in klei en een hoge grondstijfheid in taluds;

— hoge gronddrukken op ondergrondse en grondkerende constructies;

— verbrijzeling van materialen zoals zacht gesteente, slakken en vulkanisch zand dat als licht
aanvulmateriaal wordt gebruikt.
to third parties.

60
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

5.4 Bemaling en drainage

(1)P Ieder plan om water aan de grond te onttrekken of om de waterdruk te verlagen moet zijn gebaseerd op
de resultaten van een geotechnisch of geohydrologisch onderzoek.

(2) Water kan aan de grond worden onttrokken door drainage, pompen vanuit putten, bemalingsfilters of
dieptebronnen, of door elektro-osmose. De te kiezen methode is afhankelijk van:

— de aanwezige grond- en grondwatergesteldheden;

— de kenmerken van het project, bijvoorbeeld de ontgravingsdiepte en de omvang van de bemaling en de


drainage.

(3) Een stelsel retourputten op enige afstand van de ontgraving kan deel uitmaken van het bemalingsplan.

(4) In het bemalingsplan moeten onderstaande voorwaarden zijn beschouwd, voor zover van toepassing:

— in geval van een ontgraving zijn de zijkanten van de ontgraving te allen tijde gedurende de
grondwaterstandsverlaging stabiel; ook ontstaat geen buitensporige rijzing of bezwijken van de bodem,
bijvoorbeeld ten gevolge van wateroverspanningen onder een minder doorlatende laag;

— het bemalingsysteem leidt niet tot buitensporige zettingen van of schade aan belendende constructies;

— het bemalingsysteem leidt niet tot buitensporige gronduitspoeling vanuit de zijkanten of de bodem van de
ontgraving;

— rond pompputten is een adequaat filter aanwezig om te voorkomen dat met het weggepompte water een
aanzienlijke hoeveelheid grond meekomt, tenzij het aanwezige materiaal redelijk uniform is zodat het kan
fungeren als natuurlijk filter;

— het uit een ontgraving weggepompte water wordt gewoonlijk op voldoende afstand van de ontgraving
geloosd;

— het bemalingssysteem is zo ontworpen en geïnstalleerd dat de in het ontwerp voorziene waterniveaus en


waterspanningen zonder noemenswaardige schommelingen kunnen worden gehandhaafd;

— er is voldoende reserve op de pompcapaciteit aanwezig en in geval van een storing is reserve


pompcapaciteit aanwezig;

— bij het stijgen van het grondwater naar het oorspronkelijke niveau moeten problemen, zoals het instorten
van grond met een gevoelige structuur, bijvoorbeeld los zand, worden voorkomen;

— de bemaling leidt niet tot buitensporig transport van verontreinigd water naar de ontgraving;

— de bemaling leidt niet tot buitensporige wateronttrekking in een drinkwaterwingebied.

(5)P De doelmatigheid van de bemaling moet indien nodig worden gecontroleerd door monitoring van het
grondwaterniveau, de grondwaterdruk en de bewegingen in de grond. Regelmatig moeten de meetgegevens
worden beoordeeld en geïnterpreteerd om de effecten van de bemaling op de grondgesteldheid en op het
gedrag van belendende constructies te bepalen.

(6)P Indien gedurende lange tijd moet worden gepompt, moet het grondwater onderzocht worden op de
aanwezigheid van opgeloste zouten en gassen, die kunnen leiden tot corrosie van de bemalingsfilters of
verstopping ervan door neerslag van zouten.

(7)P Systemen voor langdurige bemaling en drainage moeten zo zijn ontworpen dat verstopping door
bacteriologische processen of door andere oorzaken wordt voorkomen.
to third parties.

61
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

5.5 Grondverbetering en wapening van grond

(1)P Voordat enige grondverbetering of een grondwapening wordt gekozen of toegepast, moet een
geotechnisch onderzoek naar de oorspronkelijke grondgesteldheid zijn uitgevoerd.

(2)P De grondverbeteringsmethode voor een bepaald geval moet zijn ontworpen rekening houdend met de
onderstaande factoren, voor zover van toepassing:

— dikte en eigenschappen van de ondergrond of het aanvulmateriaal;

— grootte van de waterdrukken in de diverse lagen;

— aard, afmeting en plaats van de constructie die door de grond wordt ondersteund;

— verhinderen van schade aan belendende constructies of leidingen;

— of de grondverbetering van tijdelijke of blijvende aard is;

— wat betreft de te verwachten verplaatsingen, de relatie tussen de grondverbeteringsmethode en de


bouwvolgorde;

— het effect op de omgeving met inbegrip van vervuiling door giftige stoffen of veranderingen in het
grondwaterpeil;

— de achteruitgang van het materiaal op de lange termijn.

(3)P De doelmatigheid van de grondverbetering moet worden gecontroleerd aan de hand van de
opleveringscriteria door de bewerkstelligde veranderingen in de van belang zijnde grondeigenschappen te
bepalen.
to third parties.

62
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

Hoofdstuk 6 Funderingen op staal

6.1 Algemeen

(1)P De bepalingen in dit hoofdstuk gelden voor funderingen op staal, inclusief poeren, stroken en
funderingsplaten.

(2) Sommige bepalingen kunnen van toepassing zijn voor diep gelegen funderingen zoals caissons.

6.2 Grenstoestanden

(1)P De onderstaande grenstoestanden moeten zijn beschouwd, op basis waarvan een staat met van
toepassing zijnde gevallen moet zijn opgesteld:

— verlies van de algehele stabiliteit;

— bezwijken door overschrijding van de draagkracht, doorponsen, zijdelings wegpersen ('squeezing');

— bezwijken door horizontaal glijden;

— gelijktijdig bezwijken in de ondergrond en in de constructie;

— bezwijken van de constructie door verplaatsingen van de fundering;

— zeer grote zettingen;

— buitensporige rijzing vanwege zwel, vorst en andere oorzaken;

— onaanvaardbare trillingen.

6.3 Belastingen en ontwerpsituaties

(1)P Ontwerpsituaties moeten zijn geselecteerd volgens 2.2.

(2) De in 2.4.2 (4) opgesomde belastingen behoren in beschouwing te zijn genomen bij de selectie van de
grenstoestanden voor de berekeningen.

(3) Indien de stijfheid van de constructie belangrijk is, behoort een analyse van de interactie tussen de
constructie en de ondergrond te zijn uitgevoerd om de verdeling van de belastingen te bepalen.

6.4 Overwegingen voor ontwerp, berekening en uitvoering

(1)P Bij het kiezen van de diepte van een fundering op staal moet het volgende in beschouwing zijn
genomen:

— funderingsaanzet op een laag met voldoende draagkracht;

— de diepte waarboven door seizoensvariaties of door bomen en struiken veroorzaakte krimp en zwel van
kleiachtige grond aanzienlijke vervormingen kan veroorzaken;

— de diepte waarboven schade door vorst voor kan komen;


to third parties.

63
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

— het niveau van de grondwaterspiegel en de problemen die kunnen ontstaan indien beneden dit niveau
een ontgraving voor de fundering nodig is;

— eventuele grondverplaatsingen en afname van de sterkte van de draagkrachtige laag door kwel of
klimatologische invloeden of door de uitvoeringswijze;

— de invloed van ontgravingen op belendende funderingen en constructies;

— voorziene ontgravingen voor nutsleidingen op korte afstand van de fundering;

— hoge of lage temperaturen overgedragen vanuit het gebouw;

— de kans op erosie;

— de invloed van variaties in het watergehalte door lange droge perioden, gevolgd door perioden met regen,
op de eigenschappen van krimp- en zwelgevoelige grond in droge klimaatgebieden;

— de aanwezigheid van oplosbare materialen, bijvoorbeeld kalksteen, versteende klei, gips, zoutrotsen.

(2) Schade door vorst zal niet optreden indien:

— de grond niet vorstgevoelig is;

— het aanzetniveau van de fundering beneden de vorstvrije diepte ligt;

— vorst geen invloed zal hebben door isolatie.

(3) EN-ISO 13793 mag worden toegepast voor beschermende maatregelen tegen vorst bij funderingen van
gebouwen.

(4)P Naast het voldoen aan de constructie-eisen, moet bij de keuze van de ontwerpfunderingsbreedte
rekening zijn gehouden met praktische aspecten zoals economische ontgravingsdiepte, onnauwkeurigheden
in het uitzetten, benodigde werkruimte en de afmetingen van de muur of de kolom die door de fundering
wordt ondersteund.

(5)P Voor funderingen op staal moet één van de volgende ontwerpmethoden zijn gebruikt:.

— een directe methode, waarbij voor iedere grenstoestand afzonderlijke analyses zijn gemaakt. Bij de
controle van een uiterste grenstoestand moet het beschouwde bezwijkmechanisme zo goed mogelijk in
de berekening zijn gemodelleerd. Bij de controle van een bruikbaarheidsgrenstoestand moet een
zettingsberekening zijn gemaakt;

— een indirecte methode, waarbij wordt uitgegaan van vergelijkbare ervaring en van de resultaten van veld-
of laboratoriummetingen of andere waarnemingen, die is gekozen uitgaande van de belastingen in de
bruikbaarheidsgrenstoestand en zo dat aan de eisen van alle relevante uiterste grenstoestanden wordt
voldaan;

— een methode op basis van voorschriften, waarbij een aangenomen draagkracht wordt gebruikt (zie 2.5).

(6) In 6.5 en 6.6 zijn berekeningsmethoden gegeven, die behoren te worden gebruikt voor de berekening van
de uiterste en bruikbaarheidsgrenstoestand van een fundering op staal, aangezet op grond. In geval van
funderingen op staal op gesteente behoren de voorgeschreven waarden volgens 6.7 te worden gebruikt bij
de berekening.
to third parties.

64
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

6.5 Ontwerp en berekening van de uiterste grenstoestand

6.5.1 Algehele stabiliteit

(1)P De algehele stabiliteit moet, zowel met als zonder de funderingen, zijn gecontroleerd, in het bijzonder in
de volgende gevallen:

— in de buurt van of op een natuurlijk of kunstmatig talud;

— in de buurt van een ontgraving of een grondkering;

— in de buurt van een rivier, kanaal, meer, waterreservoir of de kust;

— in de buurt van mijnen of ondergrondse constructies.

(2)P In die gevallen moet met de methoden volgens hoofdstuk 11 zijn aangetoond dat stabiliteitsverlies van
het grondlichaam met de funderingen voldoende onwaarschijnlijk is.

6.5.2 Draagvermogen

6.5.2.1 Algemeen

(1)P Voor alle uiterste grenstoestanden moet aan de onderstaande ongelijkheid zijn voldaan:

Vd ≤ Rd (6.1)

(2)P R d moet zijn berekend volgens 2.4.

(3)P In V d moeten zijn begrepen het gewicht van de fundering, het gewicht van al het aanvulmateriaal en
alle gronddrukken, zowel gunstig als ongunstig. Waterdrukken, die niet het gevolg zijn van de fundering zelf,
moeten zijn inbegrepen als belastingen.

6.5.2.2 Analytische methode

(1) Een algemeen gangbare analytische berekeningsmethode behoort te zijn gebruikt.

OPMERKING De analytische berekeningsmethode die als voorbeeld is gegeven in bijlage D, kan worden gebruikt.

(2)P In het bijzonder bij fijnkorrelige grond moeten in de analyse korte- en lange-duurwaarden voor R d zijn
beschouwd.

(3)P Indien de grond of het gesteente onder een fundering duidelijk gelaagd is of andere onregelmatigheden
vertoont, moet rekening zijn gehouden met de constructieve eigenschappen van de ondergrond bij de
aanname van het glijvlak en de keuze van de schuifsterkte- en vervormingsparameters.

(4)P Bij de berekening van de rekenwaarde van het draagvermogen van een fundering op gelaagde
afzettingen, waarvan de eigenschappen onderling sterk verschillen, moeten voor iedere afzonderlijke laag
rekenwaarden van de grondparameters zijn bepaald.

(5) Indien onder een slappe grondlaag een harde grondlaag aanwezig is, mag het draagvermogen zijn
berekend met de schuifsterkteparameters van de slappe laag. In het tegenovergestelde geval, behoort te zijn
gecontroleerd op weerstand tegen doorponsing.

(6) Analytische methoden zijn vaak niet geschikt voor de ontwerpsituaties volgens 6.5.2.2(3)P, 6.5.2.2(4)P
en 6.5.2.2(5). In dat geval behoren numerieke methoden te zijn gebruikt om het meest ongunstige
bezwijkmechanisme vast te stellen.

(7) De berekeningen voor de algehele stabiliteit volgens hoofdstuk 11 mogen zijn gebruikt.
to third parties.

65
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

6.5.2.3 Semi-empirische methode

(1) Een algemeen gangbare semi-empirische methode behoort te zijn gebruikt.

OPMERKING De in bijlage E als voorbeeld gegeven semi-empirische methode voor de schatting van het
draagvermogen op basis van de resultaten van pressiometerproeven, wordt aanbevolen.

6.5.2.4 Methode met aangenomen draagvermogen

(1) Een algemeen gangbare methode voor de bepaling van het aangenomen draagvermogen behoort te zijn
gebruikt.

OPMERKING De in bijlage G als voorbeeld gegeven methode voor de bepaling van het aangenomen
draagvermogen van een fundering op staal op gesteente, wordt aanbevolen. Indien een dergelijke methode wordt
gebruikt, behoort het resultaat te worden beoordeeld op basis van vergelijkbare ervaring.

6.5.3 Weerstand tegen glijden

(1)P Indien de belasting op de fundering niet haaks op het grondvlak staat, moet de fundering zijn
gecontroleerd op bezwijken door afschuiven langs het grondvlak.

(2)P Aan onderstaande ongelijkheid moet zijn voldaan:

H d ≤ R d + R p;d (6.2)

(3)P In H d moeten de rekenwaarden van eventuele actieve gronddrukken op de fundering zijn begrepen.

(4)P R d moet worden berekend volgens 2.4.

(5) De waarden van R d en R p;d behoren in overeenstemming te zijn met de grootte van de verplaatsing in de
beschouwde grenstoestand. Bij grote verplaatsingen behoort rekening te zijn gehouden een eventuele
lagere sterkte dan de piekwaarde (residuele waarde). Bij het kiezen van een waarde voor R p;d behoort
rekening te zijn gehouden met de voorziene gebruiksduur van de constructie.

(6)P Voor funderingen die zijn aangezet in kleigrond in de zone die vervormingen door seizoensinvloeden
ondergaat, moet rekening zijn gehouden met de mogelijkheid dat de klei door krimp los komt van de verticale
zijden van de fundering.

(7)P Rekening moet zijn gehouden met de mogelijkheid dat de grond aan de voorzijde van de fundering kan
worden verwijderd door erosie of menselijke activiteiten.

(8)P Voor de gedraineerde toestand moet de rekenwaarde van de afschuifweerstand, R d, zijn berekend door
uit te gaan van rekenwaarden van de grondeigenschappen of van de grondweerstand volgens de volgende
formules:

R d = V 'd tan δ d (6.3a)

of

R d = (V 'd tan δ k) / γ R;h (6.3b)

OPMERKING In ontwerpmethoden waarbij de partiële factoren op de belastingseffecten worden toegepast, is de


partiële factor voor belastingen (γ F) gelijk aan 1,0 en geldt V 'd = V 'k in vergelijking (6.3b).

(9)P Bij de bepaling van V 'd moet in rekening zijn gebracht of H d en V 'd afhankelijke of onafhankelijke
belastingen zijn.
to third parties.

66
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

(10) De rekenwaarde van de wrijvingshoek δ d mag voor in het werk gestorte betonnen funderingen gelijk zijn
genomen aan de rekenwaarde van de effectieve hoek van inwendige wrijving bij de kritieke dichtheid, ϕ 'cv;d,
en voor gladde prefab funderingen aan ⅔ ϕ 'cv;d. De eventuele cohesie c ' behoort te zijn verwaarloosd.

(11)P Voor de ongedraineerde toestand moet de rekenwaarde van de afschuifweerstand, R d, zijn berekend
door uit te gaan van rekenwaarden van de grondeigenschappen of van de grondweerstand volgens de
volgende formules:

R d = A c c u;d (6.4a)

of

R d = (A c c u;k) / γ R;h (6.4b)

(12)P Indien water of lucht het contactvlak tussen fundering en ongedraineerde klei kan bereiken, moet de
volgende controle zijn uitgevoerd:

R d ≤ 0,4 V d (6.5)

(13) De eis van (6.5) mag alleen buiten beschouwing zijn gelaten indien de vorming van een opening tussen
de fundering en de grond wordt verhinderd door zuigspanningen in de zone waar geen positieve druk
vanwege de fundering op de grond aanwezig is.

6.5.4 Krachten met een grote excentriciteit

(1)P Ingeval de excentriciteit van de belasting groter is dan ⅓ van de breedte van een rechthoekige
fundering of 0,6 maal de straal van een cirkelvormige fundering, moeten speciale maatregelen worden
genomen. Dergelijke maatregelen omvatten:

— een zorgvuldige controle van de rekenwaarden van de belastingen volgens 2.4.2;

— detail ontwerpberekening van de rand van de fundering, rekening houdend met de uitvoeringstoleranties.

(2) Een toelaatbare afwijking van 0,1 m behoort in acht te zijn genomen tenzij hier tijdens de uitvoering
speciale zorg aan is besteed.

6.5.5 Bezwijken van de constructie door verplaatsing van de fundering

(1)P Zettingsverschillen en verschillen in horizontale verplaatsing van de fundering moeten zijn beschouwd
om er zeker van te zijn dat deze niet leiden tot een uiterste grenstoestand in de ondersteunde constructie.

(2) Er mag een aangenomen draagkracht zijn toegepast (zie 2.5) mits verplaatsingen niet leiden tot het
bereiken van een uiterste grenstoestand in de constructie.

(3)P In zwellingsgevoelige grond moet zijn vastgesteld of ongelijkmatige zwelling kan optreden en de
funderingen en constructies moeten zo zijn ontworpen dat zij deze kunnen weerstaan of opnemen.

6.6 Ontwerp voor de bruikbaarheidsgrenstoestand

6.6.1 Algemeen

(1)P Rekening moet zijn gehouden met verplaatsingen, veroorzaakt door de belastingen op de fundering,
zoals opgesomd in 2.4.2 (4).
to third parties.

67
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

(2)P Bij het vaststellen van de grootte van de verplaatsingen van de fundering moet zijn uitgegaan van
vergelijkbare ervaring, zoals gedefinieerd in 1.5.2.2. Indien nodig, moeten ook verplaatsingsberekeningen
zijn uitgevoerd.

(3)P Voor slappe klei moeten altijd zettingsberekeningen zijn uitgevoerd.

(4) Voor funderingen op staal, aangezet op vaste en matig vaste klei in de geotechnische categorieën 2 en 3
behoren gewoonlijk berekeningen van de verticale verplaatsing (zetting) te zijn uitgevoerd. Methoden die
mogen worden gebruikt voor de berekeningen van de zetting, veroorzaakt door de belastingen op de
fundering, zijn gegeven in 6.6.2.

(5)P Wanneer verplaatsingen van de fundering zijn berekend bij de toetsing aan de bruikbaarheidscriteria,
moeten rekenwaarden voor de belastingen in de bruikbaarheids-grenstoestand zijn gebruikt.

(6) Zettingsberekeningen behoren niet als nauwkeurig te zijn beschouwd. Ze geven alleen een globale
indicatie.

(7)P Zowel de verplaatsing van de gehele fundering als verschillen in verplaatsing tussen delen van de
fundering moeten zijn beschouwd.

(8)P Rekening moet zijn gehouden met de invloed van belendende funderingen en aanvullingen op de
spanningstoename in de grond en op de samendrukbaarheid van de grond.

(9)P De relatieve rotatie van de fundering en de mogelijke variaties daarin moeten zijn vastgesteld en zijn
vergeleken met de bijbehorende grenswaarden voor verplaatsingen volgens 2.4.9.

6.6.2 Zetting

(1)P In zettingsberekeningen moeten zowel de onmiddellijk optredende zetting als de toename van de
zetting in de tijd zijn begrepen.

(2) Voor gedeeltelijk of volledig verzadigde grond behoren de volgende drie zettingscomponenten te zijn
beschouwd:

— s 0: onmiddelijke zetting; bij volledig verzadigde grond ten gevolge van afschuifvervorming bij constant
volume, en bij gedeeltelijk verzadigde grond ten gevolge van zowel afschuifvervorming als
volumevermindering;

— s 1: zetting veroorzaakt door consolidatie;

— s 2: zetting veroorzaakt door kruip.

(3) Algemeen erkende methoden voor de bepaling van de zettingen behoren te zijn gebruikt.

OPMERKING Voor berekening van zettingscomponenten s 0 en s 1 kunnen de voorbeeldmethoden uit bijlage F


worden gebruikt.

(4) Aan grondsoorten zoals organische grond en slappe klei, waarin door kruip de zetting bijna oneindig lang
door kan gaan, behoort speciale aandacht te zijn geschonken.

(5) De diepte van de in de zettingsberekening te beschouwen samendrukbare laag behoort afhankelijk te zijn
van de afmeting en de vorm van de fundering, de variatie in grondstijfheid met de diepte en de
tussenafstanden van de funderingselementen.

(6) Deze diepte mag gewoonlijk worden gelijkgesteld aan de diepte waarop de effectieve verticale spanning
door de belasting op de fundering 20 % van de oorspronkelijke effectieve verticale spanning bedraagt.
to third parties.

68
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

(7) In veel gevallen mag deze diepte ook ongeveer gelijk worden genomen aan eenmaal tot tweemaal de
breedte van de fundering. Voor weinig belaste, brede funderingsplaten mag deze diepte worden
gereduceerd.

OPMERKING Deze benadering is niet van toepassing op zeer slappe grond.

(8)P Eventuele extra zetting door verdichting onder invloed van het eigen gewicht van de grond moet zijn
geraamd.

(9) Het volgende behoort te zijn beschouwd:

— de eventuele invloed van het eigengewicht, overstroming en trillingen op aanvullingen en instabiele


grondsoorten;

— de effecten van spanningsveranderingen op zandsoorten waarvan de korrels gemakkelijk verbrijzelen.

(10)P Voor de grondstijfheid moet een geschikt al dan niet lineair model zijn gekozen.

(11)P Om te voorkomen dat een bruikbaarheidsgrenstoestand wordt bereikt, moet bij de bepaling van
zettingsverschillen en relatieve rotaties rekening zijn gehouden met zowel de krachtsverdeling als de
mogelijke variaties in de ondergrond.

(12) Zettingsverschillen uit berekeningen, waarin de stijfheid van de constructie is verwaarloosd, zijn
gewoonlijk een overschatting. Met een analyse van de interactie tussen grond en constructie kan een
gereduceerde waarde van de zettingsverschillen worden onderbouwd.

(13) Rekening behoort te zijn gehouden met een zettingsverschil door variaties in de ondergrond tenzij dit
wordt verhinderd door de stijfheid van de constructie.

(14) Bij funderingen op staal, aangezet op een natuurlijke ondergrond, behoort gewoonlijk rekening te zijn
gehouden met enig zettingsverschil, zelfs indien uit de berekening alleen een gelijkmatige zetting volgt.

(15) Bij de bepaling van de scheefstand van een excentrisch belaste fundering behoort te zijn uitgegaan van
een lineaire drukverdeling. Vervolgens behoort de zetting van de hoekpunten van de fundering te zijn
berekend, uitgaande van de verdeling van de verticale spanning in de grond onder ieder hoekpunt en de
hoger vermelde methoden voor zettingsberekeningen.

(16) Bij op klei gefundeerde conventionele constructies behoort de verhouding te zijn berekend tussen het
draagvermogen van de grond bij de initiële ongedraineerde afschuifsterkte en de belasting in de
bruikbaarheidsgrenstoestand (zie 2.4.8 (4)). Indien deze verhouding kleiner is dan 3, behoren altijd
zettingsberekeningen te zijn gemaakt. Indien de verhouding kleiner is dan 2, behoort in de berekeningen te
zijn uitgegaan van niet-lineaire stijfheidseffecten in de ondergrond.

6.6.3 Zwel

(1)P De onderstaande oorzaken van zwel moeten zijn onderscheiden:

— afname van de effectieve spanning;

— volumetoename van gedeeltelijk verzadigde grond;

— zwel van volledig verzadigde grond bij gelijkblijvend volume, veroorzaakt door de zetting van een
belendende constructie.

(2)P In zwelberekeningen moeten zowel de onmiddelijk optredende als de vertraagd optredende zwel zijn
begrepen.
to third parties.

69
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

6.6.4 Trillingsanalyse

(1)P Funderingen van constructies, die worden onderworpen aan trillingen of waarop trillende belastingen
werken, moeten zo zijn ontworpen dat trillingen geen buitensporige zettingen veroorzaken.

(2) Voorzorgsmaatregelen behoren te zijn genomen om te verzekeren dat er geen resonantie zal ontstaan
tussen de frequentie van de dynamische belasting en een kritische frequentie in het systeem fundering-
ondergrond, en om te verzekeren dat er geen vervloeiing (liquefaction) in de grond zal optreden.

(3)P Trillingen door aardbevingen moeten in aanmerking zijn genomen door toepassing van EN 1998.

6.7 Funderingen op gesteente; aanvullende ontwerpoverwegingen

(1)P Het ontwerp van funderingen op staal aangezet op gesteente moet rekening houden met de volgende
kenmerken:

— de vervormbaarheid en sterkte van het gesteente en de toegelaten zetting van de daarop geplaatste
constructie;

— de eventuele aanwezigheid van slappe lagen onder de fundering, bijvoorbeeld door


oplossingsverschijnselen of geologische breuken;

— de aanwezigheid van scheuren en andere discontinuïteiten en hun kenmerken (zoals vulling, samenhang,
breedte, onderlinge afstand);

— de mate van verwering, uiteenvallen en gescheurdheid van het gesteente;

— verstoring van de oorspronkelijke staat van het gesteente door bouwactiviteiten, zoals ondergrondse
werken of afgraving onder talud, op korte afstand van de fundering.

(2) Funderingen op staal aangezet op gesteente mogen gewoonlijk worden ontworpen met de methode van
het aangenomen draagvermogen. Voor sterk, onbeschadigd stollingsgesteente, gneis, kalksteen en
zandsteen wordt het aangenomen draagvermogen beperkt door de druksterkte van de betonnen fundering.

OPMERKING De aanbevolen methode voor de bepaling van het aangenomen draagvermogen van funderingen op
staal, aangezet op gesteente is gegeven in bijlage G.

(3) De zetting van een fundering mag worden vastgesteld op basis van vergelijkbare ervaring uitgaande van
de classificatie van het gesteente.

6.8 Constructief ontwerp van funderingen op staal

(1)P Constructief bezwijken van een fundering op staal moet zijn voorkomen volgens 2.4.6.4.

(2) Van de funderingsdruk onder een stijve fundering mag zijn aangenomen dat deze lineair is verdeeld. Een
meer gedetailleerde berekening van de interactie tussen grond en constructie mag zijn gebruikt om een
meer economisch ontwerp te rechtvaardigen.

(3) De verdeling van de funderingsdruk onder een flexibele fundering mag zijn afgeleid uit een
berekeningsmodel waarin de fundering wordt opgevat als elastisch ondersteunde ligger of plaat op een
flexibele halfruimte of een rij veren, met bijbehorende stijfheid en sterkte.

(4)P De bruikbaarheidsgrenstoestand van strook- en plaatfunderingen moet worden gecontroleerd uitgaande


van de bij deze grenstoestand behorende belastingen en een verdeling van de funderingsdruk die in
overeenstemming is met de vervorming van de fundering en de ondergrond.
to third parties.

70
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

(5) Voor ontwerpsituaties met geconcentreerde belastingen op een strook- of plaatfundering mogen de
krachten en momenten in de fundering zijn bepaald met een berekeningsmodel volgens een lineair-elastisch
ondersteunde ligger. De beddingsconstanten mogen zijn bepaald met een zettingsberekening, uitgaande
van een geschikte schatting van de verdeling van de funderingsdruk. De beddingsconstanten mogen zo
worden gecorrigeerd dat de berekende funderingsdrukken binnen de waarden blijven, behorend bij een
lineair elastisch gedrag.

(6) De totale zettingen en de zettingsverschillen van de constructie als geheel behoren volgens 6.6.2 te zijn
berekend. Voor dit doel is het model van de elastisch ondersteunde ligger vaak niet toereikend. Indien de
interactie tussen ondergrond en constructie een dominante rol speelt, behoren meer nauwkeurige methoden,
zoals eindige-elementenberekeningen, te zijn gebruikt.

6.9 Bouwrijp maken van de ondergrond

(1)P Het bouwrijp maken van de ondergrond moet met grote zorg geschieden. Wortels, obstakels en
insluitingen van slappe grond moeten worden verwijderd zonder de ondergrond te verstoren. Alle ontstane
ruimten moeten worden opgevuld met grond (of ander materiaal) om de stijfheid van de ongeroerde grond te
herstellen.

(2) In grond die gemakkelijk kan worden verstoord, zoals klei, moet de volgorde van ontgraving voor een
fundering op staal gedetailleerd worden omschreven om verstoring zoveel mogelijk tegen te gaan.
Gewoonlijk volstaat een ontgraving in horizontale lagen. In gevallen waarin de zwel moet worden beheerst,
behoort de ontgraving in afwisselende sleuven te geschieden, waarbij het beton in een ontgraven sleuf wordt
gestort voordat tussenliggende sleuven worden ontgraven.
to third parties.

71
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

Hoofdstuk 7 Paalfunderingen

7.1 Algemeen

(1)P De bepalingen in dit hoofdstuk zijn van toepassing op palen op stuit, kleefpalen, op trek belaste palen
en horizontaal belaste palen, aangebracht door heien, drukken, schroeven of boren met of zonder grouten.

(2) De bepalingen in dit hoofdstuk behoren niet zonder meer te worden gebruikt voor het ontwerp van palen
die zijn bedoeld voor de reductie van zettingen, zoals in sommige gecombineerde paal-plaatfunderingen.

(3)P De onderstaande normen moeten worden toegepast bij de uitvoering van paalfunderingen:

— EN 1536:1999, voor geboorde palen;

— EN 12063:2000, voor damwanden;

— EN 12699:2000, voor grondverdringende palen.

OPMERKING EN 14199 Uitvoering van bijzonder geotechnisch werk – Micropalen is in voorbereiding ∗).

7.2 Grenstoestanden

(1)P De onderstaande grenstoestanden, waarvan een van toepassing zijnde staat moet worden opgesteld,
moeten zijn beschouwd:

— verlies van de algehele stabiliteit;

— bezwijken door overschrijding van het draagvermogen van de paalfundering;

— rijzing of onvoldoende trekweerstand van de paalfundering;

— bezwijken van de grond vanwege een horizontale belasting op de paalfundering;

— constructief bezwijken van de paal op druk, trek, buiging, knik of afschuiving;

— gelijktijdig bezwijken van de ondergrond en van de paalfundering;

— gelijktijdig bezwijken van de ondergrond en van de constructie;

— buitensporige zetting;

— buitensporige rijzing;

— zeer grote horizontale verplaatsing;

— onaanvaardbare trillingen.

∗) Nationale voetnoot: Deze norm is inmiddels gepubliceerd.


to third parties.

72
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

7.3 Belastingen en ontwerpsituaties

7.3.1 Algemeen

(1) De in 2.4.2 (4) opgesomde belastingen behoren te zijn beschouwd bij de selectie van de
grenstoestanden voor de berekeningen.

(2) Palen kunnen in axiale en/of dwarsrichting worden belast.

(3)P Ontwerpsituaties moeten volgens 2.2 worden geselecteerd.

(4) Om te bewijzen dat is voldaan aan de eisen van de uiterste grenstoestand kan het nodig zijn een
interactieberekening uit te voeren van de constructie, de paalfundering en de grond.

7.3.2 Belastingen door grondverplaatsingen

7.3.2.1 Algemeen

(1)P Grond waarin palen zijn geplaatst, kan onderhevig zijn aan verplaatsingen ten gevolge van consolidatie,
zwel, belendende belastingen, kruipvervorming in de grond, aardverschuivingen of aardbevingen. Aan deze
verschijnselen moet aandacht zijn besteed aangezien deze van invloed kunnen zijn op de palen door
neerwaartse belasting (negatieve kleef), rijzing, trek, dwarsbelasting en verplaatsing te veroorzaken.

(2) Voor deze gevallen behoren gewoonlijk bovengrenswaarden te zijn gebruikt als rekenwaarden voor de
sterkte en stijfheid van de grond in beweging.

(3)P Een van de twee onderstaande methoden moet zijn gebruikt voor het ontwerp:

— de grondverplaatsing wordt opgevat als een (belasting) opgelegde verplaatsing. Via een
interactieberekening worden dan de krachten, verplaatsingen en rekken in de paal berekend;

— voor de rekenwaarde van de belasting, die de grond op de paal kan overbrengen, wordt uitgegaan van
een bovengrens. Bij de bepaling van deze kracht moet rekening zijn gehouden met de sterkte van de
grond en de oorzaak van de belasting, die afhankelijk is van (weergegeven door) het gewicht of de
samendrukking van de grond in beweging of van de grootte van de aandrijvende krachten.

7.3.2.2 Neerwaartse belasting (negatieve kleef)

(1)P Indien de neerwaartse belasting in de ontwerpberekeningen voor de uiterste grenstoestand wordt


opgevat als een kracht, moet hiervoor de maximumwaarde zijn genomen, die door de neerwaartse beweging
van de grond ten opzichte van de paal kan ontstaan.

(2) Bij de berekening van de maximale neerwaartse belasting behoort rekening te zijn gehouden met de
schuifweerstand in het contactvlak tussen grond en paalschacht en de neerwaartse beweging van de grond
door samendrukking ten gevolge van het eigen gewicht van de grond en een eventuele maaiveldbelasting
naast de paal.

(3) Een bovengrens van de neerwaartse belasting op een paalgroep kan worden berekend uit het gewicht
van de bovenbelasting waardoor de zetting wordt veroorzaakt, en waarbij rekening wordt gehouden met een
eventuele verandering van de grondwaterdruk door verlaging van het grondwaterpeil, consolidatie of het
heien van palen.

(4) Indien slechts een kleine zetting wordt verwacht na het aanbrengen van de palen, kan een economisch
ontwerp worden verkregen door de zetting van de grond op te vatten als (de belasting) een opgelegde
verplaatsing en een interactieberekening uit te voeren.

(5)P Bij de bepaling van de rekenwaarde van de zetting moet rekening zijn gehouden met het volumiek
gewicht en de samendrukbaarheid volgens 2.4.3.
to third parties.

73
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

(6) Bij interactieberekeningen behoort rekening te zijn gehouden met de verplaatsing van de paal ten
opzichte van de omringende grond in beweging, de schuifweerstand van de grond naast de paalschacht, het
gewicht van de grond en de te verwachten bovenbelasting bij iedere paal, waardoor de neerwaartse
belasting wordt veroorzaakt.

(7) Gewoonlijk hoeft in belastingscombinaties niet gelijktijdig rekening te zijn gehouden met neerwaartse en
tijdelijke belastingen.

7.3.2.3 Zwel

(1)P Bij de beschouwing van de invloed van zwel, of opwaartse belastingen, die langs de paalschacht
kunnen ontstaan, moet de beweging van de grond in het algemeen zijn opgevat als een belasting.

OPMERKING 1 Uitzetting of zwelling van de grond kan worden veroorzaakt door ontlasting, ontgraving, bevriezing of
het heien van belendende palen. Het kan ook het gevolg zijn van een toename van het watergehalte in de grond door
het verwijderen van bomen, door het stopzetten van een bemaling in een watervoerende laag, door verhindering van de
verdamping (door een nieuwe constructie) en door ongelukken.

OPMERKING 2 Zwel kan optreden tijdens de uitvoering, voordat de palen door de constructie worden belast, en kan
leiden tot een onaanvaardbare rijzing of constructieve schade aan de palen.

7.3.2.4 Dwarsbelasting

(1)P Aandacht moet zijn besteed aan dwarsbelastingen, veroorzaakt door grondbewegingen rondom een
paal.

(2) De onderstaande ontwerpsituaties, die kunnen leiden tot dwarsbelastingen, behoren te worden
beschouwd:

— verschil in bovenbelasting aan weerszijden van de paalfundering (bijvoorbeeld in of naast een ophoging);

— verschillende ontgravingsniveaus aan weerszijden van de paalfundering (bijvoorbeeld in of naast een


ontgraving);

— een paalfundering die wordt aangebracht in een talud dat onderhevig is aan kruipvervorming;

— palen onder een helling aangebracht in grond waarin zettingen optreden;

— palen in een aardbevingsgebied.

(3) De grootte van de dwarsbelasting behoort gewoonlijk te zijn bepaald uit een beschouwing van de
interactie tussen de palen, opgevat als stijve of buigzame balken, en de in beweging zijnde grondmassa.
Indien sprake is van een grote horizontale vervorming in slappe grondlagen en van ver uit elkaar staande
palen, hangt de resulterende dwarskracht op de palen hoofdzakelijk af van de schuifsterkte van de slappe
grondlagen.

7.4 Ontwerpmethoden en ontwerpoverwegingen

7.4.1 Ontwerpmethoden

(1)P Het ontwerp moet zijn gebaseerd op één van de volgende methoden:

— de resultaten van statische paalbelastingsproeven, waarvan met berekeningen of op een andere wijze is
aangetoond dat ze in overeenstemming zijn met andere relevante ervaring;

— empirische of analytische berekeningsmethoden waarvan de geldigheid is aangetoond door statische


paalbelastingsproeven in vergelijkbare omstandigheden;
to third parties.

74
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

— de resultaten van dynamische paalbelastingsproeven waarvan de geldigheid is aangetoond door


statische paalbelastingsproeven in vergelijkbare omstandigheden;

— het waargenomen gedrag van een vergelijkbare paalfundering, mits deze aanpak wordt gestaafd met de
resultaten van terreinonderzoek en beproeving van grondmonsters.

(2) Rekenwaarden van parameters, die in de berekeningen zijn gebruikt, behoren in algemene
overeenstemming te zijn met hoofdstuk 3, maar bij de keuze van de waarden van de parameters mogen ook
de resultaten van paalbelastingsproeven zijn betrokken.

(3) Statische paalbelastingsproeven mogen zijn uitgevoerd op proefpalen, die voordat het ontwerp is
voltooid, uitsluitend voor de proef worden aangebracht, of op palen, die daadwerkelijk onderdeel uitmaken
van de fundering.

7.4.2 Ontwerp overwegingen

(1)P Het gedrag van afzonderlijke palen en van paalgroepen en de stijfheid en sterkte van de constructie
waarmee de palen zijn verbonden, moeten zijn beschouwd.

(2)P Bij de keuze van berekeningsmethoden en waarden voor de parameters en bij het gebruik van
resultaten van paalbelastingsproeven, moeten de duur en de variatie van de belasting in de tijd in acht zijn
genomen.

(3)P De voorziene toekomstige aanbrenging of verwijdering van bovenbelastingen of mogelijke wijzigingen in


het grondwaterregime moeten in acht zijn genomen, zowel in berekeningen als bij de interpretatie van de
resultaten van paalbelastingsproeven.

(4)P Bij de keuze van het paaltype en de kwaliteit van het paalmateriaal en de wijze van installeren moet
rekening zijn gehouden met het volgende:

— de grond- en grondwatergesteldheid op het terrein, met inbegrip van de aanwezigheid of mogelijke


aanwezigheid van obstakels in de grond;

— de spanningen die bij de installatie in de paal optreden;

— de mogelijkheid om de paal die wordt geïnstalleerd in tact te houden en dit te controleren;

— de invloed van de methode en de volgorde van het installeren van de paal op al aanwezige palen en op
belendende constructies of leidingen;

— de toelaatbare afwijkingen waarbinnen de paal op betrouwbare wijze kan worden geïnstalleerd;

— de schadelijke invloed van chemische stoffen in de grond;

— de mogelijkheid dat verschillende grondwaterregimes in verbinding komen;

— het hanteren en transporteren van palen;

— de invloed van het installeren van de paal op belendende gebouwen.

(5) Bij de beschouwing van bovengenoemde aspecten behoort aandacht te worden besteed aan de
volgende onderwerpen:

— de afstand van de palen in paalgroepen;

— de verplaatsing of trilling van belendende constructies ten gevolge van het installeren van de paal;

— het type heiblok of trilblok dat wordt gebruikt;


to third parties.

75
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

— de dynamische spanningen in de paal tijdens het heien;

— bij de typen boorpalen, waarbij gebruik wordt gemaakt van een boorvloeistof in het boorgat, de noodzaak
om de vloeistofdruk voldoende hoog te houden om instorten van het boorgat en opbarsten van de bodem
van het boorgat te voorkomen;

— het schoonmaken van de bodem en soms ook van de wanden van het boorgat, in het bijzonder indien
met bentonietspoeling is gewerkt, om het geroerde materiaal te verwijderen;

— lokale instabiliteit van een boorgat tijdens het betonneren, wat kan leiden tot een grondinsluiting in de
paalschacht;

— indringen van grond of water in een sectie van een in de grond gevormde paal en de eventuele verstoring
van vers beton door waterstroming;

— de invloed van onverzadigde zandlagen rond de paal, die water onttrekken aan het beton;

— de vertragende invloed van chemische stoffen in de grond;

— verdichting van de grond door het heien van grondverdringende palen;

— verstoring van de grond door het boren van een paalschacht.

7.5 Paalbelastingsproeven

7.5.1 Algemeen

(1)P In de volgende gevallen moeten paalbelastingsproeven zijn uitgevoerd:

— indien een paaltype of installatiemethode wordt gebruikt waarvoor geen vergelijkbare ervaring bestaat;

— indien de palen niet zijn beproefd onder vergelijkbare grondgesteldheden en belastingsomstandigheden;

— indien de palen zo zullen worden belast, dat op basis van theorie en ervaring onvoldoende vertrouwen
aanwezig is in de ontwerpberekening. Bij de paalbelastingsproef moet de paal dan op gelijkaardige wijze
worden belast als voorzien;

— indien waarnemingen tijdens het installatieproces wijzen op een paalgedrag dat in sterke mate en in
ongunstige zin afwijkt van het gedrag dat op basis van het terreinonderzoek of de ervaring werd verwacht,
en indien uit aanvullend grondonderzoek geen verklaring voor deze afwijking kan worden gevonden.

(2) Paalbelastingsproeven mogen worden gebruikt om:

— de geschiktheid van de installatiemethode te beoordelen;

— de reactie van een representatieve paal en de omliggende grond op de belasting te bepalen, zowel wat
betreft de zetting als de uiterste draagkracht;

— een oordeel over de gehele paalfundering te kunnen vormen.

(3) Ingeval paalbelastingsproeven niet bruikbaar zijn omdat de variatie in de belasting (bijvoorbeeld cyclische
belasting) moeilijk is te modelleren, behoren zeer voorzichtige waarden voor de materiaaleigenschappen te
zijn gebruikt.

(4)P Indien slechts één enkele paalbelastingsproef wordt uitgevoerd, moet deze in de regel worden
uitgevoerd op de locatie waar de meest ongunstige grondgesteldheden worden verwacht. Indien dit niet
mogelijk is, moet bij de afleiding van de karakteristieke waarde van de draagkracht op druk een extra marge
in rekening zijn gebracht.
to third parties.

76
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

(5)P Indien paalbelastingsproeven op twee of meer palen zijn uitgevoerd, moeten de proeflocaties
representatief zijn voor het terrein van de paalfundering en moet één van de proefpalen zijn geplaatst op de
locatie waar de meest ongunstige grondgesteldheden worden verwacht.

(6)P Tussen de installatie van de paal en het begin van de paalbelastingsproef moet voldoende tijd
verstrijken om er zeker van te zijn dat de paal de gewenste sterkte heeft bereikt en de grondwaterdrukken
weer zijn afgenomen tot de oorspronkelijke waarden.

(7) In sommige gevallen kan het nodig zijn de door de installatie van de paal veroorzaakte
grondwaterdrukken en de daaropvolgende afname ervan te meten om een goede beslissing over het begin
van de paalbelastingsproef te nemen.

7.5.2 Statische paalbelastingsproeven

7.5.2.1 Belastingsprocedure

(1)P De procedure van de paalbelastingsproef 5) moet, vooral met betrekking tot het aantal
belastingsstappen, de duur van deze stappen en de toepassing van belastingscycli, zo zijn dat uit de
metingen op de paal conclusies kunnen worden getrokken over het vervormingsgedrag, de kruip en de
terugvering van de paalfundering. Op proefpalen buiten de fundering moet een dusdanige belasting worden
aangebracht dat ook conclusies over de uiterste draagkracht kunnen worden getrokken.

(2) Meetinstrumenten voor de belasting, de spanningen of de rekken en de verplaatsingen behoren


voorafgaand aan de proef te worden gekalibreerd.

(3) De richting van de de proefbelasting die bij druk- of trekpalen wordt aangebracht, behoort samen te
vallen met de langsas van de paal.

(4) Een paalbelastingsproef, die is bedoeld voor het ontwerp van een op trek belaste paalfundering, behoort
tot bezwijken te worden doorgezet. Voor trekproeven behoort het last-verplaatsingsdiagram niet te worden
geëxtrapoleerd.

7.5.2.2 Proefpalen die uitsluitend voor de proefbelasting worden geïnstalleerd

(1)P Bij de bepaling van het aantal te installeren proefpalen dat is vereist voor de toetsing van het ontwerp,
moet met onderstaande rekening zijn gehouden:

— de grondgesteldheden en de variatie ervan over het terrein;

— de geotechnische categorie van de constructie, indien van toepassing;

— voorgaande, vastgelegde ervaringen van het gedrag van hetzelfde paaltype in vergelijkbare
grondgesteldheden;

— het totale aantal palen en paaltypen in het funderingsontwerp.

(2)P De grondgesteldheden op het proefterrein moeten terdege zijn onderzocht. De diepte van de boringen
en in-situ proeven moet voldoende zijn om de aard van de grond rondom en onder de paal met zekerheid
vast te stellen. Alle grondlagen, die vermoedelijk een aanmerkelijke invloed hebben op het gedrag van de
paal, moeten zijn onderzocht.

(3)P De installatiemethode van de proefpalen moet volledig en volgens 7.9 zijn beschreven.

5) Zie: ISSMFE Subcommittee on Field en Laboratory Testing, Axial Pile Loading Test, Suggested Method. ASTM
Journal, June 1985, pp. 79-90.
to third parties.

77
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

7.5.2.3 Funderingspalen die worden onderworpen aan een proefbelasting

(1)P Voorgeschreven moet zijn, dat het aantal palen van de paalfundering waarop een paalbelastingsproef
wordt uitgevoerd, moet worden gekozen op basis van de bevindingen gedurende de installatie.

(2)P De proefbelasting moet ten minste gelijk zijn aan de rekenwaarde van de ontwerpbelasting.

7.5.3 Dynamische paalbelastingsproeven

(1) Dynamische paalbelastingsproeven 6) kunnen worden gebruikt voor een schatting van de draagkracht op
druk, mits voldoende terreinonderzoek is uitgevoerd en de methode is gekalibreerd met een statische
paalbelastingsproef op hetzelfde paaltype, met vergelijkbare lengte en doorsnede, en bij vergelijkbare
grondgesteldheden, (zie 7.6.2.4 tot en met 7.6.2.6).

(2)P Indien verscheidene typen dynamische paalbelastingsproeven zijn gebruikt, moeten de resultaten van
de verschillende typen dynamische paalbelastingsproeven altijd in onderlinge samenhang zijn beschouwd.

(3) Dynamische paalbelastingsproeven mogen ook worden gebruikt om een indruk te krijgen van de
overeenkomstigheid van de palen en om slechte palen te detecteren.

7.5.4 Rapport van de paalbelastingsproef

(1)P Voorgeschreven moet zijn, dat van alle paalbelastingsproeven een rapport met meetgegevens moet
worden opgesteld. Voor zover van toepassing moet dit rapport bevatten:

— een beschrijving van het terrein;

— de grondgesteldheden met een verwijzing naar het grondonderzoek;

— het type paal;

— de beschrijving van de installatie van de paal en van eventuele problemen tijdens de uitvoering;

— een beschrijving van de belastings- en meetapparatuur en het reactiesysteem;

— documenten over de ijking van de drukdozen, de vijzels en de opnemers;

— resultaten van de metingen uitgevoerd tijdens de installatie van de proefpalen;

— fotografische vastlegging van de paal en het proefterrein;

— tijd-verplaatsingsdiagrammen voor iedere belastingsstap indien de belasting in stappen is opgevoerd;

— het gemeten last-verplaatsingsgedrag;

— de redenen waarom eventueel van bovengenoemde eisen is afgeweken.

6) Zie: ASTM Designation D 4945, Standard Test Method for High-Strain Dynamic Testing of Piles.
to third parties.

78
This document is protected by copyright, and licensed by NBN to UGENT. bert.dhondt@ugent.be undertakes not to reproduce or publish its contents either wholly or partly, nor make it available either temporarily or permanently

NBN EN 1997-1:2005 (NL)

7.6 Axiaal belaste palen

7.6.1 Algemeen

7.6.1.1 Analyse van de grenstoestanden

(1)P In het ontwerp moet zijn aangetoond dat overschrijding van onderstaande grenstoestanden voldoende
onwaarschijnlijk is:

— uiterste grenstoestanden voor de draagkracht op druk of trek van een alleenstaande paal;

— uiterste grenstoestanden voor de draagkracht op druk of trek van de paalfundering als geheel;

— uiterste grenstoestanden voor het bezwijken van of ernstige schade aan de ondersteunde constructie,
veroorzaakt door zeer grote verplaatsing of verschillen in verplaatsingen van de paalfundering;