You are on page 1of 37

HOOFDSTUK 1: DE MENS OP ZOEK NAAR KENNIS 1. Waarom zoeken mensen inzicht?

Arnold Gehlen: Mens = wngelwesen => Mens: biologisch onvolgroeid en dus minder gedetermineerd door instincten. Gevolg: nood aan info over zichzelf en leefwereld die de mens kan opslaan verwerken, ordenen, verwerken,.. via de hersenen. Dit kan gestimuleerd worden door zelf info op te zoeken en leerprocessen te doorlopen. Dankzij dat we info kunnen verwerken en kennis kunnen toepassen van de buitenwereld, wordt onze overlevingskans groter. Het onthouden van de info zorgt ervoor dat we een voorstelling van onze omgeving kunnen maken. Dankzij de taal kan de info worden overgedragen en zo ontstaat cultuur. Onbekende zaken komen vreemd en angstig over, maar via onze associatie- en structureringsdrang proberen we de onbekende zaken te linken aan bekende zaken voor een gevoel van veiligheid en controle te krijgen. Dit kan echter leiden tot verkeerde info. 2. Verschillende soorten kennis Kennis is een al dan niet uitgesproken voorstelling of overtuiging waarvan mensen menen dat het met een bepaalde werkelijkheid overeenkomt. Vroeger bestond kennis vooral mythen. Kosmologische mythen verklaren het ontstaan van de wereld (vb.: scheppingsverhaal van de bijbel). Mythen horen vaak bij een religie. Kenmerken van religieuze kennis: y Universaliteit: kennis moet verspreid en aanvaard worden y Kennis is afkomstig van god en wordt ons meegedeeld via de openbaring:  Particulier: via een profeet, boek, mensenzoon of visioen  Universeel: god openbaart zichzelf aan de mensen y De religieuze kennis is op een dogmatisch manier te nemen of te laten y Verlossing: Het geloven van een religie bied een weg uit de aardse ellende en al je zonden Wetenschap (1) is de menselijke bedrijvigheid met doel tot gesystematiseerde en betrouwbare kennis te komen. Wetenschap (2) is het resultaat van die bedrijvigheid: alle uitspraken, wetten en theorien rond een samenhangend probleemgebied die voldoen aan deze eisen: y y y Het kan worden meegedeeld Het vertoont een systematisch karakter Er kan controle op de betrouwbaarheid worden uitgevoerd

Praktische vaardigheden: vaak intutief en niet gexpliceerd en gesystematiseerd. Filosofie: liefde tot wijsheid (Philos: vriend/sophia: wijsheid) is een reactie op het mythisch denken.

3. Presocratische natuurfilosofie Filosofie is ontstaan in de 6de eeuw v.C. in Milete in klein Azi. De centrale vraag was de zoektocht naar het arch , dat zo eenvoudig en zo onveranderlijk mogelijk moest zijn. 1. Thales van milete Eerste filosoof en eerste wiskundige Arch: water, het kan immers drie vormen aannemen (vloeibaar, gas en vast). 2. Anaximander Arch: het apeiron (de vier elementen vuur, water , lucht en aarde) 3. Anaximenes Arch: lucht, vuur is immers verfijnde lucht en water is vloeibaar geworden lucht. 4. Pythagoras Het getal licht aan de basis van alle werkelijkheid. Alles is te herleiden tot getallen en verhoudingen (zo ook de toonafstanden in de muziek). 5. Heraklitus van Efese Vuur staat voor verandering. Brengt vaste stof tot as, creert rook en het is zelf ook een vluchtige ongrijpbare substantie. Emperische nadruk: panta rei, alles vloeit. Alles staat in tegenstelling tot iets anders : oorlog is de vader van alle dingen. . (Er is geen vernieuwing nodig zonder dat alles vernietigd wordt door oorlog.) 6. Parmenides van Elea Elke verandering is slechts schijn en gezichtsbedrog. het zijn is en het niet zijn is niet. Het zijn is onvergankelijk, n en ondeelbaar. Verandering doet zich slechts voor aan de oppervlakte. (vb.: marmer vorm je om, maar het blijkt marmer.) Onze zintuigen zijn bedrieglijk en ongegrond om tot kennis te komen. Mensen moeten hun rede volgen. 7. Zeno van Elea Leerling van Parmenides illustreert het rationalisme met paradoxen. y Een pijl bereikt nooit zijn doel, ook al zien we het anders (=> de helft van de helft van de helft van de helft van .. afleggen.) y De wedren tussen achilles en de schildpad. Achilles kan de schildpad nooit inhalen. y Iedereen denkt dat een afgeschoten pijl vliegt, maar Zeno zegt het omgekeerde. (De som van alle onbeweeglijke momenten die je ziet op elke foto kan nooit beweging opleveren.)

8. Demorkritus Leerling van Leukippus die de basis legde van het atomisme. Atomen zijn kleine, ondeelbare, onzichtbare en oneindige deeltjes die altijd al hebben bestaan. Ze kunnen door botsing aan elkaar gaan kleven en erna weer splitsen. Het atoom: onveranderlijk (Parmenides) Het proces van worden en vergaan (Heraklitus)

Het belang van de natuurfilosofen ligt in de manier waarop men de vraag stelt en ermee aan de slag gaat. Men zoekt de oplossing op basis van een natuurlijke interne wetmatigheid die door mensen gekend kan worden. De griekse dichter Xenophanes ontmaskert de goden als immorele en antropomporfe creaturen omdat alle slechte zaken ons zijn toegeschreven en wij de goden menselijk voorstellen omdat wij mensen zijn maar we hebben eigenlijk nooit iets met zekerheid over hen geweten. 4. Plato en Aristoteles Plato en zijn leerling Aristoteles zijn de eerste systematische filosofen. 4.1 Plato s vormenleer Plato schreef vooral dialogen. Hij maakt het onderscheid tussen weten (epistme) en meningen (doxia). Het weten gaat op zoek naar de eidos (vorm, idee) van bepaalde dingen. Voorbeeld: het idee mens incarneert kleine, dikke, lelijke, mensen. Alles wat wij zijn, de hele zintuigelijke wereld is slechts een flauwe afspiegeling van het idee. Het is slechts een onvolmaakte kopie. De schepper-boetseerder noemt plato de Demiurg. De filosoof moet tot de echte kennis komen door de ziel te bevrijden uit de schaduwwereld en te laten opgaan naar de verstandelijke-kenbare wereld. Dit wordt ook beschreven in de allegorie van de grot in De staat (Politeia). Echte kennis komt tot stand wanneer de ziel de echte Ideen opnieuw herinnert (amnese). => DEDUCTIE (1 idee => verschillende flauwe afspiegelingen) Plato legt de fundamenten voor het rationalisme. De ideale staat bestaat volgens hem uit drie klassen: de werkenden, de strijders en verdedigers van ons land en de filosofen die de leiding geven. Iemand wordt geboren in een bepaalde categorie en kan bevorderd of gedegradeerd worden. De staatsvorm die hij het hoogst aanschrijft: koninklijk (eensgezinde opvatting over wat goed is voor de samenleving) en aristocratisch(meest bekwaam). Na deze staatsvorm komen timocratie > oligarchie > democratie > tirannie. Plato is ook de grondlegger van het absolutisme en het verlicht despotisme.

4.2 Aristoteles Hij schreef over onderwerpen uit de biologie, metafysica, ethica logica en potica. Hij was een soort wetenschapper. Akolouthein tois phainomenoi luisteren naar de fenomenen. Volgens Aristoteles gaat de kennis inderdaad over het permanente, essentile en universele maar is ze terug te vinden in de ervaringswereld. Materie vs. Vorm: de vorm is het doel naar welk elk zijnde streeft. Aristoteles legt de klemtoon op doelgerichtheid (=teleologie). Men moet kijken naar de doeleinden om zaken te verklaren. Act vs. Potentie. Een zaadje heeft de potentie een boom te worden en wanneer hij een boom is, is hij actueel. Dingen zijn tegelijkertijd act en potentie. Enkel god is volledig act zonder potentie, vorm zonder stof ( de onbewogen beweger ). De kennis moet volgens Aristoteles vertrekken vanuit de ervaring (empeiria) en de observatie van deze wereld. Er is bij Aristoteles ook nog geen sprake van geplande ervaring door middel van methodologisch, experimenteel onderzoek. => INDUCTIE (dankzij de vele varianten van het idee, eidos, kunnen we ons het Idee /begrip vormen) Er zijn verschillende soorten kennis: wetenschappelijke kennis (pistm), technische vaardigheid (tchn) en wijsheid (phronesis). Aristoteles is de grondlegger van het Empirisme. Het rationalisme laat toe algemene uitspraken te doen met het gevaar dat het soms ver afwijkt van de werkelijke wereld. Het empirisme vertrekt vanuit ervaringsgegeven met het gevaar hoe men hier tot algemene wetten kan komen. Het is niet duidelijk hoeveel proeven men moet doen om besluiten te kunnen trekken.

5. Filosofie, theologie en openbaring 5.1 Filosofie en geloof ontmoeten elkaar Het is vooral het christendom geweest die aansluiting heeft gezocht bij de Griekse filosofie. Paulus gelooft wel in een aansluiting bij de filosofie, Tertullianus echter niet. Filosofische interpretatie van het christendom doet hij af als een ijdele curiositas die zowel nutteloos als schadelijk zijn voor het geloof. De apologetica: de argumentatie ten behoeve van het bestaansrecht van het christendom en de verspreiding van het geloof in intellectuele heidense middens. 5.2 Filosofie als verheldering van het geloof Het christendom wil de blijde boodschap aannemelijk maken en maakt daarvoor gebruik van het filosofisch denken. Omdat de filosofie net had afgedaan van het verhalende (zoals bij mythen het geval was) probeert men het geloof redelijk te verpakken. Volgens Flavius Justinus Martyr is god de Logos zelf: het woord dat elke mens verlicht die in de wereld komt. Volgens Clemens van Alexandri is de Griekse filosofie een voorbereiding (propaideia) op de ware filosofie (het christendom). De filosofie verliest zijn onafhankelijk statuut doordat het door de theologen wordt binnen gehaald, het werd de dienstmaagd van de filosofie (philosophia ancilla thelogiae). De filosofie voorziet een begrippenapparaat waarlangs het christendom haar boodschap kan verkondigen. Men gebruikte vooral het neoplatonisme omdat het spiritueel potentieel had. Augustinus is hiervoor verantwoordelijk. God is de eeuwige wijsheid die de mens gelukkig maakt en de liefde voor die wijsheid is de philosophia. Om tot deze wijsheid te komen is geloof noodzakelijk maar niet voldoende, zonder rede komt men er niet. Crede, ut intelligas (geloof om te begrijpen). De tegenstelling tussen filosofie en het geloof ontstond pas op het einde van de middeleeuwen. 5.3 Filosofie versus geloof 5.3.1 Thomas van Aquino: de laatste synthese Thomas van Aquino is een van de eersten die een zekere onafhankelijkheid van de wijsbegeerte ten aanzien van de theologie verdedigde. Thomas is een theoloog die erkent dat de filosofie met haar eigen methode tot geldige kennis leidt. Filosofie denkt in het licht van de natuurlijke rede , het geloof in het licht van de goddelijke openbaring . Ze handelen over hetzelfde, enkel hun formeel standpunt is verschillend.

Thomas zegt echter dat de filosofie niet toegankelijk is tot de bovennatuurlijke waarheid. Naast ratio(verstand) moet er ook plaats zijn voor revelatio (openbaring). De natuurlijke waarheden zijn praeambula fidei: ze bevatten niet de gehele waarheid maar elementen ervan. Het geloof overstijgt echter het natuurlijke verstand. Filosofie en theologie kunnen elkaar niet tegenspreken aangezien we beide vormen van weten van god hebben gekregen. Indien het toch gebeurt komt dit door misbruik van de filosofie. 5.3.2 Het intergraal aristotelisme (averrosme) versus de theologie

Het geloof en de filosofie zijn al snel uit elkaar gegaan. Vanaf de 13de eeuw worden de antieke scholen opgevolgd door de universiteit en wordt de filosofie steeds meer een academische discipline van professoren. De denkrichting steunde op de zuivere interpretatie van aristoteles. De tegenstellingen met het geloof werden steeds duidelijker. Volgens het averrosme is er geen morele wereldorde, geen straf en beloning, geen hemel of hel (in tegenstelling tot het christendom). Het averrosme bloeide in de 2de helft van de 13de eeuw aan de Parijse artesfaculteit. De unitate intellectus contra averroistas (strijdschrift van Thomas van Aquino). 5.3.3 Duns Scotus en Willem van Ockham

In de 13de & 14de eeuw: 2 evoluties: y y een toenemende terughoudendheid m.b.t. de mogelijkheden van de verstand om iets over god te zeggen toenemende fidesme (zich onberedeneerd overgeven aan het geloof)

Scotus: Het geloof heeft te maken met een praktische levenshouding, filosofie met theoretisch inzicht. Ockham: de leer van de dubbele waarheid. (= de filosofische waarheid van het weten, de theologische waarheid van het geloof.) De god van het christendom de god van de filosofen en geleerden.

6. kennisleer en wetenschap in de moderne tijd 6.1 De nieuwe wetenschap In de geschiedenis zijn er 2 scharniermomenten: y y het ontstaan van de wiskunde en de filosofie in de 6de eeuw v.C. het ontstaan van de experimentele methode in de 16de en 17de eeuw met een vooruitgang van de kennis tot gevolg. 6.1.1 Het ontstaan van de experimentele methode

De methode gebruikt door Galilei (1564-1642) vertoont 2 kenmerken: y y Mathematisch deductief Experiment (= geplande ervaring in een specifieke context.)

De wiskundig theorie en het experiment zijn afhankelijk van elkaar. De theorie inspireert het experiment en het experiment kan dan weer de theorie weerleggen of bevestigen. Galilei benadrukt het wiskundige aspect. Theoretische idealiseringen: de theorien zijn waar in een experimentele context, maar in het echt is het niet zo. Vb.: de traagheidswet (een voorwerp dat in beweging is met een constante snelheid,..) DEDUCTIEF-MATHEMATISCH Francis Bacon (1561-1626) was n van de eersten die geprobeerd heeft de essentie van de nieuwe wetenschap te verduidelijken. We moeten ons denken zuiveren van alle drogbeelden,.. en de juiste manier van onderzoeken zien te vinden om tot de echte kennis te komen. Dit verreist humiliatio van het intellect: ervaringen opdoen en daarna stellingen (axioma s) formuleren en daarna nieuwe experimenten uitvoeren (Inductie). De beste samenleving is volgens hem degene die geregeerd wordt door de beste wetenschappers. INDUCTIEF-EMPIRISCH 6.1.2 Het mathematische verklaringsmodel

Tot in de middeleeuwen verklaarde met op basis van doeloorzakelijkheid (causa finalis/aristotelisch). Dit wordt nu afgewezen en enkel de mechanische oorzakelijke verklaringen worden toegestaan. Volgens Spinoza zijn het menselijke verzinselen. De oorzaak moet voor het effect komen en aan de natuurlijke werkelijkheid wordt elke vorm van doelgericht steven ontnomen.

6.2 De filosofie en de nieuwe wetenschap: rede en ervaring als bron van kennis In de 17de eeuw komt de natuurwetenschap in een stroomversnelling. Het succes ervan komt door de betrouwbare resultaten, de voorspellingen en logisch-mathematische formuleringen die het toelaat. Elke wetenschappelijk resultaat is in principe falsifieerbaar(weerlegbaar). De wetenschapper moet dus kritisch zijn en de instelling hebben theorien te laten varen zodra ze niet meer kloppen. Het succes van de wetenschappelijk methode gaat over op de filosofie. 6.2.1 Het rationalisme

Ren Descartes (1596-1650)volgt Galilei met zijn mathematisch-deductieve methode en past deze toe op de filosofie. Men vertrekt uit eenvoudige en duidelijke axioma s en daaruit worden nieuwe stellingen afgeleid. cogito, ergo sum : ik denk dus ik ben. (Hij twijfelt aan alles dus het enige waaraan niet te twijfelen valt is dat hij twijfelt.) Ook het bestaan van god wordt op die manier bewezen. Omdat het idee van een volmaakt wezen in mijn denken voorkomt, moet dat wezen ook bestaan. God heeft ervoor gezorgd dat we over een aantal ingeboren ideen beschikken. En omdat god geen bedrieger (malin gnie) is, komt de werkelijkheid ook overeen met onze ideen over de buitenwereld. Zijn opvattingen staan in traditie van Parmenides, Pythagoras en Plato. De rede is het enige middel om tot de definitieve waarheid te komen en al de rest (zintuigen,openbaringen) zullen nooit tot wetenschappelijke zekerheid resultaat. 6.2.2 kritiek op het rationalisme

Kritiek: Blijkbaar maakte Galilei en z n volgelingen toch gebruik van ervaring en experiment. 6.2.2.1 Newton Isaac Newton (1643-1727) bundelt de inzichten van Copernicus , Kepler, Galilei en Huyghens in zijn werk. Hij past de wetten van val en beweging toe op de astronomie en bewees dat de gravitatiekracht de hemellichamen in hun baan houdt. Zijn werk Philosophia Naturalis Principia Methematica(1687) is een combinatie van de mathematische-deductieve en de inductief-empirische methode. De beste en veiligste manier om de natuurwetenschap te bedrijven is volgens Newton: a) Eigenschappen onderzoeken b) Eigenschappen vaststellen door experimenteren c) Hypothesen opbouwen om te verklaren Elke hypothese moet experimenteel en kwalitatief getest worden en alle zekerheid is zekerheid onder voorbehoud.

6.2.2.2 John Locke In Engeland komt er filosofische kritiek op het rationalisme, namelijk empirisme. John Locke (1632-1704) meent dat ideen niet ingeboren kunnen zijn, zoals bij Descartes, ze komen in het menselijk denken door expercience. (Bij de geboorte is ons verstand tabula rasa.) Onze ervaring is tweedelig: y y Uiterlijke zintuigelijke ervaring (sensation) Innerlijke zelfobservatie (reflection)

De innerlijke zelfobservatie kan er enkel komen via de uiterlijke zintuigelijke ervaring. Volgens Locke ervaren we enkel de kwaliteiten van dingen(substanties). Er zijn 2 soorten kwaliteiten: y y Primaire kwaliteiten : Grootte, vorm, getal, positie, beweging of rust Secundaire kwaliteiten : geur, smaak, kleur, warmte, klank

Enkelvoudige ideen zijn de bouwstenen van ons denken waaruit we de combinatie maken tot samengestelde ideen Deze samengestelde ideen zijn ontstaan in het verstand en niet waarneembaar. Er zijn drie soorten samengestelde ideen: y y y Modi (aantal, ruimte, tijd) Substanties (God, geest, lichaam) Relaties (tijd-ruimte, oorzaak-gevolg, identiteit-verschil)

Locke beschouwd de wetmatigheden die we aan de natuur toeschrijven een neiging van onze geest om associaties te maken en dus bestaan ze niet. Locke maakt echter een uitzondering op dit nominalisme: de substantie/essentie als onderliggende drager van de kwaliteiten die we waarnemen moet toch bestaan. Supposed but unknown support of those qualities we find existing. 6.2.2.3 George Berkeley Het empirisme werd geradicaliseerd door George Berkeley (1684-1753). Hij had 2 bedenkingen: y y Het onderscheid tussen primaire en secundaire kwaliteiten is uitzichtloos (er zijn enkel secundaire kwaliteiten) Waarom zouden er substanties bestaan als er geen empirische evidentie voor is?

De dingen bestaan maar voor zover we ze waarnemen, buiten de waarneming bestaat er niets. We kunnen pas iets zeggen over een object als het in onze ervaring verschijnt, we kunnen niets zeggen over of het buiten onze ervaring bestaat => Idealisme Esse est percipi. We eten voorstellingen en kleden ons met ideen. Een voorwerp bewaard wel haar existentie.

6.2.2.4 David Hume

Volgens David Hume (1711-1776) zijn de menswetenschappen de basis van alle wetenschappen. Zijn belangrijkste werk is A treatise of human nature . Hume maakt een onderscheid tussen 2 soorten oordelen die geldige kennis opleveren: y y Analytische a priori oordelen (Dit zijn noodzakelijke waarheden, maar bieden geen extra informatie.) vb.: alle vrijgezellen zijn ongehuwd Synthetische a posteriori oordelen (zijn gebaseerd op ervaringsgegeven en kan nooit a priori zijn.) vb.: het gras is groen

Causaliteit is volgens hem niet waarneembaar en dus geen zekere kennis. Oorzakelijkheid bestaat dan ook niet als een echt idee, enkel als een neiging en een gewoonte van ons denken. Het is iets van psychologische aard en de grond ervan ligt in onze geest zelf. Natuurwetten drukken enkel gewoontes en verwachtingspatronen van de geest uit. Enkel waarnemingen kunnen kennis zijn. Over God, de onsterfelijkheid van de ziel en het ontstaan van de wereld kan geen kennis bestaan. Hume besluit tot een radicaal scepticisme. Zelf over het ik kunnen we niets weten want het enige wat we ervaring is een ketting van bewustzijnsverschijnselen maar nooit een kern. We beschikken enkel over indrukken (impressions) en over voorstellingen (ideas). Het ding zelf kunnen we nooit waarnemen. We kunnen ook niet weten of er een buitenwereld bestaat. 6.2.3 Immanuel Kant: transcendentaalfilosofie

De kennistheorie van Immanuel Kant (1724-1804) is een kritiek op zowel het empirisme als het rationalisme. Het rationalisme wordt soms dogmatisch en wereldvreemd door een gebrek aan ervaring. Het empirisme onderschat dan weer de rol van de wiskunde en de creatieve inbreng van de rede. Hij legt zichzelf de taak op om de newtoniaanse fysica te redden, maximaal rekening te houden met Hume. In zijn werk Kritik der reinen vernunft stelt hij dat concepten als ruimte, tijd, causaliteit en substantie zicht opdringen met een noodzakelijke zekerheid en dat ze dus niet uit de ervaring kunnen stammen. Volgens Kant komt de inhoud van de kennis uit de ervaring maar die kennis wordt geordend door a priori structuren, die we vooral in onze geeft hebben. Gewaarwordingen (empfindungen) worden door ons systeem tot een voorstelling (anschauung) die erna worden geordend tot kennis. Zintuigen (ervaringen) en verstand(ordeningsstructuren) werken samen bij het tot stand komen van kennis. Gedachten zonder inhoud zijn leeg, voorstellingen zonder begrip zijn blind. De ervaring is de mogelijkheidsvoorwaarde als de grens van de kennis. Over god, de menselijke vrijheid of de onsterfelijkheid van de ziel kan onmogelijk kennis bestaan omdat het de grens van de ervaring overschrijdt. Het zijn enkel denkmogelijkheden.

De zuivere ervaring van iets in de buitenwereld bestaat niet omdat elke ervaring immers onmiddellijk gemedieerd, gestructureerd en geconstrueerd is door onze kennis. ding-an-sich is ein Unbekanntes. Het ding op zich noemt hij het noumenon. We kunnen het niet kennen omdat het zich steeds achter het fenomeen verbergt. Het bestaat wel maar we kunnen het niet kennen door de filter van onze a priori kenstructuren. We krijgen dus een vertekend beeld van de werkelijkheid. Denk maar aan de beperkte opname van een fototoestel en een bandopnemer, je kan het daarmee vergelijken. Het gaat bij Kant om een transcendentaal onderzoek: onderzoek gericht op de wijze waarop onze kennis van objecten a priori mogelijk is. Het gaat op zoek naar de a priori mogelijkheidsvoorwaarden van onze ervaring en kennis. De rede brengt kennis en de objecten van kennis voort (ze bepaalt welke dingen al dan niet gekend kunnen worden en in welke vorm ze aan ons verschijnen). We kunnen niet anders dan onze ervaringen ordenen in ruimte en tijd, ons kenapparaat doet dit spontaan. Deze a priori vormen zijn categorien: y y y y Kwantiteit (eenheid, veelheid, totaliteit) Kwaliteit (realiteit, negatie, beperking) Relatie (causaliteit, wederkerigheid, toeval) Modaliteit (mogelijkheid, bestaan, noodzaak)

Ons verstand is geen onbeschreven blad maar ook geen aangeboren ideen. De oorzakelijke relaties van Newtons fysica is zeker omdat onze geest niets anders kan dan de werkelijkheid met deze categorien te ordenen. De opvatting van Kant is tot stand gekomen door zijn studie van de natuurkunde en door zijn analyse van de experimentele methode van Galilei en Newton. De natuur moet op de vragen van de rede te antwoorden.

7. De expansie van de wetenschappen, het nieuwe wereldbeeld en het humanisme Door het succes van het wereldbeeld is een nieuw wereldbeeld ontstaan. Er treden 2 veranderingen op: y y De overgang van een gesloten naar een open wereldbeeld De zogenaamde mechanisering van het wereldbeeld

In de middeleeuwen dacht men dat het heelal bestond uit de aarde met daarrond andere planeten. Dit beeld wordt teniet gedaan door Copernicus (1473-1543). Die het geocentrisch wereldbeeld van Ptolemaeus door een heliocentrisch stelsel. Kepler (1571-1630) en Galilei (1564-1642)hebben dit stelsel nog verder uitgewerkt via de ontwikkeling van lenzen. Newton heeft dan later gezorgd voor de verklaring van zowel de aardse als astronomische verschijnselen. Er waren hierdoor nogal wat spanningen met de kerk. Het werk van Copernicus werd op de lijst van verboden boeken geplaatst en Galilei kreeg het verbond Copernicus leer te verdedigen. Giordano Bruno (1548-1600) werd door de inquisitie op het Campo dei Fiori in Rome verbrand omdat hij het gedecentraliseerd, oneindig universum met een oneindig aantal werelden met intelligente wezens verdedigt. Het heeft een tijdje geduurd vooraleer de mens met het idee van vrijheid en oneindigheid positief kon omgaan. Er ook een nieuwe mensvisie. Het lichaam wordt opengesneden, onderzocht en beschreven door in de Brussel geboren Andreas Vesalius (1514-1564): De humani corporis fabrica . Het doorgedreven mechanisering van het mensbeeld is te vinden in L homme machine van Julien Offray de La Mettrie. De mens verliest een stuk van haar oude waardigheid (beschreven door Sigmund Freud). Hij zegt ook dat de menselijk geest vergelijkbaar is met een ijsberg: 90% is onbewust en 10% bewust. Charles Darwin doet er nog een schepje bovenop met zijn evolutietheorie. De mens is het product van de Struggle of life. De mens moet nu zelf zin geven aan zijn eigen bestaan. In tegenstelling tot de pre-moderne tijd worden in de moderne tijd autonomie, openheid en kritische geest steeds meer positief voorgesteld. Men gaat over van een pre-modern, theocentrisch naar een steeds meer antropocentrisch wereldbeeld. Francesco Petrarca (1304-1374) is de vader van het vroege humanisme uit de renaissance. De sleutelwoorden voor het humanisme zijn zelfontplooiing, vrijheid, autonomie en verantwoordelijkheid. In de 14de en de 15de eeuw lijkt de mens zichzelf te hebben ontdekt. Giovanni Pico della Mirandola (1463-1494) stelt dit duidelijk in zijn geschrift De waardigheid van de mens . Ook Immanuel Kant en Francis Bacon brengen dit tot uiting.

HOOFDSTUK 2: MENSWETENSCHAPPEN ALS WETENSCHAP 1. Indeling van de wetenschap 1.1 Het ontstaan van de huidige indeling Wiskunde, theologie en (natuur)filosofie liepen lange tijd door elkaar. Vroeger was ook het universitair programma van o.a. Parijs, Bologna, Cordoba, Oxford en Leuven helemaal anders dan nu. In het begin telde de universiteit van Leuven (1425) 3 faculteiten: y y y Artes (oorspronkelijk een faculteit van letteren, wijsbegeerte en natuurwetenschappen, maar wel echter enkel de voorloper van de faculteit letteren en wijsbegeerte) Rechten Geneeskunde

Eerst moest men de artes liberales (de zeven vrije kunsten) doorlopen. Deze opleiding bestond uit: y y Trivium (grammatica, retorica en logica) Quadrivium (meetkunde, rekenkunde, sterrenkunde en muziek)

Daarna kon men zich specialiseren in de hogere faculteiten: y y y y Geneeskunde Burgerlijk recht Kerkelijk recht En vanaf 1432 theologie

Vanaf de zeventiende eeuw begint deze opbouw te verdwijnen. De artes faculteit splits zich: y y Faculteit natuurwetenschappen en wiskunde Faculteit letteren en wijsbegeerte

Eind 19de, begin 20ste eeuw kwam daar economie bij, in de 20ste eeuw ook nog de faculteiten politieke en sociale wetenschappen en psychologische en pedagogische wetenschappen . We hebben een driedeling van wetenschappen: y y y Alfawetenschappen (hebben de menselijke praktijken en producten als studieobject) Btawetenschappen (natuurwetenschappen met inbegrip van de toegepaste wetenschappen) Gammawetenschappen (medische wetenschappen) (In Nederland zijn dit de sociale wetenschappen.)

De natuurwetenschappen worden tegenover de menswetenschappen geplaatst: y y y Positieve niet-positieve wetenschappen Exacte niet-exacte wetenschappen Harde zachte wetenschappen

1.2 Onderscheidingen volgens studieobject De natuurwetenschappen en menswetenschappen verschillen omdat hun studieobject radicaal anders is en dit uit zich in het verschil in methode, vraagstelling en de aard van de resultaten. Het zijn beide wel empirische, inductieve wetenschappen Menswetenschappen kunnen worden opgedeeld in 2 categorien: y y Sociale wetenschappen (=gedragswetenschappen) Taal en cultuurwetenschappen (bestuderen de menselijke praktijken en producten)

Daarnaast hebben we ook nog de formeel, deductieve wetenschappen (informatica, wiskunde, logica) en de toegepaste wetenschappen (farmaceutische wetenschappen, geneeskunde, ingenieurskunde, landbouwkunde, geologie,..). De deductieve hebben geen empirische gegevens nodig en de toegepaste wetenschappen gebruikt de gegevens van de mens- en natuurwetenschappen voor praktische toepassingen. Soms is het echter niet eenduidig tot welke categorie een bepaalde discipline behoort. Zo behoort geschiedenis tot gedrags- en cultuurwetenschappen. 2. Criteria voor wetenschappelijkheid Bij het verzamelen en opbouwen van kennis moeten bepaalde normen en criteria in de mate van het mogelijke gerespecteerd worden. 2.1 Wetenschappelijke kennis is mededeelbaar Wetenschappelijk kennis is mededeelbaar en kan meestal worden uitgedrukt in proposities. (Proposities zijn beweringen die iets bevestigen of ontkennen.) Er bestaan verschillende van deze proposities: Sommige zijn noodzakelijk waar of vals, namelijk: y y Tautologien (zijn analytische proposities en bevatten geen nieuwe kennis over de realiteit, ze zijn deductief en a priori) Contradicties (bevatten potentiele nieuwe kennis over de wereld die steeds empirische getest moeten worden, ze zijn empirisch, inductief en a posteriori)

Er zijn vele discussies of er geldige synthetische a priori oordelen bestaan. Hume zegt van niet, Kant zegt van wel. 2.2 Wetenschappelijke kennis is falsifieerbaar en testbaar 2.2.1 Verificatie versus falsificatie Vaak wordt de nadruk gelegd op de bewijsbaarheid en verifieerbaarheid van wet. kennis. Hierbij duiken er een aantal problemen op, de belangrijkste is deze van inductie. We kunnen immers nooit bewijzen dat de gevallen die wij niet hebben ervaren, lijken op deze die we wel hebben ervaren. Tegenover het verificatieprincipe schuift Karl Raimund Popper (1902-1994) het falsificatieprincipe naar voor.

Elke wetenschappelijke uitspraak moet in principe getest en weerlegd kunnen worden. Indien de test klopt en er geen weerlegging van de theorie is, noemt men dit corroborating evidece (versterkend bewijsmateriaal). Hoe meer, hoe lastiger het is om de theorie over boord te gooien als ze falsifieerbaar is. Daarom gaat men stukjes van de theorie proberen te veranderen of hulphypothesen gebruiken. Het gebruiken van hulphypothesen is niet evident, zeker niet wanneer ze ad hoc wordt ingeroepen (als ze wordt ingeroepen enkel op de theorie te redden). Vb.: flogistontheorie van Georg Ernst Stahl. 2.2.2 testen van hypothesen

Wetenschappelijke kennis is onder voorbehoud, het is dus een voorlopige hypothese. Wetenschappers werken volgens Popper hypothetisch-deductief . De methode die wordt gebruikt is gissingen en weerleggingen . De wetenschapper speelt advocaat van de duivel en is steeds bezig to think against oneself . Veel wetenschappelijke arbeid is het verzamelen van data, observaties en experimenten (ondersteunende evidentie) om een gegeven hypothese te weerleggen of bevestigen. We hebben verschillende soorten evidentie: y y evidence from below (onderzoek naar ondersteunende feiten.) lateral support (in hoeverre heeft de gegeven hypothese meer verklarende zeggingskracht dan andere, misschien even accurate hypothesen? De wetenschapper moet dus steeds nieuwe hypothesen vinden en die vergelijken met de gegeven hypothese. Er kan ook vergeleken worden welke het minste contradicties bevat en het meest nieuwe feiten verklaart.) evidence from above (in hoeverre past de hypothese in meer algemeen aanvaarde theorien? )

Noch homeopathie, noch telepathie kan verdedigd worden. Homeopathie bestaat uit het toepassen van het similiaprincipe: men dient dezelfde stof toe die symptomen opwekt maar in een extreme verdunning. Het is namelijk in strijd met onze verworven en degelijk getoetste kennis. De aanvaarding van deze hypothese zou ons dwingen om alle resultaten van de fysica over boord te gooien. De wetenschap vertrekt dus vanuit de volgende permissie: Wanneer een bewering over een waarneming radicaal in tegenstrijd is met feiten en wetten uit het kerngebied van de wetenschappen, mogen we die als hoogst onbetrouwbaar beschouwen. 2.2.3 Dubbel-blind testen

Om hypothesen te testen, maakt men gebruik van experimenten en proefondervindelijk onderzoek. De testen die het meeste garantie geven zijn de dubble-blind testen. Bij een dubbel-blind test zijn noch de onderzoekers, noch de deelnemers op de hoogte van wat getest wordt. Immer het feit dat mensen weten dat ze worden getest, kan al een uitkomst sterk vertekenen. Men moet dus het placebo-effect uitsluiten (placebo-controlled). Ook onderzoekers kunnen het resultaat van een experiment vertekenen (observer bias) door bijvoorbeeld twijfelgevallen zo te interpreteren dat ze de hypothese bevestigen.

Indien een dubbel-blind test wordt uitgevoerd, geldt: y y y Geen enkele testpersoon weet wat er getest wordt De testpersonen van groep A of B niet weten wat ze krijgen (geneesmiddel of vervangmiddel) De mensen die de resultaten noteren ook niet weten tot welke groep een patint behoort

2.2.4

Werken met oorzaak- effecten variabelen

Bij het testen van hypothesen kan een onderscheid gemaakt worden tussen retro- en prospectief onderzoek. Retrospectief onderzoek wordt uitgevoerd op groepen die verdeeld worden aan de hand van effectenvariabelen. Prospectief onderzoek wordt uitgevoerd op groepen die verdeeld worden aan de hand van oorzaakvariabelen. Vb. prospectief: Mensen indelen in rokers en niet-rokers en kijken naar het verschil op de menselijke gezondheid Vb. retrospectief: Mensen van 60jarige leeftijd zonder en met longkanker opsplitsen en dan kijken hoeveel rokers er zich in elke groep bevinden. Het voordeel van prospectief testen is dat er in principe meer mogelijkheden zijn om andere variabelen uit te schakelen en dus gericht onderzoek kan gebeuren. Maar in veel omstandigheden kunnen er geen prospectieve testen worden uitgevoerd. Bovendien leveren retrospectieve testen sneller resultaten op. Een mogelijke tussenoplossing is de combinatie van de twee. 2.3 Ordenende, verklarende en voorspellende kracht van wetenschappelijke kennis We kunnen 2 soorten verbanden onderscheiden: y y Statistische verbanden (laten waarschijnlijkheidsuitspraken toe, geen verklaringen, enkel informatief) Oorzaak-gevolg relaties (laten voorspellingen toe)

De wetenschap legt zich niet louter neer bij het waarnemen van feiten en verbanden, maar het wil ook verklaren waarom die dingen zo zijn. De sterkste manier van verklaren is causaal : to explain a phenomenon (an explanandum) is to cite an earlier phenomenon (the explanans) that caused it. Het explanans in de natuurwetenschappen is meestal een fysisch gebeuren, in de gedragswetenschappen is dit een metale toestand. Verklaringen wijzen dus steeds op oorzaken die aan hun effect vooral gaan. Functionele verklaringen (verklaringen in termen van doeloorzakelijkheid) zijn metafysisch niet mogelijk. Aristoteles maakt een onderscheid tussen 4 vormen van oorzakelijkheid: y y y y Materile oorzaak (causa materialis) is het materiaal waaruit het voorwerp is gemaakt Formele oorzaak (causa formali) is de vorm v/h voorwerp die de ontwerper voor ogen had Efficintie oorzaak (causa efficiens) is de arbeid die nodig was om het voorwerp te maken Finale oorzaak (causa finalis) is de bedoeling van het voorwerp

2.4 Drie soorten verklaringen In Modes of scientific explanation bespreekt Elster 3 genoemde verklaringsvormen: y y y Causale verklaringen Functionele verklaringen Intentionele verklaringen

De menswetenschappen zijn vooral uit op interpretatie en het ontsluieren van betekenissen en hebben als dusdanig geen wetenschappelijke verklaring op het oog. 2.4.1 Causale verklaringen

Deze worden vooral in de fysica geist. Als A dan noodzakelijk B, waarbij A en B niet veroorzaakt worden door een gemeenschappelijke oorzaak C. Wetmatigheden maken van deze wereld van causale relaties een wereld waarin geldt: y y temporele asymmetrie (elke oorzaak moet het effect vooral gaan en nooit omgekeerd) determinisme (indien er een aantal antecedenten zijn, is er slecht n uitkomst mogelijk)

2.4.2

Functionele verklaringen

De Biologie is paradigmatisch voor dit soort verklaringen, maar we vinden ze ook terug in de menswetenschappen (sociologie, antropologie en geschiedenis). Een functionele verklaring van gebeurtenis X, verklaart X immers op de gevolgen van X. Dit is incompatibel met het idee van causale verklaring. Functionele verklaringen kunnen wel een antwoord geven waarom iets kan blijven voortbestaan. Sub-functional causality in biology: de functionele verklaringen in de biologie zijn pas mogelijk omdat ze plaats vinden binnen het causale kader van de evolutietheorie, de microbiologie en de biochemie. Maar het is soms heel moeilijke aan te tonen de p enkel en alleen door de positieve functies die het vervult, blijkt bestaan. Het kan ook dat het blijft bestaan, ook al vervult het geen positieve functies. Elster vind dat functionele verklaringen niet thuishoren in de sociale wetenschappen: Er bestaat een algemene neiging bij sociale wetenschappers, en bij ons allen in het dagelijkse leven, om te veronderstellen dat indien een gedragspatroon of een instelling een resultaat produceert dat goed is voor iets of iemand, dit feit dan ook het bestaan van dat patroon of die instelling verklaart. Deze neiging is een diepgewortelde menselijke behoefte om betekenis en orde in de werkelijkheid waar te nemen, en in een al even ingebakken weigering om het bestaan van toeval en ongeluk toe te geven. Maar hij vindt wel dat ze niet allemaal zinloos zijn, ze kunnen wel verklaren waarom die zaken succesvol zijn in hun voortbestaan.

2.4.3

Intentionele verklaringen

Eigen aan de sociale wetenschappen is het gebruik van intentionele verklaringen. Deze verklaringen steunen op de door individuele actoren(groepen of individuen) bedoelde effecten. Ze gaan dus over de menselijke binnenkant. Ze wijzen op het doel dat mensen voor ogen hebben en worden daarom ook wel teleologische verklaringen genoemd. Een gedrag is intentioneel, als men de redenen weet waarom men een bepaalt gedrag heeft, dit kunnen verlangens of overtuigingen zijn. De actor kiest namelijk een bepaalde handeling waarvan hij denkt dat deze het meest zijn verlangens/overtuigingen tegemoet zal komen. Intentionele verklaringen zijn een vorm van causale verklaringen wanneer we de redenen/intenties als oorzaak voor het gedrag beschouwen. Een variant hierop is de rational choice theory. Sub-intentional causality: fenomenen die intentioneel verklaard kunnen worden, hebben op een ander niveau ook een causale verklaring. Deze sub intentionele verklaringen vinden we vooral terug in de sociologie en kunnen ook structurele verklaringen worden genoemd. Supra-intentionele verklaringen: fenomenen hebben immers onbedoelde resultaten (neveneffecten) van intentionele handelingen, of beter van combinaties van individuele intentionele handelingen.

3. Menswetenschappen 3.1 Ontstaan De menswetenschappen hebben zich pas vanaf de 18de, 19de eeuw kunnen losmaken van de wijsbegeerte. De industrile revolutie en de verlichting brachten sociale en culturele veranderingen met zich mee die de interesse voor het bestuderen van het menselijk gedrag wekten. De nieuwe disciplines waren onder meer: economie, sociologie en antropologie. De voorwaarden voor het ontstaan van de mens- en maatschappijwetenschappen waren: y Het geloof  in de menselijke activiteiten  in de mogelijkheid tot vooruitgang  in de maakbaarheid van de maatschappij

oorspronkelijk waren alle sociale wetenschappen gevat onder n noemer: the moral philosophy. David Hume is een mooi voorbeeld van deze integratie (sociologie, economie, poltiek, psychologie, ) Voor de economie was Adam Smith (moraalfilosoof) vooral belangrijk met zijn werk the wealth of nations . 3.2 De specificiteit van de menswetenschappen 3.2.1 Het rijk van de vrijheid In menswetenschappen gaat het om de studie en analyse van het menselijk gedrag en de (cultuur)producten die de mens creert en gebruikt. De menswetenschappen gaan over het rijk van de vrijheid en de natuurwetenschappen gaan over het rijk van de gedetermineerde cultuur . De oorzaken van menselijk gedrag worden gestuurd door regels, maar worden er nooit door gedetermineerd. De studieobjecten van de menswetenschappen zijn contingent (ze hadden er even goed op een andere manier of zelfs helemaal niet kunnen zijn). De menswetenschappen maken dan ook plaats voor normatieve vragen: hoe zou iets er beter uitzien? (cultuur, samenleving, sociale instellingen,..) Anders dan de natuurwetenschappen kunnen de menswetenschappen zich een andere werkelijkheid voorstellen en modellen aanreiken om gestuurd de sociale realiteit te verbeteren. 3.2.2 Enkele verschillen met de natuurwetenschappen

Experiment speelt een minder belangrijke rol bij de mens- dan bij de natuurwetenschappen. Soms ix experimenteel onderzoek ook onmogelijk of immoreel. Bij de menswetenschappen wordt beroep gedaan op intentionele verklaringen, terwijl er bij de natuurwetenschappen vooral causale verklaringen zijn. Het intentionele verklaren is echter niet evident, mensen handelen immers niet steeds volgends hun intenties en omgekeerd tonen hun handelingen niet steeds hun intenties.

De sociale wetenschapper kan ook enqutes, survey of interviews met mensen gebruiken om er conclusies uit te trekken, alleen levert dit een aantal problemen op: y y Vaak kennen mensen de motivatie van hun eigen handelen niet of onvoldoende Er zijn heel wat mechanismen die ervoor zorgen dat mensen hun eigenlijke motivatie niet aan de onderzoeker zullen toevertrouwen, ook al gebeurt het anoniem (vb. uit schaamte, of men overdrijft) De motivatie van de mensen is heel dikwijls niet eenduidig.

Intentionele verklaringen missen ook de krachtige voorspellende kracht want in de systemen die de menswetenschappen bestudeert is veel meer variatie, dynamiek, vrijheid en creativiteit aanwezig. Popper: Voor zover sociale wetenschappen ook theoretische wetenschappen zijn, hebben ze ook een voorspellend potentieel. Het gaat hier wel om een voorwaardelijke voorspelling. Het blijft dus toch altijd een beetje gissen naar het rele effect van bepaalde zaken op het gedrag van een land, groep of individu. Popper reageert ook op het marxisme (een voorbeeld van een onvoorwaardelijke historische profetie). 3.2.3 Mechanismen en Weak laws

De menswetenschappen staat op verklaren en voorspellend vlak zwakker dan de natuurwetenschappen, dit komt door de specificiteit van het onderzoeksobject. Toch kunnen de sociale wetenschappen meer doen dan beschrijven, interpreteren en statistische verbanden leggen. Ze kunnen (volgens Elster) sociale en psychische mechanismen en patronen aan het licht brengen. Ze hebben een voldoende verklarend en voorspellend potentieel. Het is echter onduidelijk wanneer welk mechanisme in werking zal treden. Dit kan niet voorspeld worden. Men kan wel na, nadat de gebeurtenis, actie heeft plaatsgevonden, verklaren waarom een bepaalde keuze is gemaakt aan de hand van een bepaald mechanisme. Mechanismen hebben dus een verklarend potentieel. Het is opvallend dat ook heel wat mechanismen hun tegendeel kennen. Vb.: contraadaptieve preferentievorming (wat verboden is trekt aan) versus adaptieve preferentievorming. They allow us not explain, but not to predict. Mechanismen zijn dus met andere woorden retrospectief (ex post factum) maar de voorspellende kracht is meestal heel erg bescheiden (ex ante factum). Er is ook plaats voor een aantal wetmatigheden (logisch-mathematisch) waarbij de economie daarin het verst gevorderd is. Maar dit zijn echter weak laws omdat: y y Ze laten ons niet toe de hoeveelheid van de verandering te voorspellen (they do not allow us to predict the magnitude of the change) Ze hebben een zwak verklaringspotentieel (in vergelijking met de causale wetten van de natuuwetenschappen)

Weak laws in de soc. wet. bieden geen verklaringen, maar laten wel toe voorspellingen te doen. Conclusie: Mechanismen: verklarend potentieel > voorspellend potentieel Weak laws: voorpellingen verklaringen

3.2.4

verklaren en begrijpen gedragswetenschappen (sociale wetenschappen) taal- en cultuurwetenschappen

menswetenschappen

De cultuur- en taalwetenschappen zijn minder op het verklaren gericht en meer op het interpreteren en begrijpen van teksten, kunstwerken, etc. Verklaren betekent de oorzaak aangeven, terwijl begrijpen te maken heeft met het ontdekken van de betekenis van een gebeurtenis of een praktijk binnen een sociale context. Juist op dit methodologisch punt verschillen de natuurwetenschappen van de geesteswetenschappen. Het was Wilhelm Dilthey (1833-1911) die het onderscheid maakte tussen natuur- en geesteswetenschappen: In de natuurwetenschappen komt begrijpen helemaal niet aan bod, zij trachten enkel te verklaren. De geesteswetenschappen trachten te begrijpen (= hermeneutiek). Men moet in de geesteswetenschappen ook plaats maken voor een vorm van interpretatie en Einfhlung. Taylor argumenteert dan weer dat niet enkel cultuurwetenschappen, maar ook gedrags- en maatschappijwetenschappen hermeneutische wetenschappen zijn. De betekenis kan verschillen van context tot context. Vb.: de betekenis van het dragen van een hoofddoek bij islamvrouwen in Antwerpen kan helemaal anders zijn dan in Afghanistan.

4. Economie als menswetenschap onder de menswetenschappen De economische wetenschap maakt deel uit van de sociale wetenschappen. Economen komen van Mars, psychologen van Venus en sociologen van Mercurius. De drie stellen immers verschillende vragen, werken vanuit andere invalshoeken, zoeken antwoorden in verschillende richtingen en werken met een ander mensbeeld. 4.1 Verschillend onderzoeksobject De invalshoek van de economie is het rationale keuzegedrag van mensen inzake aanwending en verdeling van schaarse middelen in functie van preferentiebevredeging en nut- en welvaartmaximalisatie. De econoom ziet de buitenkant van het gedrag (de resultaten), de psycholoog gaat op zoek naar de binnenkant. Terwijl de econoom het handelen van de mensen beschouwt als het resultaat van een individuele keuze, legt de socioloog da nadruk op de invloed van sociale determinanaten op het menselijk gedrag. 4.2 Methodologische verschillen Psychologie en sociologie zijn observatie geneigd en hebben een empirisch karakter. De theorievorming gebeurt dan ook meestal achteraf, a posteriori. De economie is in veel mindere mate een empirische wetenschap want de a priori deductiefanalytische theorievorming vormt een bijzonder groot aandeel van de wetenschappelijke activiteit. Anders dan de psychologie en de sociologie wordt de empirie in de economie vooral als bewijsvoering gebruikt, eerder dan als bouwmateriaal. Conclusie: de economie heeft een groot hypothetisch-deductief potentieel en een empirische armoede, terwijl de sociologie en de psychologie geavanceerd gaan met empirisch onderzoek maar daaruit weinig voorspellingen en wetmatigheden kunnen afleiden. 4.3 Mensbeeld De homo economicus is een volledig genformeerd wezen dat individueel en in vrijheid naar nutmaximalisering streeft. Homo sociologicus is een wezen dat door zijn sociale omgeving zodanig gesocialiseerd is dat zijn wensen overeenkomen met wat het volgens anderen behoort te doen en met wat van hem in zijn wordt verwacht, waarbij de dreiging van externe sancties en de stem van het geweten hem voor afwijkend gedrag behoeden. De econoom werkt met een asociaal, gesoleerd maar actief, optimistisch en rationeel mensbeeld werkt terwijl de socioloog een passief, onvrij en sociaal gesitueerd mensbeeld hanteert. Het mensbeeld van de psychologie is moeilijker te pakken te krijgen. Om twee extremen te noemen: y y y Het drieledige mensbeeld volgens Sigmund Freud (grondlegger van de psychoanalyse) Het behavioristische mensbeeld van B.F. Skinner

4.4 Reductionistische en holistische verklaringen Het verschil in mensbeeld resulteert in ook in een verschillend model om maatschappelijk fenomenen te verklaren, namelijk: y Methodologisch individualisme (= reductionistische werkwijze die fenomenen, evolutie, processen, instituties, verklaart als effecten van intentionele handelingen van individuen. Een sociaal geheel is niets anders dan de som van individuele delen. ) Jhon Elster is hier een verdediger van. Holistisch (= het geheel is meer dan de soms van de onderdelen en sociale fenomenen zijn dus niet te herleiden tot het individuele keuzegedrag van mensen.)

Economen willen op basis van the rational choice theory aantonen hoe mensen rationele keuzes maken in het licht van maximale preferentiebevrediging in een context van schaarste van middelen. Verklaringen worden dus nog verder gereduceerd tot rationele keuzen van individuen die in vrijheid de kosten en baten afwegen van hun handelingsalternatieven. Jhon Elster is hier een verdediger van maar wijst ook op het feit dat heel wat menselijk gedrag irrationeel is en dat de rational choice theory veelal minder verklarend potentieel heeft dan men dikwijls denkt. Sociologen zeggen dus dat de individuele keuze van mens niet wordt ontkent, maar wel steeds scoiaal ingebed zit. Ze wijzen op het belang van contexten, structuren, netwerken en discours waarin mensen functioneren. het structureel, sub intentioneel speelt hier dus een belangrijke rol. Stellen dat alle sociologen holist zijn en alle economen het methodologisch individualisme aanhangen, is onjuist. Verschillende auteurs hebben een inspanning gedaan de tegenstelling te overstijgen door aandacht te hebben voor subject en structuur. Ze staan in een dialectische relatie met elkaar en kunnen niet los van elkaar gevat worden. Er wordt gesproken van het structurisme of the structuration theory. 4.5 Mogelijkheden tot samenwerking of herintegratie De methodenstrijd kan soms hoog oplaaien. Het gaat over vrijheid en determinisme. Het heeft immers ook een politiek tintje. (reductionisten: liberaal, meritocratisch maatschappijbeeld. Holisten: nadruk op solidariteit en herverdeling.) Recent zijn er nieuwe tekenen van porgingen tot samenwerking en herintegratie. Het werk van de Nobelprijswinnaar en Chicago-econoom Gary S. Becker verwerkt in zijn werk het idee van economie zonder grenzen en doet daarbij een poging om ook verschijnselen (als huwelijk, discriminatie, mode,..) vanuit de homo economicus te verklaren. Hij is van mening dat de economische benaderingswijze alomvattend en toepasbaar is op elk menselijk gedrag. Dit is echter eerder een vorm van territorium verrijking. Post-autistic economics network is een beweging die protesteert dat de economische methode te eng mathematisch is, leidt tot wereldvreemde conclusies en laat alleen handelingen van problemen toe die mathematisch behandeld kunnen worden (en niet de echte problemen met maatschappelijke relevantie).

De beweging ijvert voor meer interdisciplinaire dialoog, empirische onderbouw, meer aandacht voor (sociale) factoren als geschiedenis, politiek en cultuur en voor een rijker mensbeeld. The Perestroika Movement richt haar pijlen vooral op de dominante rational choice theory die de laatste jaren in de politieke wetenschappen plaatsvindt. Het levert waardevolle inzichten maar men mag er zich niet toe beperken anders krijgt men een te eenzijdige en gereduceerde kijk. Ze wil de politieke wetenschappen behoeden voor het economisch imperialisme . Het verschil in methodes (holistisch versus reductionistisch) levert verschillende resultaten en gezichtspunten op maar dat moet niet noodzakelijk een verlammend probleem zijn voor de sociale wetenschappen. Hierdoor krijgt men ongetwijfeld een completer beeld. 5. Statuut van de wijsbegeerte Vroeger was de filosofie vooral natuurfilosofie, in de middeleeuwen was het dan weer de dienstmaagd van het christendom. Vanaf de 13de, 14de eeuw gingen de wijsbegeerte en de natuurfilosofie hun eigen weg. Sinds de 17de eeuw maken de natuurwetenschappen erg veel vooruitgang en dat succes van de wetenschappen en haar methode wordt ook onderwerp van reflectie in de filosofie. Daardoor ontstaat er ook meer aandacht voor de mens. De filosofie is nu een huis met veel kamers. Ze heeft dus geen eigen onderzoeksdomein. We moeten de filosofie eerder typeren als een soort onderzoeksactiviteit die zich onderscheidt van andere disciplines door de soort vragen die gesteld worden en de manier waarop die behandeld worden. Er staan 3 vragen centraal: y y y Meta-vragen (graven dieper en worden ook wel ultieme, radicale of fundamentele vragen genoemd, vb.: wat is kennis? Wat is schoonheid? ..) Kritische vragen (gegeven antwoorden zijn nooit definitief en filosofie is als dusdanig een nooit-eindigende activiteit.) Normatieve vragen (vragen over hoe iets zou moeten zijn, de brug tussen is en ought (de wetenschap kan dit niet leggen))

Filosofen worden ook wel lastige luizen in de pels genoemd (o.a. door hun kritische vragen). Het filosofisch denken als kritische discipline worstelt met de spanning tussen engagement en afstandelijkheid: y y Afstandelijkheid > engagement: filosoof is wereldvreemd en leveren kritiek van aan de zijkant zonder zelf in het veld te staan. Engagement > afstandelijkheid: filosoof is partijdig, subjectief en bevooroordeeld.

Er zijn tal van wetenschappers de grenzen van hun eigen discipline hebben afgetast met filosofische vragen (Descartes, Pascal, Spinona, Newton). Men kan terecht vragen of wijsbegeerte wel een wetenschappelijke discipline is. Het is duidelijk dat het aan een aantal criteria van wetenschappelijkheid niet of toch in veel mindere mate kan voldoen in vgl. met andere wetenschappen. Men blijft echter toch proberen om deze criteria zo dicht mogelijk te benaderen zodat het toch bescheiden wetenschappelijk kan genoemd worden. De filosofische antwoorden zijn nooit wetenschappelijke antwoorden (dus minder betrouwbaar) en liggen ondanks dezelfde vraag, vaak uiteen. Daarom is de filosofie een activiteit die nooit af, en altijd nood heeft aan dialoog, kritiek en verbetering.

6. De grenzen van de wetenschap 6.1 Wetenschap versus pseudowetenschap Het wetenschappelijk paradigma heeft zich de laatste eeuwen opgeworpen als de enige valabele manier om tot kennis te komen. Dit roept echter weerstand op bij de alternatieve geneeskunde of bij de believers op vlak van de parapsychologie. Pseudowetenschap is een verzameling van opvattingen die door hun verdedigers als wetenschappelijk wordt gepresenteerd, terwijl dit volgends de gangbare wetenschappelijke standaards niet het geval is omdat er geen testen voor handen zijn die hun wetenschappelijkheid aantonen. Dit kan op twee wijzen: y y Ofwel gaat het om uitspraken die niet te testen of te falsifiren zijn Ofwel gaat het om uitspraken of theorien die wel getest kunnen worden maar waar de testen geen eenduidig positief resultaat op leveren.

Voorbeelden van parapsychologie zijn astrologie, ufologie en parapsychologie. In de parapsychologie gaat men ervan uit dat mensen speciale gaven kunnen hebben, namelijk: y y Psychokynese (dingen kunnen laten bewegen met de geest) Buitenzintuigelijke waarnemingen (informatie overbrengen en ontvangen zonder materile drager)

Een van de bekendste proeven is het Ganzfeldexperiment. (een proefpersoon moet nadat een zender zicht op een bepaalde foto heeft geconcentreerd en die heeft proberen door te zenden naar de proefpersoon, de specifieke foto aanduiden) Het probleem om aan herhaalbare en sluitende testen te voldoen duikt ook op in de homeopathie. Dit alles betekent niet dat homeopathie geen heilzame effecten kan hebben. Deze effecten zijn echter niet het resultaat van de werking van de homeopathie op zich. (vb. het placebo-effect ) Homeopathie moet onderscheiden worden van kruidengeneeskunde, die wel een doeltreffende geneeskundige kracht kunnen hebben. Kruidengeneeskunde is dus geen alternatieve geneeskunde maar geneeskunde. Eigenlijk is er maar n soort geneeskunde, namelijk die waarvoor experimentele evidentie voor is, zoals bij kruidengeneeskunde het geval is. Acupunctuur blijkt immers te werken, alleen kan de werking niet verklaard worden op de traditionele Chinese manier, maar wel op de wetenschappelijke manier via het endorfine-effect.

6.2 Alles is wetenschap, maar wetenschap is niet alles We vinden enkel in de wetenschap kennis over de mens en zijn omgeving, die zo onderbouwd, precies en gecontroleerd is. Het laat nauwkeurige voorspellingen toe en is omvattend en systematisch in de manier waarop het dingen verklaart. Niet alle wetenschappen kunnen hieraan voldoen, maar elke discipline streeft er wel naartoe het te benaderen. Maar niet alle vormen van betekenis kunnen echter door de wetenschap worden gevat of verklaard. Ludwig Wittgenstein (1889-1951) en de Leuvense filosoof Herman van Dijn zijn het erover eens: het volle leven is meer dan alleen wetenschap alleen (Kan kennis troosten? Over de kloof tussen weten en leven). Bovendien wordt de mens met tal van existentile en diepe vragen geconfronteerd waar de wetenschap onmogelijk een behoorlijk antwoord op kan geven. Wittgenstein zei in zijn werk Tractatus dat de taal onmachtig is, dat er buiten de wetenschappelijke taal geen zinvolle taaluitingen kunnen bestaan. waarover men niet kan spreken, moet men zwijgen. Later heeft Wittgenstein zijn standpunt bijgesteld. Mensen zijn rationele wezens, maar niet enkel rationele wezens. De dijn schreef: wie er werkelijk naar streeft om alles rationeel te rechtvaardigen en wetenschappelijk te definiren weet eigenlijk niet goed waarover het gaan. Voorbeelden: y Wie verliefd wordt denkt niet in de eerste plaats aan het feit dat dit een spel is van de hormonen in opdracht van onze zelfzuchtige genen die op voortplanting zijn voorgeprogrammeerd. Voor de wetenschap verschilt de menselijke DNA zeer minimaal met bijvoorbeeld die van de bonobo s en is het verschil tussen mens en dier gradueel. De meeste mensen leven echter niet volgens de deze wetenschap. Ze leven alsof er een absoluut verschil bestaat tussen mensen en dieren, waardoor we personen met een handicap niet minder zullen waarderen dan bonobo s, ook al is hun mentale ontwikkeling kleiner.

Belangrijke zaken die we waardevol vinden in ons leven lijken cognitief ondoordringbaar . Om dergelijke ervaringen te duiden moeten we dan ook niet zozeer bij de wetenschap maar bij de filosofie aankloppen.

6.3 Bestaat de zuivere wetenschap? 6.3.1 Hoe waardevrij is wetenschap? De wetenschapper mag zich op geen enkele manier laten benvloeden door externe factoren die de zuiverheid, objectiviteit en onafhankelijkheid van de wetenschap zouden kunnen bedreigen. In de menswetenschappen vertrekt echter men dikwijls van vooronderstellingen die niet waardevrij zijn en die een invloed hebben op de vraagstelling, de keuze van het studieobject en eventueel ook de methode. Dat hoeft geen onoverkomelijk probleem te zijn. Wel is het van belang dat de onderzoekers een poging doen om de eigen vooronderstellingen te expliciteren zodat de lezer van de studie hiervan op de hoogte is. Het studieobject bezit eveneens een hoge graad van contingentie. Menswetenschappen geven ook aandacht aan hoe het beter zou zijn . De sociale wetenschappen moeten inzichten verwerven in menselijke gedrag en sociale interactie om zo te komen tot een betere maatschappelijke organisatie en aan maatschappelijke uitdagingen tegemoet te komen. Het beleidsondersteunend onderzoek heeft recent ook aan belang gewonnen. Onderzoek gaat dikwijls om een bepaald beleid te legitimeren of af te keuren. Maar vaak heeft de onderzoeksvraag een gekleurd karakter. We moeten er ons van bewust zijn dat politiek nooit een neutrale onderneming is. De econoom, socioloog Max Weber (1864-1920) was een voorvechter van waardevrije wetenschap, maar moest toegeven dat waarden altijd meebepalen. De keuze van het onderzoeksonderwerp en wat achteraf met de resultaten gedaan wordt is niet waardevrij. Het streven naar waardevrij onderzoek is zelf ook een waarde. Pg. 87-92 is niet te kennen.

HOOFDSTUK 3: ECONOMISCHE RATIONALITEIT EN MENSELIJKE REDELIJKHEID Men kan de menselijke rationaliteit bestuderen vanuit 2 invalshoeken: y y De rationaliteit van het denken (domein van de logica en de wetenschapfilosofie) De rationaliteit van het handelen (domein van de ethiek, de economie en de sociale wetenschappen)

De rationaliteit van het handelen: Algemeen en minimaal wordt een handeling P van actor X rationeel genoemd als P niet in tegenspraak is met de kennis van X over de wereld en P niet radicaal indruist tegen de weloverwogen belangen en preferenties van X. Rationele handelingen worden soms ook omschreven als handelingen waartoe X voldoende redenen had om die te stellen. Een rationele keuze gaat dus vooraf aan een weloverwogen keuzeproces. (Instinctief gedrag, zowel bij mensen als bij dieren, is dus geen rationaal gedrag, wel adaptief.) Het gaat om de keuze van het juiste middel om een doel te verwezenlijken (instrumenteel). Rationaliteit kan echter ook op een meer kwalitatieve manier gedefinieerd worden, door ook de vraag te stellen naar de rationaliteit van de preferenties die mensen erop nahouden. Een rationale handeling is de beste manier om, gegeven zijn overtuigingen, de verlangens van de actor te bevredigen waarvan het ook redelijk is dat die actor die verlang heeft. Niet elke wetenschap doet even sterk een uitspraak over rationaliteit van het handelen. De economie is de menswetenschap die rationaliteit het duidelijkst gedefinieerd heeft. Het mensbeeld de homo economicus berust immers op een welbepaalde idee van rationaliteit. 1. De homo economicus en the rational choice theory Volgens de ideale theorie streeft de homo economicus naar maximale behoeftebevrediging door middel van optimale aanwending van schaarse middelen. De homo economicus handelt volgens the rational choice theory, en dat wil zeggen dat hij in vrijheid en op basis van adequate informatie over zijn preferenties, de beschikbare middelen en de alternatieve kosten en baten van de verschillende handelingsmogelijkheden, kiest voor datgene wat hem het meeste oplevert. Er zijn dus 2 filters die het menselijk handelen bepalen: y y De fysische, economische, wettelijke en psychologische beperkingen die ons een opportunity set opleveren. De mechanismen die bepalen welke handeling uit de mogelijkheden effectief uitgevoerd zal worden (interne, subjectieve, intentionele factoren)

Het hyper-rationalistische mensbeeld waarop de rationele keuze theorie berust, is gebouwd op vooronderstellingen: y y y y Mensen kunnen hun preferenties op een consistente manier ordenen Men heeft een volledig zicht op zijn preferenties en kan die vergelijken en tegen elkaar afwegen Non-contradictie principe (mensen kunnen niet a willen en a niet willen) Transitiviteit (a > b en b > c dan a > c (thin theory of rationality)

De voorkeursordening wordt ook verondersteld volledig te zijn. Preferenties kunnen niet alleen vergeleken worden met elkaar, er wordt ook verondersteld dat de nutsfuncties van verschillende preferenties optelbaar zijn en er als dusdanig ook afruilmogelijkheden zijn. (vb.: ik heb liever 3 appels dan 4 sinaasappels, maar toch liever 5 sinaasappels dan 3 appels. Of wie liever voetbalt dan badminton, kan toch badmintonnen als hij er geld voor krijgt.) Tot slot is de economische rationaliteit prospectief, consequentialistisch: men kiest wat het meeste nut zal opleveren. Het resultaat is het belangrijkste om de rationaliteit van een handeling af te meten. De term eigenbelang neemt in dit verband een centrale plaats in. Economische rationaliteit sluit niet uit dat ook rekening gehouden wordt met prestige of imago dat aan bepaalde handelingen gekoppeld is. Bovendien confronteert de realiteit ons met paradoxale situaties waarin het in het eigenbelang is om het eigenbelang niet na de streven. Tot slot is er ook nog het fenomeen van verlicht eigenbelang of welbegrepen eigenbelang . Om zijn doel te bereiken mag men zich juist niet egostisch opstellen. Vb.: je best doen voor het milieu omdat dit gunstig is voor de naam van je bedrijf. 2. Bestaat de homo economicus echt? 2.1 De ontologische en de epistemologische vraag Men gaat ervan uit dat menselijk gedrag, zowel op individueel als op collectief niveau, het best te begrijpen is door te veronderstellen dat de betrokkenen handelen als homo economicus en dus individueel rationeel berekende keuzes maken. Bij dit methodologisch individualisme kunnen we ons 2 vragen stellen: y y Handelt de mens inderdaad als homo economicus? (ontologische kwestie) Is het zinvol om in termen van economische rationaliteit over de samenleving te denken? (methodologische kwestie)

Veel economen geven toe dat mensen geen homo economicus zijn, maar het is in hun ogen wel een handig methodologisch instrument om de samenleving of de markt als de soms van homines economici te denken. Deze methode maakt inzichten en voorspellingen toe. Men gaat dit model dan ook op andere maatschappelijke terreinen toe passen, dan enkel strikt de economische. (Gary Becker: de huwelijksmarkt) Het gaat echter dikwijls om een alsof-methodologie: het denken in termen van de homo economicus is slechts een middel om de sociale werkelijkheid inzichtelijker te maken of te voorspellen. Het kan dus wel interessant zijn om bepaalde inzichten te krijgen. De rational choice theory , heeft ondanks haar voorspellende kracht geen verklarende kracht.

Uit de onderzoeken van verschillende wetenschappers blijkt dat mensen in veel gevallen niet handelen zoals de theorie voorspelt. Uit empirisch onderzoek blijkt dat eigenbelang en nutmaximalisering als motivatie niet alles kunnen verklaren. 2.2 Inherente beperkingen aan de economische rationaliteit 2.2.1 Informatiedeficit In de praktijk is het dikwijls onmogelijk om volledige informatie te hebben over de eigen voorkeuren, de beschikbare middelen en de verschillende keuzemogelijkheden. Mensen handelen op basis van een informatiedeficit. Het feit dat ik niet kan kiezen voor X of Y heeft niet altijd te maken met onverschilligheid of met het feit dat ik beide keuzes evenwaardig vind. Het kan ook zijn dat ik X en Y niet met elkaar kan vergelijken, bijvoorbeeld omdat ik niet weet wat de gevolgen zijn van X en Y voor mijn verder leven zullen zijn, of omdat X en Y totaal verschillend zijn van aard. Herbert Simon breekt een lans voor de idee van bounded rationality (volledige informatie kan enkel in een ideale wereld met ideale mensen). Het verzamelen van informatie noemt Elster een shadow action. Of het rationeel is om eerst heel veel info te verzamelen of niet, hangt af van de subjectieve verlangens van de persoon die moet kiezen en de context waarin de keuze gemaakt moet worden. Het fenomeen van time discounting of myopia betekent dat lange termijnverwachtingen minder invloed hebben op het keuzegedrag van mensen dan korte termijnverwachtingen. Dit fenomeen maakt dat mensen een kleiner voordeel in de nabije toekomst verkiezen boven een groter voordeel in de verre toekomst. In veel gevallen is dat laatste niet echt irrationeel. 2.2.2 Instabiliteit van preferenties en voorkeurordeningen

De preferentiestructuur van mensen kan wijzigen doorheen de tijd of door de context. Volgens Becker zou er dus een soort universele menselijke natuur bestaan die een eenduidige preferentiestructuur impliceert wat betreft gezondheid, sensueel plezier, jaloersheid of prestige. Het enige wat wel kan verschillen en wat het verschillende gedrag van mensen dan ook moet verklaren is de opportunity set waarbinnen mensen hun keuzes en preferentiebevrediging moeten situeren. Er wordt dan immers helemaal geen rekening gehouden met de context en de tijdsdimensie waarin preferentiestructuren tot stand komen. Leerprocessen, ontwikkelingen die mensen doormaken en ervaringen die mensen opdoen, maken de preferentiestructuur van mensen onderhevig aan soms heel ingrijpende veranderingen. Soms kunnen mensen ook heel tijdelijk hun preferentiestructuur wijzigen, bijvoorbeeld onder invloed van alcohol andere drugs.

2.2.3

Van preferentie naar rationaliteit en terug

Het economische rationaliteit begrijp loop ook het risico in zichzelf vast te lopen. Het maakt echter een cirkelredenering. Elke handeling is dan per definitie rationeel, waardoor het concept rationaliteit aan betekenis verliest. Het gevaar bestaat dat mens voortdurend nieuwe kosten en baten aandraagt totdat de theorie klopt en het bestuurde gedrag dus rationeel wordt. Het probleem van de circulariteit doet zich voornamelijk voor in wat, Paul A. Samuelson de theorie van de geopenbaarde voorkeur noemt. Deze revealed preference theory stelt dat uit het geobserveerde gedrag van mensen hun preferenties afgeleid kunnen worden. De benadering is echter vicieus omdat het gedrag uitlegt in termen van voorkeuren, die op hun beurt weer alleen maar door gedrag kunnen worden gedefinieerd. Bovendien gaat deze benadering er ten onrechte vanuit dat het kijken aar iemands feitelijke keuzes de enige manier is om iemands werkelijke voorkeuren op het spoort te komen. Er wordt helemaal geen rekening gehouden met de idee dat niet alle preferenties noodzakelijk rationeel zijn, dat er ook foutieve en adaptieve preferentievorming plaatsvindt. Bovendien openbaart niet elk gedrag eenduidig een welbepaalde preferentie (denk maar aan sophie s choice en aan de slimme ezel van Buridanus). De keuze voor een bepaalde handeling is echter niet altijd een directe preferentie-openbaring en een keuze weigeren impliceert niet noodzakelijk onverschilligheid. Er zijn tal van voorbeelden die aantonen dat uit de observatie van menselijk gedrag niet zomaar de preferenties van de betreffende actoren af te leiden zijn. Sommige preferenties komen pas aan het licht (ook voor de actor zelf) na grondige introspectief of na communicatie met anderen. 2.3 Op zoek naar een realistischer mensbeeld 2.3.1 Bijstelling vanuit de sociologie De sociologie wijst erop dat mensen hun gedrag dikwijls laten leiden door gewoontes, sociale normen en regels. Dergelijk regelgeleid gedrag is niet-consequentialitisch en gaat dus in tegen de rational choice logica die enkel kijkt naar wat de gevolgen zijn van handelingen. Vb.: Er bestaat in verschillende landen de gewoonte dat men een fooi geeft als men op restaurant gaat. De werking van sociale normen is in belangrijke mate bepaald door de sanctionering van gedrag die dergelijke regels overtreedt. Dit kan gaan van sociale afkeuring tot juridische straffen. Indien sociale regels en normen dusdanig genternaliseerd zijn dat ze ook functioneren zonder externe sanctiemechanismen kunnen we beter van morele of quasi-morele normen spreken. Het overtreden van (quasi) morele normen levert schuldgevoelens op, het overtreden van sociale normen enkel schaamte. In veel gevallen maken gewoonten en normpartronen het keuzeproces efficinter en minder tijdsintensief.

Als men tot handelen wil komen en niet in een eeuwig beslissingsproces wil blijven steken, is het rationeel om zich niet enkel te laten leiden door prospectieve rationaliteit maar ook door retrospectieve rationaliteit die verder bouwt op zaken die in het verleden hun deugdelijkheid hebben bewezen en niet telkens meer in vraag gesteld moeten worden. Volgens de socioloog beschikken de mensen slechts over een gesitueerde vrijheid . Mensen maken geen keuze uit alle alternatieven die bestaan, maar uit keuzealternatieven die hen worden aangereikt, die enigszins zinvol lijken, die passen bij hun rol, status en maatschappelijke positie, etc. Uit tal van voorbeelden blijkt dat de eenzijdige economische benadering van maatschappelijke fenomenen en evoluties tekort schiet (vb.: democratisering van het onderwijs). 2.3.2 Bijstelling vanuit de (experimentele) psychologie 2.3.2.1 Preferenties en contexten Uit de experimentele psychologie kan men leren hoe mensen met dergelijk deficit omgaan en hoe onzekerheid het handelen van mensen kan benvloeden, zelfs tot irrationele keuzes kan aanzetten (vb.: roulettespel) Deze vaststelling die de paradox van Allais wordt genoemd, is te verklaren door het zogenaamde zekerheidseffect. Mensen verkiezen een zeker resultaat boven een risicovol alternatief, ook als de waarde van dit laatste groter is dan die van het eerste resultaat. Zo handelen mensen ook anders wanneer ze 10 euro verliezen, of wanneer ze hun filmticketje met een waarde van 10 euro verliezen. In het eerste geval gaan ze niet meer naar de film, in het tweede geval wel. Het probleem is hetzelfde, alleen de presentatie verschilt. Menselijk gedrag wordt bepaald door allerlei motieven die niet meteen tot rationele redenen te herleiden zijn. Tversky en Kahneman noemen dit the framing of decisions. Men noemt dit psychologisch fenomeen preference-reversal: ondanks identieke keuzealternatieven kunnen mensen hun voorkeuren volledig omkeren wanneer omgevingsfactoren veranderen. 2.3.2.2 Adaptieve en foute preferenties De instabiliteit van de preferenties van mensen blijkt ook uit het feit dat preferenties dikwijls heel sterk afhankelijk zijn van de mogelijkheden die mensen hebben om bepaalde preferenties al dan niet te kunnen bevredigen. Men spreekt in dit gevalt van adaptive preferences. (vb.: de fabel van Aesopus over de vos en de zure druiven. Jan verkiest niet Lisa omdat zij hem niet wil.) Dit mechanisme van dissonance reduction speelt in veel situaties. Elster wijst ook op het tegenovergestelde: contra-adaptieve preferenties ( verboden vruchten smaken beter ). Preferenties zijn niet wat mensen echt willen, maar worden heteronoom bepaald door de actuele opties die mensen hebben en de omstandigheden waarin die opties verschijnen. We kunnen in dit opzicht een onderscheid maken tussen ware preferenties en manifeste preferenties. Maar het fenomeen van de adaptieve preferenties doet zich niet enkel voor waar er van buitenaf beperkingen worden opgelegd. Het fenomeen doet zich ook omgekeerd voor: het systeem waarin mensen functioneren, kan ook preferenties functioneren. (vb.: nu wil iedereen een gsm)

Rn Girard haalt ook het mimetisch gedrag aan. Mimesis staat voor nabootsing en imitatie. Mensen vormen mensen hun verlangens en preferenties dikwijls doordat zij anderen nabootsen in het zich toe-eigenen van objecten. De waarde die mensen aan dingen toekennen is erg afhankelijk van de waarde die andere mensen aan diezelfde dingen toekennen. Mimesis leidt dan tot rivaliteit, jeloezi en chaos, maar maakt ook culturele overdracht en identiteitopbouw mogelijk. Een ander probleem van de rationaliteit is het fenomeen van de erroneous preferences: preferenties die op de verkeerde informatie berusten (ik wil een glas water drinken maar ik weet niet dat het glas vergif bevat). De rationele keuze moet dus op een goede manier leren omgaan met risico-inschatting, want zekerheid over de toekomst krijgen we nooit. We kunnen hier een onderscheid tussen subjectief rationeel (deelnemersperspectief) dat beperkte info bevat en objectief rationeel (ideal oserver) die alle informatie bevat. Genformeerde preferenties : preferenties die mensen hebben wanneer ze beschikken, over vrijheid en volledige informatie. De handelingen van mensen zijn dikwijls veel minder rationeel, hetzij omdat ze op onvoldoende informatie berusten hetzij omdat ze ten dienst staan van gemanipuleerde preferenties. 2.3.2.3 Wilszwakte Een ander psychologisch probleem is dat van wilszwakte (akrasia) of impulsieve onbeheerstheid (aboulia). De revealed preference theory houdt met het fenomeen van wilszwakte geen rekening. Een voorbeeld van wilszwakte is verslaving. Ook al wil je stoppen met roken, toch kan je het niet laten. De wilszwakte doet zich niet alleen voor bij een conflict tussen wat iemand weet dat hij moet doen en anderzijds een passionele preferentie die deze overtuiging doorkruist en van motiverende kracht ontdoet. De wilszwakte kan zich ook manifesteren bij een conflict tussen wat iemand weet dat hij zou moeten doen enerzijds en een sociale norm of een bepaalde context die dat belemmert anderzijds. Het Milgram experiment is hiervan een voorbeeld (experiment met electroshocks.) Aristoteles heeft al aandacht besteed aan het fenomeen van de wilszwakte. Vandaat het belang dath ij hecht aan opvoeding en training om de wil en de zelfcontrole te versterken. Wat betreft die zelfcontrole is het interessant om te wijzen op het fenomeen van de zelfbinding. Mensen die weten dat ze zonder hulp irrationeel zullen handelen, kunne preventief maatregelen nemen om hun gedrag bij te sturen. 2.3.3 Ethnische bijstelling

De economische rationaliteit is consequentialistisch : de waarde van handelingen wordt steeds afgemeten aan de gevolgen ervan. Mensen laten zich echter ook door niet-consequentialistische overwegingen motiveren. Het menselijk gedrag wordt ook bepaald door deontologische regels; regels die we moeten/willen navolgen wat de gevolgen er ook zijn. (niet liegen, niet doden..) We hebben erop gewezen dat heel wat gedrag van mensen regel- en normgeleid is.

Het idee van rationaliteit als preferentiebevrediging is ook eenzijdig omdat het niets zegt over de kwaliteit en de rationaliteit van de preferentie. Jhon Harsanyi maakt in dit verband het onderscheid tussen subjectieve en ethische voorkeuren. Subjectieve voorkeuren zijn gericht op persoonlijke nutmaximalisering, terwijl ethische voorkeuren voortkomen uit een meer onpartijdige en onpersoonlijke houding, waarbij ook de bezorgdheid om anderen en het geheel waarin ik functioneel in rekening wordt gebracht. Mensen hebben bovendien als reflexieve en redelijke wezens niet enkel preferenties, ze hebben ook meta-verlangens, meta-preferenties: voorkeuren omtrent voorkeuren . Men kan bijvoorbeeld verlangen om P al dan niet te verlangen. We willen hier ook nog wijzen op het belang dat mensen in bepaalde gevallen hechten aan de kwaliteit van de handeling zelf. (lekker eten, muziek beluisteren) We doen het niet enkel omdat het onze preferenties bevredigd, we doen het ook omwille van de handeling zelf. (experience machine) Ook aan de substitueerbaarheid van preferenties stellen mensen in de praktijk grenzen, vaak omwille van ethische redenen. De afruilmogelijkheden tussen preferenties blijkt niet oneindig te zijn. Zo willen we wel wat aan preferentiebevrediging inboeten als we daarvoor beloond worden, maar we zijn niet bereid eender wat te doen voor geld hoe groot de beloofde som ook mag zijn. Ook rechtvaardigheidsoverwegingen spelen hier in mee. Mensen zijn gevoelig voor fairness en zijn bereid om in eigen vel te snijden om iemand te straffen die hen onheus behandelt. (100 euro verdelen tussen jezelf en een ander, maar de ander kan het voorstel weigeren en dan ben je je geld kwijt.) 2.4 Gevolgen De vaststelling dat individuele mensen niet aan het ideaal beeld van de homo economicus voldoen is van bijzonder belang, want dit betekent dat de theorie van de economische rationaliteit niet in staat is menselijk gedrag echt te doorgronden en te verklaren. Het kan wel voorspellen en inzichtelijk maken. De methode heeft opdat vlak onmiskenbaar haar vruchten afgeworpen, en niet alleen op strikt economische domeinen. Aan de bevinding dat de economische rationaliteit een te eng en soms irrealistisch beeld van rationaliteit of redelijkheid hanteert, werden twee gevolgen gekoppeld: y y Men heeft de rationaliteitopvatting verbreed Er zijn steeds meer aanzetten om eens over het disciplinaire en methodologische muurtje te kijken en de eigen resultaten te vergelijken en te confronteren met resultaten die tot stand zijn gekomen door een minder reductionistische methode.

Vooral het inzicht dat mensen zich nooit in de ideaal-typische situatie bevinden waarin ze over volledige informatie beschikken en het feit dat mensen hun gedrag niet enkel door preferenties maar ook door (sociale en morele) regels laten leiden, heeft een verfijning van het economisch-theoretisch kader vanuit de psychologie en de sociologie noodzakelijk gemaakt. Maar dat betekent niet dat we het menselijk handelen van elke vorm van rationaliteit en redelijkheid ontdoen.

We kunnen er blijven vanuit gaan dat menselijk gedrag gestuurd wordt door redenen, maar de opvatting over motiverende redenen kunnen zijn is verbreed. Het menselijk gedrag wordt door de rational choice theory monocausaal verklaard terwilj het in werkelijkheid complexer en multicausaal van aard is. 3. Rationaliteit en intermenselijke handelingscordinatie De rationaliteit en uitkomst van onze keuzes zijn dikwijls afhaneklijk van wat anderen beslissen, maar op het moment dat we moeten beslissen zijn we nog niet op de hoofte van de beslissing van de relevante anderen. Voor de analyse, doet men beroep op de speltheorie. De speltheorie werd tijdens de tweede wereldoorlog ontwikkeld door Oscar Morgenstern en John von Neumann. De auteurs maken het onderscheid tussen de niet-coperatieve speltheorie en de coperatieve speltheorie. In het eerste geval gaat het om situaties waarbij geen bindende afspraken gemaakt kunnen worden, in het tweede geval kunnen er wel afspraken gemaakt worden. Suboptimaliteit: ondanks dat de betrokken individuen voor zichzelf de meest rationele keuze hebben gemaakt, is het resultaat niet het meest rationele wat mogelijk was. De twee bekendste voorbeelden in de ratione keuze theorie waar het gebrek aan intermenselijke handelingscordinatie tot suboptimale resultaten leidt zijn the tragedy of the commons en het prisoner s dilemma. 3.1 Tragedy of the commons Garett Hardin kwam op de proppen met the tragedy of the commons. Stel: er is een bepaald stuk land dat eigendom is van iedereen. Tien boeren uit de omliggende streek zijn vrij om te bepalen hoeveel koeien ze op dat stuk land laten grazen, maar de wei kan maximum tien koeien per boer aan. Volgens the tragedy of the commons zla iedere boek afzonderlijk besluiten er n koe bij te nemen omdat dit sowieso in zijn voordeel is, wat de andere boeren ook zouden beslissen. Dit betekent dat er een dominante strategie: d.w.z. dat de keuze voor n bepaalde handeling/strategie sowieso de beste uitkomsten oplevert, onafhankelijk van de keuze die anderen maken. Deze afweging leidt tot het basisprincipe van de tragedie: freedom in the commons brings ruin tot all. De uitkomst van de keuze is dus wel afhankelijk van wat de anderen kiezen, de rationaliteit van de keuze zelf niet. Grosso modo zijn er twee verschillende oplossingen mogelijk om de tragedie te vermijden: afspraken maken of privatiseren. Deze privatisering van the commons toch te verdedigen: private bezitsverwerving is legitiem als bepaalde mensen er beter van worden maar niemand er slechter vanaf komt dan voorheen. Indien het land niet privaat wordt, zal het na verloop van tijd voor niemand nog van enig nut zijn (enclosure of the commons). Maar vaak is het niet altijd even wenselijk, noch praktisch mogelijk om bepaalde goederen te privatiseren. Ook het maken van afspraken is niet zonder risico s. het is inderdaad wel rationeel dat die boeren afspraken maken, maar is het ook rationeel dat ik als boer die afspraken nakom? Is het niet rationeel om me als een free-rider te gedragen? Maar als iedereen zich echter als een free-rider gedraagt, is het systeem weer om zeep. Er zijn opnieuw tal van voorbeelden te vinden in de dagelijkse realiteit van free-rider (belastingontduiking, zwartwerk,..).

De free-rider is iemand die al dan niet expliciete regels en afspraken negeert, in de hoop dat anderen dat niet zullen doen, en zo het eigenbelang wens te maximaliseren. Het gaat dus om iemand die zich onfair en onredelijk opstelt (John Rawl (1921-2002)). The leviathan (Hobbes) moet hier een oplossing voor bieden: iemand die ervoor zorgt dat mensen de afspraken effectief nakomen. 3.2 Prisoner s dilemma Albert Tucker kwam met prisoner s dilemma op de proppen. Twee overvallers worden op heterdaad betrapt. ze worden elke afzonderlijk in een cel geplaatst zonder dat ze nog enig overleg hebben kunnen plegen. Als je jou kompaan verraadt en tegen hem wil getuigen dat hij de dader is van de anderen overvallen, kom je onmiddellijk vrij als de ander jou niet verraad. Alle twee zwijgen is hier de beste optie. Maar voor jou is het meest rationeel om dan toch je partner te verraden. Dit is dus de dominante strategie. Speltheoretisch bezien is het voornaamste kenmerk van dit spel dat het een non-zero-sum game is waarin zowel samenwerking als concurrentie in het geding zijn. Het is pas door samenwerking dat een optimaal resultaat tot stand kan komen. Door een gebrek aan vertrouwen en communicatiemogelijkheden komt die samenwerking echter dikwijls niet tot stand. Andere voorbeelden: in opstand komen tegen een dictoriaal regime, koffertje met geld inwisselen tegen drugs. Robert Axelrod noemt een verklaring van coperatie van individuen die op het eigenbelang gericht zijn, namelijk tit-for-tat . Zijn inzichten hebben een grote invloed gehad op de evolutiebiologie, de evolutionaire psychologie en de sociale wetenschappen.

5. Besluit: redelijk omgaan met rationaliteit Rationele beslissingen zijn beslissingen waarbij de kosten en de baten van de verschillende keuzemogelijkheden worden afgewogen en waarbij het resultaat van de beslissing maximaal bijdraagt aan onze preferentiebevrediging. We moeten echter concluderen dat het onredelijk is te verwachten van mensen dat ze steeds rationeel kiezen en handelen. Veelal is volledige rationaliteit ook onmogelijk of onwenselijk. Er bestaat dus een kloof tussen de economische opvatting van rationaliteit en wat mensen op intutieve basis menselijke rationaliteit of redelijkheid noemen. De economische rationaliteit is jammer genoeg blind voor de kwaliteit en de genese van de preferenties die mensen hebben. Vanuit het perspectief van redelijkheid worden preferenties niet alleen gedacht in functie van nutmaximalisering, maar wordt ook rekening gehouden met morele waarden, contexten, emoties, sociale normen, de manier waarop de preferenties tot stand komen, de kwaliteit van preferenties, fairness, enzovoort. Rationaliteit is voornamelijk een kenmerk van individueel gedrag, redelijkheid is eerder een vorm van een sociale deugd. Eerder dan de vraag of bepaalde keuzes en handelingen rationeel zijn, is het van belang te vragen of mensen zich voor hun keuzes kunnen verantwoorden ten aanzien van anderen en of deze keuzes dus wel verantwoord zijn. De rational choice theory maakt het menselijk handelen tot op een zekere hoogte wel inzichtelijk. Het prijskaartje berekenen van een beslissing is niet nkel van belang vanuit het kortzichting perspectief van het eigenbelang maar is ook noodzakelijk voor good governance. Vanuit het perspectief van de moraal en de redelijkheid moeten mensen zich niet afsluiten van de economische rationaliteit, veeleer moeten ze proberen er op een redelijke en verantwoorde manier mee aan de slag te gaan. 3.1. Tragedy of the commons