You are on page 1of 18

Hoorcolleges Rechtsfilosofie I

Week 1 – P L A T O
- Rechtsfilosofie is een meta-vak: Niet de vraag wat rechtens is, maar de vraag wat ´recht´ is, gaat
behandeld worden. Het waarom en het waartoe.
- [Het geheugen is het slaafje van het verstand  je moet dingen kunnen onthouden om dingen te
begrijpen.]
- Waarom is het recht op aarde?
- Gedachte- experiment: stel, alles wat te maken heeft met het recht is bij toverslag verdwenen
(geen rechters, geen politie, geen gevangenissen, geen wetgeving, helemaal niks). Wat gebeurt er
dan?
o Er ontstaat chaos, anarchie. Er wordt geroofd, verkracht, etc.
 Het recht is op aarde om de maatschappelijke orde te verzekeren
 Is dat de enige taak/doelstelling van het recht?
o Sovjet-Unie: orde werd gehandhaafd, geen chaos. Was er sprake van recht? Formeel
gezien wel (er was wetgeving, politie, etc.). Desalniettemin zeggen vele rechtsgeleerden
dat er geen sprake van een rechtstaat was, maar een ‘onrechtstaat’. Een rechtsapparaat
kan dus bestaan, en toch wordt er van onrecht gesproken.
 Wat ontbreekt er dan nog?
 De rechtvaardigheid
 Tweede doelstelling van het recht: rechtvaardigheid; deze doestelling overstijgt
het doel van handhaving maatschappelijke orde.
- Wat is rechtvaardigheid?
 Centrale vraag in dit vak
- Hoe behandel je een dergelijke vraag?
o Vooruitgangsgedachte? Alles wordt steeds beter/rechtvaardiger? Dus jongste/laatste
literatuur over rechtvaardigheid bestuderen.
 Geldt eigenlijk alleen op het gebied van techniek. Hoe zit het bijvoorbeeld met de
(kennis van) moraal/moreel besef? Misschien neemt deze wel alleen maar af.
 We gaan Plato (Politeia; 400 v. Chr.) en Hobbes (Leviathan; 1651) lezen, niet de
jongste literatuur, maar staan wel op het hoogste niveau qua denken over
rechtvaardigheid.
 De twee boeken staan haaks op elkaar; twee tegengestelde visies.
 Plato: traditionele visie op rechtvaardigheid (zowel in Westen als Oosten)
 Hobbes: moderne visie op rechtvaardigheid (dominerend in het Westen)
o Addendum: Federalist Paper no. 51
Plato; Politeia (400 v. Chr.)
- Plato schreef zijn boeken in de vorm van een dialoog
- Niet een academisch vertoog, maar meer te vergelijken met een toneelstuk (tragedie; komedie);
inhoudende:
o Argumentatie (logos)
o Emotie (pathos); beïnvloeden wat er gezegd wordt (argumentatie)
o Karakter(beschrijving) (ethos); veel van wat er gezegd wordt is te herleiden tot de
karakters die het zeggen
- Hoofdfiguur in de dialogen = Socrates
o We gaan ervan uit dat Socrates de spreekbuis is van Plato
- Politeia is opgedeeld in 10 hoofdstukken, deze noemen wij boeken
o Boek 1 = inleiding
o Boek 10 = uitleiding
o Boek 2-9 wordt besproken in colleges
Boek 1
- Inleiding tot het grote werk
- De vraagstelling van het hele werk wordt uit de doeken gedaan:
o Wie is gelukkiger: een rechtvaardig mens of een onrechtvaardig mens?
 Wat geeft een beter leven: eerlijk, betrouwbaar, loyaal leven of egoïstisch zijn en
voor je eigen belang te gaan?
 Socrates pleit ervoor een rechtvaardig leven te lijden/rechtsschapen mens te zijn,
dat leidt tot een gelukkiger leven.
Boek 2
- Drie gesprekspartners:
o Socrates (45)
o Glauco (20) en Adeimantos (20): student/leerling van Socrates, die zij zeer vereren
- Glauco en Adeimantos zijn nog niet overtuigd van Socrates stelling dat een rechtschapen mens
gelukkiger is. Ze willen graag geloven dat het beter is om rechtschapen te zijn, maar ze kúnnen het
niet geloven. Hoe kunnen ze worden overtuigd? Glauco gaat advocaat van de duivel spelen.

- Glauco brengt de twee sterkste argumenten naar voren waarom je niet gelukkiger bent wanneer
je rechtvaardig leeft:
- Argument 1:
1. Als de mens sterk genoeg was om onrecht te doen zonder het risico te lopen onrecht te lijden,
dan zouden we het doen
2. Maar de mens is niet sterk genoeg. De mens weet dat wanneer hij onrecht doet, hij ook
onrecht zal lijden.
3. Wij allemaal hebben meer pijn & verdriet van het onrecht ondergaan dan dat we geluk hebben
van het onrecht doen (antropologische stelling over menselijke natuur)
4. Conclusie: omdat de mens zo in elkaar zit, neemt hij genoegen met het kleinste kwaad (we
spreken af dat we allemaal rechtvaardig zijn). Rechtvaardigheid beschouwen we dus niet als
iets goeds, het is het kleinste kwaad. Als we sterk genoeg waren, zouden we onrechtvaardig
willen zijn. De enige reden waarom we niet onrechtvaardig zijn, is omdat we bang zijn voor de
consequenties. Theorie waarbij het uitgangspunt is dat de mens egoïstisch is.
- Vervolg: parabel; verhaal dat deze theorie zou moeten toelichten, parabel van de Ring van Chiches
o Gedachte-experiment: stel u heeft een onzichtbaarheidsmantel, houdt u zich dan keurig
aan de wet? Of gaat u bijvoorbeeld stelen? Als de pakkans 0 is, verliest u dan de
rechtvaardigheid uit het oog?
- Argument 2:
- Volledig absoluut rechtvaardige mens en volledig absoluut onrechtvaardige mens met elkaar
vergelijken; wie leeft het gelukkigst?
o Rechtvaardige mens doet altijd het gepaste/juiste. De rechtvaardige mens zal als inwoner
van een land dat een oorlog ten onrechte begon, dit ook verkondigen (en zich niet achter
zijn eigen land scharen). Creëert hiermee vijanden. Rechtvaardigheid levert je geen
vrienden op, slechts vijanden. ‘De rechtvaardige mens zal worden gegeseld, gefolterd en
gevangengezet, (…) en zal na allerlei martelingen worden gekruisigd’.
o De onrechtvaardige mens zal de schijn ophouden van rechtvaardigheid. Wat voor leven
leeft zo iemand? Hij zal een goed leven hebben.
o Kortom: het gaat er in het leven om rechtvaardig te lijken, maar onrechtvaardig te zijn,
dan leef je als een god.
- Adeimantos is het eens met Glauco maar wil er nog wat aan toevoegen:
o De traditionele religieuze tegenwerping tegen het leven om rechtvaardig te lijken maar
onrechtvaardig te zijn  God prikt door deze schijn heen. God zal je uiteindelijk je
verdiende loon geven.
o Maar Socrates, stel nou eens dat God niet bestaat. Is er dan nog steeds een reden om als
rechtvaardig mens door het leven te gaan?
o Bovendien: als je alleen maar rechtvaardig bent omdat je bang bent voor de straf van God,
ben je dan wel rechtvaardig? Dan ben je toch ook alleen maar rechtvaardig uit de angst
voor consequenties?
o Is er een overtuigende reden om een rechtvaardig mens te zijn, ook al zou God niet
bestaan en zou het onzichtbaar blijven voor de mens?
- 3.68a  Socrates gaat bewijzen waarom het inderdaad zo is dat het beter is om een rechtvaardig
mens te zijn.
- Eerst iets zeggen over de definitie van rechtvaardigheid enerzijds en onrechtvaardigheid anderzijds
o De rest van boek 2 tot en met de eerste helft boek 9  gaan over de vraag wat is
rechtvaardigheid/onrechtvaardigheid
o Pas in de tweede helft boek 9: terugkomst op hoofdvraag

Week 2 - Rechtvaardigheid
- Rechtvaardigheid  contextualiseren
 Wat is goed/kwaad? Niet praten over de rechtvaardige samenleving maar de goede
samenleving
- Rechtvaardig mens / Rechtvaardige samenleving
o Als je een idee kan krijgen van een rechtvaardige samenleving, dan moet je die ook in de
mens vinden
 Eerst kijken naar de samenleving; de politiek/samenleving is eenvoudiger te
begrijpen dan de mens begrijpen  met afstand is het makkelijker iets te
begrijpen
- 3.69a  onderzoek naar rechtvaardigheid/onrechtvaardigheid begint
o We moeten een dubbele omweg maken om hierop uit te komen; in de eerste plaats
moeten we het vraagstuk in de bredere context plaatsen: de context van goed en kwaad
 De rechtvaardigheid is een soort deelverzameling van ‘het goede’
 Verbreding
o Vervolgens kijken naar iets wat analoog is, maar makkelijker te bestuderen  de
samenleving; is groter dan de individuele mens
 Daarn, halverwege boek 4  terugkeer naar individuele mens
Wat is een goede samenleving?
- Wat is het doel van de samenleving?
o Ervoor zorgen dat de leden van de samenleving zo gelukkig mogelijk zijn
 (Oer)mens  verlangens/begeertes bevredigen
- Hoe bereiken we dat doel?
o Arbeidsdeling/specialisatie

- Stel: de mens heeft weinig begeertes; zoals bij de dieren


o Dan kan de gemeenschap volstaan met weinig mensen/leden  kleine samenleving;
geringe arbeidsdeling
- Maar de mens heeft oneindig veel begeertes; daarin wijkt de mens af van andere dieren
- Wat is het gevolg van die oneindigheid aan begeertes?
o Veel meer mensen nodig  grote samenleving
 Veel arbeidsdeling/specialisatie
o Schaarste doet z’n intreden (begeerte en schaarste: twee kanten van dezelfde medaille)
- Wat is het gevolg van schaarste?
o Strijd/criminaliteit/oorlog; conflict tussen mensen
- Door oneindige hoeveelheid begeertes  oorlog/criminaliteit  samenleving ten onder aan chaos
en anarchie
o Dus nieuwe beroepsgroep nodig  handhaving orde, zo nodig met geweld
 Politie/leger; “wachter”
 Of een bredere groep nodig om de orde te handhaven? Hoe bijv. rechter
kwalificeren? Rechterlijke macht, advocatuur, ministerie, behoort ook allemaal tot
de ordehandhavers; zelfs de wetgever, in den brede de politiek, kan je scharen
onder de ordehandhavers  politiek, juridisch, militair, ambtelijke elite  de
wachters  relatief kleine groep mensen die orde handhaaft over grote groep
mensen
- Socrates tegen Glauco  wachtersklasse is nodig om chaos/anarchie te voorkomen en begeertes
te bevredigen
- Tegelijkertijd is deze wachtersklasse het grootste maatschappelijke probleem
o De wachtersklasse moet ons beschermen, maar doen ze dat ook? Machtsmisbruik ligt op
de loer; immers, wachters zijn ook mensen met oneindig begeertes
 Zijn de wachters herdershonden die ons schapen beschermen of wolven die ons
opeten?
 Centrale vraag: Quis custodiet ipsos custodes? Wie zal de bewakers zelf
bewaken? Wie houdt er toezicht over de wachters?
 Hoe zorgen we ervoor dat de wachtersklasse niet ontaardt in een ‘roversbende’?
 Deze elite = feitelijk elitebegrip; geen normatief elitebegrip; feitelijk is er
sprake van een elite (die vaak niet deugt)
- Eerste oplossing  ‘externe’ oplossing:
o “Ultra-wachters”  extra controle instanties  Trias Politica; checks & balances
 Maar deze extra instanties kunnen ook weer ‘wolven’ worden  probleem wordt
niet opgelost
- Tweede (centrale) oplossing  ‘interne’ oplossing:
o Opvoeding van elite tot goede mensen die de macht niet misbruiken
o Opvoeden van mensen zodat ze niet meer ‘slaaf zijn van hun begeertes’  mensen die
niet meer eigenbelang laten prevaleren boven algemeen belang
 (Eliteopvoeding vindt bij uitstek plaats op universiteiten)
- Wat voor opvoeding moet je de elite geven om goed te zijn en niet macht te misbruiken?
o Gaat dit om kennis?
o Belangrijker: karakter
 Opvoeding van elite moet bij uitstek gaan om karaktervorming = het doel
- Goede leden van de elite hebben primair een goed karakter, zodat ze macht niet misbruiken
- Wat voor karaktereigenschappen zijn belangrijk? (Boek: The lost lawyer, A. Kronman)
o (1) Hardheid (knopen kunnen doorhakken, doorzettingsvermogen, incasseringsvermogen
etc.); daarbij horend distantie, afstand kunnen houden, niet te veel inlevingvermogen
(bijv. rechter moet afstand houden om recht te kunnen spreken)
o (2) Zacht(aardig)heid (trouw, loyaliteit, toegewijdheid, fatsoenlijkheid, empathie); je moet
je juist ook wel kunnen inleven (met slechts hardheid als karakter zal onderdrukking op de
loer liggen)
o (3) Eendracht (harmonie, vermogen tot samenwerken; een sociale deugd)
- Hoe krijgen we deze karaktereigenschappen bij de elite?
o Curriculum op de ‘eliteschool’:
 (1) gymnasticè; sport  om hardheid te bereiken
 (2) mousikè; de muzische kunsten; kunst  om empathie te bereiken
 De muzen (Griekse godinnen)
 Studie van de mens; humaniora  voor begrip voor de mens
o Zowel van de ander als jezelf  ken uzelf
 Weet dat je begeertes hebt die je wil bevredigen
 Ken uzelf moet leiden tot zelfverbetering
 Mensen die hun begeertes kunnen temperen/onder controle kunnen
houden zijn beter dan de oorspronkelijke mens  opoffering van
begeertes om zo de rest de kunnen bewaken
 De goede mens is dus de mens die bereid is iets voor anderen te
doen/zichzelf op te offeren
- Muzische kunsten; twee uitgelicht
o Muziek: veel muzieksoorten hebben een slechte invloed op de ziel; je wordt er woest en
vals van, of juist een zachtgekookt ei (Socrates)  te hard of te zacht
 Socrates neemt muziek uiterst serieus, muziek vormt de ziel
 Soldaten hebben muziek nodig waarvan ze moedig worden
 Mensen mogen alleen de muziek horen die hun ziel harmonieus en gebalanceerd
maakt; niet te hard en niet te zacht
o Literatuur/film; het verhaal; personages:
 Goden: Ilias en Odyssee; de goden zijn een soort helden in het kwadraat; Homerus
moet daarom eigenlijk gecensureerd worden, aldus Plato. Er moet een goed beeld
van god zijn  Theologie. God is volkomen goed. God is dan hét voorbeeld voor
de wachters.
 Helden: helden hebben een voorbeeldfunctie; verhalen leiden tot identificatie en
imitatie  belangrijk dat de helden in de verhalen echt goede mensen zijn met de
goede karaktereigenschappen (hardheid, zachtheid); helden die strijden voor het
algemeen belang

Week 3
Vorige week  iedere samenleving heeft een maatschappelijke elite
 Kans is groot dat de elite ‘slecht’ is: gaan voor eigen belang i.p.v. maatschappelijk
belang  leidt tot geen goede samenleving
 Gedachte: goede elite/goed leiderschap is de belangrijkste voorwaarde voor een
goede samenleving
 Klopt deze stelling?
 Is dit de enige voorwaarde voor een goede samenleving of zijn er
meerdere voorwaarden?
- Hoe kom je aan goed leiderschap?
o Externe controles zijn niet voldoende voor een goede elite
o Binnenin de leiders moet iets ‘gebeuren’  het moeten goede mensen zijn, van goede wil,
ten baten van de bevolking
- Hoe zorgen we dat mensen die van goede wil zijn leiders worden?
o Mensen met juiste aanleg selecteren
 Intellect (hoofd)
 Goed karakter (hart)
o Deze mensen een bepaalde opleiding geven
 Wat is dat voor opleiding?
 Plato: musikè & gymnastikè
o Socrates:
 Als de opleiding afgerond is, dan zijn we nog niet klaar met de vorming van de elite
(wachters)  nog een ronde invoeren: selectie van de besten onder de wachters
 Deze besten krijgen nog een hogere opleiding (vgl. gymnasium 
universiteit) met de bedoeling dat zij de echte leiders van de staat worden
 Overige wachters  ‘helpers van de leiders’; ‘lagere officieren’
 Vrouw & kinderen: ‘onder vrienden is alles gemeenschappelijk’
- 427 d: Socrates: nu weten we dus wat een goede staat is
- Waar vinden we de rechtvaardigheid in deze staat?  De goede staat:

De goede samenleving Kwaliteiten/deugden

- Zelfbeheersing
Leiders - Andreia
- Verstandigheid/wijsheid

- Zelfbeheersing
Helpers - Andreia/Fortitudo:
moed/doorzettingsvermogen, etc.

Producenten - Zelfbeheersing

- Glauco: waar is die rechtvaardigheid dan?


- 433a: Socrates: staat er niet direct, maar wel indirect
o “Ieder moet het zijne doen”  suum cuique: de traditionele definitie van rechtvaardigheid
sinds de oudheid
 Ieder moet handelen naar diens kwaliteiten  dan is er sprake van een
rechtvaardige samenleving
 Dit is dus niet democratisch; eerder meritocratisch (leidt wie het verdient
te leiden), oftewel aristocratie (heerschappij van de besten)
o Vgl. Nederlands voetbalelftal; hoogleraren universiteit  je wil de besten (suum cuique)

- Terugkeer naar het niveau van de individuele mens; de samenleving is net als het individu, maar
dan groter
o Veronderstelling: samenleving en individu lijken op elkaar

Goed individu/goede ziel (vgl. samenleving)


 Bestaat onze ziel (ook) uit drie delen?
 Men gaat over het algemeen uit van een tweedeling van de ziel (verstand/gevoel);
wat is het derde deel?
Verstand

Thumos: wil(skracht)
--> met de wilskracht kan je ingaan
tegen begeerstes --> assisteren van
verstand (vgl. helpers)

Pathos: gevoel/begeerstes

- Wat is een rechtvaardig mens?


o Een mens in wiens ziel alle drie de delen de plaats innemen/taak vervullen die hem
toekomt
 Het verstand moet leiden,
 geassisteerd door de wil,
 over de begeertes
- Het verstand dient bepaalde kwaliteiten te hebben (zie parallel samenleving):
o Verstandigheid (dus niet: slimheid/intelligentie)
 Het beheersen van de ars vivendi (de kunst van het leven)
 Begrijpen wat gevaarlijk is, mensenkennis, realiteitszin, etc.
- De wil dient eveneens bepaalde kwaliteiten te hebben:
o Wilskracht
 Assistent van verstand
- Begeertes  kunnen leiden tot een oorlog in de ziel (verstand + wilskracht versus begeertes)
o Samenleving: helpers moeten een ‘onderdrukkend regime’ voeren, ten behoeve van het
goede  tirannie  anarchie
o Idem dito in de ziel: je kan niet altijd ‘winnen’; oorlog in de ziel is geen stabiele toestand
 Daarom: ook de begeertes dienen een zekere matiging te hebben; de begeertes
dienen van zichzelf gematigd/beheerst te zijn
 Als begeertes gematigd zijn hoeft wilskracht niet altijd zich in te spannen,
dan lukt het wel  vrede/harmonie in de ziel
- Hoe tellen de drie kwaliteiten in de ziel op tot rechtvaardigheid?
o Voorbeeld rechter  wat moet de rechter hebben aan kwaliteiten om tot een
rechtvaardig oordeel te komen?
 Stel: rechter weet alles (kent alle wetten en jurisprudentie)  is niet voldoende
om tot een rechtvaardig oordeel te komen
 Intelligentie is niet genoeg, verstandigheid is nodig, een rechter moet zich
kunnen verplaatsen in concrete partijen die in rechtszaal aanwezig zijn
 Wilskracht/durf is nodig om een rechtvaardig oordeel te vellen
 Moet tegen publieke opinie durven in te gaan
 Matiging/zelfbeheersing is ook nodig
 Om bijv. omkoping tegen te gaan
- Eerste vraag is beantwoord (wat is rechtvaardigheid?)
- Tweede vraag: wat is onrechtvaardigheid?
o Pas dan kunnen we terug naar de vraag: wie is beter af, de rechtvaardige of
onrechtvaardige mens?
- Begin boek 5:
o Wil Socrates beginnen aan het onderwerp onrechtvaardigheid
o Adeimantus onderbreekt hem; leg uit wat valt onder die algemene opleiding +
gemeenschappelijkheid van vrouwen/kinderen
 Duurt tot het einde van boek 7
 Boek 5 – 7 is de kern, daar waar het echt filosofisch wordt (volgende week)
- Begin boek 8: terug op kwestie van onrechtvaardigheid
Boek 8
- Er is een parallel tussen samenleving en individu
- De goede samenleving/individu is hiërarchisch: de besten heersen (aristocratie)
o Als er eentje de beste is  monarchie
 Er bestaat dus zoiets als een aristocratische/monarchistische ziel
- Slechte mens/slechte samenleving
o Daarvan zijn er oneindig veel
o Maar analytisch zou het geordend kunnen worden in 4 slechte verschillende soorten
(typologie):
1. Goed
2. Timocratische samenleving/ziel (timè, eer)
3. Oligarchische (plutocratische) samenleving/ziel
4. Democratische samenleving/ziel
5. Tirannieke (dictatoriale) samenleving/ziel
 Volgorde is van goed naar slecht
 Het is makkelijker om een huis te slopen dan om een huis te bouwen  het is
makkelijker om van het goede te vervallen tot het slechte, dan om van het slechte
naar het goede te klimmen
 Meer dan deze soorten is er niet
 Combinatie van 2/3 is mogelijk

Week 4
Van het kwaad heb je oneindige hoeveelheid. Vergelijk het goede met de roos van een dartboard, van
al het niet-goede heb je oneindige hoeveelheid eromheen.

- Aristocratie:
o Ratio heerst over begeertes middels de wil
- Timocratische staat/ziel
o Timè = eer  heerschappij van de eer
o Wat is ‘eer’?
 Respect; belangrijk om respect te krijgen van anderen; ego
 Bijv.: sport; sporters zijn eer gedreven
 In samenleving  eer voor militairen
 Competitief; je wil ‘winnen’; wilskracht gedreven
 Eergevoel kan leiden tot ‘aangetast voelen in eer’; beledigd
 Kan leiden tot boosheid  geweld (verbaal/fysiek)
 In samenleving  oorlog
o De wilskracht heerst over de ratio en de begeertes
 Verkeerde verhouding in ziel/samenleving
o Eer heeft ook goede eigenschappen
 Je eervol gedragen  iemand die eergevoel heeft doet niet dingen ‘onder z’n
waardigheid’; eergevoel houdt je op het rechte pad
- Oligarchie/Plutocratie  gedreven door het geld
o Plutocratische samenleving  gericht op geld; hoe rijker hoe gelukkiger
 Niet per se waar, tot op een bepaalde hoogte is geld belangrijk, maar houdt op
o Goed aan gedreven worden door het geld  je moet er hard voor werken, je moet er
bepaalde capaciteiten hebben; bepaalde deugden
 Verstandigheid/(koopman)slimheid;
doorzettingsvermogen/incasseringsvermogen; zelfbeheersing (niet alles gelijk
uitgeven); rechtschapenheid (je klanten te vriend houden)
 Zijn dezelfde deugden die kenmerkend zijn voor de goede (aristocratische)
mens; maar bij plutocratisch mens/samenleving gericht op geld verdienen
i.p.v. het goede doen
o Gedomineerd door begeertes (geld), wilskracht en ratio dienen de begeertes (omgekeerde
goede ziel); geldt hetzelfde voor democratische en tirannieke mens/samenleving
 De laatste twee samenlevingen/mensen verschillen in het soort begeertes
- Democratische samenleving/mens
o Gaat uit van 2 beginselen: gelijkheid en vrijheid
 Vrijheid  doen wat je begeert; zoveel mogelijk begeertes willen bevredigen
 Maar: gelijke vrijheid  je mag de ander (die even vrij is) niet schaden in
je poging begeertes te bevredigen;
 Doen wat je begeert kan van de een op de andere dag variëren  lijkt op
een vlinder, aldus Plato; het fladdert een beetje op en neer
- Tirannieke samenleving/mens
o Tirannieke mens doet ook waar hij zin in heeft, maar trekt zich niks meer aan van het
schadebeginsel
o Pakken wat je pakken kan zonder rekening te houden met anderen

- Hierboven de 5 slechte samenlevingsvormen, gerangschikt van goed naar slecht;


o Verval is makkelijk, je valt snel (verder) omlaag
 Van democratie naar tirannie:
 Beginselen democratie: gelijkheid en vrijheid; iedere gezagsverhouding is
problematisch, want dat tast de gelijkheid/vrijheid automatisch aan;
hiërarchie werkt niet in combinatie met gelijkheid en vrijheid, maar
zonder hiërarchie/orde is er chaos/anarchie
o Bij chaos/anarchie  altijd ontstaat de roep om de sterke man
 De tiran; ‘stem op mij, dan herstel ik de orde/rust’
 Dit doet hij, met de harde hand; vervolgens doet
hij wat hij wil, of het mensen schaadt of niet
maakt hem niet uit
- Halverwege boek 9 (576e): nu weten we wat slecht is, en kunnen we de hoofdvraag
beantwoorden: is de goede of de slechte mens beter af?
o De twee extreme gevallen tegenover elkaar zetten
 Aristocratisch versus tiranniek mens  wie is gelukkiger?
- Socrates geeft 3 argumenten waarom de Aristocratische mens gelukkiger is (LEZEN!)
o Reden 1: kijkend naar de façade lijkt de tirannieke mens het gelukkigst, hij kan doen wat
hij wil zonder consequenties; maar ja, dat is slechts de buitenkant
 Van binnen is de aristocraat gelukkiger; want de tirannieke mens wordt gedreven
door z’n begeertes, hij wordt nooit rustig gelaten door z’n begeertes, de tiran is
een slaaf van z’n begeertes met voortdurende innerlijke onrust. Daarnaast heeft
iedereen een hekel aan de tiran  de tiran moet bang zijn voor iedereen; als
iedereen bang is voor jou, moet jij bang zijn voor iedereen. Als iedereen je haat
wil iedereen je dood hebben. De Aristocraat echter is meester van z’n begeertes,
die staat erboven  innerlijke rust. Ook zal de aristocraat niet gehaat worden
maar juist geliefd zijn, en hoeft hij dus niks te vrezen van anderen.

Boek 5 – 7
- Socrates had in zijn eerste bespreking 2 belangrijke onderwerpen genoemd die echt besproken
moeten worden:
o De hogere opleiding voor de wachters
o Gemeenschappelijkheid van vrouwen/kinderen onder de wachters
- Boek 5: vrouwen en kinderen
- Boek 6 en boek 7: opleiding wachters
Boek 5
- Vrouwen & kinderen; gaat over de privésfeer
- De goede staat wordt geleid door goede mensen die gaan voor het gemeenschappelijk belang i.p.v.
eigenbelang
- Maar de meeste mensen willen ook een privéleven
o Maar er ontstaan problemen als leiders ook een privéleven hebben, een probleem met
tijd om mee te beginnen
 Door tijd te besteden aan privéleven ga je je werk minder goed doen; conflict
tussen privéleven en publiek leven; dit probleem zal blijven bestaan, is geen
oplossing voor
 Leidt vaak tot verval van de goede staat
o Capabele mensen willen daarom vaak niet leiden; want dan hebben ze geen privéleven
meer; daardoor krijg je alleen ‘media geile gekken’ die nog de politiek in willen

- Opleiding wachters:
o Basisopleiding  met 20 jaar: vervolg opleiding (universiteit)
o Plato: 10 jaar lang voor je propedeuse met wiskunde als invulling
o Daarna 5 jaar dialectiek/filosofie
o Daarna 15 jaar ‘maatschappelijke stage’ (cursus honorum); je begint onderaan, omdat je
alle delen van de maatschappij moet hebben gezien
o Met 50 jaar: klaar voor het leiderschap (374d)  koningfilosoof

Week 5 – eind Plato, begin Hobbes


Wat kwalificeert de Koningfilosofen dat ze leiding kunnen geven aan de samenleving?
 In al zijn eenvoud: verstandigheid (al eind boek 4 geconstateerd)
 Wat is verstandigheid, en hoe komt het dat iemand verstandig wordt?
o Verstandigheid = realiteitszin, o.a. mensenkennis, een idee hebben van gevaren, etc.
 Einde van boek 5 + boek 6 en 7: dieper ingaan op realiteitszin/verstandigheid
- Socrates: drie beelden
o Vergelijking van de zon
o Vergelijking van de lijn (beiden einde boek 6)
o Vergelijking/parabel van de grot
- Realiteitszin  werkelijkheid, realiteit, de kennis van de werkelijkheid; to on ‘het zijnde’ (studie
van het zijnde = ontologie)
o Grottenallegorie  ontologisch beeld én beeld van onze kennis van werkelijkheid
 Episteme = kennis  epistemologie
- Grottenallegorie is zowel een ontologisch als epistemologisch beeld

Grottenallegorie:
- Vier niveaus van de werkelijkheid
1. Het niveau onder in de grot
2. Het niveau van het schouwspel voor het vuur (werkelijkheid)
3. Het niveau van boven de grond (mens, boom)
4. Het niveau van de zon
 Ook 4 niveaus in onze kennis van de werkelijkheid
 Sommige mensen beheersen slechts één niveau, anderen twee, etc.
- Onder in de grot:
o Geketende mens, ziet alleen schaduwen, denkende dat die schaduwen de hele
werkelijkheid is, de mens zit er al heel zijn leven
 Dit zijn wij
 Denkend kennis van de werkelijkheid te hebben, maar ziet maar een heel klein
stukje ervan (schaduwen, vertekend beeld)
 Vgl. verhalen die mensen aan elkaar vertellen, het nieuws, etc.
 Ook op hoger academisch niveau, zoals geschiedschrijving  alles is
biased, beperkt beeld, eigen interpretatie, grote kloof tussen wat er is en
wat wij weten dat er is
 Dit, terwijl het wel heel belangrijk is dat onze kennis van de werkelijkheid
zo groot mogelijk is  proberen uit de grot te komen
o We kunnen uit de grot, maar dan moeten we heel erg ons best doen, geketend onder in
de grot is onze uitgangspositie, iedere dag weer
- Wat is de werkelijkheid? Niveau twee  drie zaken:
o Alles is (in de ) tijd(elijk); de dingen ontstaan en vergaan, permanente verandering
o Alles is spatieel; in de ruimte; ruimtelijk  Al het zijnde is spatio temporeel
o De werkelijkheid is een empirische werkelijkheid; kennis hierover via de zintuigen
- Socrates/Plato denkt dat er meer bestaat dan bovengenoemde, namelijk niveau 3 en 4
o Bijv. getal pi  het bestaat, het is een ‘zijnde’,  de hele wiskunde gaat over de
werkelijkheid; wiskunde bestaat uit entiteiten, ze bestaan echt
- Niveau 3:
o Werkelijkheid is groter dan de empirische werkelijkheid; hoeft niet te voldoen aan
beschrijving van niveau 2 (niet temporeel, niet spatieel, niet empirisch te kennen)
 Wiskunde, een ‘Platoons idee’, idea/eidos)  te kennen middels het verstand,
ratio
 Hoe verhouden Platoonse ideeën zich tot de empirische werkelijkheid?
Schaduwen zijn afspiegeling van empirische werkelijkheid. Empirische
werkelijkheid is een afspiegeling van de Platoonse ideeën (echte boom is
afspiegeling van ‘het idee boom’).
o Wat omvat dat ideeënrijk eigenlijk? Meer dan alleen wiskunde. Ook de moraal is een idee,
zoals de rechtvaardigheid. Rechtvaardigheid is hetzelfde als pi. Een absoluut,
onveranderlijk idee.
o Wiskunde wordt van je 20ste tot 30ste gestudeerd bij de opleiding van Plato om de geest te
rijpen voor niveau 3; maar het gaat om meer dan wiskunde  begrip van goed en kwaad
 studie van filosofie (van je 30ste tot 35ste)
- Terug naar de notie van verstandigheid, realiteitszin  op het hoogste niveau besef hebben van
de Platoonse ideeën, wetende dat deze bepalend zijn voor de veranderlijke schaduwen op de
lagere niveaus  precies wat we willen van onze leiders
- Niveau van de zon, hoogste niveau, ook onderdeel/gerelateerd aan de werkelijkheid
o Zonlicht ligt ten grondslag aan het leven op aarde 
o Alles wat er is heeft een oorzaak  moet dan niet ook ‘het zijnde’ zelf een oorzaak
hebben? Maar de oorzaak van alles wat er is kan zelf niet ‘een zijnde’ zijn, maar moet ten
grondslag liggen aan ‘het zijnde’
 Grondslag van alles wat er is ligt daarom noodzakelijkerwijs aan geene zijde van
het zijnde  oorzaak is ‘idee van het goede’  God? (509c); speculatie
 Als God goed is  aanname  bedoeling van de wereld is ook goed
o Twee soorten mensen die dat vertrouwen ontbeerden:
 (1) God is kwaad  God heeft de wereld geschapen, maar
God is niet goed, de wereld is slecht
 (2) Nihilisme; kracht achter de wereld is noch goed, noch
kwaad; een feitelijke kracht  dus wereld is een feitelijke
grootheid, losstaande van goed en kwaad
- De enige manier om je die Grot uit te krijgen is met dwang, de mens gelooft dit verhaal niet vanzelf;
als je vervolgens boven bent  totaal verblind  wil zo snel mogelijk terug in de grot
o Maar op een gegeven moment, als je lang genoeg blijft, wen je aan het licht, en ontdek je
dat de werkelijkheid veel groter is dan wat je dacht. Omdat je een goed mens bent, wil je
terug in de grot om aan de rest te vertellen wat er boven is. De mensen in de grot geloven
het niet. En terug in de grot zie je niks meer (opeens helemaal donker). De mensen in de
grot zeggen: kijk eens even, hij is verblind geraakt, hier blijven.

Hobbes (1588-1679)
 grondlegger van moderne opvatting over Goed en Kwaad
- De ‘anti-Plato’
- De Leviathan (1651)
- Wij lezen delen 1 en 2 (over de mens; over de staat)
- Hobbes is samen met Spinoza, Descartes en Bacon  de grondlegger van belangrijkste breuk in
het denken  Verlichting
- Verlichting is anti-alles van ervoor
o Dus ook anti Plato en anti Aritoteles
- Opkomst van Verlichting hangt samen met opkomst natuurwetenschappelijk denken
o Galilei; Newton
o Nieuwe wetenschap van de natuur; kracht, massa, versnelling, etc. f = m * a
o Moderne natuurwetenschappen  haaks op Aristoteles
 I.p.v. ‘rust’, wordt ‘beweging’ als uitgangspunt genomen  daarmee al impliciet
ontkenning van de Platoonse ideeën (die eeuwig en onveranderlijk zouden zijn)
 Verwierf direct enorm gezag; kon zowel verklaren als voorspellen
 Gezag van Aristoteles en daarmee ook Plato daarom enorm onderuit
- Hobbes, tezamen met anderen genoemde  nieuwe mens- en maatschappijwetenschap, naar het
model van de moderne natuurwetenschap
o Hobbes als Galilei van de mens- en maatschappijwetenschap
Leviathan
- Hobbes begint met de mens
- De mens wil samen leven, om zo beter begeertes te kunnen bevredigen
- De mens wordt gedreven door een kracht die begeerte heet, dat is wat de mens beweegt
o Alles wat je begeert  goed
o Alles waar je aversie voor hebt  kwaad
 Daar is niks eeuwigs, absoluuts of onveranderlijks aan
- Dat wat de mens begeert, streeft hij na
- Dat waar de mens afkeer van heeft, vermijdt hij
- Wat Plato zegt over de rede die heerst over de begeertes middels de wilskracht, kan helemaal niet
volgens Hobbes
o Het is de natuur van de mens om begeertes na te streven, rede staat in dienst hiervan, de
wilskracht is de dominante begeerte
- Hoe meer je de begeertes kunt bevredigen, hoe gelukkiger je bent
- Geluksbegrip; streven naar geluk
o (1) Streven naar geluk is eindeloos en rusteloos, geen blijvende rust, altijd weer een
nieuwe begeerte
o (2) Mensen verschillen van persoon, maar ook dezelfde mens verschilt van moment tot
moment; om begeertes te kunnen bevredigen heb je vermogens nodig (bijv. gezondheid;
rijkdom, etc)  Voortdurende rusteloze begeerte naar vermogen om weer meer
vermogen te krijgen, begeerte voor begeerte
o (3) Geluk is geluk voor het individu zelf; begeertes zijn egoïstisch, de mens is van nature
een egoïst, de mens is uit op eigen belang
 Dat betekent niet dat de mens niet iets goeds voor een ander kan doen, maar dat
doet hij alleen als hij er iets voor terug krijgt (bijv. tevredenheid over jezelf)
o (4) Aangezien de mens uit is op zijn eigen geluk, schrikt hij niet terug van alle mogelijke
vormen van geweld; dat wat nodig is om begeertes te bevredigen, gaat hij doen, maakt
niet uit of het een gewelddadig middel is
 homo economicus

Week 6 - Hobbes
Mensbeeld Hobbes
- Vorige week, mensbeeld van Hobbes:
o In de mens regeren de begeertes
 Niet per se materiele begeertes (kan ook een begeerte naar veel bidden zijn bijv.;
of zelfs altruïstische begeertes, al streven de meesten naar bevrediging eigen
begeertes)
- De rede dient de begeertes
o Hume, volgeling van Hobbes: reason is the slave of the passions
- Verschil met traditionele opvatting:
o Plato: ja dit klopt, maar dit is het beeld van de natuurlijke mens, zo wordt hij geboren,
maar de bedoeling is dat de mens gevormd wordt
 (Morele) vorming van de mens  omkering van de ziel, zodanig dat de begeertes
aan de rede gaan gehoorzamen
- Hobbes; dat beeld van Plato is een fantasie, dat kan niet
o Zoals de mens geboren wordt, zo gaat hij ook z’n graf in. Van begin tot eind heersen de
begeertes
 Geluk is daarin gelegen dat je zoveel mogelijk begeertes in je leven bevredigt
 (Geluk bij Plato is erin gelegen dat de mens erin slaagt begeertes te temperen,
ordenen)
- Hobbes mensbeeld is het dominante mensbeeld in de moderne tijd geworden
 Homo economicus; nutsmaximalisator
Maatschappijbeeld Hobbes
- De mens is een kuddedier
o Dus de mens zoals beschreven door Hobbes bestuderen door hem te plaatsen in een
groep, een kudde
 Welke gedragingen vertoont de mens dan?
- Mensen die zo veel mogelijk begeertes nastreven, bij elkaar zetten, wat gebeurt er dan?
o Theoretisch 2 mogelijkheden:
 Eerste mogelijkheid (niet door Hobbes besproken):
 Wat er ook in een roedel gorilla’s gebeurt:
o De allersterkste vestigt zijn gezag, vervolgens gebeurt er precies
wat hij wil. Heeft allerlei nadelen, maar een groot voordeel: het
vestigt orde.
 Tweede mogelijkheid (volgens Hobbes gebeurt dat):
 Bij mensen gebeurt optie 1 niet. Want alle mensen zijn qua fysieke en
geestelijke kracht ongeveer elkaars gelijken. Natuurlijk zijn er IQ
verschillen, maar in het alledaagse leven helpt je dit niet zoveel. In de
praktijk van alledag heeft niemand het geestelijke/fysieke vermogen om
zijn macht te vestigen in de samenleving. Iedereen is fysiek gezien ook
uiterst kwetsbaar.
 En dan gebeurt er iets anders. Ieders leven draait om begeertes
(begeertes bevredigen is geluk). Geen begeertes, geen schaarste.
Wanneer er oneindig begeertes zijn (kenmerkend voor de mens; Plato zei
dit ook al, Hobbes is het er mee eens), is er ook oneindig schaarste.
o Bij oneindig begeertes en oneindige schaarste 
concurrentieverhouding tussen de mensen. Dat is potentieel een
conflictverhouding.  Op grote schaal conflict = oorlog. Dat is het
resultaat volgens Hobbes.
- Dus oorlog van allen tegen allen  natural condition of men, de natuurtoestand.
o (Wegens twist, tweedracht, conflict, is recht nodig; de jurist floreert bij twist en
tweedracht)
- Dus de grote vraag is niet: waarom is er conflict? Nee de grote vraag is: hoe komt het dat er soms
vrede is?
o Maar toch eerst nadenken over conflict nu
Waar leidt oorlog/conflict toe?
- Oorlog/conflict leidt tot economische- en sociale- en culturele malaise
o Tot een stilstand van het maatschappelijk leven
- Het bestaan van de mens in zo’n toestand van oorlog is eenzaam, armoedig, afstotelijk,
beestachtig en kort
- Plato zal het waarschijnlijk eens geweest zijn met deze logica (als de mens niet kan veranderen, is
dit het resultaat)
o Maar Plato denkt dat de mens wel kan veranderen; heeft dus een ander mensbeeld
- Maar niemand wil/begeert deze natuurtoestand
 We gaan nadenken (reason is slave of the passions) over hoe we uit deze
natuurtoestand komen
- We willen leven in vrede en veiligheid leven  want dan kunnen we onze begeertes bevredigen
o Deze gemeenschappelijke basisbegeerte (universeel) hebben we zodat we onze
individuele begeertes kunnen bevredigen (die van mens tot mens verschillen)
- Dus grote vraag voor de gemeenschap: hoe bereik je vrede en veiligheid?
Hoe komen we uit de natuurtoestand van de mens? Hoe bereik je harmonie tussen mensen?
- Hobbes: 19 principes van de vrede (H14 en H15)
o Belangrijkste principes:
1. Je moet vrede willen; zoek vrede. Waar geen goede wil is, houdt het op
2. Hoe bereik je dan vrede? Hoe van vijand naar vriend? Anderen behandelen zoals jij door
hen behandelt wil worden  gulden regel (je zou kunnen zeggen dat alle andere
vredesprincipes hier ingebakken zitten)
3. Kom je afspraken na
4. Als iemand iets goeds voor je gedaan heeft, wees dan dankbaar. Immers, niemand geeft
iets weg zonder dat hij daarmee zijn eigen voordeel in het oog heeft. Als jij ondankbaar
bent, dan krijgt hij niet wat hij wil (een goed gevoel), leidt tot conflict. Dankbaarheid sticht
vrede
5. Wees inschikkelijk. Pas je aan, bezorg geen overlast, wees sociaal, kijk om je heen.
6. Schenk vergiffenis. Mits er berouw is, en garanties voor verbetering in de toekomst.
Vergiffenis schenken is instandhouding van de vrede. Als iedereen zijn hakken in het zand
zet gebeurt er niks.
8. Zondig je niet aan smaad, hoon of belediging. Als je iemand beledigt, krijg je conflict.
11. Zorg dat je oordeel onpartijdig is; een onpartijdig rechter sticht vrede, een partijdig
rechter sticht conflict
17. Wees nooit rechter in eigen zaak. De kans dat je onpartijdig bent in eigen zaak, is
gegeven de aard van de mens, nihil.
 Concept van die 19 principes zijn tamelijk traditioneel; onveranderlijk, eeuwig, gelden voor allemaal.
Een absoluut goed. En ook de inhoud is traditioneel.
- Hoe zit dat met die breuk met de traditie?
- Vgl. Plato:
o Pi is iets absoluuts, altijd, onveranderlijk. Net als de idee van de rechtvaardigheid. De mens
moet met z’n verstand als het ware participeren in de notie van rechtvaardigheid. Met
zicht op rechtvaardigheid kun je een brug bouwen, dan kun je rechtvaardig zijn.
o Deze ontologische fundering van goed en kwaad, daar haalt Hobbes een streep
doorheen.
- Hobbes meent dat de ideeënwereld fantasie is. Wat is nou de moraal/goed/kwaad?
o De 19 principes zijn goed en kwaad
o We willen ons hieraan houden omdat het vrede sticht
o We willen vrede omdat we dan ons nut kunnen maximaliseren (begeertes bevredigen)
 We moeten ons aan de moraal houden opdat we zoveel mogelijk begeertes
kunnen bevredigen. Aan de moraal houden uit eigen belang.
 De moraal is dus niet gefundeerd in iets hoogs, maar puur in ons eigenbelang. De
fundering is niet transcendent, maar immanent (binnen de wereld, te vinden in
het laagste van de mens, begeertes).
 Onttovering van de moraal; is zeker revolutionair. Moraal staat in dienst
van de begeertes
- Vgl. Christendom en Islam
o Volgens Christendom en Islam  fundering van goed/kwaad is God. 10 geboden
afgekondigd. Als onze begeertes iets anders zeggen, is het jammer voor de begeertes.
Begeertes mogen alleen bevredigd worden als ze sporen met de 10 geboden. Moraal
limiteert de begeertes
o Dit heeft Hobbes helemaal weggestreept. Moraal faciliteert begeertes, behulpzaam voor
de betere behoeftebevrediging
- Met rede achterhaald dat de begeerte het fundament is van de vrede en moraal
o Hoe toe te passen?
o Men houdt zich in praktijk niet aan de 19 principes van vrede
 Verklaring: de begeertes heersen in de ziel, niet de rede
- Als we begeertes konden temperen, dan konden we ons wel aan die principes houden, maar dat
kan niet volgens Hobbes  zijn we dan gedoemd tot conflict? Nee, er is één uitkomst volgens
Hobbes. Indien men beseft dat men er niet uit komt, dan kan men er iets aan doen. Namelijk
vrijwillig ‘op laten sluiten’
 Wat hebben we nodig om ons toch aan de regels te kunnen houden? Iets of
iemand die ons dermate veel angst inboezemt, dat dit opweegt tegen de begeerte,
zodat we ons aan die principes houden.
 Vgl. verkeer: boetes om te voorkomen dat men niet te hard rijdt; angst
weegt op tegen de begeerte
- We beseffen dus zelf dat we angst nodig hebben; een organisatie die ons angst inboezemt
De overheid; de staat, de soeverein, de Leviathan
- We willen zelf een Leviathan  sociaal contract
 Sociaalcontracttheorie is geen historische theorie, maar een rechtvaardige
theorie. Verklaart niet hoe de staat is ontstaan, maar rechtvaardigt waarom er een
staat is. Angst is goed, overheid is nodig, anders kunnen we ons niet aan de regels
houden, regels zijn nodig voor vrede&veiligheid, en dat is nodig om begeertes te
kunnen bevredigen
- Wat blijft er dan nog over?
o De staatsleer, de constitutionele theorie. Hoe moet de staat georganiseerd worden?
- Wat is dit nu voor staat, met een Leviathan?
o Het begin, de oorsprong, van de moderne, liberale staat
 De taak van de staat is niks anders dan vrede en veiligheid handhaven. Verder
zoekt iedereen het maar zelf uit, en streef je je begeertes na, want daar gaat het
om in het leven.
o Is er dan niet een taak voor de staat om de mens op te voeden? Nee, want wat je begeert
moet je zelf weten. Iedereen is vrij om, als je vrede en veiligheid niet aantast, na te streven
wat je wil.
 In tegenstelling tot traditie, die stelt dat opvoeding nodig is om begeertes te
kunnen temperen (bijv. wetgeving die de consumptie van alcohol beperkt)
 Educatie, wetgeving ter opvoeding van een verstandig mens bij Hobbes
niet ter zake
- Hoe moet de staat georganiseerd worden? Volgend college

Week 7 – Hobbes, staatsleer


Waar komt het woord ius vandaan?
o Iustum  het juiste?
 Het rechtvaardige
 Recht moet in de basis zijn, het rechtvaardige
 Een verband tussen het recht en rechtvaardigheid
o Recht is absoluut, onveranderlijk  Plato
o Natuurrecht
o Mensenrechten
o Iusum  het voltooid deelwoord van iubio, bevelen
 Recht is in essentie een bevel, een ge/-verbod
 Implicatie van een duaal systeem: machthebber (bevelgever) enerzijds,
onderdanen (die dienen te gehoorzamen) anderzijds
 Recht is de wil van de machthebber
o Als de wil verandert, verandert het recht
o Recht is relatief, veranderlijk  Hobbes
o Rechtspositivisme
o Recht in het ene land is onrecht in het andere land]

- De mens zit zo in elkaar, dat als hij in een gemeenschap samen moet werken, leidt tot een oorlog
van allen tegen allen
o De mens kan daar zelf weinig aan veranderen, en heeft daarom dus een organisatie nodig,
en wil deze ook hebben, om te zorgen voor orde, vrede en veiligheid (want dat kan hij niet
zelf voor elkaar krijgen doordat hij beheerst wordt door begeertes), want dan kan hij zijn
begeertes bevredigen en is hij gelukkig  Leviathan
Het constitutionele recht van Hobbes
- Hoe sterk/machtig moet de staat zijn, willen mensen voldoende angst voelen om zich
daadwerkelijk aan de regels te houden (ondanks dat begeertes dat niet willen)?
- Hobbes: de macht van de staat moet heel groot zijn. De staat moet vergeleken met alle andere
individuen en organisaties verreweg de meeste macht hebben. Anders kan er geen orde, vrede en
veiligheid zijn.
o Is er iemand, een individu/organisatie etc. met heel veel macht (overmeighty subjects)
groot gevaar voor vrede/veiligheid (H22 Leviathan)
o Macht moet gecentreerd zijn bij de overheid
- Ook de macht binnen de staat moet gecentreerd zijn  als de macht binnen de staat te veel
gespreid is, dan krijg je ook een burgeroorlog, conflict, etc. (dus trias politica e.d. niet goed (H29
Hobbes), zie ook shutdown in VS)
o Kan ook democratische macht zijn, maar mag niet gespreid worden over verschillende
organen, maar voorkeur van Hobbes gaat uit naar 1 persoon
 1 persoon omdat tussen meer mensen onenigheid kan ontstaan, bij 1 persoon
gebeurt dat niet
Overmeighty subjects, H22
- Bodies of 2 types, lichamen
o Publieke lichamen: maatschappelijk middenveld, civil society, regio’s, regionale overheden
o Private lichamen: multinationals, etc.
 Je hebt ze nodig, maar als ze te machtig worden  levensgevaarlijk
 Bedreigen de soeverein, en daarmee de vrede, orde en veiligheid in
samenleving
 Geldt met name van 1 type groep  kerkelijke organisaties  als gelovige
ben je in principe namelijk onderdaan van twee soevereinen  wie moet
ik gehoorzamen als de twee niet dezelfde richting op gaan? Veelal zal men
kiezen voor God (men moet God meer gehoorzamen dan de mens)  de
religieuze mens zal dus niet doen wat de staat wil.
o Oplossing: inkapselen van het geloof
 Kerk ondergeschikt maken aan de staat (staatskerk,
Turkije)
 Staat ondergeschikt maken aan de kerk (theocratie, Iran
bijv.)
 Scheiding tussen Kerk en Staat: Kerk zorgt voor zielenheil,
Staat voor aardse belang
 Is dit wel een oplossing?
 Niet als het botst; bijv. abortus; dan heb je dus in
praktijk geen scheiding tussen kerk en staat
o In praktijk hebben we staat gaat boven de
kerk  Hobbes
Hobbes grote zorg: anarchie
 Wat nou, als de sterke staat, bestaande uit mensen die begeertes willen
bevredigen, hun macht niet gebruiken om vrede te bewaren, maar om ons te
onderdrukken? Tirannie/dictatuur?
 Is tirannie niet net zo’n groot gevaar als anarchie?
- Hobbes: tirannie is mogelijk, maar je moet niet zeuren, onderdrukking zal nooit zo erg zijn als
burgeroorlog (alles is beter dan anarchie)
o Hobbes gelijk:
 2003; Irakoorlog. Irakezen bevrijden van tiran. Werd het er beter van? Nee.
Anarchie.
o Hobbes ongelijk? Tirannie in 1651 vs. Tirannie in 2018
 Hoe bespioneerde tiran in 1651 een onderdaan/politieke vijand? Ging heel
moeilijk. Stand van de techniek was zodanig laag dat de mogelijkheden voor een
tiran om zijn bevolking te onderdrukken erg beperkt waren.
 Wat zijn de mogelijkheden van een tiran vandaag de dag? Oneindig veel. Alleen al
dankzij de mobiele telefoon. De staat weet alles van ons. Wat je zegt, wat je denkt.
Mogelijkheden exponentieel toegenomen.
 Nieuw woord voor moderne tirannie  totalitarisme; totale controle van de staat
over de onderdanen. (Das leben der anderen; nog stuk minder geavanceerde
middelen dan vandaag)
 Dit beseffende, kan je niet meer met Hobbes meegaan in de gedachte dat tirannie
een stuk minder erg is dan anarchie. We willen orde en vrijheid. Hoe combineer
je de twee? Dat brengt ons bij de federalist papers.
Federalist Papers – nr. 51
- Na onafhankelijkheid wilden de Amerikanen een democratische republiek stichten (eind 18e
eeuw)
- Philadelphia convention  US constitution
- Hamilton en Madison waren vooraanstaand deelnemer aan de conventie  makers van
constitutie
o Federalist papers  krantenartikelen met uitleg over constitutie; politiek filosofisch
commentaar
- Eerste helft federalist papers  over anarchieproblematiek
- Tweede helft federalist papers  over tirannieproblematiek (nr. 51 begin)

- Centrale citaat nr. 51: What is government itself but the greatest of all reflections on human
nature. If men were angels, no government would be necessary. If angels were to govern men,
no controls on government would be necessary. If framing a government, which has to be
administered by men over men, the great dificulty lies in this: you must first enable the
government to control the governed, and in the next place, you must oblige it to control itself.

- Hoe kun je ervoor zorgen dat de staat zichzelf controleert? En dus niet ontaard in een tirannie
o Een afhankelijkheid van de bevolking (democratie) is een primaire waarborg tegen de
ontaarding in een tirannie. Maar ervaring heeft de mensheid de noodzaak geleerd van
aanvullende voorzorgsmaatregelen:
 Trias Politica: enerzijds scheiding der machten, anderzijds checks & balances
 Wetgevende-, uitvoerende- en rechtsprekende macht  macht verdelen
over verschillende personen ter voorkoming van tirannie
o Maar ervaring leert dat pure machtenscheiding niet werkt; leidt
tot dominantie van één van de machten, waarschijnlijk de
wetgevende macht (want deze ligt ten grondslag aan de andere
machten)
 Daarom: checks & balances  de machten dienen elkaar
te controleren (waardoor geen absolute scheiding der
machten, maar eerder spreiding der machten) 
vertrouwensbeginsel (controle regering door parlement);
bestuursrecht; constitutionele toetsing