You are on page 1of 9

FUNDAMENTELE WIJSBEGEERTE SAMENVATTINGEN Oudheid

1. Parmenides blz. 25
Basisidee: het zijnde is, het niet-zijnde is niet => conclusie na overweging andere mogelijkheden: - het niet-zijnde is, het zijnde is niet => contradictie, kan niet - het zijnde is, het zijnde is niet => weg v.d. zintuigen, v.d. zgn Dubbelhoofdigen Het zijnde kan niet ontstaan. Waaruit zou het immers ontstaan? Het kan zichzelf niet voorafgaan. Het kan evenmin vergaan, omdat het zichzelf onmogelijk kan opheffen er is geen beweging, verandering, ontstaan of vergaan Het zijnde is tevens ondeelbaar, er zijn geen gradaties in het zijn: iets is of is het niet. Qua zijnde is alles gelijk: het zijn van A is volstrekt identiek aan het zijn van B enz. De waargenomen verschillen tussen de dingen behoren tot de orde v.d. bedrieglijke zintuigen. Het zijnde zelf is een ongedifferentieerd continum. Het zijnde is onbeweeglijk en begrensd Het zijnde is volmaakt. Het is immers niet het resultaat v. e. wordingsproces, het zijnde is volledig ontplooid en heeft zijn grens bereikt. => het zijnde is bolvormig, het is volmaakt en begrensd

2. Heraclitus

Alles vloeit, niets is blijvend De wereld is in constante flux, alles is veranderlijk. Het is onmogelijk om tweemaal in dezelfde stroom af te dalen. Het enige dat vast is, is dat alles beweegt. De harmonie v.d. kosmos bestaat niet in de neutralisering van tegenstellingen, maar in de spanning tussen tegengestelden. De werkelijkheid is niet enkel in beweging, maar het resultaat van voortdurende conflicten tussen tegengestelden.

3. Plato blz. 27
Basisidee: Kennis of wetenschap bestaat in het vatten van het algemene en abstracte, dat zich in de concrete dingen toont, maar zelf niet wordt waargenomen. We kunnen het niet zien, slechts inzien. Er is een begrippelijk realiteit, het zijn. De werkelijkheidsvoorwaarde van deze begrippelijke realiteit is veel groter dan de concrete verschijningsvorm. Kritiek op het relativisme: het stelt alle vertrouwen in de waarneming, hoewel deze voor iedereen verschillend is. => de instabiliteit v.d. waarneming ligt eigenlijk aan de instabiliteit v.d. dingen zelf. Waarneembare dingen zijn altijd vermengd met hun tegendeel (iets groots is in een bepaald opzicht altijd ook klein). Kennisverwerving: KENNIS <-> MENING Abstract <-> concreet ZIJN <-> WORDEN De ideen zijn de vaste ijkpunten die ons toestaan de wereld rondom ons te begrijpen. Ze zijn ijkpunten en moeten dus los v.d. concrete werkelijkheid bestaan. Wat we zien zijn slechts afschaduwingen van de ideen. De afbeelding heeft nooit zoveel kwaliteit als het model (het idee). Participatie: de relatie tussen de zintuiglijke wereld en de ideen. Gemeenschap: de relaties tussen de ideen onderling. Het Goede: elk idee is ideaal en krachtens de gemeenschap draagt zij het goede in zich ver verheven boven de rest, het Goede maakt het mogelijk dat we ideen begrijpen. Ideen zijn a priori: niet het gevolg van zintuiglijke werkelijkheid, maar van autonome operatie v. denken. Typevoorbeeld: wiskunde. Wederherinnering: vr de geboorte was onze ziel aanwezig in de ideenwereld en had ze dus perfecte kennis. Bij de geboorte leiden de ideen een sluimerend bestaan en moeten we ze dus activeren via de zogenaamde vroedvrouwkunde Dialectiek: door dialoog met zichzelf of anderen komen we tot ware kennis v.d. ideenwereld. We richten ons op de ware werkelijkheid en laten de lichamelijkheid los. PARTICIPATIE ZIJN Onveranderlijke Wereld KENNIS ----------------AFBEELDING ----------------WORDEN Zint. wereld MENING

FUNDAMENTELE WIJSBEGEERTE SAMENVATTINGEN


Aristoteles blz. 36
Kritiek op Plato: -verdubbelt de wereld en maakt hem dus nog ingewikkelder - vorm bestaat niet op zichzelf (behalve God) Basisidee: - wou een allesomvattend, wetenschappelijk systeem ontwikkelen gebaseerd op empirie - wees een puur kwantitatieve benadering af omdat deze nooit de rijkdom van natuurlijke dingen kon blootleggen - wou vorm, functie en doelgerichtheid v.d. dingen achterhalen => de wereld die wij waarnemen draagt de principes voor verklaring in zich Categorien: uitdrukking v.d. structuur v.d. werkelijkheid zelf (substantie, kwaliteit, kwantiteit, plaats, relatie, tijd, activiteit, ondergaan, houding, aan hebben). Substantie: - rol van drager, verbindt zich met andere categorien als accidenten - concreet aanwijsbaar object, nooit een algemeenheid SUBSTANTIE VORM = wezen v/d dingen, geeft de bepaling = geabstraheerde definitie

MATERIE = volledig onbepaald (geen accidenten, geen eigenschappen) => HYLEMORFISME Vorm: - het wezen v.d. dingen, bestaat niet op zichzelf, enkel in het kenvermogen als begrip - de vorm bevat het doel en stemt de materie af op de functie Materie: - een limiet-begrip waarbij je alle mogelijke bepaaldheid moet wegdenken. - hoe meer materie, hoe minder vorm en hoe bepaalbaarder Teleologie: - de vorm is doelgericht => dankzij de vorm is een ding afgestemd op de functie die het moet vervullen b.v. snavel specht in vorm v.e. klopboor - het doel van een ding is perfect te zijn, de volmaaktheid na te streven die met de vorm gegeven is - de doelgerichtheid is niet alleen aanwezig in de vorm, maar ook in de materie Act en potentie: elke bestaande constellatie van stof en vorm is een actuele toestand. Deze toestand kan veranderen: elke act draagt in zich de potentie om de actuele toestand te wijzigen. Potentie: de mogelijkheid om te veranderen en te streven naar volmaakte ontplooiing van alle met de vorm gegeven kenmerken. Potentie neemt af naarmate er meer vorm wordt gerealiseerd. Act: elke bestaande constellatie van vorm en materie is een actuele toestand = act b.v. beweging is dus de actualisering van wat potentieel aanwezig is in de bestaande substantie. Entelechie: (doel in zich hebben) elke actuele toestand draagt vorm in zich en dus in zekere mate de realisering van zijn doel. God: Onbewogen Beweger: de hoogste oorzaak van elke beweging, het zichzelf denkende denken (zuivere denkact). God is pure act, bevat geen potentie, alles streeft naar de volmaaktheid van God (alle potentie opgebruiken). Hij is geen schepper, omdat dat potentie in zijn lichaam zou binnenbrengen. Kennis: gaat enkel over de vorm, nooit over een concrete substantie

FUNDAMENTELE WIJSBEGEERTE SAMENVATTINGEN


Augustinus blz. 46
Basisidee: de uiteindelijke verlossing gebeurt niet door de rede, maar is slechts mogelijk dankzij de vrij geschonken goddelijke genade. Alles wat bestaat is uiting van Gods scheppingskracht, God heeft de dingen gewild zoals ze zijn. Exemplaria: de modellen van de geschapen dingen die voor alle eeuwigheid in de goddelijke geest aanwezig waren en door de schepping tot uiting zijn gebracht. De mens steekt boven alle andere schepsels uit omdat ze beeld van God is en omdat ze over vrijheid en wil beschikt. Kennis: Augustinus wantrouwt nieuwsgierigheid, omdat deze al te vaak de ziel in een verkeerde richting orinteert en haar door veelweterij verwaand maakt. Het komt erop aan de exemplaria te achterhalen. We kunnen eeuwige waarheden kennen, maar zien deze alleen wanneer ons verstand verlicht wordt door een licht dat zelf geestelijk, tijdloos, universeel, noodzakelijk en volmaakt is => het zgn. Goddelijke Licht, een noodzakelijke mogelijkheidsvoorwaarde van alle kennis zonder meer. God: de wereld wordt opnieuw gesacraliseerd. Er is een sterk geloof in een persoonlijke en scheppende God. De Christelijke filosofie is ontwikkeld in aansluiting bij de Platoonse filosofische traditie, in samenhang met de Aristotelische leer met betrekking tot de studie van de fysische realiteit.

Thomas van Aquino blz. 54


Basisidee: Van Aquino zag het als zijn taak om de Aristotelische filosofie met de Platoonschristelijke leer te verzoenen. Geloven weten. De geloofswaarheden zijn het domein van de openbaring, de rede het resultaat van redelijke verwerking van waarnemingsgegevens. Geloof heeft de rede nodig: de rede legt de basis waarop het geloof voortbouwt (voorbodes v.h. geloof). Alle geloofspunten kunnen door de rede verantwoord worden, maar nooit definitief uitgesloten. Kennisverwerving: acceptatie: Aristoteles: - geen kennis zonder waarneming. - niets in het intellect dat niet in de zintuigen is geweest verwerping: Plato: wantrouwen t.o.v. zintuigen, kennis komt door dialoog Augustinus: illuminatieleer, het Goddelijke licht Aquino: de menselijke geest beschikt over een natuurlijk licht d.w.z. nog voor er informatie binnenkomt bevat het verstand denk-principes die de basis vormen van elke denk-act => de intelligibele dingen. Het voorwerp v.d. kennis is de vorm. Universalia: combinatie van het Platoonse en Aristotelische systeem - in Gods geest, als exemplaria (Platoonse idee) - in de dingen (als vorm, gecombineerd met de materie) - in het verstand (als geabstraheerde, universele vorm) Essentie <-> existentie: de essentie is het wezen (Aristoteles), de existentie is het rele (actuele) bestaan van de dingen. De essentie is een universeel begrip, dat niet pers ook actueel moet bestaan. Het is door Gods scheppingsdaad dat het actuele bestaan wordt toegevoegd aan de essentie. De essentie gaat aan de existentie vooraf. God denkt de essentie en voeg daarna actueel bestaan toe. Wijziging van het Aristotelisch model: een vorm kan wel puur op zichzelf bestaan, de zgn. forma subsistens: enkel vorm en zijnsact b.v. engelen, ziel. Hirarchie: God->mens->dier->planten->gesteenten. God, top v.d. hirarchie: geen onderscheid tussen essentie en existentie => pure zijnsact, het einddoel van alle geschapen werkelijkheid, het zijn dat op zichzelf bestaat. Door telkens essentie en existentie te verbinden zorgt God ervoor dat de eindige dingen participeren aan het oneindige. Ziel: een ziel is ten zeerste verbonden met het lichaam, maar er is een element waarmee de ziel het lichaam overstijgt: het denken. De ziel heeft een functie als vorm van het lichaam, maar bestaat daarnaast ook op zich: zij is een vorm die tegelijk zelf een substantie is, los v.h. lichaam. Elke ziel wordt afzonderlijk als substantie door God geschapen en zal dusdanig blijven voortbestaan (onsterfelijkheid).

FUNDAMENTELE WIJSBEGEERTE SAMENVATTINGEN


Nominalisme Willem van Ockham blz. 58
Basisidee: voor ons, mensen, is het onmogelijk om door te dringen in Gods scheppingskracht. De menselijke kennis is beperkt en het is nt gegarandeerd dat de manier waarop wij de dingen kennen overeenkomt met de manier waarop de werkelijkheid is. Alle oude filosofen kenden werkelijkheidswaarde toe aan de universalia. Dit parallellisme betekent dat aan een ding in de werkelijkheid in het denken een substantie en in de taal een substantie beantwoordt => hierop oefent het nominalisme kritiek uit. Kritiek v. Ockham: er zijn enkel particuliere dingen, die nu eenmaal soms op elkaar gelijken. De gelijkenis zelf moet niet als een ding worden beschouwd: wij construeren de relatie. Door te stellen dat de universele begrippen enkel constructies zijn van ons denken en spreken, ontkracht Ockham de gedachte dat aan elke talige uitdrukking een realiteit moet beantwoorden => men moet zijnden niet vermenigvuldigen indien niet nodig => ontologische spaarzaamheid => scheermes van Ockham

FUNDAMENTELE WIJSBEGEERTE SAMENVATTINGEN


Rationalisme - Ren Descartes blz. 70
Basisidee: wou zekerheid aan de filosofie verlenen (mathematisch karakter) => constructieve methode (zekerheid op zekerheid) Voorwaarden: - correcte toepassing v.d. methode - absoluut zeker vertrekpunt Zoektocht naar het absolute, onbetwijfelbaar en evident uitgangspunt: => cartesiaanse twijfel: doelbewust gekozen techniek, gericht op het ontdekken van zekerheden die tegen elke twijfel bestand zijn => elke opinie waarover twijfel bestaat moet opzijgezet worden -> vele zekerheden zijn slechts schijnbaar => vroegere inzichten: schouwspel v. tegenstrijdige meningen => zintuigen: bedriegen ons soms b.v. - stok in het water lijkt gebroken - droom => mathematische kennis: afhankelijk v.d. werking v.d. geest -> hypothese van le malin gnie 1ste zekerheid: Onbetwijfelbaar gegeven: ik twijfel aan mijn twijfel => Ik denk, dus ik ben -> dus wijst op een onmiddellijke evidentie Denken: ruim begrip, bevat denken, voelen, waarnemen enz. Het ik is een denkende substantie => Cogito. 2de zekerheid: Waaraan heeft het Cogito zijn onbetwijfelbaarheid te danken? => une ide claire et distincte, een klaar en welonderscheiden idee Alles wat klaar en welonderscheiden is, is zeker = criterium v. zekerheid. Waar vinden we deze ideen? In het Cogito zelf. Zintuiglijke voorstelling: dragen de idee v. lichamelijkheid in zich. We beschikken over de idee v.d. volmaaktheid => bestaan v. God => klaar en welonderscheiden Causaliteit: wat is de oorzaak v.d. idee van oneindige volmaaktheid? Lide de linfini = God. => 2de zekerheid: God -> volmaakt en dus waarachtig, kan onmogelijk een bedrieger zijn. Twijfel van de mathematische kennis opgeheven. Absolute Volmaaktheid: noodzakelijk dat ze bestaat (bestaan volmaakter dan nt-bestaan).

3e zekerheid: Opdat een idee waar is, moet ze een oorzaak hebben die van dezelfde aard is. b.v. zintuiglijke voorstelling van een witte deur is enkel waar indien er een witte deur is. Indien dit niet zo zou zijn, zou God een leugenaar zijn, wat niet kan => God is volmaakt. => argument v.d. droom weerlegd => 3de zekerheid: bestaan van een afzonderlijke, stoffelijke werkelijkheid. Mediaat realisme: de bruggen tussen het ik en de wereld is gelegd: mediaat realisme -> bestaan v.d. wereld wordt via God aanvaard Kritiek op Descartes: ik denk = een substantie, draagt de lange traditie v.d. filosofie in zich en maakt deel uit van ons verstaan van de wereld als geheel van autonome dingen. Hoe weet Descartes dat het ik een substantie is die essentieel denkend is? De wijze waarop Dascartes het Cogito begrijpt, bevat vele belangrijke vooronderstellingen b.v. dualisme v. lichaam en geest, hoe verbonden? Cogito is een gesloten bewustzijn: probleem v.d. brug, zweeft in het ijle.

FUNDAMENTELE WIJSBEGEERTE SAMENVATTINGEN


Empirisme John Locke blz. 85
Basisidee: de geest is leeg bij de geboorte. Hoe wordt de geest dan gevuld? We krijgen het bewustzijn van onszelf en de dingen door ervaring (experience). 2 soorten ervaring: - uitwendige sensation - inwendige reflection Sensations (uitwendig): Primaire (grootte, vorm, aantal, plaats) = meetbaar. Secundaire (kleren, smaak, geur) = nt meetbaar. Kwaliteiten v.d. dingen. Er is geen kennis mogelijk over secundaire kwaliteiten. Elementaire ideen: rechtstreeks gegeven door de ervaring Complexe ideen: combinatie van elementaire ideen, hebben geen equivalent in de werkelijkheid. Blijvende kern die alle kwaliteiten vasthoudt: substantie = onbekend, a something we know not what, a supposed but unknown support of those qualities we find existing. Kennis: Knowledge then seems to me to be nothing but the perception of the connection and agreement, or disagreement and repugnancy of any of our ideas. Kennis is niets anders dan de waarneming van de overeenstemming van onze ideen => betrekking op uitspraken waarin juiste verbindingen tss ideen worden gelegd.

FUNDAMENTELE WIJSBEGEERTE SAMENVATTINGEN


Radicalisatie empirisme - David Hume blz. 87 Basisidee: Hume ziet in dat het empirisme uitgaat van vooronderstelling die het niet kan bewijzen: een mind met ideas en daarbuiten een realiteit met het karakter van een substantie. -> alle kennis (behalve wiskunde) berust op indrukken (impressions) die de basis vormen voor onze voorstellingen (ideas). Hoe weet ik of onze indrukken overeenstemmen met de werkelijkheid? Probleem: de dingen zijn mij enkel toegankelijk via mijn voorstellingen. Probleem v.d. substantie: we hebben er geen impression van, enkel de innnerlijke drang om het geheel van indrukken met substanties te verbinden. => dit is enkel een innerlijke psychische noodzaak. Ook kunnen we niet tot een substantile ik of ziel besluiten. Werkelijkheid: De enige werkelijkheid lijkt het wisselen en opeenvolgen van fenomenen in een bewustzijn dat zelf geen zelfstandige substantie is. Kritiek op het causaliteitsprincipe: Ons denken kan een dergelijk principe niet funderen. De relatie oorzaak-gevolg kan geen zekerheid zijn, maar slechts waarschijnlijkheid (probability). b.v. biljartballen: we zien een opeenvolging van twee bewegingen, maar niet het ten gevolge van elkaar. Causaliteit berust op custom and habit -> we zien de beweging of kracht niet overgaan. Strikt filosofisch radicaal scepticisme: We zijn niet in staat om een onomstootbaar fundament voor onze kennis te leveren. Humes scepticisme is gericht op de misplaatste pretenties van dogmatische filosofen. Kunnen we door een beperkt aantal empirische waarnemingen tot een algemene wet besluiten?

FUNDAMENTELE WIJSBEGEERTE SAMENVATTINGEN


Immanuel Kant Kant = fusie van rationalisme (ingeboren ideen ) en empirisme (geest aanvankelijk leeg). Onderzoek naar de mogelijkheidsvoorwaarden van de wetenschap en de mogelijkheid van kennis omtrent metafysica => grenzen van de kennis aanduiden in een transcendentaal onderzoek, de rede onderzoekt de rede (transcendentaal = hoe is iets mogelijk). Oordelen: Analytisch Oordelen a priori: een cirkel is rond => predikaat vervat in subject Synthetische Oordelen a posteriori: het bord is groen => toevoegen van eigenschap 3e oordeel: synthetische oordelen a priori: de wiskunde (5+7=12) 3fasen voor de kennis: transcendentale esthetiek: tijd en ruimte noodzakelijk voor waarneming, zonder ruimte geen voorwerpen, zonder tijd geen wiskunde => tijd en ruimte a priori mogelijkheidsvoorwaarden voor kennis. Transcendentale analytiek: kennis wordt in a priori denkstructuren gegoten, de 12 categorin Transcendentale dialectiek: veelheid van kennis => noodzaak aan ordening. 3 aantrekkingspolen: wereld, ik, god Omtrent deze aantrekkingspolen is geen kennis mogelijk (de wereld is eindig <-> de wereld is niet eindig), allebei even waar, vallen buiten het kader van de wetenschap. Kant weerlegt dus het scepticisme van Hume (causaliteit bestaat enkel in de geest) door te stellen dat causaliteit een van de ingeboren denkstructuren is. => ff rap samegevat, ge zult is tegoei moete zien da het een beke klopt, stuurt uw vrage ma via mail he ;)

FUNDAMENTELE WIJSBEGEERTE SAMENVATTINGEN


3. Hedendaagse tijd Vraag naar de mens blz. 198 Sren Kierkegaard blz. 212
Basisidee: Kritiek op Hegel: het individu laat zich niet restloos opnemen in het Absolute. Kierkegaard stelt de evidentie van de (uiteindelijke) harmonie tussen het individu en de werkelijkheid in vraag. Er zijn 3 houdingen die de mens ten aanzien van de wereld kan innemen, die gekoppeld zijn aan 3 opeenvolgende fasen in het leven. 3 stadia van het leven 1. Het esthetische stadium (Don Juan) De mens laat zich verleiden door de dingen des levens, zonder zich daarbij vragen te stellen. De ervaring, het zinnelijke genieten staat centraal. Na verloop van tijd blijkt dit bestaan echter onbevredigend en raakt het individu vertwijfeld en gaat het zoeken naar een stabieler houvast om zich tegenover de dingen in de wereld te verhouden, het zgn. ethische bestaan. 2. Het ethische stadium (Socrates) Het individu richt zich niet langer op de ervaring, maar gaat zichzelf en de wereld een ethische wet opleggen door zich aan vaste normen te houden. Dit stadium wordt gesymboliseerd door Socrates, die ernst maakt met zijn innerlijk en met de verantwoordelijkheid ten opzichte van zichzelf en anderen. Ook het ethische stadium eindigt omdat het individu er niet in slaagt de ethische plicht strikt na te leven, wat ik wil en voel stemt niet overeen met mijn ethiek. Dit leidt tot schuldbewustzijn en vertwijfeling, wat het individu doet overgeven aan de goddelijke transcendentie. 3. het religieuze stadium (Abraham) De overgang naar dit stadium wordt door Kierkegaard als een sprong beschreven, omdat hij bestaat in de irrationele zelfovergave aan een transcendente, persoonlijke God. Abraham offerde zijn zoon, na lang smeken om vader te worden. De mens bereikt pas in dit stadium de bestaansvervulling waarnaar hij op zoek was. Enkel door overgave aan God verzoenen we ons met ons bestaan en ervaren we de rechtvaardiging van onze individuele existentie. Conclusie: voor Kierkegaard wordt het breukvlak tussen de wereld en het individu maar gedicht in de 3de fase, waarbij God verzoening biedt. De burgerlijke persoonlijkheid kan volgens hem op eigen houtje geen brug slaan met de werkelijkheid.

Jean-Paul Sartre blz. 218


Basisidee: radicale uitwerking v.d. onmogelijkheid van het individu om een harmonieuze verhouding tussen zichzelf en de wereld te hebben -> het individu is helemaal op zichzelf aangewezen: alle banden met de wereld (v.d. dingen en anderen) zijn problematisch. De enige optie die we hebben is de trouw aan onszelf om zo onze authentische vrijheid te stileren. Fenomenologische ontologie: Sartre tracht van wat zich in het menselijke betrokken-zijn-op-dewereld als ervaring aandient (fenomenologisch) een zijnsleer (leer v. zijnden of ontologie) te ontwikkelen. -> fundamenteel verschil tss het individu en andere binnenwereldse zijnden. De mens als pour-soi, 2 opzichten: de mens is een bewustzijn, een wezen dat betrokken is op het andere dan zichzelf en voor wie iets kan zijn -> pour-soi: een werkelijkheid waarvoor andere werkelijkheden (kunnen) zijn, voor het subject gesteld zijn. Dit ligt in de intentionaliteitsstructuur van het bewustzijn. Dit bewustzijn i