You are on page 1of 3

Euclides in China

Jan Vernee / Eerder gepubliceerd in Kunst en Wetenschap


Bespreking van Engelfriet,P.M. – Euclid in China

Euclides is uit. Voor wie nog op de oude HBS heeft gezeten is Euclides een
begrip, maar voor de generaties daarna is zijn naam in toenemende mate in de
vergetelheid geraakt. Zozeer zelfs, dat het noodzakelijk lijkt uit te leggen dat het
bij Euclides gaat om een Griekse wiskundige van ruim voor het begin van de
jaartelling die in zijn Elementen met name de presentatie van de vlakke
meetkunde een definitieve vorm gaf. Eigenschappen van driehoeken, vierkanten,
hoeken en lijnen worden in de Elementen op een axiomatische wijze
gepresenteerd. Dat wil zeggen, uitgaand van een beperkt aantal uitgangspunten
(de axioma’s) worden eigenschappen van meetkundige figuren logisch
beredeneerd. De eigenschappen worden bewezen en niet zozeer
proefondervindelijk vastgesteld.

Op de HBS maakte men op die manier kennis met de kracht van het
onafhankelijke denken: wie vanuit uitgangspunten op een logisch juiste wijze
redeneert, kan niet om de conclusies heen. Daarom is het bij wiskunde niet
zozeer de leraar die altijd gelijk heeft, zoals alfa’s doorgaans schijnen te denken,
maar de kracht van het logische denken. Het benadert het ideaal van de
machtsvrije discussie waar sociologen als Jürgen Habermas naar toe willen in
ieder geval stukken beter dan de in een klaslokaal verderop gevoerde discussie
over de interpretatie van Het stenen bruidsbed. Daar worden argumenten
doorgaans als sterker ervaren naarmate het gezag dat ze aanvoert sterker is.

Dat sterke gezag brengt ons bij het eigenlijke onderwerp van deze bespreking,
namelijk de
introductie en vertaling van Euclides’ Elementen in het China van de late Ming-
dynastie en de vroeg Qing-periode in de 17de eeuw. China was toen al
eeuwenlang een centralistisch geleide staat, met een enorm ontwikkelde
bureaucratie en met als overheersende religie het Confucianisme, dat
gehoorzaamheid aan gezag en staat zo ongeveer als het hoogste goed ziet. Niet
bepaald een omgeving waar de kracht van het onafhankelijke denken veel kans
zal krijgen, is men geneigd te denken.

Wat zouden de Chinezen in imperialistisch China van Euclides hebben gemaakt?


Dat is zo’n beetje de vraag die Peter Mark Engelfriet zich stelt in Euclid in China,
zijn proefschrift dat in aangepaste vorm dit voorjaar bij uitgeverij Brill als boek
verschijnt. Engelfriet kijkt voor de beantwoording van zijn vraag niet alleen naar
de vertalingen die destijds van de Elementen zijn gemaakt, maar ook naar de
invloed ervan op de Chinese wiskunde en naar degenen die Euclides destijds in
China introduceerden, de Jezuïeten en met name Matteo Ricci.

In de relatief korte tijd dat de Jezuïetenorde bestond hadden zij zich al


geprofileerd als de onderwijzers van Europa. Een kwalificatie die voortkomt uit
het feit dat ze niet alleen het educatieve niveau van de priesters op een hoger
peil brengen, maar ook overal in Europa les geven aan een steeds groter
wordende middenklasse. Door dit onderwijs hoopt men de elite aan zich te
binden. Een strategie die ook heel expliciet bij de missie van Matteo Ricci naar
China een rol speelt: zorg dat de elite onder de indruk is van je
wetenschappelijke kennis, dan zullen ze de waarheid over Jezus Christus ook
eerder van je aannemen. Een soort koppelverkoop dus, vergeleken waarbij de
huidige manipulaties van Microsoft met z’n internetbrowser kinderspel zijn. Een
strategie die in China overigens grotendeels mislukte: Men wilde wel
wetenschap, maar geen religie. En dan nog, voor wat betreft de wiskunde die de
Jezuïeten meebrachten kwamen de Chinezen uiteindelijk tot de conclusie dat ze
min of meer van China zelf gepikt moest zijn.

Het hele verhaal van Matteo Ricci’s missie en het vervolg daarop zou
gemakkelijk een onderwerp voor een volgende film van Bertolucci kunnen zijn:
Met als openingsscene een aantal duidelijk westerse priesters die zich in
gewaden van Boeddhistische monniken hullen alvorens de grens over te steken,
met intriges om door te dringen tot in de hoogste regionen van het keizerlijk
gezag, gevangenschap, ruzies tussen Franse en Italiaanse Jezuïeten en de
reacties van de Chinezen daarop. Drama van grote klasse dus.

Wie meer diepgaand is geïnteresseerd, moet echter zoals gewoonlijk het boek
lezen.

De late Ming-dynastie wordt over het algemeen als een periode van
maatschappelijk verval gezien. De intellectuele crisis die daarmee verband
houdt, zorgt voor een zekere ontvankelijkheid voor nieuwe kennis en nieuwe
ideeën. Zo zijn er stromingen die oproepen tot een terugkeer naar een meer
oorspronkelijk Confucianisme, dat meer gericht is op de concrete verbetering van
het materiële welzijn van de samenleving. Voorstanders van de aangeboden
westerse kennis zien in die kennis een perfect voorbeeld van concreet
toepasbaarheid. De bekendste bekeerling van Matteo Ricci, medevertaler van de
Elementen en latere minister Xu Guangqi, was al langer geïnteresseerd in allerlei
praktische kennis, zoals bijvoorbeeld de constructie van waterwegen, toen hij
met de westerse kennis in aanraking kwam. Hij zag het eerherstel van de
wiskunde als essentiële voorwaarde voor de crisis in de samenleving.

De Elementen, door Ricci en Guangqi in 1607 vertaald als Jihe yuanben, werd
door Chinese wiskundigen over het algemeen als een moeilijk boek ervaren. Daar
zijn een aantal goede redenen voor. Meest in het oog lopend is dat de Chinese
wiskunde de axiomatische methode niet kent, men werkt niet met bewijzen,
eerder met berekeningen. Termen als bewijs en axioma moeten dan ook met het
veel zwakkere discussie en publieke opinie worden vertaald. Een ander belangrijk
aspect van de Elementen, de constructies met passer en liniaal, is ook een
nieuwigheid voor de Chinezen.

Toch gaat een aantal wiskundigen met zowel bewijzen als constructies aan de
slag. Men ziet zeker het belang van het bewijzen van stellingen in en ook door
constructies is men gefascineerd. Wat daarbij opvalt is dat beide vernieuwingen
niet rigoureus worden doorgevoerd. Men geeft bewijzen, maar heeft geen
waardering voor het op axiomatische wijze beperken van het aantal
vooronderstellingen dat je doet. Men maakt constructies, maar doet dat ook met
middelen die buiten de beperking van passer en liniaal vallen. Later, als in 1723
de keizerlijke wiskundige encyclopedie Shuli jingyun het licht ziet, is daarin de
Westerse wiskunde weliswaar broederlijk naast de Chinese aanwezig, maar is
daarbij de axiomatische structuur van Euclides vervallen.

Al eerder trekt de belangrijke wiskundige Mei Wending de conclusie dat Euclides


niet veel nieuws te bieden heeft. En dat klopt natuurlijk ook wat inhoudelijke
kennis betreft: wat nieuw is bij Euclides, is de methode, niet de inhoud die voor
het grootste deel triviaal is. Dat de Chinezen de axiomatische methode destijds
niet ten volle waarderen is echter niet specifiek voor deze op traditie gerichte
cultuur. Het zijn juist de latere Franse Jezuïeten die meer praktisch gerichte
meetkunde boeken introduceren in China. Maar ook Descartes -naast filosoof ook
wiskundige- vond Euclides maar een saaie piet en ontwikkelde zelf zijn
analytische meetkunde op niet-axiomatische wijze.

Een eindconclusie over het verband tussen de Chinese op traditie gerichte


cultuur en de matige waardering voor Euclides kan dan ook niet zonder meer
worden getrokken. Peter Mark Engelfriet waagt zich daar in zijn proefschrift al
helemaal niet aan. Voor hem is het als sinoloog voldoende om de conclusie te
trekken dat het feit dat begrippen als axioma en dergelijke moeilijk in het
Chinees konden worden vertaald, een probleem vormde voor het begrijpen van
Euclides.