Sie sind auf Seite 1von 18

Aansluiting VMBO-ROC

Hoe regelen we het voor de risicoleerlingen?

Een inventarisatie van:


Aafke Hoek
Debby Dacier
Zwanie van Rij
Eddy Wildeman

1
Inleiding

De overstap van vmbo naar roc is vol risico’s. Nog altijd vallen veel leerlingen uit. Verbeteringen worden
gevonden in onder andere een betere inhoudelijke afstemming (koers vo, regionale programma’s) of in
het door het vmbo aanbieden van het niveau-1 of het AKA programma. Naast deze oplossingsrichtingen
is het van belang te werken aan continuïteit in de leerlingenzorg op beide schoolsoorten. Anders
gezegd: voorkomen dat leerlingen uit de boot vallen doordat zorg niet op elkaar aansluit.
De aandacht binnen de aansluiting is niet alleen gericht op doorgaande leerlijnen maar ook op
doorgaande zorglijnen.

In beide schoolsoorten is de laatste jaren fors geïnvesteerd in zorg. De oorzaak van de uitval moet
niet alleen gezocht worden in verder intensiveren van de zorg. Waarschijnlijk is de oorzaak veel meer
gelegen in het verschillend georganiseerd en georiënteerd zijn van de zorg in beide schoolsoorten.
Wanneer bijvoorbeeld op de toeleverende vmbo-school de zorg vooral naast het leren is georganiseerd,
is er al snel een aansluitingsprobleem met de ontvangende school wanneer hier leren en zorg sterk
geïntegreerd zijn.

Leerlingen die veel zorg ontvangen in een aparte setting moeten wennen aan de geïntegreerde situatie.
In beide schoolsoorten is winst te behalen als men samen de aansluitende zorglijnen vorm gaat geven.
In het vmbo en het roc zijn de laatste jaren veel samenwerkingsverbanden gevormd,die zich bezig
houden met de doorlopende leerlijnen van de leerling. In die samenwerkingsverbanden zijn ook de
zorglijnen een aandachtspunt. In deze webpublicatie geven we informatie over de laatste
ontwikkelingen rond de zorg in het vmbo en het roc. We geven een beeld van een aantal ontwikkelingen
in het veld en we geven een aantal aanbevelingen.

2
1. Ontwikkelingen in het VMBO

In 2010 gaat de nieuwe zorgstructuur 2010 in werking onder de naam “Vernieuwing van de
zorgstructuren/ Passend onderwijs”. Scholen en besturen krijgen hiermee de verantwoordelijkheid om
voor alle leerlingen een passend onderwijsarrangement aan te bieden. Met andere woorden; voor elk
kind moet er een plek zijn. Dit geldt voor zowel basisscholen als voor de schole voor voortgezet scholen
en het bve-veld.

De zorgplicht die scholen hiermee krijgen, houdt in dat zij aan alle kinderen die zich aanmelden bij hun
school een passend onderwijsarrangement moeten kunnen bieden. Het maakt niet uit welke beperking
de leerling heeft. Wanneer een school dit aanbod niet (volledig) aan kan bieden, dan moet zij in overleg
met andere scholen/besturen dit wel realiseren. De samenwerking tussen scholen kan hiermee niet
meer vrijblijvend zijn, maar wordt een belangrijk onderdeel van de zorgplicht.

Er zal van besturen en bestaande samenwerkingsorganen gevraagd worden om daar waar nodig te
dereguleren zodat complexe en onoverzichtelijke zorgstructuren verdwijnen. Daar staat tegenover dat
scholen en besturen alle ruimte krijgen om zelf voorzieningen in te richten om passend onderwijs vorm
te geven en de leerlingenzorg te organiseren.

Om aan het bovenstaande een evenwichtige sturing te geven wordt de positie van de ouders versterkt.
Zowel de individuele ouder als de ouders als collectief. In de nieuwe zorgstructuur wordt gevraagd van
scholen en besturen om ouders bij de zorg aan hun leerlingen te betrekken en als gelijkwaardige
gesprekspartners te zien.

Ook zal de indicatiestelling en de financiering van zorgleerlingen veranderen. De indicatiestelling zal


gestroomlijnd worden. Ouders of de school met medewerking van de ouders kan de indicatie regelen.
Wanneer blijkt dat een leerling extra zorg nodig heeft dan dient er een dossier gevormd te worden
met daarin voldoende informatie om een besluit te kunnen nemen over de noodzaak tot een
indicatieaanvraag en onderzoek. Dit dossier zou in de vorm kunnen van de huidige onderwijskundige
(elektronische) rapporten. De bekostiging zal namelijk niet meer aanbodsgericht zijn, maar deze zal
zoveel mogelijk gekoppeld worden aan de leerling. Scholen krijgen hierdoor ook meer vrijheid om hun
zorgaanbod naar eigen inzicht in te vullen.

Om het bovenstaande te realiseren zal de expertise rond zorgleerlingen en draagkracht en draaglast


van scholen en docenten verbeterd moeten worden. De REC’s en ZAT’s met hun expertise en ervaring
zullen hierbij een grote rol spelen. Maar ook de samenwerking tussen scholen in de regio.

In 2010 zal de praktijk er dan als volgt uitzien:


• Ouders melden hun kind aan bij de school van hun voorkeur. Vervolgens heeft deze school de plicht
om een onderwijsaanbod aan te bieden. Het is mogelijk dat de school van de eerste keus het
onderwijsprogramma niet (volledig) kan organiseren. In het onderwijsaanbod staat bij welke school
de leerling dan wél onderwijs kan volgen.
• Om ouders te ondersteunen bij de beoordeling van het aangeboden onderwijs worden regionale
steunpunten ingericht. Als er verschil van opvatting is tussen ouders en schoolbesturen over of
het aanbod wel past bij het kind, kunnen zij een beroep doen op een geschillenregeling. Een leerling
die extra aandacht nodig heeft, kan een indicatie krijgen op basis van een objectief systeem.
• Er is één indicatiesysteem voor alle leerlingen. Bij de inschrijving van een geïndiceerde leerling
ontvangt de school een hogere bekostiging; de leerling heeft een zorggewicht. Dat stelt de school
in staat om de zorgplicht waar te maken.
• De vormen van bekostiging in het huidige systeem worden gewijzigd. De leerling krijgt een
zorggewicht, zodat de school het speciale aanbod ook kan realiseren.

3
2. Ontwikkelingen in het Middelbaar Beroepsonderwijs

De nieuwe zorgstructuur en daaraan gekoppeld de zorgplicht zal ook gaan gelden voor het bve-veld. Dit
betekent ook dat de roc’s nadrukkelijk zoeken naar een bij hen passende zorgstructuur.
In de praktijk blijkt dat nog maar weinig REC’S, samenwerkingsverbanden, besturen, vo-scholen en
roc’s met elkaar in gesprek zijn. Dit gesprek zal als eerste gestart moeten worden. Daarnaast wordt er
van de roc’s verwacht dat zij de samenwerking opzoeken met vo-scholen en roc’s in de omgeving om te
zorgen voor een algehele dekking van de zorg enerzijds en een goede aansluiting tussen het vo naar het
bve anderzijds. Dit zal allereerst op bestuursniveau moeten plaatsvinden om daarna de koppeling te
maken naar de praktijk. De bestaande zorgstructuren zullen hierin expliciet in meegenomen worden
zoals LGF, de ZAT’s en het ZIOS.
De samenwerking tussen scholen en besturen onderling zal erg belangrijk worden, maar zeker ook
essentieel om passend onderwijs te kunnen bieden.
Binnen de samenwerking tussen vo scholen en bve’s zullen er o.a. afspraken gemaakt moeten worden
over de dossiervorming, de inhoud van zorgarrangementen en de overdracht van leerlingen.
De manier waarop de roc’s de bovenstaande veranderingen in gaan voeren, ligt helemaal vrij. Zij mogen
zelf kiezen, passend bij hun visie en missie, hoe zij inhoud gaan geven aan de deze zorgplicht.
Belangrijk is daar wel bij dat zij ouders bij het proces betrekken om de aansluiting later met deze
groep niet mis te lopen.

De Bve Raad heeft zich geruime tijd ingespannen om meer budget en ruimere randvoorwaarden te
verkrijgen voor maatwerk ten behoeve van zorgleerlingen. Dit heeft langzamerhand tot succes geleid.
In toenemende mate krijgen de bve-instellingen meer ruimte en budget om écht maatwerk aan
zorgleerlingen te leveren. Het is nu aan de scholen om hierin het voortouw te nemen en met anderen
goede afspraken te maken, zowel over samenwerking als over na te streven ambities. Er gebeurt bij
alle instellingen al veel op projectbasis, maar de nieuwe maatregelen en aanvullende budgetten geven de
benodigde armslag om deze projecten om te zetten in structureel beleid. In haar notitie:” Ruimte voor
een regionale sluitende aanpak”,geeft de Bve Raad aan waar nieuwe en extra mogelijkheden liggen.

Voor onze notitie zijn met name de volgende gedeeltes interessant:

Kwalificatieplicht en leer/werkplicht
De partiële leerplicht vervalt en wordt in 2007 vervangen door een kwalificatieplicht. Elke jongere
wordt verplicht om tot zijn 18e jaar of zoveel eerder als mogelijk minimaal een startkwalificatie te
halen. Indien hier niet aan wordt voldaan voor het 18e jaar moet er individueel gekeken worden naar
gewenst maatwerk. Dit wordt ondersteund door het instellen van een informatieplicht en een
leer/werkplicht. Deze plichten richten zich ook op de deelnemer met een nadrukkelijke rol voor de
gemeente/RMC. De gemeente wordt de probleemhouder. Na informatie van de deelnemer verkregen te
hebben moet de gemeente beslissen in hoeverre zij een bepaalde leer/werkplicht wil vormgeven en
opleggen. De samenwerking tussen het mbo en de gemeente is hierbij cruciaal. De beheerslasten van de
bve-instellingen nemen niet toe, vooral niet omdat de Bve Raad verwacht dat instellingen vanaf
augustus 2006 aan hun RMC-verplichtingen kunnen voldoen via de IBGroep.

4
Extra middelen:

2006 2007 2008 2009 2010 ev


mln. euro’s
Totaal verlengen leerplicht 6 50,7 131,5 130,5 130,5
BVE deel hierin
34,2 89 89 89

Het totaal aan middelen verlengen leerplicht is bestemd voor:


1. Extra 16-17 jarigen in het VO en MBO
2. Leerlingeffecten studiefinanciering
3. Assistentenopleidingen mbo
4. Nieuwe voorzieningen PO, VO, BVE
5. Versterking handhaving leerplicht
6. Registratie IBG

Deze bedragen gaan grotendeels naar de lumpsum en de studiefinanciering. Een gedeelte is gereserveerd voor de
handhaving door de gemeente (nog afhankelijk van nader onderzoek dat reeds loopt en waarvan de eerste
resultaten in september worden verwacht).

Wet Voortgezet Onderwijs


Op 1 januari 2006 zijn de Wet Voortgezet Onderwijs en de WEB gewijzigd om meer ruimte te
scheppen voor samenwerking. Het volgende is nu mogelijk:
1. overdracht van bekostigingsmiddelen vo aan een bve-instelling bij tussentijdse overstap naar een
roc of aoc;
2. uitbesteding door de vo-school, waarbij (groepen) leerlingen voor een deel van de cursusduur ofwel
een gedeelte van het curriculum onderwijs ontvangen bij een andere school of bij een roc of aoc;
3. uitbesteding van de vo-school naar vavo: leerlingen volgen, met behoud van de
eindverantwoordelijkheid van de vo-school, het onderwijs binnen het vavo en doen daar ook het
examen.

De regeling kent wel een aantal strikte voorwaarden zoals het feit dat 50% van het curriculum bij de
VO school gevolgd moet worden.

Intake/loopbaanoriëntatie
Een groot deel van de uitval is te wijten aan een verkeerde beroepskeuze. Een goede (leer)
loopbaankeuze is dus belangrijk en een assessment bij de intake kan de beginsituatie goed in beeld
brengen, inclusief een inschatting van de mogelijkheid om de startkwalificatie te halen. Het IBO Bve
stelt dat naar analogie van de Cito-toets bij de overgang van po naar vo, een assessment een zelfde rol
kan vervullen bij de overgang van vmbo naar mbo. Een dergelijk assessment moet geen
toelatingsexamen worden maar dient een instrument te zijn dat competenties, wensen en potenties
vaststelt en op basis daarvan tot een adequaat leerloopbaanadvies komt voor de individuele deelnemer.
Het ministerie wil hierover in eerste instantie met de Bve Raad spreken. Duidelijk is o.a. door
onderzoek van dhr. Meijers (2006) dat motivatie toeneemt en uitval afneemt als een leerling over
loopbaancompententies en een arbeidsidentiteit beschikt. De leeromgeving (vooral vraaggestuurd
onderwijs met veel praktijk) kan hierbij een belangrijke rol spelen.

5
Meer zorg in mbo en betere aansluiting met vmbo
De nieuwe budgetten bieden de kans om het verschil in zorgmogelijkheden tussen vmbo en mbo weg te
werken. Succesvolle projecten op dit terrein kunnen daarmee worden geïntensiveerd. Er is vooral veel
winst te halen uit het verder uitbouwen van doorlopende leerlijnen (met aandacht voor
loopbaanbegeleiding) en zorglijnen. Het ministerie wil huidige succesvolle, experimentele programma’s
formaliseren en vooral vmbo-scholen meer ruimte geven om het eigen onderwijsaanbod te bepalen. Het
vmbo krijgt op termijn een zorgplicht bij de overdracht naar het mbo.

Extra middelen:
2006 2007 2008 2009 2010 ev
mln. euro’s
IBO bve 28 60 60 60 60

Deze middelen zijn bestemd voor:


- Gelijktrekken bekostiging zorgleerlingen mbo met zorgleerlingen vo (lwoo’ers). Deze middelen worden in 2006
via de verdeelsystematiek van het VOA-budget toegekend.

Herijking zorg in po en vo
De minister van OCW heeft de Kamer aangekondigd om voor de zomervakantie plannen te presenteren
die de extra zorgvoorzieningen in het po en vo meer transparant en minder bureaucratisch maken. De
school waar ouders hun kind aanmelden wordt verantwoordelijk voor het bieden van de juiste opleiding
en zorg, zo nodig in overleg met een andere school. Over de consequenties hiervan wordt op dit moment
intensief gediscussieerd door alle betrokkenen. Voor de Bve Raad is van belang op grond van welke
principes de overheid extra zorg wil verlenen en hoe vervolgens dit extra budget onder de scholen
wordt verdeeld. Dit zou ook gevolgen kunnen hebben voor de bve-sector. De gevolgen voor het po en vo
zelf kunnen zeer groot zijn, bijvoorbeeld in de vorm van fusies dan wel sluitende afspraken rond de
zorgplicht met o.a. de scholen voor speciaal onderwijs.

(uit de notitie : Ruimte voor een regionale sluitende aanpak)

6
3. Samen moet je verder

Om de genoemde ontwikkelingen goed vorm te geven is een proces nodig van zoeken naar nieuwe
vormen van samenwerking. Dit zal niet vanzelf gaan en dit zal ook niet overal even snel gaan. Daarom
stellen de onderwijsorganisaties in hun notitie: ”Kaders voor flexibele leerlingenzorg” voor een
groeimodel te volgen.

Op het punt van samenwerking wordt gestart vanuit de bestaande situatie. Er wordt aangesloten bij
bestaande vormen van samenwerking. Er gebeurt al veel op het gebied van samenwerking tussen primair
onderwijs, voortgezet onderwijs, BVE-onderwijs en speciaal onderwijs. Ook vormen van samenwerking
met Jeugdzorg en gemeenten komen in toenemende mate voor. Regio’s waar schoolbesturen elkaar
gevonden hebben, kunnen die samenwerking voortzetten. Er wordt niet voorgeschreven wie met wie
moet samenwerken of hoe die samenwerking er uit moet zien. Wel wordt invloed uitgeoefend als blijkt
dat er geen landelijk dekkend netwerk ontstaat, als regio’s onvoldoende herkenbaar zijn of als
schoolbesturen niet tot samenwerking komen. Uit de gesprekken met de scholen is gebleken dat de
bestaande zorgstructuur in het vo de laatste jaren aanzienlijk is gegroeid. Ook in het roc is een
duidelijke behoefte aan een uitbreiding van de zorgstructuur. De samenwerkingsverbanden vo hebben
een duidelijke rol gespeeld in de ontwikkelingen binnen het vo. In sommige plaatsen zien we nu ook het
roc aanschuiven. Juist de nieuwe regelgeving kan een impuls betekenen voor de samenwerking . Pas dan
werken we aan een doorlopend traject. Doorlopende leerlijnen. Doorlopende zorglijnen.

7
4. Landelijke ontwikkelingen rond risicoleerlingen

De landelijk ontwikkelingen hebben natuurlijk invloed op de ontwikkelingen in de scholen. Hoewel de


wetgeving rond de zorgplicht nog niet besloten is zien de scholen hierin wel een voortzetting van de
trend dat de verantwoordelijkheid voor risicoleerlingen verder gaat dan de eigen school. Binnen de
regio moeten er afspraken worden gemaakt om schooluitval te voorkomen. Het is niet alleeen de zorg
die centraal staat in de doorgaande zorglijnen. Naast de zorginspanningen en samenwerking op dit
terrein zien we ook andere ontwikkelingen die bedoeld zij voor risicoleerlingen. Door bij deze
ontwikkelingen aan te sluiten wordt voor zorgleerlingen de kans op voortijdig schoolverlaten verkleind.
Hieronder volgt een beschrijving van een aantal van deze ontwikkelingen

Maatwerk
De "Kadernotitie risicoleerlingen 2004" bevat een overzicht van alle mogelijkheden voor maatwerk en
de daarbij te stellen kaders voor mbo en voor het vmbo.
Maatwerk speelt zich vooral af aan de ‘onderkant’ van het kwalificatiegebouw, in roc en aoc in
samenwerking met scholen voor vmbo en in toenemende mate ook binnen het vmbo. Juist hier is ook
grote behoefte aan ruimte voor innovatie om aan de veranderende en steeds complexere leerbehoeften
van risicoleerlingen te kunnen voldoen binnen een maatschappelijke en economische context die
voortdurend in beweging is. Het kunnen leveren van maatwerk vereist duidelijkheid in de te verlenen
zorg en (extra) begeleiding aan leerlingen. De overgang van vmbo naar mbo moet geen barrière vormen
voor het leveren van maatwerk. Bij het ontwikkelen van maatwerk voor individuele leerlingen is het van
belang aandacht te schenken aan doorlopende zorglijnen.

Regionale arrangementen
In een regionaal arrangement worden er afspraken gemaakt tussen vmbo-scholen voor een periode van
vijf jaar. Een regionaal arrangement heeft in de eerste plaats betrekking op de infrastructuur van het
vmbo (welke leerwegen, sectoren, afdelingen en programma’s worden waar gegeven). Daarnaast kunnen
in een regionaal arrangement afspraken gemaakt worden over tal van andere zaken. Voorbeelden
daarvan zijn de ‘warme overdracht’ van vmbo naar mbo en de vormgeving van de zorgstructuur.
Soms is dit zelfs één van de aanleidingen om te komen tot een regionaal arrangement.
In het kader van doorlopende zorglijnen is vooral van belang dat, wanneer scholen deelnemen aan een
regionaal arrangement, de samenwerking tussen die scholen intensiveert. Dit komt tot uiting in een
intensivering van de onderlinge communicatie en het gezamenlijk ontwikkelen van een visie op vmbo en
mbo.
Voor de toekomst geldt dat er kwalitatieve eisen gesteld zullen gaan worden aan de
samenwerkingsovereenkomsten. Dit houdt o.a. in dat in de visie van de regio kaders gesteld worden
voor doorlopende leerlijnen, de arbeidsmarkt en zorgstructuur binnen de desbetreffende regio.
Hierbij kan ook gesproken worden over het ontwikkelen van doorlopende zorglijnen.

Nadruk op sociale vaardigheden


Binnen het vmbo is er aandacht voor drie ontwikkelingsthema’s: de beroepsvoorbereiding, de
persoonlijke ontwikkeling en de maatschappelijke voorbereiding. Het is van belang om leerlingen vanaf
hun instroom in het vmbo te laten werken aan het ontwikkelen van sociale vaardigheden. Deze lijn moet
doorgezet worden in het mbo. Het bedrijfsleven vraagt steeds vaker om sociaal vaardige werknemers.
Wanneer leerlingen stagneren in hun ontwikkeling bij het aanleren van sociale vaardigheden verkleint
dit hun kansen op de (toekomstige) arbeidsmarkt. Ondersteuning en begeleiding in het ontwikkelen van
sociale vaardigheden in een continu proces is van groot belang voor het bereiken van een optimaal
resultaat. Leerlingen die op dit gebied extra ondersteuning nodig hebben moeten geen hinder
ondervinden van de overgang van vmbo naar mbo, bijvoorbeeld doordat de ondersteuningsnoodzaak daar
niet bekend is. Het creëren van doorlopende zorglijnen kan stagnatie voorkomen.

8
Warme overdracht
Over het thema warme overdracht is nog maar bijzonder weinig informatie voorhanden. Het is voor
scholen nog vaak een bewust gekozen schemergebied. Er bestaat ook weinig eenduidigheid over de
inhoud van warme overdracht. Wel zijn scholen het met elkaar eens dat het bij warme overdracht
vooral gaat om mondelinge begeleiding van leerlingen die de stap van de ene naar de andere
onderwijsvorm maken.
Of het bij deze mondelinge begeleiding gaat om 'een gesprek waarin meerdere leerlingen besproken
worden' of om 'de overdracht van een dossier met toelichting' verschilt per school. In alle gevallen
gaat het om het doorgeven van informatie die moeilijk te beschrijven is. Althans, het wordt als lastig
ervaren. Of het echt zo moeilijk is, dat is ook afhankelijk van een aantal andere factoren, o.a.:
• het beleid rondom de wet op de privacy
• onduidelijkheid over logistiek rondom informatiestromen
• personeelswisselingen

Cruciaal voor een warme overdracht is dat er daadwerkelijke belangstelling en betrokkenheid getoond
wordt van degene die een leerling aanneemt en van degenen die de leerling verder gaan begeleiden of
coachen, zowel binnen als buiten de onderwijsinstelling (stagebedrijven). Er wordt gekeken naar meer
dan programmatische aansluiting, cijfermateriaal en noodzakelijke medische gegevens. Bij al deze
overgangsvormen speelt een goede communicatie een grote rol. Communicatie staat of valt met de wil
om naar elkaar te luisteren, open te staan voor elkaar. Uit interviews blijkt dat dit vaak nog een teer
punt is. Bovendien is persoonlijk contact daarbij noodzakelijk. Op papier informatie overdragen wordt
heel anders ervaren dan dat men daadwerkelijk bij elkaar aan tafel zit om met een gezamenlijk belang
de leerlinginformatie bespreken.Ook de fysieke afstand tussen scholen, sectoren of afdelingen is
bepalend hierbij. Wanneer vmbo en mbo in één gebouw gehuisvest zijn, blijken er grote voordelen te
behalen bij een overdracht. Dit is echter geen vanzelfsprekendheid, nog steeds is een combinatie van
factoren doorslaggevend voor een succesvolle overdracht.

De centrale vraag is hoe onderwijskundig relevante informatie zo efficiënt mogelijk overgedragen kan
worden. Vragen die daarbij zoal aan de orde komen zijn: welke hulpmiddelen worden daarvoor gebruikt?
Welke begeleidingslijnen zijn van belang? Hoe ziet de leerling zijn eigen toekomst?

Beroepskolom
De Nederlandse arbeidsmarkt schreeuwt om meer en beter opgeleide vakmensen. Vrijwel iedere
branche kampt met tekorten, alle imagocampagnes ten spijt. Het rendement van het beroepsonderwijs
moet daarom omhoog. Het uitvallen van leerlingen tijdens de opleiding moet verminderen. En minstens
net zo belangrijk: de doorstroom tussen vmbo en mbo en tussen mbo en hbo moet verbeteren. De route
van vmbo via mbo naar hbo heet de beroepsonderwijskolom, kortweg de beroepskolom. Het Ministerie
van OCW en het beroepsonderwijs zelf werken sinds enkele jaren aan een beter functionerende
beroepskolom. De vraag naar mensen met een hogere, praktijkgerichte opleiding neemt toe. Een
belangrijke oorzaak hiervan de is de opmars van de informatie- en communicatietechnologie (ict). Door
de grotere vraag is met name een gebrek ontstaan aan middelbaar en hoger opgeleide arbeidskrachten.
Onderzoek wijst uit dat het aantal leerlingen dat van havo en vwo overstapt naar hbo niet meer zal
stijgen. De groei moet dus komen uit een betere doorstroom binnen de beroepskolom: van vmbo naar
mbo en van mbo naar hbo. Maar teveel leerlingen in de beroepskolom vallen tijdens hun studie uit of
kiezen niet voor een vervolgopleiding. De aansluiting tussen de verschillende schooltypen functioneert
vaak gebrekkig. Een leerling die bijvoorbeeld van vmbo naar mbo overstapt, betreedt een heel nieuwe
wereld. Met andere vakken, andere pedagogische uitgangspunten en een compleet andere sfeer. Ook de
flexibiliteit, het maatwerk en de doorzichtigheid van het aanbod aan opleidingen moeten nog beter in
het beroepsonderwijs. Net zoals de aansluiting met de arbeidsmarkt.
Aandacht voor een betere doorstroming van vmbo naar mbo naar hbo biedt kansen om tegelijkertijd
doorlopende zorglijnen vorm te geven.

9
Portfolio
Een portfolio is een persoonlijk dossier met inventarisatie van persoonlijke competenties, onderbouwd
met bewijzen, gerelateerd aan een standaard en voorzien van een persoonlijke ontwikkelplan.
Allerwegen wordt het portfolio beschouwd als een instrument dat bij uitstek geschikt kan zijn voor de
beschrijving en waardering van verworven kwalificaties en competenties en als overdrachtsinstrument
tussen vmbo-scholen en ROC’s.
In de ontwikkeling naar individualisering van leerwegen, neemt het instrument ‘portfolio’ een
belangrijke plaats in. De belangstelling voor portfolio’s in het onderwijs neemt niet voor niks toe. Een
portfolio geeft namelijk niet alleen inzicht in capaciteiten, maar kan ook een ontwikkelingslijn en
daarmee het potentieel van mensen weergeven. In een portfolio worden de kwaliteiten van mensen
herkenbaar. Het gaat uit van een ontwikkelingsperspectief en daagt mensen uit verantwoordelijkheid
te nemen voor het eigen leer- en loopbaanproces.

Ervaringen uit recente portfolioprojecten hebben ons geleerd wat de opbrengst van portfolio kan zijn
voor de leerling en de school. Vanuit diverse EVC-projecten weten we dat met behulp van het portfolio
de beginsituatie van een leerling optimaal in beeld kan worden gebracht. Op basis van de zogenaamde
herkenningsfase kunnen er individuele maatwerktrajecten op basis van de intake worden georganiseerd.
Het portfolio wordt gebruikt als voortraject voor erkennen van ervaringen. Maar het portfolio kan veel
breder worden ingezet, bijvoorbeeld als middel tot sturing van leer- en loopbaanprocessen of het
herkennen en ontwikkelen van competenties op specifiek gebied. Mede dank zij het portfolio werden de
leerlingen zich bewust van het feit wat er van belang is in de opleiding. Met behulp van het portfolio
kan er goed gecommuniceerd worden tussen leerlingen, begeleiders en ouders. Door in het portfolio ook
ruimte te creëren voor het beschrijven van het begeleidingsproces (eventueel extra zorg) biedt het
portfolio ook mogelijkheden om aandacht te schenken aan doorlopende zorglijnen.

Zelfevaluatiekader
Met een zelfevaluatie-kader kunnen scholen en samenwerkingsverbanden hun eigen kwaliteit van
leerlingenzorg in kaart brengen en snel zicht krijgen op:
• de kwaliteit van de leerlingenzorg op school;
• hoe managers, docenten, ouders en leerlingen daar tegenaan kijken;
• wat de school moet oppakken om de leerlingenzorg te verbeteren.

Het zelfevaluatiekader scherpt de visie, levert een door de school zelf opgestelde ontwikkelagenda op
en leert scholen gerichter sturen met zorgmiddelen. Door het toepassen van een zelfevaluatiekader
kan een schoolinzichtelijk maken hoe het met de doorlopende zorglijnen gesteld is en welke
verbeteringen daarin nodig zijn.

Digitale overdracht leerlingeninformatie


Het Digitale Overdracht Dossier maakt digitale overdracht van leerlinggegevens tussen de
administratieve systemen binnen en tussen scholen in basis- en voortgezet onderwijs mogelijk. Het
opstellen én opslaan van het Onderwijskundig Rapport wordt hierdoor in hoge mate geautomatiseerd.
De overdracht van leerlinggegevens wordt zo makkelijker en betrouwbaarder en blijft binnen de regels
van de Wet Bescherming Persoonsgegevens. Het digitaal toegankelijk maken van leerlinggegevens biedt
veel mogelijkheden om zicht te krijgen op doorlopende zorglijnen en deze te creëren.

10
5. Praktijkvoorbeelden

We hebben met een aantal scholen en samenwerkingsverbanden contact gehad in het kader van de
doorlopende zorglijn. We hebben gemerkt dat er op de verschillende scholen en instellingen veel
ontwikkeld is en nog wordt rond zorg , maar dat de overstap van de leerlingen nog steeds een zorgpunt
is. Binnen het vmbo is de zorgstructuur steeds beter geregeld. Bij lwoo leerlingen is in groeiende mate
sprake van een handelingsplan ( wettelijk verplicht) Bij de roc’s zien we steeds vaker een zorgstructuur
ontstaan, soms te vergelijken met de zorgstructuur in het vmbo. Dat biedt dus perspectief voor een
warme overdracht. In de praktijk werkt het echter niet zo. De informatie van de leerling over de
leerlijn komt redelijk goed over. Er wordt steeds vaker gewerkt met een portfolio of een talenten map.
Maar met de zorgoverdracht is nog veel te winnen. Uit de gesprekken met de scholen is gebleken dat
men een onderscheid maakt tussen groepen leerlingen:
• reguliere leerlingen
• leerlingen met een lwoo beschikking
• leerlingen met een specifieke zorgvraag ( lwoo, rugzak)
• risicoleerlingen

De meest voorkomende overdracht is een informatieformulier van het roc naar de scholen voor vmbo.
Er wordt informatie gevraagd over de leerprestaties, de inzet, de resultaten, de zorgvraag.
In de volgende portretten wordt de zoektocht van scholen naar een zo optimaal mogelijke
zorgaansluitin weergeven. Het zijn geen ideaalbeelden maar een weergave van de dagelijkse praktijk.

Groningen: Simon van Hasseltschool


De voormalige Simon van Hasseltschool was tot 2002 een school voor vso-lom school in Groningen en is
momenteel een afdeling en zelfstandige locatie/lesplek leerwegondersteunend onderwijs van het
Reitdiepcollege waar de lwoo leerlingen worden opgevangen.. Daarnaast heeft de locatie een
bovenschoolse functie als OPDC voor het Openbaar onderwijs in de stad Groningen.
Op de locatie zitten lwoo-geïndiceerde leerlingen die één á twee jaar intensief worden begeleid en
daarna worden teruggeschakeld naar het Voortgezet Onderwijs.
Op basis van een onderwijskundige en pedagogisch-didactische analyse wordt de benodigde zorg
nauwkeurig in kaart gebracht en wordt vervolgens een individueel handelingsplan vastgesteld en
uitgevoerd. Het docententeam werkt zeer handelingsgericht. Wekelijks worden in het Zorg
Adviesteam (ZAT) individuele leerlingen doorgesproken en vervolgacties afgesproken en uitgevoerd.
Bij 90 % van de leerlingen lukt het om de leerlingen weer te (terug) te schakelen naar de 2e klas vmbo
of 3e klas vmbo. In de 10 % van de situaties, waar het risico van terugval van de (ook vaak iets oudere
leerlingen) te hoog is worden geplaatst in een “Trajectgroep”. Leerlingen in deze “Trajectgroep lopen
drie dagen stage en worden begeleid door een stagecoördinator en twee mentoren. Ervaringen leren
dat deze groep leerlingen meestal nog geen bewuste beroepskeuze heeft gemaakt en behoefte heeft
aan stageplekken die veelal liggen in de Zorg en Dienstverlenende sector.

Aansluiting vmbo-zorg op het mbo


De school probeert via de “Trajectgroep”de leerlingen door te laten stromen naar de zogenaamde AKA-
MBO opleidingen van het Alfa-college (“Doorstart”) of Noorderpoortcollege (“Werkwijs”) in de stad
Groningen. Dit zijn sectoroverstijgende mbo opleidingen op niveau 1 waar leerlingen op maat onderwijs
krijgen en zich oriënteren op leren en werken in de diverse sectoren. De leerlingen worden - indien
mogelijk- zo gauw mogelijk doorgeschakeld naar een beroepsopleiding op niveau 2 van het mbo.
Er zijn met het mbo afspraken gemaakt om de “Trajectgroep-leerlingen” op basis van wederzijdse
ervaringen in de Trajectgroep en de AKA werkwijze. Gezamenlijk uitgangspunt is om maatwerk naar de
leerling te leveren en vooral de leerling op tijd - dus als de leerling er aan toe is – de stap naar het mbo
te laten maken. Bij ernstige problemen met geschakelde leerlingen in het ROC kan een leerling tijdelijk
teruggeschakeld worden naar de zorglocatie.
11
Warme overdracht?
Van elke individuele leerling gaat een map met stageverslagen als een soort portfolio mee naar het mbo.
Naast de stageverslagen wordt het “zorgdossier” inclusief het handelingsplan overgedragen aan het
mbo. Bij deze overdracht vindt telefonisch overleg plaats tussen de stagecoördinator van de
“Trajectgroep” met de administratie van het roc. Begin oktober vraagt de stagecoördinator bij de
administratie van het roc na of de betreffende leerling de AKA-opleiding nog volgt, een andere
beroepsopleiding is gaan volgen of de school heeft verlaten. In december stuurt de stagecoördinator
een brief naar het roc met een herhaling van bovenstaande vragen.
De praktijk leert dat de roc`s niet goed in staat zijn om naar de school te terug koppelen welke
leerroute deze groep zorgleerlingen heeft doorlopen. Persoonlijke terugkoppeling door
mentor/stagecoördinator vanuit het roc met betrekking tot individuele leerlingen vindt alleen
incidenteel plaats op persoonlijke initiatief en persoonlijke betrokkenheid van een individuele docent,
mentor of functionaris.

Conclusie
De conclusie die getrokken kan worden is dat na een goede interne zorgaanpak in het vo en aansluitende
“trajectklas” van een “warme” overdracht bij de aansluiting met het vo-roc nog nauwelijks sprake is. De
samenwerking tussen vo en zeker vanuit de vo-zorglocaties met het mbo zou aanzienlijk kunnen en
moeten worden verbeterd.

Groningen Alfacollege
Het Alfacollege,een roc in Groningen heeft in de laatste jaren een duidelijk beleid ontwikkeld rond de
opvang en begeleiding van zorgleerlingen. Hiervoor is de Dienst Loopbaanexpertise (DLe) ingericht.
Vanuit deze dienst worden leerlingen geholpen met vragen of problemen. Er kunnen allerlei oorzaken
zijn waardoor leerlingen wat extra steun nodig hebben. Bij de DLe kunnen de leerlingen terecht met
vragen over opleidingen.,studie- en beroepskeuze, maar ook met specifieke zorgvragen. De DLe heeft
op alle locaties van het Alfacollege een basisteam , waarin één of meer loopbaanbegeleiders en
orthopedagogen zitten. De groepen leerlingen zijn niet te groot en worden begeleid door een
mentor/coach. Deze verzorgen de 1e lijnszorg. De mentor/coach kan met zijn vragen ook terecht bij
het zorgteam en kan leerlingen aandragen voor hulp. Ook de leerlingen kunnen zelf om hulp vragen.
Omdat de omslag van alleen doceren naar coachen toch wel een andere is, biedt het zorgteam o
verzoek ook begeleiding aan naar het team met coachings ondersteuning.
Er is regelmatig overkoepelend overleg. Daarnaast is er een Alfabreed zorgteam waarin ook externen,
als schoolarts, politie en maatschappelijk werk participeren.

Bij de overstap van leerlingen uit het vmbo naar het roc wordt uit de informatie van de scholen een
zorgleerling gehaald. Dit moet er dan wel uit te halen zijn. Vaak is dit niet het geval Op het Alfacollege
is met een aantal scholen en talentenmap ontwikkeld. Hierin is meer informatie opgenomen . Deze map
is met een beperkt aantal scholen ontwikkeld. De praktijk leert dat zelfs dan niet alle scholen gebruik
maken van deze map. Ook bij de intake komen problemen naar voren bij leerlingen. Ook deze worden
gemeld bij de DLe.
Daarnaast is er nog de categorie leerlingen waarvoor een rugzak moet worden aangevraagd.
En dan komen er natuurlijk tijdens het traject leerlingen naar voren die extra zorg nodig hebben. Deze
4 categorieën worden allemaal bij de start of bij de constatering voor een intake gevraagd bij de DLe.

Aan de hand van vragenlijst en een uitgebreide test wordt het loopbaanprofiel van de leerling in beeld
gebracht. Gekoppeld aan het loopbaanprofiel wordt ook de specifieke zorgvraag in beeld gebracht. Dit
kan zijn aan de hand van een test maar ook aan de hand van de informatie van de vmbo-school. Het
basisteam van de locatie bepreekt de uitkomsten van de test en de aanvullende gegevens met de
betreffende coaches en stelt samen met de coaches een behandeling voor.

12
Bij de regelmatige bespreking op de locatie komt de voortgang van de leerling aan de orde. Op het
centrale adres wordt de leerlingen administratie bijgehouden met wachtwoorden voor de gebruikers.
Als we kijken naar de warme overdracht is nog veel te winnen. De informatie die nu binnen komt is in
eerste instantie het inlichtingenformulier. Daarnaast wordt in een aantal gevallen nadere (telefonische)
informatie gevraagd van de toeleverende school. Van overdracht van bijvoorbeeld handelingsplannen is
nauwelijks of geen sprake. Wel is er in beperkte mate een coach/mentor contact met de mentor van de
afleverende vmbo-school over de aanpak van de leerling en ook zoekt de begeleider van de DLe contact
met de school om nadere gegevens te krijgen om het beeld van de leerling aan te vullen.

Prins Maurits College, Middelharnis


Het Prins Maurits College in Middelharnis is een middelgrote school die onderwijs aanbiedt van PRO-
onderwijs tot gymnasium. Effectieve zorg voor leerlingen staat bij deze school hoog op de
prioriteitenlijst. Zo heeft de school een geheel geautomatiseerde leerling volg systeem ontwikkeld
waar alle leerlingen vanaf de brugklas in gevolgd worden op intellectuele ontwikkeling en sociaal-
emotionele ontwikkeling.
Het zorgaanbod voor leerlingen op het VMBO op het Prins Maurits College is zo opgezet dat het
sluitend is met het onderwijsaanbod. De leerlingen worden zowel begeleid op sociaal-emotioneel gebied,
leerproblemen als beroepskeuzebegeleiding geïntegreerd binnen de stages en het klassikaal onderwijs.
Aan het eind van hun VMBO opleiding krijgen deze leerlingen een compleet dossier mee, met daarin een
compleet overzicht van het Leerling Volg Systeem en een compleet beroepsbeeld. In het beroepsbeeld
staat ook vermeld wat de mogelijkheden en onmogelijkheden zijn van de leerlingen, bijvoorbeeld door
de aanwezigheid van een stoornis of problemen.
Adam van Heest, sectordirecteur VMBO en portefeuille zorg, wil graag dat zijn leerlingen ook in het
vervolgonderwijs deze aandacht en begeleiding krijgen. Om dit te realiseren heeft hij geregeld contact
met de ROC’s waar zijn leerlingen heen gaan. En hier ligt, voor hem, al direct het eerste probleem. Het
aantal ROC’s waar de leerlingen van het Prins Maurits College heen gaan is groot en liggen erg
verspreid. Haast een onmogelijke taak om bij allen om de tafel te gaan zitten. Adam van Heest heeft
hierin vorig jaar het voortouw genomen om een aantal directieleden uit te nodigen voor een gesprek om
onderling af te stemmen en afspraken te maken. De bijeenkomst was positief, maar na het zetten van
de handtekening onder het convenant hebben de directies van de ROC’s er verder niets mee gedaan.
De school ziet dit als het gevolg van grote organisaties die de ROC tegenwoordig zijn. Daarnaast zijn
de meeste ROC’s onbekend met zorg voor zorgleerlingen en is er veel personeel die weinig persoonlijk
betrokken is bij hun leerlingen. Ook valt het op dat het personeel van de ROC’s niet goed weet wie de
taken heeft binnen het ROC om zorgleerlingen op te vangen. Regelmatig komt het voor dat bij
contactopname via de telefoon de mensen van het ROC de mensen van het vo van de een naar de ander
doorverwijzen en dat zij uiteindelijk nog niet de juiste persoon aan de lijn krijgen.

Veel leerlingen verdwijnen op dit moment in het schemergebied tussen het VMBO en de ROC’s. Dit vind
Adam van Heest erg jammer, zeker ook omdat hij met deze leerlingen binnen het VMBO zulke goede
resultaten behaalt. Warme overdracht van zorg zou zeker helpen maar is bij veel ROC’s niet mogelijk.
Bij de ROC’s waar het wel mogelijk is, blijf het bij incidenten waarbij de eerste aanzet van het contact
vaak bij het Prins Maurits College ligt.

Als er eenmaal persoonlijk contact is tussen het Prins Maurits College en het ROC dan gaat de
overdracht ook goed. Bij de ROC’s waar Adam van Heest en zijn collega geen persoonlijk contact
hebben zien zij weinig tot niets doen met de dossiers die hun leerlingen van het Prins Maurits College
meekrijgen. Zo moeten de leerlingen van het Prins Maurits die starten op een ROC weer opnieuw
deelnemen aan een beroepsbeeld test ondanks dat zij deze al op het vmbo hebben gedaan.

13
Om de bovenstaande problemen op te lossen, onderhoudt Adam van Heest op dit moment met zoveel
mogelijk mensen binnen het ROC contact om op deze manier toch te zorgen voor een warme overdracht
van gegevens en een netwerk op te bouwen. Dat dit geen oplossing is voor de langere termijn realiseert
Adam van Heest zich zeker, maar op deze manier kan hij er wel voor zorgen dat leerlingen de zorg en
de aandacht krijgen die ze nodig hebben.

Een werkelijk oplossing voor het probleem zou volgens Adam van Heest zijn als binnen de ROC’s
eenduidige zorgstructuren worden opgericht met elk een centraal aanspreekpunt voor zorgleerlingen.
Daarnaast zou er landelijk een soort onderwijskaart aangenomen dienen te worden die elke ROC
accepteert en die ingevuld wordt door het voortgezet onderwijs. Alleen op deze manier gaat er geen
informatie verloren en kan de zorg voor leerlingen doorgaan.

Assen, CS Vincent van Gogh


CS Vincent van Gogh is een brede scholengemeenschap, van lwoo tot en met gymnasium, in Assen. De
school heeft twee vestigingen. Eén vestiging voor de Havo- en VWO- leerlingen (Lariks) en één voor de
VMBO-leerlingen (Salland).

Vanaf de brugklas krijgt elke klas een mentor toegewezen. Het is de bedoeling dat deze mentor in
ieder geval gedurende twee jaar de klas begeleidt. De mentor is de spin in het web van de begeleiding.
De mentor onderhoudt uiteraard contact met de leerlingen o.a. tijdens de mentorlessen. Daarnaast is
de mentor aanspreekpunt voor ouders en sectorleiders. De begeleiding is aanvankelijk (brugklas)
gericht op met name het leren leren en het welbevinden van leerlingen. In de loop van de jaren richt de
klassikale begeleiding zich steeds meer op loopbaan- en keuzebegeleiding. Wel houdt de mantor ook
voortdurend de sociaal-emotionele ontwikkeling van de individuele leerlingen in de gaten. Dit gebeurt
door regelmatig gesprekjes met leerlingen te voeren.

Als een mentor problemen signaleert bij een leerling, of de leerling geeft zelf aan problemen te
hebben, gaat de mentor in eerste instantie met de leerling in gesprek. Wanneer de problemen te
complex zijn meldt de mentor(in overleg met de ouders) de leerling aan bij het zorgteam. Dit zorgteam
bestaat uit de sectorleider, de orthopedagoog en soms een externe deskundige. Het zorgteam
bespreekt de leerling en koppelt de bevindingen terug naar de mentor. Vervolgens wordt gepaste actie
ondernomen, wat wordt beschreven in een handelingsplan. De mentor stelt alle betrokken docenten op
de hoogte van het handelingsplan. Soms kan de hulp niet binnen school gegeven worden. Dan wordt,
weer in overleg met de ouders, contact gezocht met externe hulpverleners.
In de huidige situatie is het werken met handelingsplannen met name in de onderbouw goed
ingeburgerd. In de bovenbouw zou dit nog meer moeten gebeuren.

De overgang van leerlingen van VMBO naar MBO verloopt via een aantal stappen.
De leerlingen melden zich aan bij een MBO-opleiding. Op het aanmeldingsformulier vult de decaan
en/of de mentor een gedeelte in waar met name gevraagd wordt naar competenties van de leerling. De
leerling meldt zich vervolgens met zijn Talentenmap bij het MBO waar een intake-gesprek volgt. De
Talentenmap bevat informatie van en over de leerling zoals: cijferlijsten, persoonlijke gegevens, inhoud
van het portfolio, vakkenpakket etc. Op de inhoud van de portfolio kan een leerling zelf invloed
uitoefenen. Een leerling kan bijvoorbeeld gegevens van bijbaantjes, vrijwilligerswerk en andere zaken
opnemen.
Als er sprake is van een zorgleerling wordt op het aanmeldingsformulier door de decaan en/of mentor
aangegeven dat contact gewenst is. In de meeste gevallen neemt het MBO dan ook telefonisch contact
op met de school. Vanuit CS Vincent van Gogh streeft men naar een warme overdracht voor
zorgleerlingen.
Er is overleg tussen VMBO, MBO en RMC (zie hieronder) met betrekking tot zorgleerlingen. Vanuit het
VMBO onderhouden de decanen deze contacten.
14
Voordat een VMBO-leerling zijn diploma in ontvangst neemt vult hij een diplomakaart in. Hierop geeft
hij aan of en welke MBO-opleiding hij zal gaan volgen. Leerlingen die zich nog niet hebben ingeschreven
bij een vervolgopleiding worden door de mentor gevolgd tot de zomervakantie, door bijvoorbeeld af en
toe telefonisch contact te hebben met de leerling.

Assen, RMC (gemeente Assen).


Heeft een leerling zich in de zomervakantie nog niet aangemeld bij een MBO-opleiding dan neemt het
RMC de begeleiding over. RMC staat voor regionaal meld- en coördinatiepunt. Het RMC is een regionale
samenwerking tussen overheden, scholen en instellingen werkzaam op het terrein van
arbeidsvoorziening, onderwijs, justitie, jeugdhulpverlening en welzijn voor voortijdige schoolverlaters.
Het doel van deze samenwerking is jongeren te behoeden voor het voortijdig stoppen met school en ze
te stimuleren de juiste kwalificatie voor de arbeidsmarkt te behalen.

Het RMC zorgt ervoor dat je voor je 23e jaar over een zogenaamde startkwalificatie voor de
arbeidsmarkt beschikt. Met een startkwalificatie wordt bedoeld een HAVO-diploma of een MBO-
diploma op niveau twee. De school, ouders of verzorgers en de voortijdige schoolverlater zelf kan zich
aanmelden bij het RMC. Het meldingsformulier wordt binnen acht weken in behandeling genomen en aan
de hand daarvan wordt een vragenlijst toegestuurd. Nadat de vragenlijst ingevuld terug is ontvangen
wordt besloten of een afspraak wordt gemaakt voor een gesprek. Er zijn geen kosten aan deze dienst
verbonden.

Assen, Drenthe College


Als een leerling zich aanmeldt voor een opleiding op het Drenthe College dan vindt er een intake-
gesprek plaats. Op grond van dit gesprek wordt de leerling al dan niet aangenomen. Als op het
aanmeldingsformulier is aangegeven dat de toeleverende school contact nodig acht wordt hierop
ingegaan. Soms blijkt uit het gesprek of op grond van het aanmeldingsformulier dat er sprake is van
een zorgleerling. Dan volgt een verlengde intake door een medewerker van de Cursistenservice. De
Cursistenservice (CS) draagt zorg voor de 2e- en 3e-lijns begeleiding van cursisten op het Drenthe
College, ongeacht welke opleiding zij volgen.

Als de zorgleerling wordt aangenomen wordt een handelingsplan opgesteld. Vaak wordt de uitvoering
van dit handelingsplan begeleid door een ambulant begeleider. Soms vindt de begeleiding plaats door de
mentor van de leerling of door iemand van buiten de school. De ambulant begeleider voert regelmatig
overleg met de mentor. Van alle cursisten die extra zorg behoeven wordt een dossier aangelegd. Hierin
worden beschreven wat er in de docentenvergadering is besproken en ook welke contacten er zijn
geweest van de begeleider van de CS met de zorgleerling.

In de toekomst komt er meer verantwoordelijkheid voor de zorg aan cursisten komen te liggen bij de
mentor. Zij gaan naast 1e lijnszorg zich ook meer bezighouden met 2e lijnszorg. Waarschijnlijk wordt
aan elk cluster van opleidingen een medewerkers van CS toegevoegd die de mentoren bij deze 2e
lijnszorg gaat begeleiden. Daarnaast kan deze (voormalige) CS-medewerker ook zelf gerichte zorg
bieden aan cursisten binnen dat cluster.

15
6. Zorgcirkel

In onderstaande zorgcirkel wordt aangegeven hoe de doorgaande zorglijn in schema eruit zou kunnen
zien. Zoals de zorgstructuur in het vmbo is georganiseerd zou ook de zorgstructuur in het mbo
georganiseerd moeten zijn. De communicatielijnen lopen dan van zorgtean naar zorgunit.

Binnen het vmbo zijn globaal 3 hoofdgroepen m.b.t zorg te onderscheiden:


• speciaal onderwijs met een schakelfunctie naar het mbo
• vmbo met geïndiceerde lwoo leerlingen
• vmbo regulier

In het speciaal onderwijs en vmbo-lwoo gaat de zorgorganisatie veelal gericht uit van de geïndiceerde
leerling. Deze is daarom erg individueel en handelingsplan gericht. In het algemeen is het
begeleidings(zorg)systeem goed ontwikkeld, maar is er geen sterk verband met de
onderwijskundige(leer)resultaten. (cijfersysteem). De mentor speelt meestal een hoofdrol in het
zorgsysteem en een zorgteam ( met een breed team van externe deskundigen) dient als achtervang om
gecompliceerde individuele zorgproblematiek aan te pakken.
Op veel vmbo scholen vervult vanuit het speciaal onderwijs een ambulant begeleider een belangrijke rol
binnen het vmbo zorgsysteem als intermediair bij ernstige zorgproblematiek, ondersteuning van de
zorgcoördinator en mentoren.

De ontwikkeling van een zorgsysteem in de diverse units van het mbo staan nog in de kinderschoenen.
De zorgcirkel schetst een beeld hoe ook in het mbo per unit of locatie een goed zorgsysteem zou
kunnen worden opgezet.
Een goede samenwerking vmbo-mbo m.b.t. de zorg vanuit het diverse vmbo zorglocaties naar de diverse
units/locaties van het mbo vergen duidelijke communicatielijnen en een zorgsysteem, dat zowel binnen
het vmbo als mbo nier ver uit elkaar ligt.

Belangrijk is dat de bestaande vmbo samenwerkingsverbanden zorg worden uitgebreid met relevante
mbo scholen, zodat gezamenlijke beleidskeuzes en investeringskeuzes kunnen worden gemaakt.

MBO-zorg

zorgteam unit A
. zorgcoördinator Unit A Unit C
. mentor/coach Unit B Unit B Samenwerkings-
. maatschappelijk werk verband-
. leerplichtambtenaar . handelingsplan
. . zorgcoördinator . zorgdossier Zorg vmbo-mbo
. mentor/coach . beleidskeuzes
. ambulante beg. . portfolio . inzet middelen
. terugkoppeling
. zorgdossier leerroute
. portfolio
Zorgteam . terugkoppeling
. coördinator zorg leerroute Zorgteams vmbo
. maatschappelijk werk . zorg-coördinator
. psycholoog . ambulant begeleider zorg
. orthopedagoog . maatschappelijk werk
. leerplichtambt. . psycholoog
. leerplichtambtenaar
.. mentor
Zorg ll. Spec Vmbo-lwoo
. indicatie zorg . indicatie zorg Vmbo-regulier
. handelingsplan . handelingsplan . mentoren-team
. mentoren-team . mentoren-team . zorgcoördinator
. decaan

communicatie

Ambulante begeleiding

16
7. Conclusies en aanbevelingen

Vanuit de gesprekken met de scholen is een aantal aanbevelingen geformuleerd:

• Een werkelijk oplossing voor het aansluitingsprobleem kan zijn als binnen de ROC’s eenduidige
zorgstructuren worden ingericht met elk een centraal aanspreekpunt voor zorgleerlingen.

• Bij de invoering van het LWOO zijn onderwijskundige rapporten verplicht gesteld die meegaan met
de leerling bij de overgang van po naar vo. Dergelijk rapporten moeten ook worden ontwikkeld voor
de lwoo leerlingen bij de overgang van vo naar roc.

• Daarnaast is het verstandig het (laatste) handelingsplan van de leerling mee te geven.

• De zorg binnen het mbo dient meer handelingsplan-gerichter te worden. Dit geldt op niveau van de
docenten en zorgfunctionarissen. Scholing op de werkvloer is hiervoor noodzakelijk ;

• De ambulant begeleider vanuit het OPDC die een intermediaire, ondersteunende en scholende taak
heeft in het vo moet deze taak/functie ook in het mbo krijgen;

• Mbo scholen moeten de onderwijsroute die een zorgleerling in het mbo doorloopt adequaat
terugkoppelen aan het toeleverend vo. Hier dienen procedureafspraken over worden gemaakt.
Tevens scholing in handelingsplan gericht werken in het mbo voor docenten die betrokken zijn bij
deze zorgleerlingen;

• Vo en roc moeten een directe overlegstructuur mogelijk maken tussen een vaste zorgfunctionaris
in vo (bv. stagecoördinator en/of ambulant begeleider) en mbo-zorgcoördinator (bpv-
begeleider/zorgcoördinator/mentor.

• Ook het organiseren van een doorlopende/aansluitende stage/bpv plaats vo-zorg en mbo versterkt
de aansluiting.

• Bij de aanmelding van de leerling moet de school zoeken naar een mentor-mentor contact.
Uitwisselen van informatie kan dan via een korte directe lijn, eventueel via de email.

• Zorg dat de begeleidingsteams van het roc enkele keren per jaar aanschuiven bij het
samenwerkingsverband.

Aanbevelingen op gemeentelijk/landelijk niveau:


• De vo samenwerkingsverbanden in de zorg moet worden uitgebreid met het mbo of er moet een
gezamenlijk samenwerkingsverband vo-mbo zorg komen.

• Samenhangende visie op zorg vo-mbo in samenhang met zorginstellingen/hulpverlening definiëren


en hier financiering voor vrij maken.

• TOG (tijdelijk opvangvoorziening) mbo leerlingen zorg creëren.

• 15 jarigen eerder schakelen binnen volledige leerplichtige leeftijd.

17
Literatuurlijst

Berg van den, J., Kassenberg, A., Linders, W., et al. (2006). Feiten en meningen over het vmbo In:
Herpen van, K. en Zuylen, J. (red), VMBO-reeks nr. 37, Tilburg: Mesoconsult.

Hoek, A., Sol, V., Leeuw van der, M. & Slotboom, B. (2005) Aansluiting VMBO-MBO. Amersfoort: CPS.

A. M. Vliegenthart (Voorzitter Bve Raad )Servicedocument :Ruimte voor een regionale sluitende aanpak

Overleggroep Herijking zorg: Kaders voor flexibele leerlingenzorg


(Utrecht, 8 september 2005 )

Websites

http://www.minocw.nl/beroepskolom/

http://www.slo.nl/themas/00125/6a_Doorlopende_leer-_en_zorglijnen_vmbo-mbo.pdf/

18