You are on page 1of 54

Geloofwaardigheid van online

nieuwsbronnen

Het effect van onafhankelijke en afhankelijke bronnen op


de geloofwaardigheid van nieuwsberichten

Masterscriptie Nederlandse Taal en Cultuur,


specialisatie Journalistiek en Nieuwe Media.
Universiteit Leiden

Christel van de Burgt


Geloofwaardigheid van online
nieuwsbronnen

Het effect van onafhankelijke en afhankelijke bronnen op


de geloofwaardigheid van nieuwsberichten

Masterscriptie Nederlandse Taal en Cultuur,


specialisatie Journalistiek en Nieuwe Media.
Universiteit Leiden
Begeleider: dr. Alexander Pleijter

Christel van de Burgt, MSc


Studentnummer 0751758
c.vandeburgt@gmail.com
November 2010
Voorwoord

G. Cronkhite en J. Laska (1976, p. 92). In: A critique of factor analytic approaches to the study of
credibility. Communication Monographs, 43, 91-107.

Ik had het niet beter kunnen verwoorden.

Maar ik ben trots op proces en resultaat. Ik wil graag een aantal mensen bedanken die mijn
afstuderen mogelijk hebben gemaakt: Alexander Pleijter en Jaap de Jong van de opleiding
Journalistiek en Nieuwe Media, Stan, Galiëne en Mark van Maters & Hermsen
Bedrijfsjournalistiek, Stephan van Velthoven van onderzoeksbureau Synovate en ten slotte
mijn ouders en mijn broer.

Op naar het volgende avontuur.

3
Inhoudsopgave

1. ACHTERGROND 6

1.1 De waarde van informatie: geloofwaardigheid 7


1.2 Probleemstelling 7
1.2.1 AD Rotterdams Dagblad, Havenbedrijf Rotterdam N.V. en Milieudefensie 8

2. THEORIE 9

2.1 Afhankelijke versus onafhankelijke bronnen 9


2.1.1 Journalistiek als professie 9
2.1.2 Corporate communicatie en modellen van communicatiemanagement 10
2.1.3 Conclusie: onafhankelijke en afhankelijke bronnen 11
2.2 Geloofwaardigheid 12
2.2.1 Geloofwaardigheid in perspectief: Elaboration Likelyhood Model 12
2.2.2 Conceptualisering van geloofwaardigheid 13
2.2.2.1 Geloofwaardigheid: journalistieke basisprincipes 15
2.3 Onderzoeksvragen en hypothesen 17

3. METHODE VAN ONDERZOEK 21

3.1 Onderzoeksontwerp 21
3.2 Proefpersonen 22
3.3 Operationalisering 23
3.3.1 Experimentele variabele: informatiebron 23
3.3.2 Afhankelijke variabele: geloofwaardigheid 24
3.3.3 Controlevariabelen: favoriet nieuwsmedium en demografische kenmerken 26
3.4 Methode van analyse 28
3.5 Kwaliteit van het onderzoek 29
3.5.1 Validiteit 29
3.5.1.1 Interne validiteit 29
3.5.1.2 Externe validiteit 29
3.5.2 Betrouwbaarheid 30

4. RESULTATEN 31

4.1 Effect van informatiebron op geloofwaardigheid 31


4.2 Effecten van controlevariabelen op geloofwaardigheid 31

4
4.3 Gecombineerde effecten van informatiebron en opleidingsniveau op
geloofwaardigheid 32

5. CONCLUSIES EN DISCUSSIE 34

5.1 Conclusies onderzoeksvragen en hypothesen 34


5.2 Interpretatie van de bevindingen 35
5.3 Beperkingen en suggesties 38

BIJLAGEN

Bijlage 1: Vragenlijst experiment 42


Bijlage 2: Beeld condities: AD Rotterdams Dagblad, Milieudefensie & Havenbedrijf
Rotterdam N.V. 45
Bijlage 3: Syntax SPSS 48

5
1. Achtergrond

“Een zorgwekkende ontwikkeling […]: de lokale overheid die een freelance journalist inhuurt
om over raads- en commissievergaderingen te schrijven. Alarmerend. Het rechtstreeks
financieren van een journalist staat diens onafhankelijkheid in de weg” (Nederlandse
Vereniging van Journalisten, 19 februari 2010). Thomas Bruning, secretaris van de
Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ), reageert hiermee op de keuze van de
gemeente Renswoude om een freelance journalist te betalen voor het schrijven van
‘persberichten’ over gemeentelijke belangen (NVJ, 2010; Logeion, 11 maart 2010). De
burgemeester van Renswoude gaf aan dat de regionale pers niet meer zo vaak aanwezig is
bij de raadsvergaderingen. De gemeentelijke overheid wilde op deze manier weer deel
uitmaken van het publieke debat.

In januari van 2008 verschijnt een persbericht van het Ministerie van Justitie met de kop:
‘Openbaar Ministerie komt met eigen ‘YouTube’. In het bericht wordt de heer Brouwer,
voorzitter van het college van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie (OM)
geciteerd: “Jammer genoeg is en blijft de berichtgeving in de [nieuws]media erg gericht op
incidenten. Komend jaar willen we minder energie kwijt zijn aan reageren en nog meer zelf
het initiatief grijpen. We willen het verhaal van het OM actiever uitdragen. Dat zullen we
onder meer doen via de start van OM-tv [online]” (Centraal Justitieel Incassobureau, 18
januari 2008).

Deze twee cases illustreren hoe de journalistiek onder druk staat. De toenemende
professionalisering van het communicatievak, de toenemende concurrentie op de
nieuwsmarkt en de toenemende druk om voortdurend up-to-date informatie aan te bieden,
zorgen ervoor dat voorlichters en pr-medewerkers steeds meer invloed krijgen op de
attitudes en gedrag van het publiek (Prenger & Van Vree, 2004).
Er wordt veel onderzoek gedaan naar het veranderende speelveld van journalisten. In
dit onderzoek staan echter niet de nieuwsaanbieders centraal, maar de
nieuwsconsumenten. Maakt het nieuwsconsumenten iets uit dat nieuws rechtstreeks
afkomstig is van het OM, of van de gemeente? Waarderen ze nieuws van niet-journalistieke
bronnen anders dan van journalistieke bronnen?
Door middel van een experiment wordt onderzocht of nieuwsconsumenten hetzelfde
nieuwsbericht aangeboden door verschillende nieuwsaanbieders, verschillend waarderen.
Hierbij worden nieuwsaanbieders opgesplitst in zogenaamde onafhankelijke en afhankelijke
bronnen. Onafhankelijke bronnen zijn de bronnen die met hun producten primair het
algemeen maatschappelijk belang dienen. Meestal wordt de status onafhankelijkheid in
verband gebracht met de zogenaamde publieksjournalistiek. Afhankelijke bronnen zijn de
bronnen die primair hun eigen belangen dienen. De status afhankelijkheid wordt regelmatig

6
in verband gebracht met strategische communicatie, zoals pr, voorlichting of marketing, en
met de term 'bedrijfsjournalistiek'.

1.1 De waarde van informatie: geloofwaardigheid


Niet alle informatie heeft dezelfde waarde. Sommige informatie is ‘beter’ dan andere. Op
basis van kenmerken van de informatie, zoals het type informatie, de inhoud of de
presentatie, maken ontvangers een inschatting van deze waarde (Petty & Cacioppo, 1996).
Sinds de jaren vijftig wordt in de communicatiewetenschappelijke literatuur de
evaluatie van informatie in verband gebracht met de geloofwaardigheid ervan.
Geloofwaardigheid wordt eenvoudig aangeduid als "worthiness of being believed" (Johnson
& Kaye, 1998, p. 328) maar gewoonlijk gemeten aan de hand van een reeks onderliggende
variabelen die samen verwijzen naar het ‘grotere’ concept geloofwaardigheid. Uit onderzoek
in die periode naar attitudeveranderingen werd geconcludeerd dat hoe geloofwaardiger men
de informatie vindt, hoe eerder men de boodschap zal accepteren (Hovland & Weiss, 1951-
1952; Hovland, Janis & Kelley, 1961). Geloofwaardigheid werd zodoende een interessant
concept zowel vanuit commercieel als maatschappelijk oogpunt en staat sindsdien centraal
in talrijke theoretische en empirische studies naar mediagebruik. “Within the field of
communication few concepts have received more scholarly attention than the issue of
e
credibility”, concluderen Metzger, Flanagin, Eyal, Lemus en McCann (2003) in de 27 editie
van het Communication Yearbook.
Sinds internet een informatiefunctie in de samenleving heeft gekregen, is de focus van
onderzoek naar de geloofwaardigheid van informatie verschoven van de klassieke media
naar het internet (Johnson & Kaye, 1998, 2004; Schweiger, 2000; Kiousis, 2001; Metzger,
Flanagin & Zwarun, 2003; Thorson, Vraga & Ekdale, 2010). Dit past in de traditie van
onderzoek naar mediagebruik. De opkomst van elk nieuw medium roept nieuwe vragen op
over de sociale functies en impact hiervan (Lehman-Wilzig & Cohen-Avigdor, 2004).

1.2 Probleemstelling
De informatievoorziening in de samenleving is deels in handen van organisaties die per
definitie hun eigen belangen behartigen. Dit kan als probleem worden beschouwd als de
belangen van deze organisaties niet overeenkomen met de belangen van de samenleving,
en als de lezer bij de evaluatie van de aangeboden informatie de (belangen van de) zender
niet betrekt. In dit onderzoek wordt getoetst of nieuwsconsumenten de geloofwaardigheid
van een online neutraal nieuwsbericht verschillend inschatten als het bericht in de context
van een onafhankelijke bron dan wel een afhankelijke bron wordt gepresenteerd. Factoren
die van invloed kunnen zijn op deze relatie, zoals mediagebruik en achtergrondkenmerken,
worden ook onderzocht.
Ondanks dat er ruim zestig jaar onderzoek wordt gedaan naar geloofwaardigheid,
waarvan vijftien jaar ook in relatie tot internet, ontbreekt onderzoek naar specifieke
afzenders van informatie. Onderzoek is voornamelijk gericht op verschillen in opgevatte

7
geloofwaardigheid tussen media onderling: tussen televisie en internet of tussen krant en
internet. Dit onderzoek biedt een eerste verkenning van het mogelijke effect van afhankelijke
bronnen op de opgevatte geloofwaardigheid van online nieuws en informatie.

1.2.1 AD Rotterdams dagblad, Havenbedrijf Rotterdam N.V. en Milieudefensie


De onafhankelijke en afhankelijke bronnen die gekozen zijn om de mogelijke effecten op
geloofwaardigheid te toetsen in dit onderzoek zijn respectievelijk 'AD Rotterdams Dagblad'
(onafhankelijk), 'Havenbedrijf Rotterdam N.V.' (afhankelijk) en 'Milieudefensie' (afhankelijk).
Bij de keuze van bronnen is een gemeenschappelijke doelgroep van een onafhankelijke en
een afhankelijke bron als uitgangspunt genomen. Deze gezamenlijke doelgroep is op haar
beurt weer de basis voor de selectie van proefpersonen.
Organisaties dienen vaak een heel specifieke doelgroep. De leden uit de groep delen
bepaalde interesses of belangen, maar vaak niet hun geografische afkomst. Het is niet
eenvoudig om een nieuwsmedium te vinden dat dezelfde doelgroep dient. Semi-
overheidsbedrijf Havenbedrijf Rotterdam N.V. informeert omwonenden van de Rotterdamse
Haven vier keer per jaar over de ontwikkelingen in hun leefomgeving door middel van een
papieren krant. Het verspreidingsgebied komt voor een groot deel overeen met het
verspreidingsgebied van regionaal nieuwsmedium AD Rotterdams Dagblad. De
gemeenschappelijke doelgroep leidde tot de keuze voor deze twee organisaties als basis
voor het experiment. Vervolgens is een nieuwsbericht geselecteerd dat betrekking heeft op
het Havenbedrijf, zodat het bericht goed zou passen in een communicatie-uiting van het
Havenbedrijf zelf. In deze nieuwsberichten bleek Milieudefensie een grote rol te spelen, als
opponent van het Havenbedrijf in relatie tot de leefomgeving van inwoners van Rotterdam en
omstreken. Dit heeft geleid tot de keuze voor een derde bron, Milieudefensie. Milieudefensie,
als actiegroep, is naast Havenbedrijf Rotterdam N.V. een interessante case voor dit
onderzoek, omdat de organisatie er voor uitkomt haar eigen belangen te behartigen, niet de
belangen van de samenleving als geheel.

8
2. Theorie

In dit onderzoek staan enerzijds onafhankelijke en afhankelijke online informatiebronnen


centraal en anderzijds de opgevatte geloofwaardigheid van bronnen en informatie. Beiden
worden in dit hoofdstuk besproken. Eerst wordt het onderscheid tussen afhankelijke en
onafhankelijke bronnen uitgelegd aan de hand van theorieën over de professionalisering van
de journalistiek en communicatiemanagementstrategieën (paragraaf 2.1). Daarna wordt het
concept geloofwaardigheid behandeld (2.2). Ten slotte worden onderzoeksvragen en
hypothesen geformuleerd (2.3).

2.1 Afhankelijke versus onafhankelijke bronnen


Hoewel het onderscheid tussen onafhankelijke en afhankelijke bronnen op het eerste gezicht
duidelijk lijkt, bestaat met name tussen publieksjournalisten en bedrijfsjournalisten discussie
over de mate waarin beide onafhankelijk zijn, en ten opzichte van welke partijen. De term
bedrijfsjournalistiek wordt regelmatig gebruikt in de vakliteratuur voor de professionals die
interne en externe communicatie-uitingen van bedrijven en overheidsinstellingen verzorgen.
Bedrijfsjournalisten hebben moeite met het stempel afhankelijkheid. Naar eigen zeggen
streven ze in hun werk namelijk naar onafhankelijkheid; een organisatie is er immers op
1
lange termijn niet bij gebaat als negatieve ontwikkelingen onbesproken blijven .
De term bedrijfsjournalistiek (In het Engels: corporate journalism) komt weinig voor in
2
de wetenschappelijke literatuur . Dit onderschrijft dat de termen bedrijf (commercieel) en
journalistiek (maatschappelijk/democratisch) moeilijk combineren; de term
bedrijfsjournalistiek past mogelijk niet zo goed bij het concept waarnaar het verwijst.
Basistheorieën op het gebied van journalistiek en bedrijfscommunicatie geven inzicht in de
verschillen tussen onafhankelijke en afhankelijke (journalistieke) bronnen.

2.1.1 Journalistiek als professie


Wanneer over de afhankelijkheidsrelatie van bedrijfsjournalisten en hun opdrachtgever wordt
gesproken, is een veelgehoord tegenargument dat publieksjournalisten ook afhankelijk zijn.
Publieksjournalisten zouden namelijk afhankelijk zijn van politieke bronnen (Raad voor
Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO), 2003), van adverteerders (McManus, 2002) of van
de alledaagse routines en ongeschreven regels op de werkvloer (Gans, 1999; Tuchman,
1972) (Vgl. Evers, 2007). Het verschil tussen bedrijfsjournalistiek en publieksjournalistiek is
dat in de publieksjournalistiek sinds ruim 50 jaar mechanismen zijn ontwikkeld om
belangenverstrengeling te voorkomen.

1
Zie bijvoorbeeld de discussies over bedrijfsjournalistiek op groepsweblog De Nieuwe Reporter
(www.denieuwereporter.nl)
2
De zoekterm “corporate journalism” levert in zoekmachines Picarta en Web of Science respectievelijk
8 en 3 zoekresultaten op.

9
Journalistiek wordt in wetenschappelijk onderzoek regelmatig geconceptualiseerd aan
de hand van sociaal wetenschappelijke theorieën over de ontwikkeling van professies in de
samenleving. Volgens deze theorieën hebben professies in het algemeen specifieke
kenmerken en ontwikkelen professies zich in opeenvolgende fasen (Singer, 2003; Wentink,
1972; Deuze, 2005). Een bepalend kenmerk in de voltooiing van een professie is de
ontwikkeling van een ethische beroepscode en het opleggen van sancties bij het niet
naleven van de code. Eén van de functies van zo’n gedragscode is de bescherming tegen
externe druk: een journalist moet zonder invloed of belangenverstrengeling van derde
partijen zijn werk kunnen doen. Deze derde partijen kunnen bijvoorbeeld mediaorganisaties,
adverteerders of bronnen zijn (Pleijter & Frye, 2007, p. 30).
De publieksjournalistiek heeft op internationaal niveau de Code van Bordeaux
3
(Internationale Federatie van Journalisten, 1954) en op nationaal niveau de Code voor de
4
Journalistiek (Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren, 2008) . Daarnaast hebben
veel redacties hun eigen gedragscodes, vastgelegd in redactiestatuten. Vanwege het
grondrecht op de vrijheid van het uiten en verspreiden van je mening (Christians, 1985-
1986), en daarmee samenhangend de angst voor censuur (Ugland & Henderson, 2007) is
5
het opleggen van sancties echter onmogelijk en volgens velen ook onwenselijk .
In de bedrijfsjournalistiek worden op het gebied van zelfregulering geen activiteiten
ontplooid. Uit onderzoek van De Bakker (2006) blijkt bovendien dat bedrijfsjournalisten zich
over het algemeen meer verwant voelen met de organisatie waarvoor ze werken, dan met
de bedrijfsjournalistiek als beroepsgroep. Bedrijfsjournalisten zullen waarschijnlijk eerder de
ethische richtlijnen van de organisatie hanteren (Evers, 2007). Hierdoor zal initiatief en
draagvlak voor ethische codes van de bedrijfsjournalistiek wellicht uitblijven. Het ontbreken
van gedragscodes in de bedrijfsjournalistiek, waar deze derde partijen nog dichter op de
journalist staan dan in de publieksjournalistiek (Van Ruler, 2007), impliceert dat
onafhankelijkheid niet gewaarborgd kan worden.

2.1.2 Corporate communicatie en modellen van communicatiemanagement


Een andere manier om (on)afhankelijkheid te definiëren is aan de hand van
wetenschappelijk onderzoek afkomstig uit de persuasieve communicatie.
Bedrijfscommunicatie wordt in relatie tot de externe partijen waarmee organisaties
communiceren opgedeeld in enerzijds de communicatie met klanten; de commerciële relatie,
en anderzijds de communicatie met burgers; de maatschappelijke relatie. Respectievelijk
worden deze typen communicatie ‘marketing communicatie’ en ‘corporate communicatie’
genoemd (Verhoeven, 2008). De taak van corporate communicatiemedewerkers is het

3
De Code van Bordeaux is te vinden op de website van de Nederlandse Vereniging van Journalisten
(NVJ), via: http://www.nvj.nl/ethiek/code-van-bordeaux.
4
De Code voor de Journalistiek van het Genootschap van Hoofdredacteuren is te vinden via:
http://www.genootschapvanhoofdredacteuren.nl/het_genootschap/code-voor-de-journalistiek.html.
5
Of het wenselijk is dat iedereen zich journalist mag noemen, en welke gevolgen dit heeft voor de
professionele houding van journalisten, roept weer een heel andere discussie op. Zie hiervoor onder
andere: Singer (2003) en Ugland en Henderson (2007), Friend en Singer, (2007).

10
voeren van discussies en debatten in de openbaarheid (p. 247) en het doel van corporate
communicatie is het “onderhouden van een langdurige wederzijdse relatie met groepen in
haar omgeving en het oproepen van een positief beeld van de organisatie (het corporate
image)” (Verhoeven, 2008, p. 242-245). Met het tweede deel, het oproepen van een positief
beeld, wordt duidelijk dat corporate communicatie nooit uitsluitend de belangen van de
samenleving dient.
Het argument van bedrijfsjournalisten dat een goede bedrijfsjournalist juist kritische
vragen stelt, en daarmee wel degelijk het belang van het publiek of de samenleving voor
ogen heeft, komt echter niet uit de lucht vallen. De theoretisch benadering van
communicatiemanagement van Grunig & Hunt (1984) biedt inzicht in de achtergrond en
waarde van dit argument. Grunig en Hunt zijn veel geciteerde onderzoekers op het gebied
van communicatiemanagement. Na veelvuldig onderzoek naar de manieren waarop
organisaties in verschillende werelddelen hun communicatie met externe partijen managen,
ontwikkelden de onderzoekers vier modellen, die de verschillende visies op
communicatiemanagement beschrijven: het propagandamodel, het voorlichtingsmodel, het
‘tweezijdig asymmetrisch model’ en het ‘tweezijdig symmetrisch model’. De eerste twee
modellen gaan uit van eenzijdige communicatie van organisatie naar publieksgroepen en
hebben beide als doel het overbrengen van de positieve kanten van de organisatie. In het
eerste model probeert men de waarheid de manipuleren; in het tweede geval zal men alleen
dat deel van de waarheid vertellen dat de organisatie in een gunstig daglicht stelt. Het derde
en vierde model gaan uit van interactie tussen zender en ontvanger. In het derde model is
de relatie tussen zender en ontvanger niet gelijkwaardig: de zender onderzoekt op voorhand
de standpunten van de ontvanger en speelt hier in zijn communicatie op in. In het vierde
model is de relatie tussen zender en ontvanger wel gelijkwaardig. Het doel van de
communicatie is komen tot een gedeelde definitie en oplossing van mogelijke problemen
(Grunig & Hunt, 1984, pp. 21-25). Dit komt ogenschijnlijk overeen met het argument
geopperd door de bedrijfsjournalistiek. Grunig et al voegen echter toe dat: “We have never
viewed the two-way symmetrical model as advocating pure cooperation or of total
accomodation of a public’s interest. We saw it as a way of reconciling the organisation’s and
the public’s interests.” (Grunig, Grunig & Dozier, 2002, p. 309). Op basis van de
communicatiemodellen van Grunig en Hunt (1984) kan dus verondersteld worden dat de
communicatie van organisaties naar burgers in het beste geval (in democratisch opzicht) de
belangen van de burger en de samenleving nastreven als deze overeenkomen met de eigen
(lange termijn) belangen van de organisatie.

2.1.3 Conclusie: onafhankelijke en afhankelijke bronnen


Uitgaande van de besproken basistheorieën op gebied van journalistiek en strategische
communicatie, wordt het verschil tussen onafhankelijke en afhankelijke bronnen in dit
onderzoek geplaatst bij het doel van de communicatie-uiting van de bron. Onafhankelijke
bronnen dienen primair de belangen van de samenleving. Door middel van

11
verantwoordingsmechanismen, zoals gedragscodes, wordt eventuele
belangenverstrengeling voorkomen. Afhankelijke bronnen dienen niet primair de belangen
van de samenleving als geheel. Bovendien ontbreken verantwoordingsmechanismen, die de
belangen van de samenleving voorop stellen. Onafhankelijke bronnen zijn zodoende alle
nieuwsmedia die werken volgens één of meerdere gedragscodes voor de journalistiek.
Afhankelijke bronnen zijn alle overige instellingen die communiceren met burgers.
Zoals in paragraaf 1.2.1 is beschreven is de onafhankelijke bron in dit onderzoek het
AD Rotterdams Dagblad en zijn de afhankelijke bronnen Havenbedrijf Rotterdam N.V. en
Milieudefensie.

2.2 Geloofwaardigheid
De manier waarop men omgaat met mediaboodschappen, waaronder de inschatting van
geloofwaardigheid, kan uitgelegd worden aan de hand van het 'Elaboration Likelyhood
Model'. Het model biedt houvast bij het interpreteren van de relatie die centraal staat in dit
onderzoek (paragraaf 2.2.1). Om geloofwaardigheid te kunnen meten, moet het begrip eerst
gedefinieerd worden. Theoretisch en empirisch onderzoek toont aan dat dit niet eenvoudig
is. Richtlijnen uit het journalistieke praktijk bieden aanknopingspunten voor een definitie van
geloofwaardigheid (2.2.2)

2.2.1 Geloofwaardigheid in perspectief: Elaboration Likelyhood Model


Het onderzoek naar de geloofwaardigheid van online informatie behoort tot de zogenaamde
media-effecten studies. In relatie tot de invloed van persuasieve boodschappen op publieke
opinievorming, worden media-effecten regelmatig verklaard of voorspeld aan de hand van
het Elaboration Likelyhood Model (ELM), ontworpen door Petty en Cacioppo. Het
basisuitgangspunt van het model is dat persuasieve boodschappen attitudes kunnen
veranderen, bijvoorbeeld hoe gedacht wordt over zaken van algemeen belang. En attitudes
zijn weer een voorspeller van iemands gedrag (Petty & Cacioppo, 1996). De precieze relatie
tussen blootstelling aan boodschap en uiteindelijke attitudeverandering is veelvuldig
onderzocht, maar met tegenstrijdige resultaten. Petty en Cacioppo hadden tot doel een
model te ontwikkelen dat de verschillen in resultaten kan verklaren (Perse, 2001).
De basis van het ELM is dat informatie op twee verschillende manieren kan worden
verwerkt: 1) op basis van de inhoud van de boodschap: informatie wordt op basis van de
geleverde argumenten zorgvuldig afgewogen tegen de al bestaande kennis van de
ontvanger van de boodschap en 2) op basis van perifere kenmerken: de boodschap wordt
niet geëvalueerd aan de hand van de inhoud, maar aan de hand van de uiterlijke
kenmerken, zoals aantrekkelijkheid of geloofwaardigheid van de zender. Deze kenmerken
leert men herkennen op basis van eerdere ervaringen met mediaboodschappen. Ze
reduceren de mentale inspanning die nodig is om de boodschap te verwerken. Beide routes
kunnen zorgen voor attitudeverandering (Petty & Cacioppo, 1996).

12
Idealiter worden alle boodschappen verwerkt op basis van de inhoud in combinatie
met perifere kenmerken. Mensen worden echter aan teveel boodschappen blootgesteld om
ze allemaal grondig te kunnen evalueren. Bovendien kunnen omgevingsfactoren, sociale of
individuele kenmerken, zoals intelligentie, kennis en interesses, ervoor zorgen dat een
boodschap slechts oppervlakkig, via de perifere route, wordt geëvalueerd. Een oordeel over
de bron wordt dus heel belangrijk wanneer informatie slechts verwerkt wordt via de perifere
route van informatieverwerking (Perse, 2001). De maatschappelijke bezorgdheid bestaat
over de mate waarin aan afhankelijke bronnen (in combinatie met persuasieve
boodschappen) geloofwaardigheid wordt toegedicht, wanneer men niet de inhoud van de
boodschap beoordeelt.
Proefpersonen in dit onderzoek worden blootgesteld aan een identiek nieuwsbericht,
maar aan verschillende bronnen. Er wordt zodoende verondersteld dat verschillen in
geloofwaardigheid niet veroorzaakt kunnen zijn door de centrale route van
informatieverwerking.

2.2.2 conceptualisering van geloofwaardigheid


Geloofwaardigheid werd volgens veel onderzoekers als eerste onderzocht door Hovland en
collega’s van de Universiteit Yale. Hovland wilde onderzoeken wat de effecten waren van
persuasie boodschappen op attitudeverandering in de periode dat de Amerikaanse regering
propaganda inzette om de bevolking te overtuigen van een gerechtvaardigde deelname aan
de Tweede Wereldoorlog (Gaziano & McGrath, 1986; Hovland & Weiss, 1951-1952). De
oorsprong van onderzoek naar geloofwaardigheid ligt dus in het gebied van de
gedragswetenschappen.
Hovland beargumenteert in zijn werk dat het concept geloofwaardigheid bestaat uit
twee dimensies: ‘expertise’, in staat zijn om de waarheid te vertellen en ‘betrouwbaarheid’,
de motivatie om de waarheid te vertellen (Hovland, Janis & Kelley, 1961). Hovland heeft
echter nooit empirisch onderzocht of ‘expertise’ en ‘betrouwbaarheid’ samen en uitsluitend
het concept geloofwaardigheid weerspiegelen. Geloofwaardigheid diende in zijn onderzoek
immers als onafhankelijke (experimentele) variabele, waarmee het effect op
attitudeverandering kon worden vastgesteld. Toch geldt de theoretische basis van Hovland
als uitgangspunt voor de conceptualisering van geloofwaardigheid in de onderzoeken die
volgden.
In deze onderzoeken moesten proefpersonen verschillende, ook niet-journalistieke
bronnen beoordelen op basis van een groot aantal eigenschappen. De scores werden
vervolgens onderworpen aan factoranalyses waarmee eventuele onderliggende dimensies
ontdekt konden worden. Berlo, Lemert en Mertz (1969-1970) vonden op deze wijze bewijs
voor het feit dat geloofwaardigheid bestaat uit drie dimensies: 'safety', 'qualification', en
'dynamism'. De eerste twee dimensies komen volgens de onderzoekers overeen met
Hovlands dimensies ‘betrouwbaarheid’ en ‘expertise’. Dynamism, de derde dimensie, zou
verwijzen naar de intensiteit van de bron: “the energy available to the source which can be

13
used to emphasize, augment and implement his suggestions.” (p. 575), en bestaat
bijvoorbeeld uit de eigenschappen actief, agressief en energiek. McCroskey, Holdridge en
Toomb (1974) lieten studenten hun docenten beoordelen op basis van de eigenschappen
die volgens Berlo et al. (1969-1970) verwijzen naar de drie dimensies die samen
geloofwaardigheid definiëren. Ze concluderen dat geloofwaardigheid niet uit drie dimensies,
maar uit vijf dimensies bestaat: 'competence' (competentie), 'extraversion' (extraversie),
'character' (karakter), 'composure' (houding) en 'sociability' (mate waarin men goed
gezelschap is). Infante (1980) ten slotte concludeerde dat dynamism geen onderdeel van het
construct geloofwaardigheid is, omdat de dimensie te weinig samenhangt met beide andere
dimensies.
In het onderzoek van Hovland en collega’s en in de onderzoeken in de jaren erna
stond geloofwaardigheid van een specifieke bron centraal: een titel of een persoon. Sinds de
jaren ‘60 werd geloofwaardigheid ook op mediumniveau onderzocht. Aanleiding hiertoe was
de opkomst van radio en televisie als nieuws- informatiemedium en, daarmee
samenhangend, de dalende oplagen van kranten. De oorzaak voor de dalende oplagen
zocht men in de opgevatte geloofwaardigheid van het medium door nieuwsconsumenten
(Meyer, 1988). In deze onderzoeken wordt het concept geloofwaardigheid dus niet meer als
kenmerk van de zender opgevat, maar als kenmerk van de ontvanger: geloofwaardigheid is
de perceptie van de ontvanger ten opzichte van het handelen van de bron of het medium
(Newhagen & Nass, 1989).
De eerste studies naar mediumgeloofwaardigheid werden gedaan door de 'Roper
Organization' (sinds 1959) en door de 'American Society of Newspapers Editors' (ASNE)
(sinds 1984). In de onderzoeken van de Roper Organization werd geloofwaardigheid
gemeten als de mate waarin men een medium geloofwaardig vindt (Gantz, 1981).
Geloofwaardigheid werd dus niet beschouwd als meerdimensionaal concept, zoals Hovland
en Weiss (1961) en later onder andere Berlo, Lemert en Mertz (1969-1970) en McCroskey,
Holdridge & Toomb (1974) veronderstelden. In het onderzoek van de ASNE uit 1985 werd
daarentegen een uitputtende lijst met potentiële kwaliteiten van nieuwsmedia voorgelegd,
waarvan verondersteld werd dat ze samen geloofwaardigheid in de breedste zin meten. Dit
onderzoek vormde de basis voor drie onderzoeken waarin het ontwikkelen van een schaal
voor geloofwaardigheid van nieuwsmedia centraal stond.
De eerste studie werd uitgevoerd door Gaziano & McGrath in 1986. De onderzoekers
komen tot de conclusie dat geloofwaardigheid van kranten en televisie gemeten kan worden
aan de hand van twaalf variabelen die samen één dimensie (geloofwaardigheid) vormen.
Deze items zijn: 'fair, unbiased, tells the whole story, is accurate, does not invade people’s
privacy, watches out over readers’ interests, is concerned about the community’s well-being,
separates fact from opinion, can be trusted, is concerned about the public interests, factual
en has well trained reporters' (p. 455). Newhagen en Nass (1989) doen een vergelijkbaar
onderzoek en constateren dat de items 'watches out over readers’ interests' en 'does not
invade people’s privacy' niet tot de geloofwaardigheidsschaal behoren. Meyer (1988) ten

14
slotte, onderworp de ASNE-schaal aan studenten journalistiek, aan wie gevraagd werd
kranten te beoordelen. Hij komt tot de conclusie dat de 12-itemschaal van Gaziano en
McGrath (1986) niet één, maar twee dimensies meet: geloofwaardigheid en affiliatie
(‘sociability’). Deze tweede dimensie is op basis van de theoretische aannamen geen
onderdeel van het concept geloofwaardigheid. Volgens hem kan geloofwaardigheid gemeten
worden aan de hand van de items: 'fair, unbiased, tells the whole story, accurate en can be
trusted'. Uit een betrouwbaarheidsanalyse blijkt dat deze items inderdaad samen een
betrouwbare schaal vormen.
Op de onderzoeken naar geloofwaardigheid op mediumniveau kwam echter veel
kritiek. Wanneer naar geloofwaardigheid van een medium als geheel wordt gevraagd, zal
antwoord worden gegeven op basis van specifieke ervaringen met het medium. Aan
deelnemers van het onderzoek wordt namelijk geen referentiekader gegeven. Binnen één
medium bestaan grote verschillen tussen type aanbieders (bijvoorbeeld commercieel en
publiek), waardoor onduidelijk wordt wat nou precies met wat wordt vergeleken (Schweiger,
2000; Newhagen & Nass, 1989). De eerste studies naar mediumgeloofwaardigheid komen
dan ook uit een tijd waarin er nog niet zo’n breed scala aan genres en programma’s was. In
relatie tot het internet bestaat bovendien de kritiek dat mediumspecifieke verschillen
verdwijnen: oude media worden digitaal (Metzger et al., 2003; Lehman-Wilzig & Cohen-
Avigdor, 2004).
Toch worden ook in recent onderzoek naar geloofwaardigheid van internet oude en
nieuwe media tegen elkaar afgezet (Kiousis, 2001; Metzger, Flanagin & Zwarun, 2003;
Cassidy, 2007). Enkele onderzoeken richten zich op de verschillen tussen subgenres van
informatie en nieuws op het internet, zoals websites van dagbladen, blogs over politiek en
websites van politieke kandidaten (Johnson & Kaye, 1998; 2004; 2009; Thorson, Vraga &
Ekdale, 2010). In deze onderzoeken wordt de conceptualisering en operationalisering van
geloofwaardigheid globaal gebaseerd op het werk van Gaziano en McGrath (1986) en Meyer
(1988).

2.2.2.1 Geloofwaardigheid: journalistieke basisprincipes


Ondanks het grote aanbod van theoretische en empirische studies naar het
geloofwaardigheid, bestaat er geen consensus over de wijze waarop geloofwaardigheid
geconceptualiseerd dient te worden. De oorzaak hiervan is volgens Metzger et al. (2003) dat
geloofwaardigheidschalen afhankelijk zijn van specifieke context en bron. Cronkhite en
Laska (1974) zijn het hiermee eens: de mate waarin men een bron geloofwaardig acht,
hangt af van de specifieke functie van de bron voor de ontvanger. Volgens de onderzoekers
hebben factoranalyses pas waarde als concepten theoretisch onderbouwd kunnen worden.
Op basis van beide argumenten is besloten een schaal voor geloofwaardigheid te
ontwikkelen op basis van de functie van de bronnen voor de nieuwsconsument in dit
experiment. Dit onderzoek gaat uit van de maatschappelijke zorg om persuasieve
boodschappen. Onafhankelijke en afhankelijke bronnen staan centraal. Een manier om

15
geloofwaardigheid te meten is aan de hand van kwaliteit van journalistiek. Kenmerken van
journalistieke kwaliteit zijn onder andere verwoord in de gedragscodes voor de journalistiek.
6
Voor de conceptualisering van geloofwaardigheid zijn de 'Code van Bordeaux' (1954) van
de 'Internationale Federatie van Journalisten' en de 'Code voor de Journalistiek' (2008) van
het 'Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren' als uitgangspunt genomen. In tabel 2.1
worden de elementen uit beide codes opgesomd (kolommen twee en drie) en
gecategoriseerd naar kenmerken van geloofwaardigheid (kolom één).

Tabel 2.1: Kenmerken geloofwaardigheid op basis van journalistieke basisprincipes.

Geloofwaardigheid Code van Bordeaux Code voor de Journalistiek

* Eerlijk - Eerlijk handelen - Integer handelen


- Geen documenten vervalsen - Geen misbruik positie
- Geen plagiaat, - Geen steekpenningen
- Geen smaad - Fair informatie verzamelen
- Geen laster - Identiteit journalist kenbaar maken
- Geen belediging - Geen incidenten uitlokken
- Geen ongegronde beschuldiging - Geen informatie stelen
- Geen aanvaarding steekpenningen - Geen onrechtmatig verkregen
- Beroepsgeheim in acht informatie publiceren
- Beroepsgeheim in acht nemen
- Privacy betrokkenen beschermen

* Feitelijk - Feiten rapporteren - Feiten verifiëren


- Onderscheid feiten en meningen

* Veelzijdig - Discriminatie voorkomen - Hoor- en wederhoor toepassen

* Onpartijdig - Geen belangenverstrengeling - Geen belangenverstrengeling

* Volledig - Geen informatie achterwege - Verantwoording afleggen over


bewerking informatie en fictieve
elementen

* Nauwkeurig - Onjuiste informatie rectificeren - Onjuiste informatie rectificeren


- Zorgvuldig handelen
- Aangeven wanneer informatie van
derden wordt gebruikt

Het belangrijkste journalistieke basisprincipe is volgens de Code van Bordeaux het respect
voor de waarheid (principe 1). Dit kan bereikt worden door eerlijk te handelen (principes 2 en

6
De Code van Bordeaux bestond oorspronkelijk uit 8 principes, maar is in 1986 uitgebreid met een
negende principe: het voorkomen van discriminatie.

16
4), feiten te rapporteren, geen informatie achterwege te laten en geen documenten te
vervalsen (principe 3). Bovendien zal een journalist onjuiste informatie rectificeren (principe
5) en beroepsgeheim in acht nemen (principe 6). Ook zal hij zijn beste doen om discriminatie
die wordt veroorzaakt door publicaties in de media, te voorkomen (principe 7). Daarnaast zal
hij zich niet schuldig zal maken aan plagiaat, laster, beledigingen, ongegronde
beschuldigingen en het aanvaarden van steekpenningen (principe 8). Ten slotte verwerpt hij
elke vorm van belangenverstrengeling (principe 9).
Ook de Code voor de Journalistiek begint met respect voor de waarheid (principe 1).
Dit kan bereikt worden door feiten te verifiëren, onderscheid te maken tussen feiten en
meningen en zorgvuldig en integer te handelen. Bovendien wordt verantwoording afgelegd
over eventuele bewerking van informatie en fictieve elementen, en duidelijk aangegeven
wanneer informatie van derden wordt gebruikt. Het tweede principe is onafhankelijkheid.
Journalisten vermijden belangenverstrengeling, maken geen misbruik van hun positie en
nemen geen steekpenningen aan. In het derde principe staat dat journalisten fair zullen
handelen. Dit kunnen ze bereiken door informatie eerlijk te verzamelen, beroepsgeheim in
acht te nemen, hoor- en wederhoor toe te passen, privacy van betrokkenen te beschermen,
en onrechtmatige informatie te rectificeren. Het vierde en laatst basisprincipe, ‘open vizier’,
verwijst naar het kenbaar maken van zijn identiteit als journalist; een journalist zal geen
incidenten uitlokken, geen informatie stelen, en geen onrechtmatig verkregen informatie
publiceren.
De elementen uit beide codes zijn onder elkaar gezet en met elkaar vergeleken.
Hieruit zijn zes algemene criteria naar voren gekomen, die samen mogelijk verwijzen naar
geloofwaardigheid van nieuws en informatie. De elementen die verwijzen naar eerlijkheid
komen het meest voor in beide gedragscodes. Zowel in het Nederlands als in het Engels,
staat het begrip ‘fair’ centraal. De overige criteria zijn: feitelijk, veelzijdig, onpartijdig, volledig
en nauwkeurig. Aan de hand van deze zes elementen zal het concept geloofwaardigheid
worden gemeten.
Vijf van deze elementen komen zitten ook in de schaal van Gaziano en McGrath
(1986): fair, factual, unbiased, tells the whole story en accurate. Dit zou kunnen betekenen
dat ook deze onderzoekers zijn uitgegaan van de journalistieke basisprincipes. Dit wordt
echter niet vermeld in hun wetenschappelijke publicatie.

2.3 Onderzoeksvragen en hypothesen


Nu bepaald is wat onafhankelijke en afhankelijke bronnen zijn en wat opgevatte
geloofwaardigheid precies inhoudt, staan in deze paragraaf de factoren centraal die mogelijk
invloed hebben op de relatie tussen bron en geloofwaardigheid. Aannames over online
informatieconsumptie geven inzicht in de mate waarin men de geloofwaardigheid van
informatie en bronnen zal inschatten.
Een belangrijk onderscheidend kenmerk van het web is het feit dat het geen
massamedium is, zoals dagbladen of televisie. Internet kan beschouwd worden als platform

17
voor informatie-uitwisseling tussen (groepen) gebruikers onderling (Bowman & Willis, 2003).
Dit heeft onder andere als consequentie dat iedereen informatieproducent kan zijn. Omdat
iedereen op internet informatie kan plaatsen, kan volgens Flanagin en Metzger (2000) in de
digitale omgeving niet meer vertrouwd worden op de werking van traditionele journalistieke
mechanismen voor het handhaven van kwaliteit van informatie, zoals een eindredactie,
redactiestatuten of journalistieke gedragscodes. Johnson en Kaye (1998) voegen daaraan
toe dat het voor commerciële afzenders heel eenvoudig is om een betrouwbare context te
scheppen; bijvoorbeeld door middel van websites die qua opmaak lijken op nieuwssites of
andere officiële sites. Daarnaast lopen verschillende genres, zoals advertenties en
redactionele inhoud, online meer door elkaar dan in de traditionele media (Pavlik, 2001;
Friend & Singer, 2007; Deuze & Yeshua, 2001) en zijn er veel nieuwe typen
nieuwsaanbieders bijgekomen, zoals bijvoorbeeld groepsweblogs over nieuws en
actualiteiten op heel specifieke vakgebieden. Verschillende onderzoekers veronderstellen
daarom dat nieuwsconsumenten online niet zo goed in staat zijn om het informatie op
geloofwaardigheid te beoordelen, omdat men de kenmerken van geloofwaardige informatie
online nog moet leren (Vgl. Metzger et al., 2003). Hier kunnen echter twee argumenten
tegenin gebracht worden.
Het eerste argument is dat nieuwsconsumenten inmiddels gewend zijn aan de
zogenaamde internetlogica. Internet werd in het midden van de jaren negentig een
massamedium door de ontwikkeling van het Web en zoekmachines (Lehman-Wilzig &
Cohen-Avigdor, 2004). Lehman-Wilzig en Cohen-Avigdor concluderen in hun onderzoek
naar de ‘levenscycli’ van nieuwe media in 2004, dat het internet zich ten tijde van hun
onderzoek bevindt in de ‘volwassen-fase’ (maturation); de fase waarin “the not-so-new
medium becomes a routine part of the media user’s repertoire” (p. 715).
Nieuwsconsumenten zijn mogelijk dus al gewend zijn aan de manier waarop informatie op
het internet gepresenteerd wordt, welke eigenschappen het heeft en voor welke doeleinden
het gebruikt kan worden. Bovendien werd de bezorgdheid over de kennis en vaardigheden
die nodig zijn om online informatie te kunnen beoordelen vijf jaar geleden al op de
beleidsagenda gezet door de Raad van Cultuur, na de publicatie van het adviesrapport
‘Mediawijsheid’ (Raad voor Cultuur, 2005). Uit het kamerstuk ‘Mediawijsheid’ van het
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Plasterk & Rouvoet, 18 april 2008) blijkt
dat mediawijsheid sindsdien ook maatschappelijke aandacht heeft gekregen; sinds 2005 zijn
veel verschillende projecten, cursussen en programma’s over internetgebruik opgericht.
Een tweede argument tegen het standpunt dat nieuwsconsumenten niet de
capaciteiten zouden bezitten om online informatie te beoordelen, is dat nieuwsconsumenten
offline ook voortdurend geconfronteerd worden met nieuwe (typen) informatiebronnen,
waarvan in eerste instantie status en doel voor de nieuwsconsument nog onbekend zijn,
zoals bijvoorbeeld advertorials of infotainmentprogramma's. Nieuwsconsumenten zijn al
jaren getraind in het beoordelen van een breed scala aan informatiebronnen. Deze kennis
en vaardigheden nemen ze mee bij hun online mediagebruik.

18
Op basis van de genoemde standpunten en argumenten zou men enerzijds kunnen
verwachten dat nieuwsconsumenten het nieuwsbericht niet op basis van de inhoud zullen
beoordelen, maar op basis van de bron. Het nieuwsbericht in combinatie met de
onafhankelijke bron zou, vanwege de bekende journalistieke status, geloofwaardiger
gevonden kunnen worden dan het nieuwsbericht in combinatie met de afhankelijke bronnen,
die mogelijk niet bekend zijn of bekend staan als afhankelijk. Anderzijds zou men kunnen
verwachten dat nieuwsconsumenten wel goed in staat zijn de inhoud te beoordelen, zonder
eenvoudig op de bron af te gaan. In dit geval zou men geen verschillen in geloofwaardigheid
tussen de drie informatiebronnen verwachten, omdat het nieuwsbericht in alle drie de
condities identiek is.
Omdat de theoretische argumenten niet overtuigend in één richting wijzen en eerder
wetenschappelijk onderzoek naar de specifieke relatie tussen typen online bronnen en
opgevatte geloofwaardigheid ontbreekt, is geen hypothese geformuleerd maar een
onderzoeksvraag.

RQ1: Hoe geloofwaardig zullen nieuwsconsumenten een online nieuwsbericht


beschouwen, wanneer dit gepresenteerd wordt in relatie tot de websites van
respectievelijk a) de onafhankelijke bron: AD Rotterdams Dagblad, b) de afhankelijke
bron Havenbedrijf Rotterdam N.V. en c) de afhankelijke bron: Milieudefensie. En
bestaan er significante verschillen in de opgevatte geloofwaardigheid tussen de drie
bronnen?

Om zeker te weten dat het verband tussen type informatiebron en opgevatte


geloofwaardigheid getoetst wordt, wordt gecontroleerd voor een aantal variabelen die van
invloed kunnen zijn op geloofwaardigheid, of op de relatie tussen type informatiebron en
geloofwaardigheid.
Een voorspeller van geloofwaardigheid is volgens verschillende onderzoekers het
mediagebruik: hoe meer men een medium gebruikt, hoe geloofwaardiger men de informatie
op dit medium beschouwt. Mediagebruik kan volgens Rimmer en Weaver (1987) op
verschillende manieren gemeten worden, met verschillende resultaten als gevolg. Wanneer
(traditioneel) mediagebruik wordt gemeten door te vragen naar de frequente van het gebruik
van verschillende media, dan kunnen geen significante verbanden worden aangetoond
tussen het medium en de geloofwaardigheid ervan. Maar wanneer mediagebruik wordt
gemeten door de vragen naar het medium dat men het meest gebruikt voor nieuws en
informatie, dan blijkt mediagebruik wel significant samen te hangen met de
geloofwaardigheid van het medium. Dit geldt ook voor de relatie tussen internetgebruik en
geloofwaardigheid van internet (Kiousis, 2001; Johnson & Kaye, 1998). Op basis van deze
resultaten kan worden verondersteld dat nieuwsconsumenten die de voorkeur geven aan
internet als bron voor nieuws en informatie, de informatie via dit medium geloofwaardiger

19
zullen vinden, dan de nieuwsconsumenten die de voorkeur geven aan de zogenaamde
traditionele media. Dit leidt tot de eerste hypothese:

H1: Nieuwsconsumenten die internet als favoriet nieuwsmedium beschouwen, zullen


het nieuwsbericht geloofwaardiger vinden, dan nieuwsconsumenten die internet niet
als favoriet nieuwsmedium beschouwen, ongeacht de bron waaraan men is
blootgesteld.

Naast mediagebruik wordt ten slotte gecontroleerd voor vier demografische kenmerken:
leeftijd, geslacht, inkomen en opleidingsniveau. Over het algemeen worden jonge, hoog
opgeleide, blanke mannen met een hoog inkomen geassocieerd met internetgebruik. In
2004 concluderen Johnson en Kaye, die sinds 1998 onderzoek doen naar geloofwaardigheid
van informatie op internet, echter dat internetgebruik niet meer voorspeld kan worden op
basis van deze demografische kenmerken. Internet is “more demographically mainstream”
geworden (2004, p. 626). Hiermee is volgens de onderzoekers ook de invloed van
demografische kenmerken op de opgevatte geloofwaardigheid van internet(bronnen) kleiner
geworden. Ook uit onderzoek naar de geloofwaardigheid van politieke weblogs bleek dat
demografische kenmerken geen invloed hebben op de opgevatte geloofwaardigheid van
deze weblogs (Johnson & Kaye, 2004). Omdat in het verleden wel significante resultaten zijn
gevonden van demografische kenmerken op de opgevatte geloofwaardigheid van
verschillende media, is besloten om deze variabelen toch mee te nemen in het
onderzoeksontwerp. Dit leidt tot de tweede onderzoeksvraag:

RQ2: Hebben demografische kenmerken invloed op de mate waarin men het


nieuwsbericht als geloofwaardig beschouwd, ongeacht de bron waaraan men is
blootgesteld?

Wanneer de controlevariabelen inderdaad invloed hebben op de geloofwaardigheid van het


nieuwsbericht, is mogelijk dat eventuele significante verschillen tussen de drie
onderzoeksgroepen veroorzaakt worden door de invloed van de het favoriete nieuwsmedium
en de vier achtergrondkenmerken. Daarom is een derde en laatste onderzoeksvraag
geformuleerd:

RQ3: Bestaan er significante verschillen in de opgevatte geloofwaardigheid tussen de


websites van AD Rotterdams Dagblad, Havenbedrijf Rotterdam N.V. en
Milieudefensie wanneer gecontroleerd wordt voor de variabele ‘favoriet
nieuwsmedium’ en de vier demografische kenmerken?

20
3. Methode van onderzoek

De onderzoeksvragen en hypothese worden getoetst door middel van een experiment. In dit
hoofdstuk worden achtereenvolgend het onderzoeksontwerp (paragraaf 3.1), de
proefpersonen (3.2), de operationalisering van theoretische concepten naar meetbare
variabelen (3.3), de methode van analyse (3.4) en de kwaliteit van het onderzoek (3.5)
besproken.

3.1 onderzoeksontwerp
Om de onderzoekvragen te beantwoorden en hypothesen te toetsen is gebruik gemaakt van
een experiment. Een experiment is “een gecontroleerde methode van waarneming waarbij
de waarde van één of meer onafhankelijke variabelen worden gemanipuleerd met het
oogmerk het causale of oorzakelijke effect daarvan vast te stellen op één of meer
afhankelijke variabelen” (’t Hart, Van Dijk, De Goede, Jansen & Teunissen, 1998, p. 193). Bij
een experiment wordt een kunstmatige situatie gecreëerd, die de onderzoeker in staat stelt
controle uit te oefenen over de deelnemers en de eventuele invloed van externe (storende)
factoren (’t Hart et al., 1998). Het experiment is een gangbare methode van onderzoek in de
gedragswetenschappen, maar wordt minder vaak toegepast in de geestes- of
maatschappijwetenschappen. In de geestes- en maatschappijwetenschappen worden
fenomenen namelijk bij voorkeur in relatie tot hun maatschappelijke (of historische) context
bestudeerd. Het uitsluiten van externe factoren is daarom vaak onwenselijk en onmogelijk
(Verschuren, 2001). Toch wordt onderzoek naar geloofwaardigheid, ook in de context van
massamedia, journalistiek en samenleving, gewoonlijk onderzocht door middel van
experimentele onderzoeksontwerpen. Een verklaring hiervoor is dat onderzoek naar het
concept geloofwaardigheid zijn oorsprong heeft in psychologisch onderzoek – één van de
gedragswetenschappen, gericht op attitude en gedragsverandering (Hovland, Janis & Kelley,
1961) Hoewel de operationalisering van het concept sindsdien veel veranderingen heeft
ondergaan, is de voorkeur voor het experiment als methode van onderzoek over de jaren en
onderzoeksdisciplines heen niet veranderd. Het experimentele design wijkt wel af van het
klassieke laboratoriumonderzoek.
Het experimenteel ontwerp van dit onderzoek is schematisch weergegeven in figuur
3.1. Er zijn drie verschillende experimentele condities: de website van regionaal dagblad
Algemeen Dagblad regio Rotterdam, de website van semi-overheidsbedrijf het Rotterdams
Havenbedrijf N.V. en de website van actiegroep Milieudefensie. Na het ondergaan van de
experimentele stimulus: het lezen van het nieuwsbericht in de context van een van de drie
websites, wordt gemeten in hoeverre de proefpersonen het bericht geloofwaardig achten. Er
vindt geen voormeting plaats, omdat getoetst wordt of er verschillen bestaan tussen de
verschillende groepen en niet in hoeverre een specifieke groep door de experimentele
stimulus een verandering ondergaat (Verschuren, 2001). Proefpersonen zijn random
toegekend aan één van de drie condities. Hierdoor ondergaan de proefpersonen een

21
geforceerde blootstelling aan de experimentele stimulus; zij kunnen niet zelf kiezen aan welk
bericht ze worden blootgesteld.

Figuur 3.1: Schematische weergave experimenteel ontwerp

Tijdstip t0 t1 t2

Groep I R - X1f M1 experimentele groep 1


Groep II R - X2f M2 experimentele groep 2
Groep III R - X3f M3 experimentele groep 3

R = random toekenning van proefpersonen aan de conditie, t0 = tijdstip voormeting, t1 = tijdstip van de
ingreep, t2 = tijdstip van de nameting, Xf = geforceerde blootstelling aan experimentele stimulus, M =
meting.

De experimentele variabele is een website. Het lag daarom voor de hand om de


onderzoeksgegevens online te verzamelen. Proefpersonen werden persoonlijk benaderd
voor deelname via hun e-mailadres. In het bericht stond een link naar de online vragenlijst
(zie bijlage 1). Deze proefpersonen maken onderdeel uit van het ledenbestand van
marktonderzoeksbureau Synovate. Dit ledenbestand bestaat uit mensen die zich vrijwillig
hebben aangemeld voor deelname aan onderzoek. In ruil voor deelname aan elk onderzoek
ontvangen de deelnemers een kleine vergoeding. Onderzoeksgegevens zijn in de periode
7
van 16 september tot 5 oktober 2010 verzameld .

3.2 Proefpersonen
In paragraaf 2.3 is beschreven hoe nieuwsbericht en condities op elkaar zijn afgestemd. De
Rotterdamse haven diende ook als uitgangspunt voor de keuze van proefpersonen. Omdat
het nieuwsbericht en online bronnen het meest relevant zijn voor de mensen die in de buurt
van de Rotterdamse Haven wonen, is in eerste instantie besloten om proefpersonen te
selecteren in dit geografische gebied. In dit gebied waren echter niet genoeg deelnemers
beschikbaar om een random steekproeftrekking mogelijk te maken. Daarom zijn ook
proefpersonen in de aangrenzende gemeenten benaderd, met als voorwaarde dat deze
gemeente binnen het verspreidingsgebied van het Algemeen Dagblad regio Rotterdam lag.
Proefpersonen zijn benaderd in Maassluis, Vlaardingen, Schiedam, Lansingerland, Capelle
aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel, Ridderkerk, Barendrecht, Albrandswaard,
Spijkenisse, Bernisse, Hellevoetsluis, Westvoorne, Brielle en Rozenburg. In totaal hebben
310 proefpersonen deelgenomen aan het onderzoek.

7
Data en onderzoeksvragen voor deze scriptie waren een onderdeel van een breder onderzoek naar
geloofwaardigheid van online nieuwsbronnen, uitgevoerd in samenwerking met
marktonderzoeksbureau Synovate.

22
3.3 Operationalisering
In het onderzoek kunnen drie typen variabelen worden onderscheiden: de experimentele
variabele ‘informatiebron’, de afhankelijke variabele ‘geloofwaardigheid’ en de
controlevariabelen ‘favoriete nieuwsmedium’, ‘geslacht’, ‘leeftijd’, ‘opleidingsniveau’ en ‘bruto
huishoudelijk inkomen’. In subparagrafen 3.3.1 tot en met 3.3.3 wordt beschreven hoe deze
variabelen zijn gemeten en hoe proefpersonen zijn verdeeld over de antwoordcategorieën.

3.3.1 Experimentele variabele: informatiebron


Proefpersonen zijn allemaal blootgesteld aan hetzelfde ANP-nieuwsbericht, maar in
combinatie met het online logo van of het AD Rotterdams Dagblad, of het Havenbedrijf
Rotterdam N.V., of Milieudefensie. De link naar deze websites inclusief een verwijzing naar
de organisatie achter de website werd hierbij vermeld (zie tabel 3.2 voor een overzicht van
de experimentele variabele informatiebron).
Het AD Rotterdams Dagblad is het regionale dagblad van de omgeving Rotterdam. De
krant wordt uitgegeven door De Persgroep Nederland. De verschillende redacties van het
AD zijn onafhankelijk en werken volgens een redactiestatuut. Het AD Rotterdams Dagblad
richt zich voornamelijk op nieuws uit de regio Rotterdam, waarbij werk en inkomen, wonen,
verkeer, veiligheid en cultuur centraal staan. Ook besteed het dagblad aandacht aan de
8
Rotterdamse Haven . De website van het AD Rotterdam brengt 24 uur per dag nieuws.
Havenbedrijf Rotterdam N.V. is een semi-overheidsbedrijf dat het Rotterdamse haven-
en industriegebied beheert. De gemeente Rotterdam en de Staat zijn aandeelhouders van
het bedrijf. Het bedrijf heeft als doel de belangrijkste haven van Europa te worden. Er
werken ruim 1200 medewerkers en het bedrijf heeft een omzet van 500 miljoen euro per
9
jaar .
Milieudefensie is een actiegroep die strijdt voor een beter milieu. Milieudefensie is een
vereniging met een bestuur, die gefinancierd wordt door donaties van leden. Eind 2006 had
10
Milieudefensie 85.000 donateurs en leden .

Tabel 3.1: Experimentele variabele: informatiebron

Bron

1 = AD Rotterdams Dagblad (http://www.ad.nl/ad/nl/1038/Rotterdam/index.dhtml)


2 = Milieudefensie (http://www.milieudefensie.nl)
3 = Havenbedrijf Rotterdam N.V. (http://www.portofrotterdam.com)

Aan proefpersonen werd gevraagd om het nieuwsbericht te lezen en vervolgens door te


klikken naar de volgende pagina om de vragen te beantwoorden. 103 proefpersonen werden
blootgesteld aan de versie met het AD Rotterdams Dagblad als bron, 104 proefpersonen

8
http://www.persgroep.nl/home.html
9
http://www.portofrotterdam.com/nl/Pages/default.aspx
10
http://www.milieudefensie.nl/. Op de website staat geen recente informatie over ledenaantallen.

23
werden blootgesteld aan de versie met Havenbedrijf Rotterdam N.V. als bron, en 103
proefpersonen werden blootgesteld aan de versie met Milieudefensie als bron.
De belangrijkste criteria voor het nieuwsbericht waren dat ten eerste het onderwerp
betrekking moest hebben op het Havenbedrijf in Rotterdam, ten tweede het bericht zo
actueel of tijdloos moest zijn dat het ook ten tijde van het onderzoek had kunnen
verschijnen, en ten derde het bericht afkomstig moest zijn van een onafhankelijk
nieuwsinstituut. Door middel van database LexusNexus zijn nieuwsberichten gezocht met
als onderwerp het Rotterdamse havenbedrijf. Het geselecteerde artikel heeft de kop
“Milieudefensie staakt verzet tegen Maasvlakte”, en werd op 9 februari 2009 gepubliceerd
door het Algemeen Nederlands Persbureau (ANP) en die dag en een dag later
overgenomen door verschillende nieuwsmedia. Ondanks dat het nieuwsbericht ruim
anderhalf jaar oud was ten tijde van het onderzoek, was het bericht nog steeds actueel; in
het bericht worden de lange termijn ontwikkelingen van het Rotterdamse Havenbedrijf van
de afgelopen jaren en de toekomstige jaren behandeld. Nadat de vermelding ‘ANP’ van het
bericht is verwijderd, is het bericht in de opmaak van de drie verschillende websites gezet
(zie bijlage 2).

3.3.2 Afhankelijke variabele: geloofwaardigheid


De afhankelijke variabele in het onderzoek is de mate waarin het nieuwsbericht
geloofwaardig wordt gevonden. In de theorie wordt geloofwaardigheid geconceptualiseerd
aan de hand van de journalistieke basisprincipes, zoals genoemd in de verschillende
(inter)nationale gedragscodes van de journalistiek. Op basis hiervan zijn zes stellingen
geformuleerd die samen het concept geloofwaardigheid zouden kunnen beschrijven.
Proefpersonen konden door middel van een vijfpunts-antwoordschaal aangeven of ze het
‘zeer eens’ zijn met de stelling, ‘eens’, ‘noch eens, noch oneens’, ‘oneens’ en ‘zeer oneens’,
of kiezen voor de optie ‘weet niet / geen mening’. Om response set-effecten te voorkomen,
zijn drie van de zes items negatief geformuleerd. Hierbij is wel rekening gehouden met het
voorkomen van dubbele ontkenningen. De zes stellingen luidden: ‘ik mis belangrijke
informatie in dit bericht’, ‘dit is een nauwkeurig bericht’, ‘dit is een partijdig bericht’, ‘dit is een
feitelijk bericht’, ‘dit is een eenzijdig bericht’ en ‘dit is een eerlijk bericht’.
Met de zes variabelen die geloofwaardigheid meten is een principale-componenten-
factoranalyse uitgevoerd. De waardes van de negatief geformuleerde stellingen zijn daartoe
eerst omgescoord, zodat alle items weer dezelfde richting hebben. Zowel het eigenwaarde-
criterium als het scree plot laten zien dat er twee factoren aanwezig zijn, die samen 67,09
procent van de variantie in de oorspronkelijke variabelen dekken. Een varimax rotatie laat
zien dat de variabelen ‘ik mis belangrijke informatie in dit bericht’, ‘dit is een partijdig bericht’,
‘dit is een eenzijdig bericht’ en ‘dit is een eerlijk bericht’ hoog laden op de eerste factor. De
variabelen ‘dit is een nauwkeurig bericht’ en ‘dit is een feitelijk bericht’ laden hoog op een
tweede factor, zie tabel 5.1 met de factorladingen. De Kaiser-Meyer-Olkin maat is groter dan
0.5 (0,79) en de Bartlett’s test is significant (X² = 452,35, df = 15, p < 0,001). Hiermee is aan

24
de voorwaarden voor het uitvoeren van een principale componentanalyse voldaan. De
varimax-rotatie levert een makkelijk te interpreteren resultaat op. Een oblique rotatie is dus
niet nodig en zal ook geen duidelijk ander resultaat opleveren (Vgl. Howitt & Cramer, 2007).
De zes variabelen vormen dus samen geen eendimensionale schaal. Uit de principale
factoranalyse blijkt dat de items verwijzen naar twee dimensies. De twee items die hoog
laden op de tweede factor zijn moeilijk samen te vatten door middel van één achterliggend
concept. Uit een betrouwbaarheidsanalyse van de twee items die hoog laden op de tweede
factor blijkt ook dat ze samen geen betrouwbare schaal vormen: Cronbach’s alpha is 0,56.
Deze items worden daarom niet verder meegenomen in het onderzoek. Uit
betrouwbaarheidsanalyse van de vier items die hoog laden op de eerste factor, blijkt dat
deze vier items samen wel een betrouwbare schaal vormen: Cronbach’s alpha is 0,80. De
betrouwbaarheid van de schaal kan niet verhoogd worden door items weg te laten. De vier
items meten samen: veelzijdigheid, onpartijdigheid, eerlijkheid en volledigheid en verwijzen
(theoretisch) inhoudelijk naar het achterliggende concept ‘geloofwaardigheid’.
De betrouwbaarheidsanalyse van de vier items die samen naar geloofwaardigheid
verwijzen is herhaald voor de drie subsets van onderzoeksgegevens. In de condities AD
Rotterdams Dagblad en Havenbedrijf Rotterdam N.V. is Cronbach’s alpha hoger dan 0.8;
respectievelijk 0,84 en 0,83. In de conditie Milieudefensie is de Cronbach’s alpha 0,73.
Volgens de vuistregel is een schaal betrouwbaar als Cronbach’s alpha groter is dan 0,8.
Waardes tussen de 0,6 en 0,8 wijzen op een redelijk tot goed betrouwbare schaal.

Tabel 3.2: Geroteerde component matrix behorend bij de Principale Componentanalyse


geloofwaardigheid uitgevoerd in SPSS.

Rotated Component Matrixª

Component

1 2

Oneens met: Dit is een eenzijdig bericht ,871 ,054

Oneens met: Dit is een partijdig bericht ,848 ,091

Eens met: Dit is een eerlijk bericht ,656 ,480

Oneens met: Ik mis belangrijke informatie in dit bericht ,627 ,388

Eens met: Dit is een nauwkeurig bericht ,186 ,823

Eens met: Dit is een feitelijk bericht ,093 ,782


Extraction Method: Principal Component Analysis.
Rotation Method: Varimax with Kaiser Normalization.
a. Rotation converged in 3 iterations.

25
De nieuwe variabele geloofwaardigheid heeft een gemiddelde score van 2,76 (SD = 0,70, n
= 259) op een 5 punts-antwoordschaal die loopt van zeer mee eens (=1) tot en met zeer
mee oneens (=5). De schaalvariabele is symmetrisch verdeeld (skweness = -0,01) en heeft
geen extreme waarden. Over het algemeen vinden de onderzoeksdeelnemers het
nieuwsbericht niet zo geloofwaardig.

3.3.3 Controlevariabelen: favoriet nieuwsmedium en demografische kenmerken


Een onafhankelijke variabele die van invloed zou kunnen zijn op de mate waarin men
berichten geloofwaardig acht is of men internet als favoriet nieuwsmedium beschouwt. Deze
variabele is gemeten aan de hand van de vraag: ‘Welke informatiebron gebruikt u het meest
om op de hoogte te blijven van nieuws?’ met de antwoordcategorieën ‘papieren krant’,
‘televisie’, ‘radio’, ‘internet’ en ‘anders’. Ondanks dat papier, televisie en radio allen digitaal
beschikbaar zijn, en internet beschouwd wordt als platform en niet (alleen) als
massamedium, is toch gekozen voor de klassieke indeling naar massamedia. Het woord
‘papieren’ is toegevoegd aan de categorie ‘krant’ om eventuele aarzeling bij proefpersonen
die hun dag- of weekblad online lezen, weg te nemen. Verder onderscheid naar precieze
informatiebronnen is voor dit onderzoek niet noodzakelijk en zou het beantwoorden van de
vraag voor sommige proefpersonen onnodig ingewikkeld kunnen maken.
Uit de onderzoeksgegevens blijkt dat internet en televisie favoriete nieuwsmedia zijn
om op de hoogte te blijven van nieuws: 33,5% van de proefpersonen geeft aan dat televisie
het favoriete informatiemedium is en 32,3% geeft de voorkeur aan internet. Kranten komen
op de derde plaats met 25,5%. Omdat voor dit onderzoek alleen het onderscheid ‘internet –
geen internet’ van belang is, zijn categorieën papieren krant, radio, televisie en anders
samengevoegd tot één categorie genaamd 'overig' (samen 67,7% van de proefpersonen).
Naast deze onafhankelijke variabele kunnen demografische kenmerken van invloed
zijn op de mate van geloofwaardigheid. De demografische kenmerken die in de theorie naar
voren kwamen zijn geslacht, leeftijd, opleidingsniveau en inkomensklasse. Geslacht werd
gemeten door te vragen of men man of vrouw was. Leeftijd werd gemeten door middel van
de open vraag: ‘Wat is uw leeftijd’. Opleidingsniveau is gemeten aan de hand van de vraag:
‘Wat is uw hoogst genoten opleiding?’ met als antwoordcategorieën: ‘WO doctoraal of
master’, ‘HBO/WO bachelor’, ‘HAVO of VWO bovenbouw/HBO of WO propedeuse’, ‘MBO’,
‘MAVO / eerste drie jaar HAVO/VWO/VMBO theoretische en gemengde leerweg’,
‘LBO/VBO/VMBO kader en beroepsgerichte leerweg’ en ‘geen onderwijs/basisonderwijs’.
Proefpersonen konden ook aangeven dat ze geen antwoord wilden geven. Bruto
huishoudelijk jaarinkomen, ten slotte, werd gemeten door middel van de vraag: ‘Wat is het
bruto jaarinkomen van uw huishouden?’. De volgende zeven antwoordcategorieën
gehanteerd: ‘minder dan 9.500 euro’, ‘tussen 9.500 en 28.500 euro’, ‘tussen 28.500 en
34.000 euro’, ‘tussen 34.000 en 56.000 euro’, ‘tussen 56.000 en 68.000 euro’, ‘tussen

26
68.000 en 91.000 euro’ en ‘meer dan 91.000 euro’. Ook bij deze vraag kregen
11
proefpersonen de optie om geen antwoord te geven .
Van de 310 proefpersonen zijn er 157 man en 153 vrouw. De oudste deelnemer is 83
jaar en de jongste 17. De gemiddelde leeftijd van de proefpersonen is 48 jaar. De variabele
heeft geen extreme waarden en is symmetrisch verdeeld (skewness = -0,16). De grootste
groep deelnemers geeft een MBO opleiding op als hoogst genoten opleiding (25,8% van de
proefpersonen) en een bruto huishoudelijk inkomen tussen de 56.000 en 68.000 euro
(23,2% van de proefpersonen). Een overzicht van controlevariabelen met bijbehorende
categorieën en de verdeling van proefpersonen over deze categorieën (in percentages)
wordt in tabel 3.3 weergegeven.

Tabel 3.3: Verdeling controlevariabelen

Controlevariabelen

Naam variabele Antwoordcategorieën Percentage van proefpersonen


per antwoordcategorie

Favoriete nieuwsmedium 1 = Internet 32,3


2 = Anders 67,7

geslacht 1 = Man 50,6


2 = Vrouw 49,4

Opleidingsniveau 1 = WO doctoraal of master 12,9


2 = HBO/WO bachelor 15,5
3 = HAVO of VWO 19
bovenbouw/HBO of WO
propedeuse
4 = MBO 25,8
5 = MAVO / eerste drie jaar 14,9
HAVO/VWO/VMBO
theoretische en gemengde
leerweg
6 = LBO/VBO/VMBO kader 11
en beroepsgerichte leerweg
7 = geen onderwijs/ 1
basisonderwijs

Bruto huishoudelijk inkomen 1 = minder dan 9.500 2,6


in euro’s 2 = tussen 9.500 en 28.500 11,3
3 = tussen 28.500 en 34.000 7,4
4 = tussen 34.000 en 56.000 16,1

11
De gehanteerde antwoordcategorieën van de variabelen bruto huishoudelijk inkomen en
opleidingsniveau worden standaard gebruikt door marktonderzoeksbureau Synovate, en zijn
gebaseerd op metingen van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

27
5 = tussen 56.000 en 68.000 23,2
6 = tussen 68.000 en 91.000 6,5
7 = meer dan 91.000 8,7

Gemiddelde, minimum- en
maximumwaarde proefpersonen

Leeftijd 1 – 100 jaar Gemiddelde leeftijd: 48 jaar


Minimumleeftijd: 17 jaar
Maximumleeftijd: 83 jaar

Idealiter worden aan elke experimentele groep proefpersonen toegekend die op bepalende
achtergrondvariabelen identiek zijn in samenstelling. Omdat de onderzoekseenheden
random zijn toegekend aan elk van de drie condities, mag men er vanuit gaan dat de drie
groepen op basis van de achtergrondvariabelen (leeftijd, geslacht, bruto huishoudelijk
jaarinkomen en opleidingsniveau) ongeveer gelijk zijn (’t Hart et al., 1998). Uit
kruistabelanalyses blijkt inderdaad dat de vier de achtergrondvariabelen niet significant
samenhangen met de informatiebron waaraan men is blootgesteld.

3.4 Methode van analyse


De onderzoeksgegevens zijn ingevoerd in SPSS. Met behulp van dit programma zijn de
statistische analyses uitgevoerd. Zowel de bivariate als de multivariate analyses zijn getoetst
door middel van factoranalyses. De centrale onderzoeksvraag is getoetst door middel van
een één-factor variantieanalyse voor onafhankelijke waarnemingen (ANOVA). De
onafhankelijke variabele ‘type informatiebron’ is een categorische variabele. De afhankelijke
variabele ‘geloofwaardigheid’ is een continue variabele.
De relaties tussen onafhankelijke variabelen favoriete nieuwsmedium en geslacht op
afhankelijke variabele geloofwaardigheid zijn getoetst door middel van kruistabelanalyses
met Goodman en Kruskal’s tau als associatiemaat (nominaal meetniveau, asymmetrische
relatie). De relaties tussen onafhankelijke variabelen opleidingsniveau en bruto huishoudelijk
inkomen op afhankelijke variabele geloofwaardigheid zijn getoetst door middel van
kruistabelanalyses met Somer’s d als associatiemaat (ordinaal meetniveau, asymmetrische
relatie). De relatie tussen onafhankelijke variabele leeftijd en afhankelijke variabele
geloofwaardigheid ten slotte, is getoetst aan de hand van correlatiemaat Pearson’s r (interval
meetniveau).
Uit deze analyses bleek dat alleen opleidingsniveau een significant effect heeft op
geloofwaardigheid. De derde onderzoeksvraag is daarom getoetst aan de hand van een
twee-factoren variantieanalyse voor onafhankelijke waarnemingen (ANOVA), met
afhankelijke variabele geloofwaardigheid en onafhankelijke variabelen (factoren) het type
informatiebron en opleidingsniveau.

28
3.5 Kwaliteit van het onderzoek
De kwaliteit van een onderzoek wordt bepaald door de validiteit en betrouwbaarheid van het
onderzoek. Beiden worden achtereenvolgens besproken in relatie tot het gehanteerde
experimentele ontwerp.

3.5.1 Validiteit
Validiteit, ook wel geldigheid, verwijst naar de mate waarin de waarnemingen in het
onderzoek vrij zijn van systematische meetfouten (Hox, 2009). In andere woorden: meten we
wat we beogen te meten? Er kan onderscheid gemaakt worden tussen interne en externe
validiteit.

3.5.1.1 Interne validiteit


Interne validiteit heeft betrekking op de gehanteerde theoretische begrippen. In dit
onderzoek is een grondige en zorgvuldige literatuurstudie voorafgegaan aan de bepaling van
het begrip geloofwaardigheid. Hierdoor omvat het begrip alle items die volgens de
wetenschappelijke en vakliteratuur relevant zijn (Hox, 2009). Een experiment heeft
daarnaast een hoge interne validiteit als “de experimentele variabele vrijwel zeker van
invloed in op de scores op de afhankelijke variabele” (Hox, de Goede & Boeije, 2009, p.
191). Interne validiteit heeft dus betrekking op de mate waarin de onderzoeker in staat is
controle uit te oefenen op de invloed van externe factoren. De voormeting in dit onderzoek
ontbrak. Voordeel hiervan is dat rijping, testeffecten, instrumentatie of uitval niet aan de orde
zijn. Een nadeel is dat niet is getoetst of de random toewijzing van proefpersonen aan de
drie condities afdoende is geweest om storende factoren uit te schakelen (Hox, de Goede &
Boeije, 2009). Het is theoretisch bijvoorbeeld mogelijk dat de proefpersonen in groep één
een heel andere opvatting ten opzichte van geloofwaardigheid van nieuws in het algemeen
hadden dan de proefpersonen in groep twee of drie. Wel zijn twee extra factoren die volgens
de theorie invloed zouden kunnen hebben op de veronderstelde relatie, getoetst in de
nameting. In de statistische analyses is gecontroleerd voor het hoofd- en interactie-effect
van deze factoren. Dit geld ook voor de vier achtergrondvariabelen.

3.5.1.2 Externe validiteit


De externe validiteit heeft betrekking op de generaliseerbaarheid van gegevens naar andere
populaties en naar andere omstandigheden (Hox, de Goede & Boeije, 2009). De
proefpersonen in dit onderzoek zijn niet aselect getrokken uit een operationeel gedefinieerde
doelpopulatie, zoals bijvoorbeeld ‘alle volwassen inwoners uit de regio Rotterdam’. De
resultaten zijn dan ook vanuit statistisch oogpunt niet generaliseerbaar naar alle inwoners
van het gebied waaruit de proefpersonen zijn geselecteerd. Wel zou beargumenteerd
kunnen worden dat de onderzochte relatie niet samenhangt met de populatie waarin het
onderzoek is uitgevoerd. De ecologische validiteit, als onderdeel van de externe validiteit,
betreft de generaliseerbaarheid van onderzoeksconclusies naar andere situaties dan de

29
onderzoekssituatie (Hox, de Goede & Boeije, 2009). Het experiment is afgenomen in de
eigen, natuurlijke omgeving van de proefpersonen. Zodoende is zoveel mogelijk
overeenstemming met de alledaagse praktijk nagestreefd.
Hox et al (2009) merken op dat in een experiment de interne en externe validiteit per
definitie met elkaar op gespannen voet staan. Een hoge interne validiteit leidt tot een lage
externe validiteit en andersom. In dit onderzoek is gekozen voor een middenweg: geen
voormeting en geen aselecte steekproef uit de doelpopulatie, maar wel een random
toekenning van proefpersonen aan de drie condities, uitvoering van het experiment in een
natuurlijke omgeving en controle van eventuele storende factoren in de nameting.

3.5.2 Betrouwbaarheid
Betrouwbaarheid verwijst naar de mate waarin de waarnemingen in het onderzoek vrij zijn
van toevallige fouten. Met andere woorden: kan een andere onderzoeker op basis van de
gehanteerde onderzoeksmethoden tot dezelfde resultaten komen? Sociaal wetenschappelijk
onderzoek gebeurt altijd in een specifieke sociale omgeving. Deze situatie kan nooit volledig
gereproduceerd worden. Daarom wordt in plaats van betrouwbaarheid over navolgbaarheid
gesproken. Dit kwaliteitscriterium wordt gerealiseerd door de nauwkeurige rapportering van
de experimentele stimuli, selectie van proefpersonen en analysestappen in het onderzoek.

30
4. Resultaten

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het experiment gepresenteerd. Eerst worden de
resultaten van de bivariate relatie tussen informatiebron en geloofwaardigheid besproken
(paragraaf 4.1) en daarna de resultaten van de bivariate relaties tussen de
controlevariabelen en geloofwaardigheid (4.2). Als laatste worden de resultaten van de
multivariate analyse van informatiebron en opleidingsniveau op geloofwaardigheid
besproken (4.3).

4.1 Effect van informatiebron op geloofwaardigheid


Is de opgevatte geloofwaardigheid van het nieuwsbericht gepresenteerd in combinatie met
afhankelijke informatiebronnen Havenbedrijf Rotterdam N.V. en Milieudefensie, anders dan
de opgevatte geloofwaardigheid van het nieuwsbericht gepresenteerd in combinatie met
onafhankelijke informatiebron AD Rotterdams Dagblad? Om dit te toetsen is een één-factor
variantieanalyse voor onafhankelijke waarnemingen uitgevoerd. Uit de analyse blijkt dat er
geen significant effect bestaat van de blootstelling aan type informatiebron op de ingeschatte
geloofwaardigheid van het betreffende bericht op het significantieniveau van 5% (F = 0,03,
df = 2, 256, n.s.) (zie tabel 4.1). De proefpersonen die blootgesteld zijn aan informatiebron
Havenbedrijf Rotterdam N.V. vinden het nieuwsbericht het geloofwaardigst (M = 2,75, SD =
0,71) Daarna volgen de proefpersonen die blootgesteld zijn aan informatiebron AD
Rotterdams Dagblad (M = 2,76, SD = 0,76), en ten slotte de proefpersonen die blootgesteld
zijn aan Milieudefensie (M = 2,78, SD = 0,64). Gemiddeld wordt het nieuwsbericht niet heel
geloofwaardig gevonden. Geloofwaardigheid werd gemeten op een schaal die loopt van 1,
heel geloofwaardig, tot 5, helemaal niet geloofwaardig. De gemiddelde scores liggen het
dichtst bij waarde 3: noch wel noch niet geloofwaardig.

Tabel 4.1: ANOVA met onafhankelijke variabele type informatiebron en afhankelijke


variabele geloofwaardigheid

ANOVA

Sum of squares df Mean square F Sig.

Between groups ,034 2 ,017 ,034 ,967

Within groups 127,624 256 ,499

Total 127,658 258

4.2 Effecten controlevariabelen op geloofwaardigheid


Er is geen significant verband tussen favoriete nieuwsmedium en geloofwaardigheid
aangetroffen (Goodman & Kruskal’s tau = 0,00, n = 259, n.s.). Ook de invloed van

31
demografische kenmerken geslacht, leeftijd en bruto huishoudelijk inkomen op
geloofwaardigheid zijn niet significant (geslacht: Goodman & Kruskal’s tau = 0,01, n = 259,
n.s.; leeftijd: r = 0,02, n = 259, n.s.; bruto huishoudelijk inkomen: Somer’s d = -0,04, n = 196,
n.s.). Het effect van opleidingsniveau op geloofwaardigheid is wel significant: Somer’s d =
0,115, n = 259, p < 0,05), al is het verband zwak.

4.3 Gecombineerde effecten van informatiebron en opleidingsniveau op


geloofwaardigheid
Door middel van een twee-factoren variantieanalyse voor onafhankelijke waarnemingen zijn
de mogelijke effecten van opleidingsniveau en type informatiebron op geloofwaardigheid
getoetst. De variabele opleidingsniveau is samen met de variabele informatiebron
opgenomen in één model om de effecten op de afhankelijke variabele zo zuiver mogelijk te
meten. Naast hoofdeffecten van de variabelen type informatiebron en opleidingsniveau
afzonderlijk is ook het interactie-effecten tussen type informatiebron en opleidingsniveau op
geloofwaardigheid getoetst (zie tabel 4.2).

Tabel 4.2: ANOVA tests of between-subjects effects met afhankelijke variabele


geloofwaardigheid

Source Type III sum df Mean F Sig. Partial eta


of squares square squared

Corrected model
9,586a 20 ,479 0,966 0,504 0,075

Intercept
752,804 1 752,804 1517,439 0,000 0,864
Informatiebron
0,330 2 0,165 0,333 0,717 0,003
Opleiding
3,116 6 0,519 1,047 0,396 0,026
Informatiebron *
5,602 12 0,467 0,941 0,507 0,045
opleiding

Error
118,072 238 0,496
Total
2101,500 259
Corrected total
127,658 258
a. R Squared = ,075 (Adjusted R Squared = -0,003)

Uit de analyse blijkt dat geen van beide hoofdeffecten significant zijn op het
significantieniveau van 5%: informatiebron (F = 0,33, df = 2, 238, n.s., ɳ² = 0,00) en
opleidingsniveau (F = 1,047, df = 6, 238, n.s., ɳ² = 0,03). Ook het (tweevoudige) interactie-
effect tussen type informatiebron en opleidingsniveau op geloofwaardigheid is niet significant
op het significantieniveau van 5% (F = 5,602, df = 12, 238, n.s., ɳ² = 0,05). Het

32
oorspronkelijke significante effect van opleidingsniveau op geloofwaardigheid is verdwenen
na toevoeging van de variabele informatiebron.

33
5. Conclusies en discussie

De vraag die centraal stond in dit onderzoek luidt: Beschouwen nieuwsconsumenten de


geloofwaardigheid van een online neutraal nieuwsbericht verschillend als het bericht in de
context van een onafhankelijke bron dan wel een afhankelijke bron wordt gepresenteerd? In
dit hoofdstuk wordt een antwoord op deze vraag geformuleerd (paragrafen 5.1 en 5.2).
Vervolgens worden de beperkingen van het onderzoek en de suggesties voor
vervolgonderzoek besproken (5.3).

5.1 Conclusies onderzoeksvragen en hypothese


In dit onderzoek staat de relatie tussen informatiebron en opgevatte geloofwaardigheid van
een online nieuwsbericht centraal. Concreet is getoetst of nieuwsconsumenten een neutraal
nieuwsbericht verschillend beoordelen op geloofwaardigheid wanneer het gepresenteerd
wordt in de context van de websites van onafhankelijke bron AD Rotterdams Dagblad, of
afhankelijke bronnen Havenbedrijf Rotterdam N.V. en Milieudefensie. Omdat
wetenschappelijk onderzoek naar deze specifieke relatie ontbreekt en theoretische
argumenten niet overtuigend in één richting wijzen, is geen hypothese geformuleerd om
deze relatie te toetsen. Uit een één-factor variantieanalyse blijkt dat de gemiddelde scores
op geloofwaardigheid van alle drie de onderzoeksgroepen niet significant van elkaar
verschillen. Een identiek nieuwsbericht wordt dus niet anders beoordeeld op
geloofwaardigheid wanneer dit afkomstig is van onafhankelijk regionaal nieuwsmedium AD
Rotterdams Dagblad of van semi-overheidsbedrijf Havenbedrijf Rotterdam N.V. of van
actiegroep Milieudefensie. In alle drie de condities wordt het nieuwsbericht matig
geloofwaardig gevonden.
In hypothese één is verondersteld dat nieuwsconsumenten die internet als favoriet
nieuwsmedium beschouwen, het online nieuwsbericht gemiddeld geloofwaardiger vinden
dan nieuwsconsumenten die andere media als favoriet nieuwsmedium beschouwen,
ongeacht de bron waaraan men is blootgesteld. Deze hypothese kan niet worden
ondersteund door de data. Er blijkt geen significante relatie aanwezig tussen de favoriete
nieuwsmedium en geloofwaardigheid.
Onderzoeksvraag twee luidt: Hebben demografische kenmerken invloed op de mate
waarin men het nieuwsbericht geloofwaardig vindt, ongeacht de bron waaraan men is
blootgesteld? Uit de analyses blijkt dat geslacht, leeftijd en bruto huishoudelijk inkomen geen
significant effect hebben op geloofwaardigheid. De relatie tussen opleidingsniveau en
geloofwaardigheid is wel significant, maar zwak. Hoe hoger men is opgeleid, hoe
geloofwaardiger men het nieuwsbericht vindt.
De derde en laatste onderzoeksvraag luidt: Bestaan er significante verschillen in de
opgevatte geloofwaardigheid tussen de websites van AD Rotterdams Dagblad, Havenbedrijf
Rotterdam N.V. en Milieudefensie wanneer gecontroleerd wordt voor de variabele ‘favoriet
nieuwsmedium’ en de vier demografische kenmerken? Omdat er geen significante relaties

34
aangetoond konden worden tussen geloofwaardigheid en drie van de vier demografische
kenmerken en favoriet nieuwsmedium, is de centrale relatie in dit onderzoek alleen
gecontroleerd voor opleidingsniveau. Wanneer tegelijk het effect van opleidingsniveau en
informatiebron op geloofwaardigheid wordt getoetst, blijkt dat het oorspronkelijke effect van
opleidingsniveau op geloofwaardigheid verdwijnt, zowel als hoofdeffect als interactie-effect
met informatiebron.

5.2 Interpretatie van de bevindingen


In het Elaboration Likelyhood Model wordt verondersteld dat nieuwsconsumenten in het
meest gunstigste geval mediaboodschappen beoordelen op zowel de inhoudelijke als de
perifere kenmerken. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat het online nieuwsbericht
even geloofwaardig wordt gevonden als het gepresenteerd wordt door de onafhankelijke
bron AD Rotterdams Dagblad als door de afhankelijke bronnen Havenbedrijf Rotterdam N.V.
of Milieudefensie. Omdat het nieuwsbericht in alle drie de onderzoeksgroepen identiek was,
zou geconcludeerd kunnen worden dat nieuwsconsumenten het bericht beoordelen, en dat
ze zich dus niet blind laten leiden door de bron.
In hoofdstuk twee werden twee standpunten genoemd met betrekking tot de relatie
tussen online bronnen en geloofwaardigheid. Het eerste standpunt was dat
nieuwsconsumenten niet de capaciteiten bezitten om online informatie en media te kunnen
beoordelen op geloofwaardigheid. Het tweede standpunt was dat nieuwsconsumenten deze
capaciteiten wel bezitten. De bevindingen lijken aan te sluiten bij het tweede standpunt;
nieuwsconsumenten zijn prima in staat online informatie te beoordelen; ze laten hun oordeel
namelijk niet afhangen van de vraag of het nieuwsbericht al dan niet door een onafhankelijk
nieuwsmedium wordt gebracht, maar evalueren kritisch de inhoud van het nieuwsbericht
zelf. Anderzijds zou men echter ook kunnen beredeneren dat het nieuwsconsumenten niet
uit lijkt te maken van welke bron het nieuws afkomstig is, en er dus mogelijk niet bij stilstaan
dat een nieuwsbericht vertekenend kan zijn wanneer niet maatschappelijke belangen maar
bijvoorbeeld commerciële belangen van de afzender voorop staan. Dit onderzoek biedt
hierover helaas geen uitsluitsel. Of dit het geval is, zou uit vervolgonderzoek moeten blijken.
Het is opvallend dat de geloofwaardigheid van het nieuwsbericht niet zo hoog is. Deze
bevinding kan niet vanuit de gehanteerd theorieën verklaard worden. Het is mogelijk dat juist
vanwege de factoren die ervoor zorgen dat online informatie niet makkelijk te beoordelen is,
nieuwsconsumenten heel voorzichtig omgaan met alle informatie op het internet, ongeacht
de status –onafhankelijk of afhankelijk, van de bron. Omdat er geen vergelijkbaar offline
onderzoek is gedaan, kan dit echter niet met zekerheid worden beweerd. Ook het onderwerp
van het nieuwsbericht kan hierbij eventueel een rol hebben gespeeld. De informatie was
immers niet meer recent, wat gewoonlijk wel een voorwaarde van nieuws is.
Demografische kenmerken blijken geen goede voorspellers te zijn van
geloofwaardigheid van online nieuws en informatie. Dit bevestigt de resultaten van eerdere
onderzoeken naar de relatie tussen demografische kenmerken en geloofwaardigheid van

35
online informatie en bronnen. Ondanks dat mediagebruik, gemeten aan de hand van het
voorkeursmedium voor nieuws en informatie, in onderzoeken van Johnson en Kaye (1998)
en Kiousis (2001) sterk samenhing met de mate waarin men online informatie geloofwaardig
vindt, blijkt dat in dit onderzoek niet het geval. Mogelijk kan dit verklaard worden door het
tijdsverschil tussen deze eerdere onderzoeken en het onderzoek dat hier gepresenteerd
wordt. Tussen de onderzoeken van Kiousis en Johson en Kaye en dit onderzoek zitten
respectievelijk negen en twaalf jaar. In deze tijd is internet als informatiebron gegroeid van
nieuw medium, alleen gebruikt door de early adopters in de samenleving, tot gemeengoed,
zoals blijkt uit het eerder genoemde onderzoek naar de levenscycli van nieuwe media
(Lehman-Wilzig & Cohen-Avigdor, 2004). Zowel de internetomgeving als de
nieuwsconsumptiepatronen zijn sindsdien enorm veranderd.

5.3 Beperkingen en suggesties


Het onderzoek heeft een aantal methodologische beperkingen. Met betrekking tot de
proefpersonen in dit onderzoek moet vermeld worden dat deze geselecteerd zijn uit de
ledenbestanden van marktonderzoeksbureau Synovate. Deze leden worden online
benaderd voor lidmaatschap en deelname aan de lopende onderzoeken van Synovate. De
proefpersonen in dit onderzoek hebben dus allemaal bepaalde basisvaardigheden op het
gebied van internetgebruik. Ook zijn mensen die niet beschikken over een e-mailadres op
voorhand al uitgesloten van deelname. Dit kan invloed hebben gehad op de mate waarin ze
over de kennis en vaardigheden beschikken om online informatie te beoordelen.
Een andere beperking van het onderzoek heeft betrekking op de generaliseerbaarheid
van resultaten. De onafhankelijke bron en afhankelijke bronnen in dit onderzoek zijn niet
generaliseerbaar naar het totale aanbod aan onafhankelijke en afhankelijke bronnen online.
Binnen zowel de categorie onafhankelijke bronnen als de categorie afhankelijke bronnen
bestaan verschillende typen en verschillende niveaus van (on)afhankelijkheid. Dit kan
invloed hebben op de beoordeling van nieuws en informatie.
Daarnaast is de selectie van proefpersonen in dit onderzoek niet generaliseerbaar
naar de gehele populatie van nieuwsconsumenten in Rotterdam en omgeving, of nog
algemener, nieuwsconsumenten in Nederland. Wel bieden de onderzoeksresultaten een
aanknopingspunt voor verder onderzoek naar de relatie tussen typen online
informatiebronnen en de opgevatte geloofwaardigheid van online informatie.
De laatste beperking heeft betrekking op het onderzoeksontwerp. Het experiment
bestond uit drie experimentele condities. Er is geen gebruik gemaakt van een controlegroep,
waarbij alleen het nieuwsbericht getoond zou worden zonder de context van een bron. De
resultaten van de controlegroep hadden inzicht kunnen geven in de kwaliteit van het neutrale
nieuwsbericht.
Het onderzoek roept een aantal vragen op. Zo kan geen eenduidige conclusie worden
getrokken met betrekking tot de resultaten. Om inzicht te krijgen in hoe nieuwsconsumenten
precies nieuwsberichten evalueren en wat daarbij de functies van inhoud en bron zijn, zou

36
het onderzoek uitgebreid kunnen worden met een kwalitatief interview, waarin gevraagd
wordt naar de gemaakte afwegingen bij de beoording. Ook zou het onderzoek herhaald
kunnen worden met in plaats van een neutraal nieuwsbericht, bijvoorbeeld een heel
eenzijdig nieuwsbericht. Wanneer de inhoud leidt tot twijfels over de geloofwaardigheid,
zouden nieuwsconsumenten dan wel afgaan op de bron? Ten slotte zou het onderzoek ook
herhaald kunnen worden met offline bronnen, in plaats van de online bronnen. Zou het
nieuwsbericht anders beoordeeld worden als het gepresenteerd zou worden op papier, in
een uitgave van het AD of in de Havenkrant? Worden 'oude' nieuwsmedia, zoals Metzger et
al. (2003) veronderstellen, automatisch meer vertrouwd dan de 'nieuwe' nieuwsmedia?
Meer algemeen zou men in volgend onderzoek het aantal (typen) informatiebronnen
kunnen uitbreiden. Ook kan men het aantal perifere kenmerken vergroten. In dit onderzoek
is gekeken naar de bron als perifeer kenmerk. Er zijn echter nog veel meer perifere
12
kenmerken van mediaboodschappen. Zo toonden onderzoekers van de Stanford University
aan, dat de mate waarin men mediaboodschappen geloofwaardig vindt, niet alleen
voorspeld kan worden op basis van de bron, maar ook op basis van 'modality' (de structurele
kenmerken van een website), 'interactivity' (de mogelijkheden tot interactie) en 'navigatibility'
(de manier waarop van de ene ‘locatie’ naar de andere wordt geleid) (Sundar 2008; Hilligoss
& Rieh, 2008). Vervolgonderzoek is nodig om inzicht te krijgen in de interactie-effecten van
deze verschillende perifere elementen op de wijze waarop men mediaboodschappen
beoordeelt.
Geloofwaardigheid is in dit onderzoek geconceptualiseerd en geoperationaliseerd aan
de hand van kwaliteitscriteria in de journalistiek. Vervolgonderzoek, waarbij
geloofwaardigheid gemeten wordt op basis van dezelfde items kan uitwijzen of de
constructvaliditeit van het meetinstrument hoog is. Hierbij moet wel de kanttekening
geplaatst worden dat geloofwaardigheid gemeten aan de hand van journalistieke
basisprincipes alleen relevant is in studies naar de effecten van nieuws- en
informatiebronnen.

12
http://credibility.stanford.edu/

37
Literatuur

Bakker, S., de (2006). Cahier 2: Bedrijfsjournalistiek in Nederland. Den Haag: Logeion,


vakgroep Bedrijfsjournalistiek.
Berlo, D.K., Lemert, J.B., & Mertz, R.J. (1969-1970). Dimensions for evaluating the
acceptability of message sources. The Public Opinion Quarterly, 33(4), 563-576.
Bowman, S., & Willis, C. (2003). We media: How audiences are shaping the future of news
and information. Reston, Va: The Media Center at The American Press Institute.
Cassidy, W.P. (2007). Online news credibility: An examination of the perceptions of
newspaper journalists. Journal of Computer-Mediated Communication, 12, 144-164.
Centraal Justitieel Incassobureau (8 januari 2008). Openbaar Ministerie komt met eigen
‘Youtube’. Informatie gepubliceerd op
http://www.cjib.nl/Actueel/Nieuwsberichten_2008/OM_komt_met_OMtv.aspx.
Christians, C.G. (1985-1986). Enforcing media codes. Journal of Mass Media Ethics, 1(1),
14-21.
Cronkhite, G., & Laska, J. (1976). A critique of factor analytic approaches to the study of
credibility. Communication Monographs, 43, 91-107.
Deuze, M. (2005). What is journalism? Professional identity and ideology of journalists
reconsidered. Journalism, 6, 442-464.
Deuze, M., & Yeshua, D. (2001). Online journalists face new ethical dilemmas: lessons from
the Netherlands. Journal of Mass Media Ethics, 16(4), 273-292.
Evers, H. (2007). Cahier 3: Ethiek in de bedrijfsjournalistiek. Den Haag: Logeion, vakgroep
Bedrijfsjournalistiek.
Flanagin, A.J., & Metzger, M.J. (2000). Perceptions of Internet information credibility.
Journalism and Mass Communication Quarterly, 77, 515-540.
Friend, C., & Singer, J.B. (2007). Online journalism ethics: Traditions and transitions. New
York: M.E. Sharpe.
Gans, H. (1999). Deciding what's news. In H. Tumber (Ed.), News: A reader (pp. 235-248).
Oxford: University Press.
Gants, W. (1981). The influence of researcher methods on television and newspaper news
credibility evaluations. Journal of Broadcasting and Electronic Media, 25(2), 155-
169.
Gaziano, C., & McGrath, K. (1986). Measuring the concept of credibility. Journalism
Quarterly, 63(3), 451-462.
Grunig, L.A., Grunig, J.E., & Dozier, D.M. (2002). Excellent public relations and effective
organizations. A study of communication management in three countries. Mahwah,
New Jersey: Lawrence Erlbaum.
Grunig, J.E., & Hunt, T. (1984). Four public relations models in theory and practice. In J.E.
Grunig, & T. Hunt (Eds.), Managing public relations (pp. 21-25). Belmont, CA:
Wadsworth/Thomson Learning.

38
Hart, ‘t, H., Dijk, van, J., Goede, de, M., Jansen, W., & Teunissen, J. (1998).
Onderzoeksmethoden. Den Haag: Boom Onderwijs.
Hilligoss, B., & Rieh, S.Y. (2008). Developing a unifying framework of credibility assessment:
Construct, heuristics, and interaction in context. Information Processing and
Management, 44, 1467-1484.
Hovland, C.I., Janis, I.L., & Kelley, H.H. (1961). Communication and persuasion:
Psychological studies of opinion change. New Haven: Yale University Press.
Hovland, C.I., & Weiss, W. (1951-1952). The influence of source credibility on
communication effectiveness. The Public Opinion Quarterly, 15(4), 635-650.
Howitt, D., & Cramer, D. (2007). Statistiek in de sociale wetenschappen. Amsterdam:
Pearson Education.
Hox, J.(2009). Definiëren en operationaliseren. In H. Boeije, H. ‘t Hart, & J. Hox (Eds.),
Onderzoeksmethoden (pp. 164-207). Den Haag: Boom onderwijs.
Hox, J., Goede, M., de, & Boeije, H. (2009). Het experiment. In H. Boeije, H. ‘t Hart, & J. Hox
(Eds.), Onderzoeksmethoden (pp. 164-207). Den Haag: Boom onderwijs.
Infante, D.A. (1980). The construct validity of semantic differential scales for the
measurement of source credibility. Communication Quarterly, 28(2), 19-26.
Johnson, T.J., & Kaye, B.K. (1998). Cruising is believing?: Comparing Internet and traditional
sources on media credibility measures. Journalism and Mass Communication
Quarterly, 75(2), 325-340.
Johnson, T.J., & Kaye, B.K. (2004). Wag the blog: How reliance on traditional media and the
Internet influence credibility perceptions of webslogs among blog users. Journalism
and Mass Communication Quarterly, 81(3), 622-642.
Johnson, T.J., & Kaye, B.K. (2009). In blog we trust? Deciphering credibility of components
of the internet among politically interested internet users. Computers in Human
Behavior, 25, 175-182.
Kiousis, S. (2001). Public trust or mistrust? Perceptions of media credibility in the information
age. Mass Communication and Society, 4(4), 381-403.
Lehman-Wilzig, S., & Cohen-Avigdor, N. (2004). The natural life cycle of new media
evolution: Inter-media struggle for survival in the internet age. New Media and
Society, 6, 707-730.
Logeion. (11 maart 2010). Mag een gemeente een freelance journalist inhuren om
raadsvergaderingen te verslaan? Informatie gepubliceerd op
http://www.logeion.nl/k/news/view/79500.
McCroskey, J.C., Holdridge, W., & Toomb, J.K. (1974). An instrument for measuring the
source credibility of basic speech communication instructors. Communication
Education, 23(1), 26-33.
McManus, J.H. (2002). Does serving the market conflict with serving the public? In D.
McQuail (Ed.), McQuails’ reader in mass communication theory (pp. 270-275).
London: Sage.

39
Metzger, M.J., Flanagin, A.J., Eyal, K., Lemus, D.R., & McCann, R.M. (2003). Credibility for
the 21st century: Integrating perspectives on source, message, and media credibility
in the contemporary media environment. In P.J. Kalbfleisch (Ed.), Communication
Yearbook 27 (pp. 292-335). Mahwah, New Jersey: Lawrence Erlbaum.
Metzger, M.J., Flanagin, A.J., & Zwarun, L. (2003). College student Web use, perceptions of
information credibility, and verification behavior. Computers and Education, 41, 271-
290.
Meyer, P. (1988). Defining and measuring credibility of newspapers: Developing an index.
Journalism Quarterly, 65(3), 567-575.
Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ). (19 februari 2010). NVJ over Renswoude.
Informatie gepubliceerd op http://www.nvj.nl/nieuws/bericht/nvj-over-reswoude/.
Newhagen, J., & Nass, C. (1989). Differential criteria for evaluating credibility of newspapers
and TV news. Journalism Quarterly, 66(2), 277-284.
Pavlik, J.V. (2001). Journalism and new media. New York: Columbia University Press.
Perse, E.M. (2001). Media effects and society. Mahwah, New Jersey: Lawrence Erlbaum.
Petty, R.E., & Cacioppo, J.T. (1996). Attitudes and persuasion: Classic and contemporary
approaches. Boulder, Colorado: Westview Press.
Plasterk, R.H.A., & Rouvoet, A. (2008). Kamerstuk Mediawijsheid. Den Haag: Ministerie van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Pleijter, A., & Frye, A. (2007). Journalistieke gedragscode: leiband of leidraad? Nijmegen:
Radboud Universiteit Nijmegen, Sectie Communicatiewetenschap.
Prenger, M., & Vree, F., van (2004). Schuivende grenzen: De vrijheid van de journalist in
een veranderend medialandschap. Amsterdam: NVJ/Prometheus.
Raad voor Cultuur (2005). Mediawijsheid: De ontwikkeling van nieuw burgerschap. Den
Haag: Raad voor Cultuur
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) (2003). Medialogica: Over het
krachtenveld tussen burgers, media en politiek. Advies 26. Den Haag: RMO.
[Website] http://www.adviesorgaan-rmo.nl/publicaties/adviezen/2003/301/.
Rimmer, T. & Weaver, D. (1987). Different questions, different answers? Media use and
media credibility. Journalism Quarterly, 64, 28-36.
Ruler, B., van. (2007). Cahier 1: Wat is goede bedrijfsjournalistiek? Den Haag: Logeion,
vakgroep Bedrijfsjournalistiek.
Schweiger, W. (2000). Media credibility – experience or image?: a survey on the credibility of
the World Wide Web in Germany in comparisation to other media. European Journal
of Communication, 15(1), 37-59.
Singer, J.B. (2003). Who Are These Guys? The Online Challenge to the Notion of
Journalistic Professionalism. Journalism, 4(2), 139-163.
Sundar, S.S. (2008). The MAIN model: A heuristic approach to understanding technology
effects on credibility. In M.J. Metzger & A.J. Flanegin (Eds.), Digital media, youth and
credibility (pp. 73-100). Cambridge MA: The MIT Press.

40
Thorson, K., Vraga, E., & Ekdale, B. (2010). Credibility in context: How uncivil online
commentary affects news credibility. Mass Communication and Society, 13, 289-
313.
Tuchman, G. (1972). Objectivity as strategic ritual: An examination of newsman’s notions of
objectivity. The American Journal of Sociology, 77(4), 660-679.
Ugland, E., & Henderson, J. (2007). Who is a journalist and why does it matter?
Disentangling the legal and ethical arguments. Journal of mass media ethics, 22(4),
241-261.
Verhoeven, P. (2008). Communicatiemanagement in de publieke sfeer. In B. van Ruler, W.
Elving, B. van den Hooff, E. Smit, & P. Verhoeven (Eds.),
Communicatiemanagement in communicatiewetenschappelijk perspectief (pp. 239-
252). Den Haag: Boom Onderwijs.
Verschuren, P. (2001). Laboratoriumexperiment. In H. Hüttner, K. Renckstorf, & F. Wester
(Eds.), Onderzoekstypen in de communicatiewetenschap (pp. 375-427). Alpen aan
den Rijn: Kluwer.
Wentink, T. (1972). De journalist in de dagbladorganisatie: Semi-professionalisme in een
bureaucratische structuur. Massacommunicatie, 1, 75-101.

41
Bijlage 1: Vragenlijst (papieren versie)

Onderdeel 1: Introductie

Geachte mevrouw, meneer,

De Universiteit Leiden doet een onderzoek naar de kwaliteit van nieuws op het internet. De
vragenlijst bestaat uit 7 vragen. Het invullen van deze vragen kost u ongeveer 5 minuten.
De vragenlijst begint met een kort nieuwsbericht. De vragen erna gaan over wat u vindt van
de kwaliteit van het bericht. Ten slotte worden een aantal vragen gesteld over uw
persoonlijke kenmerken, zoals uw leeftijd.

Alvast hartelijk dank voor uw medewerking.

Onderdeel 2: manipulatie informatiebron

Onderstaand bericht verscheen een tijdje geleden… [Hier 1 van de 3 condities invullen]

Conditie 1: op de website van het AD Rotterdams Dagblad:


www.ad.nl/ad/nl/1038/Rotterdam/index.dhtml.
Conditie 2: op de website van het Havenbedrijf Rotterdam N.V.:
www.portofrotterdam.com/nl/home.
Conditie 3: op de website van Milieudefensie: www.milieudefensie.nl

Zou u het bericht willen lezen?

 tonen van 1 van de experimentele condities:


Conditie 1: bericht ANP + logo en layout AD Rotterdams Dagblad
Conditie 2: bericht ANP + logo en layout Havenbedrijf Rotterdam N.V.
Conditie 3: bericht ANP + logo en layout Milieudefensie

Als u het bericht gelezen heeft kunt u doorgaan naar de eerste vraag.

Onderdeel 3: geloofwaardigheid

1. Wat vind u van dit artikel?

Stellingen:
1) Ik mis belangrijke informatie in dit bericht
2) Dit is een nauwkeurig bericht

42
3) Dit is een partijdig bericht
4) Dit is een feitelijk bericht
5) Dit is een eenzijdig bericht
6) Dit is een eerlijk bericht

0 Zeer mee eens


0 Mee eens
0 Niet mee eens, niet mee oneens
0 Mee oneens
0 Zeer mee oneens

Onderdeel 4: controlevariabelen

2. Hoe vaak heeft u in de afgelopen 12 maanden [hier 1 van de 3 condities invullen]


bezocht?

conditie 1: de website van het AD Rotterdams Dagblad?


conditie 2: de website van het Havenbedrijf Rotterdam N.V.?
conditie 3 de website van Milieudefensie?

0 dagelijks
0 enkele keren per week
0 enkele keren per maand
0 enkele keren per jaar
0 nooit

3. Welke informatiebron gebruikt u het meest om op de hoogte te blijven van nieuws?

0 papieren dag- of weekbladen


0 televisie
0 radio
0 internet
0 anders

Onderdeel 5: achtergrondkenmerken

4. Wat is uw geslacht?

0 man
0 vrouw

43
5. Hoe oud bent u?

[getal invullen]

6. Wat is uw hoogst genoten opleiding?

0 WO doctoraal of master
0 HBO/WO bachelor
0 HAVO of VWO bovenbouw/HBO of WO propedeuse
0 MBO
0 MAVO / eerste drie jaar HAVO/VWO/VMBO theoretische en gemengde leerweg
0 LBO/VBO/VMBO kader en beroepsgerichte leerweg
0 geen onderwijs/ basisonderwijs
0 weet niet/geen opgave

7. Wat is het bruto jaarinkomen van uw huishouden?

0 minder dan 9.500


0 tussen 9.500 en 28.500
0 tussen 28.500 en 34.000
0 tussen 34.000 en 56.000
0 tussen 56.000 en 68.000
0 tussen 68.000 en 91.000
0 meer dan 91.000

Onderdeel 6: Afsluiting

Hartelijk dank voor uw deelname. Wij hebben uw antwoorden in goede orde ontvangen. Het
bericht dat u gelezen heeft is afkomstig van het Algemeen Nederlands Persbureau (ANP)
en verscheen op 9 en 10 februari 2009 in verschillende nieuwsmedia.

44
Bijlage 2: Beeld condities

Website AD Rotterdams Dagblad

45
Website Milieudefensie

46
Website Havenbedrijf Rotterdam N.V.

47
Bijlage 3: Syntax SPSS

* databestand Synovate klaarmaken voor scriptie.

USE ALL.
COMPUTE filter_$=(bericht < 4).
VARIABLE LABEL filter_$ 'bericht < 4 (FILTER)'.
VALUE LABELS filter_$ 0 'Not Selected' 1 'Selected'.
FORMAT filter_$ (f1.0).
FILTER BY filter_$.
EXECUTE.

* Define Variable Properties.


*q1_eenz.
MISSING VALUES q1_eenz(-100, 6).
*q1_eerl.
MISSING VALUES q1_eerl(-100, 6).
*q1_feit.
MISSING VALUES q1_feit(-100, 6).
*q1_mis.
MISSING VALUES q1_mis(-100, 6).
*q1_nauw.
MISSING VALUES q1_nauw(-100, 6).
*q1_part.
MISSING VALUES q1_part(-100, 6).
*q9.
MISSING VALUES q9(-100, 8).
*q10.
MISSING VALUES q10(-100, 8).
EXECUTE.

RECODE q6 (1=2) (2=2) (3=2) (4=2) (5=1) (6=1) (7=1) (8=2).


EXECUTE.

* Define Variable Properties.


*q6.

VALUE LABELS q6
1 'internet'
2 'overig'.
EXECUTE.

48
* beschrijvende statistiek.

FREQUENCIES VARIABLES=bericht q10 q9 q8 q7 q6 q4


/STATISTICS=STDDEV VARIANCE MINIMUM MAXIMUM MEAN MEDIAN MODE
SKEWNESS SESKEW
/ORDER=ANALYSIS.
EXAMINE
VARIABLES=q8
/PLOT BOXPLOT STEMLEAF.

CROSSTABS
/TABLES=bericht BY q4
/FORMAT=AVALUE TABLES
/STATISTICS=PHI
/CELLS=COUNT TOTAL
/COUNT ROUND CELL.

* analyseren of proefpersonen op achtergrondvariabelen gelijkmatig zijn verdeeld over de


drie condities.

CROSSTABS
/TABLES=bericht BY q7
/FORMAT=AVALUE TABLES
/STATISTICS=PHI
/CELLS=COUNT TOTAL
/COUNT ROUND CELL.

CROSSTABS
/TABLES=bericht BY q8
/FORMAT=AVALUE TABLES
/STATISTICS=PHI
/CELLS=COUNT TOTAL
/COUNT ROUND CELL.

CROSSTABS
/TABLES=bericht BY q9
/FORMAT=AVALUE TABLES
/STATISTICS=PHI

49
/CELLS=COUNT TOTAL
/COUNT ROUND CELL.

CROSSTABS
/TABLES=bericht BY q10
/FORMAT=AVALUE TABLES
/STATISTICS=PHI
/CELLS=COUNT TOTAL
/COUNT ROUND CELL.

* omscoren negatief geformuleerde items geloofwaardigheid.

RECODE q1_mis q1_part q1_eenz (5=1) (4=2) (3=3) (2=4) (1=5).


EXECUTE.

* Principale componentanalyse geloofwaardigheid voor alle drie de condities en


betrouwbaarheidsanalyse.

FACTOR
/VARIABLES q1_eenz q1_eerl q1_feit q1_mis q1_nauw q1_part
/MISSING LISTWISE
/ANALYSIS q1_eenz q1_eerl q1_feit q1_mis q1_nauw q1_part
/PRINT INITIAL EXTRACTION ROTATION
/FORMAT SORT
/PLOT EIGEN
/CRITERIA MINEIGEN(1) ITERATE(25)
/EXTRACTION PC
/CRITERIA ITERATE(25)
/ROTATION VARIMAX
/METHOD=CORRELATION.

RELIABILITY
/VARIABLES=q1_feit q1_nauw
/SCALE('ALL VARIABLES') ALL
/MODEL=ALPHA
/STATISTICS=DESCRIPTIVE SCALE CORR
/SUMMARY=TOTAL.

RELIABILITY
/VARIABLES=q1_eenz q1_part q1_mis q1_eerl

50
/SCALE('ALL VARIABLES') ALL
/MODEL=ALPHA
/STATISTICS=DESCRIPTIVE SCALE CORR
/SUMMARY=TOTAL.

* Conditie 1: Algemeen Dagblad en betrouwbaarheidsanalyse.

USE ALL.
COMPUTE filter_$=(bericht = 1).
VARIABLE LABEL filter_$ 'bericht = 1 (FILTER)'.
VALUE LABELS filter_$ 0 'Not Selected' 1 'Selected'.
FORMAT filter_$ (f1.0).
FILTER BY filter_$.
EXECUTE.

RELIABILITY
/VARIABLES=q1_eenz q1_part q1_eerl q1_mis
/SCALE('ALL VARIABLES') ALL
/MODEL=ALPHA
/STATISTICS=DESCRIPTIVE SCALE CORR
/SUMMARY=TOTAL.

* Conditie 2: Port of Rotterdam en betrouwbaarheidsanalyse.

USE ALL.
COMPUTE filter_$=(bericht = 2).
VARIABLE LABEL filter_$ 'bericht = 2 (FILTER)'.
VALUE LABELS filter_$ 0 'Not Selected' 1 'Selected'.
FORMAT filter_$ (f1.0).
FILTER BY filter_$.
EXECUTE.

RELIABILITY
/VARIABLES=q1_eerl q1_eenz q1_part q1_mis
/SCALE('ALL VARIABLES') ALL
/MODEL=ALPHA
/STATISTICS=DESCRIPTIVE SCALE CORR
/SUMMARY=TOTAL.

* Conditie 3: Milieudefensie en betrouwbaarheidsanalyse.

51
USE ALL.
COMPUTE filter_$=(bericht = 3).
VARIABLE LABEL filter_$ 'bericht = 3 (FILTER)'.
VALUE LABELS filter_$ 0 'Not Selected' 1 'Selected'.
FORMAT filter_$ (f1.0).
FILTER BY filter_$.
EXECUTE.

RELIABILITY
/VARIABLES=q1_eerl q1_eenz q1_part q1_mis
/SCALE('ALL VARIABLES') ALL
/MODEL=ALPHA
/STATISTICS=DESCRIPTIVE SCALE CORR
/SUMMARY=TOTAL.

* Berekenen nieuwe waarden van schaal met vier items.

USE ALL.
COMPUTE filter_$=(bericht < 4).
VARIABLE LABEL filter_$ 'bericht < 4 (FILTER)'.
VALUE LABELS filter_$ 0 'Not Selected' 1 'Selected'.
FORMAT filter_$ (f1.0).
FILTER BY filter_$.
EXECUTE.

COMPUTE nieuweschaal=(q1_eenz + q1_part + q1_mis + q1_eerl)/4.


EXECUTE.

* Beschrijving variabele 'nieuweschaal'.

FREQUENCIES VARIABLES=nieuweschaal
/STATISTICS=STDDEV VARIANCE MINIMUM MAXIMUM MEAN MEDIAN MODE
SKEWNESS SESKEW
/HISTOGRAM
/ORDER=ANALYSIS.
EXAMINE
VARIABLES=nieuweschaal
/PLOT BOXPLOT STEMLEAF.

52
* Bivariate analyse.

* 1-factor ongecorreleerde variantieanalyse van variabelen type informatiebron en


geloofwaardigheid.

ONEWAY nieuweschaal BY bericht


/STATISTICS DESCRIPTIVES
/PLOT MEANS
/MISSING ANALYSIS
/POSTHOC=SCHEFFE ALPHA(0.05).

* relatie favoriete nieuwsmedium en geloofwaardigheid.

CROSSTABS
/TABLES=nieuweschaal BY q6
/FORMAT=AVALUE TABLES
/STATISTICS=LAMBDA
/CELLS=COUNT COLUMN TOTAL
/COUNT ROUND CELL.

* relaties demografische kenmerken en geloofwaardigheid.

CROSSTABS
/TABLES=nieuweschaal BY q7
/FORMAT=AVALUE TABLES
/STATISTICS=LAMBDA
/CELLS=COUNT COLUMN TOTAL
/COUNT ROUND CELL.

CROSSTABS
/TABLES=nieuweschaal BY q10
/FORMAT=AVALUE TABLES
/STATISTICS=D
/CELLS=COUNT COLUMN TOTAL
/COUNT ROUND CELL.

CROSSTABS
/TABLES=nieuweschaal BY q9
/FORMAT=AVALUE TABLES
/STATISTICS=D

53
/CELLS=COUNT COLUMN TOTAL
/COUNT ROUND CELL.

CORRELATIONS
/VARIABLES=nieuweschaal q8
/PRINT=TWOTAIL NOSIG
/MISSING=PAIRWISE.

* twee factoren-variantieanalyse.

UNIANOVA nieuweschaal BY q9 bericht


/METHOD=SSTYPE(3)
/INTERCEPT=INCLUDE
/PLOT=PROFILE(q9*bericht)
/EMMEANS=TABLES(OVERALL)
/PRINT=ETASQ DESCRIPTIVE
/CRITERIA=ALPHA(.05)
/DESIGN=q9 bericht bericht*q9.

54