You are on page 1of 7

Verschillende definities

Omschrijving van begrip heet het definins en wat gedefinieerd moet worden is het definindum. Een goede gebruiksdefinitie laat het definindum niet terugkomen in de definins. Gebruiksdefinitie is omschrijving van een woord. Een stipulatieve definitie is gebaseerd op afspraak, afbakening van wat je met het woord bedoelt. Wezensdefinitie geeft aan wat iets fundamenteel is. Heeft eigenschappen die wezenlijk hoort bij het woord. Zonder het fundamentele is het niet wat het is. Ludwig Wittgensteins theorien over taal, tussen vele soorten kennis is weinig gelijkenis, maar ze horen bij n familie. Bij de definitie wil je het begrip begrenzen. Woorden zijn gereedschappen, je moet wel weten hoe je ze moet gebruiken. Het wezenlijke van een begrip ligt niet vast. Het wezenlijke van een begrip is het voortdurende gebruik ervan, want tijd en cultuur verandert en dus ook vragen en filosofie. Gaan uit van de vragen: Wat is kennis? Welke kennis is betrouwbaar? Hoe komt kennis tot stand en dient het? Deze vragen geven richting aan en er zitten vooronderstellingen in, ook in de antwoorden. Kennis en vaardigheden (water kookt bij 100 graden C en hoe je je fietsband plakt) zijn verschillende typen kennis. De een is wat en de ander meer hoe, het vermogen. Sceptici zeggen dat zekere kennis niet bestaat, komt van skeptesthai = aandachtig aanschouwen. Beroemde uitspraak: we weten niks, zelfs dat we niets weten. We denken wel diep na, maar trekken geen conclusie. De mens is een kennende mens en heeft dus kennis. Kennis kunnen we dus verwerpen. Maar hoe gebeurd dat? Door kenvermogens. Een belangrijke is de zintuiglijke (empirische) waarneming. Waarnemen gebeurd in steeds veranderende omgeving. Zintuigen zijn dus berekend op veranderingen in prikkelsterkte. Visuele waarneming gaat als volgt: elektromagnetische prikkels worden omgezet in contouren en lijnen als schets. Daarna wordt deze schets verbeterd door alles waar te nemen als geometrische patronen, de geonen. Dan maakt je hoofd weer het plaatje af door het beeld dat er was door schermen te duwen, relaties tussen begrippen, apparaatjes dingen. Het geheugen is hierbij belangrijk. De mens creert dus beelden in zijn hoofd en noemt dat de werkelijkheid. Schemas en zintuiglijke indrukken maken de wereld kenbaar. Zonder beeld ook geen waarneming. Maar ook waar je naar kijkt, met welke bedoeling (toerist en stratenmaker lopen over straat) bepaalt ook wat je waarneemt. Wij zien de wereld dus niet zoals deze is! Empirisme: alle kennis is gebaseerd of hoort dat te zijn, in het verstand gekomen door waarnemingen, beelden en ideen.

Plato: begin van de filosofie is de verwondering. Empiristische uitspraak is te concluderen door waarneming, verifiren. Alle kennis vindt zijn oorsprong in de buitenwereld. Aristoteles bakende verschillende wetenschappen af en gaf ze namen, want hij was gefascineerd door de buitenwereld. Toen wilde hij zeker weten dat die wetenschappen ook echt weten was. De wereld verandert constant, maar we moeten zoeken naar hetgeen wat niet veranderd. Hij zocht in de natuur wat de verandering mogelijk maakte. Kennis of wetenschap van de natuur moet het onveranderlijke opsporen om echt kennis te zijn. Alles hangt af van ervaring van alledaagse dingen. Hij is dus empirist. Van je geboorte weet je niets, maar had je 2 instrumenten: denken en waarnemen. En iets gebeurt altijd door iets anders. Ervaring is in de ziel en het enige onderscheid tussen alle andere dingen. Door ervaring krijgen we een begrip van iets. Een begrip betekent dan: datgene wat door het verstand van een zaak begrepen wordt, een geheel van karakteristieke kenmerken. Het herkennen van iets door het karakteristiek te zien heet abstraheren. Abstractie is puur menselijk. Gehele proces van kennisverwerking is op inductieve manier. Inductie wil zeggen op grond van afzonderlijke waarnemingen tot iets algemeners komen. Maar inductieve inspraken kunnen makkelijk gefalsifieerd worden: Kees is nooit te laat. 1 keer welen het is gefalsifieerd. Zintuigen zijn dan erg betrouwbaar. Het standpunt dat de wereld los op zichzelf bestaat zonder de mens heet fysisch realisme of naef realisme. Aristoteles twijfelt niet aan waarnemingen en de wereld is realistisch. Maar dat is dus niet helemaal zo. Zoals dat kleuren niet echt bestaan.

John Locke
Deed onderzoek tussen voorstelling en werkelijkheid. Is de voorstelling echt met ervaring onderbouwd? Voorstelling is iets zien met ogen dicht. Hij had 2 hoofdvragen: 1) Waar halen mensen voorstellingen en gedachten vandaan? 2) Kunnen we vertrouwen op de zintuigen? Hij begint met tabula rasa (onbeschreven blad). Hoe komt alles erin? Ervaring. Alles is gebaseerd op ervaring. Begin allemaal enkelvoudige waarnemingen (warm, koud). Die later worden bewerkt tot samengestelde- of reflectie-ideen (samengevoegd), bijv. zwaartekracht. Alles valt. Hebben we alleen maar indrukken van eigenschappen of bestaan die eigenschappen echt en horen ze bij iets? Locke zegt: Dat er eigenschappen bestaan is iets waar we ervaring mee hebben. Niet gelijkwaardig dat dit op zichzelf staande dingen zijn die in de lucht zweven. Al helemaal

ongelijkwaardig dat ze precies zo samenkomen, telkens wanneer we bijvoorbeeld appel eten. Er moet dus een gecombineerd iets bestaan die al die eigenschappen bezit. Dit was een groot vraagstuk voor Locke, want dat er iets is, los van onze waarneming, is niet iets dat waargenomen kan worden. Zo spreekt empirisme zichzelf tegen. Er is alleen 1 ding dat niet tot zintuigen terug te voeren is. En dat is substantie, er is een substantie, iets moet eigenschappen dragen. Tweede vraag van Locke, betrouwbaarheid: Hij maakt verschil tussen primaire en secundaire eigenschappen. Primair: echte eigenschappen die in het bezit van het voorwerp zijn: uitgebreidheid, omvang, massa, vorm, beweging en aantal. De rest is secundair.

George Berkeley
Kennis begint met zintuiglijke indrukken die verstand ordent. Tegen Locke in, substantie of primaire eigenschappen zijn onzin. Alleen de dingen die je direct waarneemt zijn er. Je kunt je wanen op de plek en zeggen: Ik zie het, dus het bestaat, maar ze bestaan dan niet buiten mijn geest. Alleen de ideen en geest bestaan, geen materie. Conclusie: het zijn van iets, is het waargenomen worden. Het zijn van objecten is het waargenomen worden, het zijn van het subject is het waarnemen. De wereld is dus de zintuiglijke indrukken en de gedachten die we op basis daarvan vormen. Hij is idealist, we kunnen niets over een echte wereld buiten onze waarneming zeggen. Er is wel iets dat alle voorstellingen en dingen kent: de geest. Zonder geest is er niets of kunnen we er niets over zeggen. Wij kunnen met elkaar praten over een object, omdat God ons allemaal hetzelfde idee voor een object gegeven heeft. Daardoor benoemen we dingen hetzelfde. Door God is er orde en samenhang.

Causaliteit (causaliteitsbeginsel)
Kennis is behalve wat? Ook hoe?, waarom? en waardoor? Daarbij willen we verbanden vinden en dan kunnen we zeggen dat iets veroorzaakt wordt door iets anders. Dus een oorzaak heeft een gevolg. Er is causaliteit. Daar is wetenschap op gebaseerd, anders kunnen er geen natuurwetten zijn. Causaliteit is dus een belangrijke regel om het kenvermogen van zintuigen en verstand te laten werken.

David Hume
Kennis begint met zintuiglijke indrukken. Al onze ideen zijn kopien van de indrukken zelf. Minder heftige kopien. Onze ideen worden door bepaalde principes gecombineerd: tijd en ruimte, gelijkenis, oorzaak en gevolg. Hij zei over het causaliteitsbeginsel: Als er plots een geniaal iemand op de wereld komt, ziet hij een verloop van gebeurtenissen. Maar hij kan geen oorzaak en gevolg principe ontdekken, want hij neemt geen krachten waar die andere gebeurtenissen starten. Omdat eerst het ene gebeurt en dan het andere, hoeft er nog geen causaliteit te zijn. Door gewenning van nu de ene gebeurtenis, dan de andere, krijgen we een soort causaliteitsidee, maar er is geen waarneembaar bewijs. Maar ook het bestaan van de buitenwereld en inductie sluit hij uit.

Rationalisme
Empiristen gebruiken ook hun verstand, maar dan na de waarneming, dat is a posteriori. Kennis die niet tot de waarneming te herleiden is heeft geen basis, is onzin. Rationalisme is a priori, vooraf de waarneming.

Ren Descartes
Er moest een nieuwe manier van wetenschap komen en het scepticisme wilde hij het zwijgen opleggen. Dat deed hij via de filosofie, de moeder van alle wetenschappen. Hij wilde weten hoe we kennis kunnen funderen. Hij wilde het fundament en wilde alle andere dingen weg. Dus hij ging twijfelen aan alles. Eerst sceptische houding. Wetenschappen alleen op waarneming vertrouwt hij niet. De dingen kunnen ook niet bestaan. Alleen de wiskunde is waar. Maar God of een kwaad iets kan dat allemaal ingefluisterd hebben, dus dat klopt ook niet. Alleen een ik bestaat. En wat is dat ik? Het denkende, het twijfelende, cogito ergo sum. Descartes richtte zich op zichzelf at vanbinnen zit en niet de wereld erbuiten. De mens is dus het subject en de basis van kennis. De geest en sterfelijke dingen, die in wiskunde kenbaar zijn, zijn zeker zoals uitgebreidheid en aantal. 3 + 2 = 5 dat weet ik al voor ik ga kijken, dus a priori. Wiskunde is a priori.

De waarheden van het bestaan (Leibniz)


Er zijn 2 soorten wijsheden, verstandwaarheden en feitelijke waarheden. Verstandswaarheden zijn noodzakelijk en het tegendeel ervan is onmogelijk. Feitelijke waarheden zijn contingent en het tegendeel ervan is misschien mogelijk. Wanneer het noodzakelijk is dan kun je het ontbinden door analyse in primaire ideen en waarheden. Contingent is het veranderlijke, vergankelijke, wat niet in 1 natuuroorzaak ligt en wat onvoorspelbaar is. Noodzakelijke waarheden zijn a priori kenbaar geen zintuigen nodig. In het verstand hebben we kenvermogen van geboorte om gegevens te ordenen.

Transcendentalisme
Kant zag het probleem: mensen begonnen gelukkig zelf na te denken tijdens de Verlichting, maar hoop mensen hielden zich dom . Wetenschap kwam op, maar Hume zei dat zintuiglijke causaliteit niet te zien was, maar wetenschap had toch succes. En het rationalisme had ook een aantal problemen en puur door te redeneren kun je ook niet alles ontdekken. Hij keek sceptisch op tegen de confrontatie tussen rationalisme en empirisme die het tegenovergestelde zeiden en moest zelf een nieuwe theorie maken. Hij begint met nadenken over kennisuitspraken (oordeel) die bevestigen of ontkennen of iets zo is: stoel is wit en stoel is niet wit. Hij onderscheidt analytische (a priori) en synthetische (a posteriori) oordelen: een cirkel is rond, een vrijgezel is ongehuwd. Geen kennis van

zintuigen nodig. Voegt alleen geen kennis toe aan de wereld. Aan een begrip iets toevoegen wat niet ingesloten in begrip is. In Nieuwegein heeft het gisteren gesneeuwd. Door middel van inductie verkregen. Alles wat gebeurt heeft een oorzaak is ook synthetisch, maar niet via waarneming te bewijzen. Dan doet hij een transcendentaal onderzoek om synthetisch te bewijzen dat de zin hierboven wel zo is. Transcendentaal is verder dan zintuiglijke waarneming kijken. Hij wil met zijn onderzoek uitvogelen wat we kunnen weten, dus een duik is ons vermogen nemen. Hij wil weten wat vooraf aan kennis gaat. Kennis gaat niet aan ervaring vooraf, dus alles begint bij ervaring. Maar er zijn ook a priori dingen mogelijk, namelijk ruimte en tijd. Ruimte en tijd zijn noodzakelijk, anders in waarneming niet mogelijk. Waarnemen is niet alleen passief, maar ons verstand is er dus actief mee bezig. Niet alleen ruimte en tijd, ook de categorien, de structuren. Hij zegt ook, tegen Hume in, dat causaliteit a priori is, omdat het een eigenschap van ons kenvermogen is. We weten niet of dat zo is, maar we kunnen het niet anders begrijpen. Wij dragen dus een bril en om dat we die bril niet af kunnen doen, kunnen we niet weten hoe de wereld an sich is, maar alleen fenomenaal, zoals we hem zien. En bestaan God en ziel kunnen we dus niet aantonen. Kennis wordt bij Kant subjectief, afhankelijk van de kennende mens zelf. Je bent zelf de basis voor de kennis van buitenaf. Smaken verschillen bijvoorbeeld, dus het hoort bij de mens zelf. Hij heeft wat we kunnen kennen afgebakend en kennis gefundeerd.

Functie , nut en waarde van kennis.


Functie geeft aan waartoe iets dient. Functie kennis vanuit revolutionair punt: als individu en soort te overleven. Nut: verwijst naar het belang dat iets heeft, vaak voor de mens. Of iets nuttig is kan liggen hoe vaak het wordt gebruikt. Veel gebruiken van vaardigheid voor je baan heeft economisch nut bijvoorbeeld. Waarde: nut en belang van iets verwijst naar een waarde: bijvoorbeeld iets zoals vriendschap heeft duidelijke belangen, waarden zijn omwille van zichzelf belangrijk. Kennis wat als bekend en vanzelfsprekend wordt ervaren is gebonden aan tijd en plaats. Verschillende culturen verschillende belangen. Mens heeft door de tijd door kennis steeds meer macht veroverd: kentheorie probeert niet als mythen orde te vinden van de chaos van schepping. Waaronder de wereld als cultuur zelf. Er is orde in de wereld en door die orde kan de mens de wereld inrichten. Door de orde van de natuur te ontdekken kunnen we meer met techniek en dergelijke en geeft dus macht.. Francis Bacon: kennis is macht. Wetenschappelijke vooruitgang geeft betere samenlevingen, kennis moet als deel vermeerdering van gezondheid, macht en rijkdom beschreven in back New Atlantis. Maatschappelijke belang staan voorop.

Plato
Is er zekere kennis mogelijk? Omdat de wereld telkens verandert, weten we het niet. De sofisten zeiden van niet. Het is cultuurgebonden. Ze waren sceptisch. Ze leren je alleen hoe je moet overtuigen. Plato wil relatieve kennis overstijgen. Kennis is uiteindelijk liefde. Hij wil zorg van de ziel. Kennis die van factoren afhankelijk is, is mening (doksa). Wiskunde is weer zekere kennis. Elk voorwerp heeft een bepaalde oervorm, ideen, eidolee. Plato legt nadruk op het geestelijke (a prori). Volgens Plato is verlangen naar inzicht van het schone, goede en ware essentieel voor de mens. Deze Eros zit overal in. Dingen maken, wetenschap, liefde, filosofie. Alle dingen hebben mooi zijn in zich, de oervorm. Maar hoe mooi iets ook is. De oervorm is zoveel mooier. Plato wil al het veranderlijke overstijgen. Het scheppen van iets blijvends is goddelijk gebleven en mooi te noemen. We proberen steeds dichter bij schoonheid te komen door nieuwe kennis over te dragen en worden steeds mooier. Door innerlijk bezig te zijn en de wereld te zien herinneren we weer de ideen. Dat is zekere kennis.

Zelfkennis (en wijsheid)


Wij zien onszelf anders als de wereld, we hebben bewustzijn en onderscheiden ons van de wereld en kunnen op een afstandje reflecteren. Kennis over jezelf is ook betrouwbaarder dan zintuigelijke kennis, maar het kan ook schijnkennis zijn, denk aan twijfelexperiment. Je kunt kennis hebben van directe gewaarwordingen., karakter, het denken en waarnemen. Je bent je meestal niet bewust van wat je precies doet, maar je kunt wel bewust bij jezelf naar binnen kijken, de introspectie. Freud zegt dat mensen zich kunnen vergissen omtrent eigen innerlijk. Het heeft de veiligheid dat niemand anders tegen jou zelfkennis in kan gaan. Sommigen zeggen zelfkennis verwerf je door reacties in buitenwereld en niet door introspectie. Je moet open communiceren, iemand zijn in intersubjectief, je hebt een ander subject nodig om jezelf te kennen. Freud: we zijn geen meester in eigen huis.

Kennis van anderen


Als we onszelf kennen en gedragingen van de ouder kunnen we analogie met onszelf herkennen. De ouder huilt, jij kent dat gedrag en de emotie en dus weet je de emotie van de ander. Maar als je niet iets van jezelf weet, weet je het van anderen ook niet. Dit wordt subject-object model genoemd, maakt ander tot object. Intersubjectiviteit wil zeggen dat de medemens wezenlijk is voor de mens, de ander zit in alles at je doet. Wereld wordt gedeeld met zijn allen en we kennen onszelf door de medemens te kennen, jezelf spiegel voorhouden, want we zijn allen hetzelfde. (vraag naar p.82)

Waarheid
De mens vindt de waarheid belangrijk. Uiteindelijk willen we allemaal in waarheid leven. We zoeken de waarheid, omdat onwaarheid bestaat. Correspondentietheorie van waarheid: waarheid is overeenstemming met werkelijkheid. Iets is waar, wanneer die iets zegt over een stand van zaken die bestaat. Vooroordeel, er is een kenbare werkelijkheid, dus realistisch. We koppelen woorden aan elkaar. Positivisme (Comte): Alle kennis moet berust worden op zintuigelijke waarnemingen, iets is waar als het overeenstemt met feiten. Coherentie-theorie van waarheid Correspondentietheorie klopt niet, want gaat uit va neen wereld/werkelijkheid, maar dat mag niet zomaar. Een uitspraak is waar, wanneer deze logisch strookt of op andere manier samenkan/met de rest van onze kennis. Dat werkt allemaal door logica, maar niet alle regels van logica zijn bewezen, dus basisstellingen van de theorie staan ter discussie, waardoor alle uitspraken niet zeker zijn. Coherentietheorie (Foucalt) Waarheid is dat wat op een bepaalde manier door een bepaalde groep wordt gevonden. Macht is een belangrijke fadir Pragmatische waarheidstheorie: als iets werkt, is het waar. Als iets nuttig is voor het leven ook, voor individu en gemeenschap. Volgens Nietsche is het willen van kennis het willen van ies vreemds tot iets bekendste maken. Kennis moet orde uit chaos creren.