Sie sind auf Seite 1von 4

Schema voor de naamvallen

Staat er een mit nach bei seit n von e zu e aus auer entgegen gegenb er +3 voorzetsel voor? met durch naar , na fr gegen ohne bij um sinds bis van entlan naar g uit behalve tegemoet tegenover +4 door
(bestemd)

voor tegen zonder om tot langs

Staat een verdacht werkwoord in de zin?

n e e

bleibe n heien werde n sein

blijven heten worden


(zullen)

zijn

+1

begegne n helfen danken fehlen folgen gefallen glauben gratuliere n kondolier en trauen +3

ontmoete n helpen bedanken (ver)miss en volgen bevallen geloven feliciteren condolere n vertrouwe n

Beispiel/voorbeeld hij? 1 (onderwerp)

naar aanleiding bepaling van van tijd buiten binnen ten gevolge van zonder in plaats van voorzets ondanks el terwijl wegens**Regels +3/4 Hoofdregel Kun je vragen Wohin? + waarheen? +4 4 Wo? + waar? Wann? 3 wanneer? +2 + 3 7/2-regel bitten verzoeken Kun je niet frage vragen vragen n kosten wohin, wo of koste lesgeven wann n er is / er dan hebben lehre zijn auf n ber + es 4 gibt denken denken aan an glauben geloven an aan Kun je de erinnern + herinneren woordengroep an : 4 aan vervangen +4 en de rest: + door ... 3 (an, hinter, Der Mann geht Hij gaat weg. neben, in, unter, vor, zwischen)

an auf hinter neben in ber unter vor zwische n

aan, op , bij op achter naast in, naar, over over, boven onder voor , +3/4** tussen

anlsslic h auerha lb innerhal b infolge statt trotz whren d wegen

Nominativ aan/voor hem? hem? van hem? 3 Dativ 4 Akkusativ 2 Genitiv (meewerkend voorwerp) (lijdend voorwerp) (bijvoeglijke bepaling)

weg. Er gibt es dem Mann. Er sucht den Mann. der Hund des Mannes Hij geeft het aan hem. Hij zoekt hem. de hond van de man

Der- Gruppe (Zo worden uitgange (m)annelijk n 1e der groe naamval 2e des groe naamval n e 3 de groe naamval m n 4e den groe naamval n

alle woorden van de der groep verbogen) (v)rouwelijk (o)nzijdig o Mann die kluge kluge n kluge n kluge Frau Frau Frau Frau das des liebe Kind

(mv) meervoud x die der den die netten Leute netten Leute netten Leute n netten Leute

Manne de s r Mann de r Mann die

lieben Kinde s dem lieben Kind das liebe Kind

Ein-Gruppe (Zo worden alle woorden van de ein groep verbogen) uitgange (m)annelijk (v)rouwelijk (o)nzijdig o n 1e ein- groe Mann eine kluge Frau einliebes naamval r 2e eine groe Manne eine kluge Frau eines lieben naamval s n s r n 3e eine groe Mann eine kluge Frau eine lieben naamval m n r n m 4e eine groe Mann eine kluge Frau einliebes naamval n n

(mv) meervoud x Kind keine netten Leute

Kinde keiner netten Leute s Kind keinen netten Leute n Kind keine netten Leute

Bestimmwrter
Der-Gruppe
ddiesde, het deze die iedere sommi ge welke zulke alle ein kein

Ein-Gruppe
Auto Auto een auto geen auto mijn auto jouw auto zijn auto haar auto onze auto jullie auto hun auto Uw auto

Ohne Bestimmwort
uitgangen 1e 1e naamval naamval 2e 2e naamval naamval 3e naamval 3e 4e naamval naamval 4e

jen-

mein Auto dein sein ihr Auto Auto Auto

uitgangen D

(m)annelijk

NL

(v)rouwelijk warme Milch

(o)nzijdig o kalte s kalte n kalte m kalte s Bier Bieres Bier Bier

ser wer?

Wein wie?

(mv) meervoud x nette Leute netter Leute

jedmanchwelchsolchall-

sen Weines warme Milch wesse van r n? wie? warme Milch sem Wein wem? wie? r sen Wein warme Milch

netten Leuten nette Leute

unser- Auto euer ihr Ihr Auto Auto Auto

wen?

wie?

naamval

smtlich- alle beidbeide

Deze Bestimmwrter hebben altijd een (+) uitgang.

Deze Bestimmwrter hebben 3x geen (-)uitgang: 1e mannelijk en 1e en 4e onzijdig

persoonlijke voornaamwoorden
onderwerpsvorm
NL D 1e naamval ik jij hij () zij () het () wij jullie zij (x) u ich du er () sie () es () wir ihr sie (x) Sie D 3e naamval mir dir ihm () ihr () ihm () uns euch ihnen (x) Ihnen

niet-onderwerpsvorm
D 4e naamval mich dich ihn () sie () es () uns euch sie (x) Sie mij jou hem () haar () het/hem/haa r ons jullie hen/hun (x) u NL

Uitleg: het / hem / haar Kannst du es das Ding sehen? das Ich liebe es. Mdchen Ich kaufe es. das Poster

Kun jij het zien? Ik houd van haar. Ik koop hem.

Uitleg Nederlands: Wanneer gebruik je hun / hen ? meewerkend hu Ik geef hun het boek. voorwerp n he lijdend voorwerp Ik zie hen daarginds. n he Ik heb een boek voor voorzetselgroep n hen.